| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1996 Bernard van der Wijck.pdf | 25.01.2004 | 162kB | - |
Bernard van der Wijck (1836-1925):
Wegbereider van het Nederlandse fin de siècle
Nog altijd schijnt de negentiende eeuw het stiefkind van de geschiedenis van de filosofie in Nederland. Het uiterst negatieve oordeel dat Sassen in 1947 velde over deze periode betrof met name de tweede helft van de eeuw. Konden denkers als Van Heusde en Opzoomer nog op enige belangstelling rekenen, hun opvolgers - we mogen hier denken aan het trio Van der Wijck, Land en Spruyt - kunnen in het beste geval worden getypeerd als schier vergeten overgangsfiguren tussen enerzijds de negentiende eeuwse generatie Opzoomer/Pierson, en anderzijds de vroeg-twintigste eeuwse generatie Heijmans/Bolland. Indien Sassen concludeert dat denkers van formaat niet meer werden gehoord in Nederland; dat filosofen er onvoldoende in slaagden hun verhouding tot de exacte wetenschappen te herijken; dat zij geen maatschappelijke rol van betekenis speelden; en dat de filosofie zich vooral handhaafde als een privilege van de upper ten; dan doelt hij met name op deze laat-negentiende eeuwse 'overgangsfilosofen': "Zij schreven voor zich zelf en voor enkele geestverwanten, en al uitte de botsing hunner ideeën zich vaak in felle en hartstochtelijke vormen, toch trok ook deze buiten de deelnemers en hun aanhang nauwelijks de aandacht".
Het zou wat al te eenvoudig zijn deze filosofen exclusief verantwoordelijk te stellen voor het peil van het wijsgerig leven in Nederland - als vakgebied was de wijsbegeerte aan de universiteiten steeds verder in het slop geraakt. Het Academisch Statuut van 1815 verplichtte studies in de letteren en de wis- en natuurkunde tot een algemene propedeuse waarin een 'encyclopaedie der philosophie' was opgenomen. Van de afgestudeerde letterenstudent werd verwacht dat hij een examen had gedaan in de antieke wijsbegeerte, en aankomende wis en natuurkundigen behoefden slechts colleges te volgen waarin een algemene geschiedenis van de filosofie werd gedoceerd. In het beste geval kon een student kennis nemen van de 'bovennatuurkunde', de 'zedelijke wijsbegeerte' (beide verplicht binnen de theologische opleiding) en het natuurrecht (een verplicht vak voor juristen). De filosoof Jacob Nieuwenhuis merkte in dit verband mismoedig op dat de wijsbegeerte ten slotte 'beroofd en verminkt eene gastvrije schuilplaats' kon vinden in de faculteiten der letteren en rechten.
Maar ook onder studenten bestond weinig belangstelling voor de wijsbegeerte.
Niet-verplichte colleges werden nauwelijks tot niet gevolgd en het Latijn -
de voorgeschreven taal van de filosofie - schrikte velen af. Deze situatie
verbeterde zich kortstondig toen het Nederlands werd ingevoerd als voertaal,
eerst door Opzoomer (in 1846 te Utrecht), en later ook door zijn leerling Van
der Wijck (in 1863 te Groningen). Maar na deze euforie verslechterde de situatie
opnieuw omdat, om Sassen te citeren, 'de onverschilligheid het weer spoedig
won van de sensatie'. Het succes van de natuurwetenschappen had de bespiegelende
wijsbegeerte steeds meer ineen doen schrompelen en haar gedegradeerd tot 'slippendrager'
(Feyerabend) van de wetenschap. Vanuit het gezichtspunt van het moderne empirisme
was filosofie niet langer een noodzakelijke discipline. In de negentiende eeuw
bleek de filosofie allereerst een vriendelijke vorm van sociabiliteit, 'een
vak van weelde' (Sassen). Slechts die hoogleraren boekten enig succes die er
dankzij hun persoonlijke geestdrift in slaagden hun toehoorders die 'weelde'
ook daadwerkelijk te doen voelen.
Het wijsgerig onderwijs aan de faculteiten was vooral in handen van classici
die vanuit de aard van hun discipline weinig voeling hadden met actuele problemen
of culturele ontwikkelingen. Nederlandse filosofen borduurden losjes voort
op de erfenis van de achttiende eeuw: een vlak common-sense denken, gecombineerd
met een verinnerlijkte fysicotheologie - we zouden hier tevens kunnen spreken
van een wat onbestemd romantisch denken zonder al te veel oog voor samenhang,
consistentie en praktische consequenties. Het is dan ook niet verwonderlijk
dat bepruikte romantici als Frans Hemsterhuis hun schaduw vooruit wierpen
tot ver in de negentiende eeuw.
Tussen 1870 en 1900 was van stelselvorming of wezenlijke verdieping van wijsgerige of politieke programma's nauwelijks sprake. Het empirisme van Opzoomer bevond zich in een diepe crisis en een alternatief diende zich vooralsnog niet aan. Eerst omstreeks 1900 treden afgeronde wijsgerige stelsels weer op de voorgrond: Heijmans introduceert te Groningen zijn psychisch monisme, en in Leiden ontwerpt de hegeliaan Gerard Bolland zijn zuivere rede. Indien we het wijsgerig leven beschouwen vanuit stromingen en stelsels - een opzet die Sassen prefereerde - dan steekt de tweede helft van de negentiende eeuw inderdaad magertjes af tegen de haar begrenzende periodes. In het beste geval kunnen we Van der Wijck, Land en Spruyt dan bestempelen als voorlopers van het latere neo-kantianisme omdat zij allen een eigenzinnig criticisme verwoordden en aan Kant een belangrijke rol in de geschiedenis van de filosofie toekenden. In deze voordracht wil ik een poging doen het werk van een van deze 'overgangsfilosofen' - de Groningse filosoof Van der Wijck - in zichzelf te beoordelen vanuit een ander perspectief: in zijn werk komen twee afzonderlijke wijsgerige tradities samen, een academische en en non-academische, die worden geïntegreerd in een praktische 'wellevensconste'. Juist het formuleren van een praktische levensleer gaf de wijsbegeerte weer enige relevantie in het fin de siecle. De verzoening van beide tradities, zoals geschiedt bij Van der Wijck, is van cruciaal belang voor een goed begrip van de opkomst van idealistisch-wijsgerige systemen omstreeks 1900, zoals het psychisch monisme en de zuivere rede.
het empirisme voorbij
Zonder twijfel domineerde Opzoomers scientisme de academisch filosofie in het
derde kwart van de negentiende eeuw. Diens aanval op de bespiegelende wijsbegeerte
resulteerde in een pleidooi voor de methode van de natuurwetenschap. Opzoomers
rationalisme was niet minder optimistisch of religieus van aard als dat van
Van Heusde, maar zijn empirisme was de laatste strohalm waaraan een filosoof
zich kon vastklampen bij de triomfen van de natuurwetenschap. In 1863 werd
zijn leerling, jonkheer Bernard Hendrik Cornelis Karel van der Wijck (1836-1925)
- een typische vertegenwoordiger van de 'upper ten' - benoemd tot hoogleraar
in de wijsbegeerte te Groningen. Van der Wijck volgde hier de ex-Augustijner
monnik Frederik Christiaen de Greuve op, een typische theoloog-filosoof die
weinig voeling had met de wijsgerige en wetenschappelijke vernieuwingen van
zijn dagen. Van Opzoomer erfde Van der Wijck niet alleen het empirisme, maar
ook de overtuiging dat het Nederlands de taal is waarin gefilosofeerd dient
te worden. Te Groningen bleek hij de eerste filosoof die zijn oratie in het
Nederlands hield. Net als Opzoomer kon hij daarom in de eerste jaren beschikken
over een omvangrijk gehoor. In zijn inaugurele rede, De oorsprong en de grenzen
der kennis (Groningen 1863) verdedigde hij nog het empirisme van zijn leermeester.
Echter onder druk van critici, waaronder Land en Spruyt, zwakte hij zijn
empirisme af en gaf in zijn geschrift De wijsbegeerte der ervaring verdedigd
(Groningen 1871) schoorvoetend toe dat er elementen in onze kennis bestaan
die geen empirische oorsprong verraden. Een jaar later ziet de filosoof zich
gedwongen openingen te maken naar de metafysica. In zijn studie Zielkunde
(Groningen 1872) verlaat hij het zuivere empirisme en bepleit hij een proto-Heijmansiaans
en idealistisch monisme: hersenstof (materie) en bewustzijn (geest) zijn
verschillende aspecten van een en hetzelfde al-ene. Geleidelijk maakt Van
der Wijck zich losser van het positivisme en scientisme van Opzoomer en komt
hij tot een empirisch gekleurd en concreet idealisme. In 1913 stelde Julius
de Boer retrospectief vast dat Van der Wijck in deze periode nauwgezet de
'enge grenzen' aftastte van het empirisme, met als doel haar te verruimen,
te verbreden en te bevrijden. Zijn geschriften uit de jaren zeventig staan
dan ook in het teken van het oprekken der grenzen van het empirisme. Van
der Wijcks lofrede op het leven en werk van Spinoza, gepubliceerd in 1877,
mag daarvan een zichtbaar bewijs worden genoemd. Het is dit geschrift waaraan
ik meer aandacht wil schenken. Bovendien is 1877 het jaar waarin hoogleraren
- ook Land schreef over Spinoza - zich expliciet uitlaten over Spinoza. Tot
die tijd werd Spinoza gemonopoliseerd buiten de universiteiten en geweerd
uit de faculteiten. Maar wat verstaan we eigenlijk onder de buiten of niet-academische
wijsbegeerte?
niet-academische wijsbegeerte
In januari 1878 publiceerde de Leidse filosoof Jan Pieter Nicolaas Land (1834-1897)
in het Engelse tijdschrift Mind een artikel over het filosofische leven in
Nederland. Hierin verwerkte hij tevens recente ontwikkelingen en wees hij
op het bestaan van buitenacademische filosofen als de spinozist Johannes
van Vloten, de heterodoxe publicist Petrus van Limburg Brouwer en ten slotte
de secularisten rondom het tijdschrift De Dageraad. In deze vrijdenkerskringen
gedijde een spinozistisch gekleurd naturalisme dat tevens gehuldigd werd
als een correctie op de denkbeelden van Kant. De problematische verhouding
tussen Kants subject en object - de opvatting dat we slechts uitspraken kunnen
doen over verschijnselen die we waarnemen en dienen te zwijgen over dat wat
achter de verschijnselen schuilgaat ('Das Ding an sich') - had menig Nederlands
filosoof, in het kielzog van Johan Kinker, geïnspireerd tot een speurtocht
naar de overbrugging van die kloof. Maar belangrijker was toch dat deze vrijdenkers
zochten naar een vervanging van het christendom. Kennis van de evolutieleer,
de opkomende vergelijkende studie van godsdiensten, en de bekoring van de
Indische wildernis had in Nederland geleid tot een heterodox klimaat waarin
zowel theosofen als atheïsten en deterministen van leer trokken tegen
het 'oude' christendom. In uiteenlopende, nieuwe tijdschriften als De Dageraad,
De Verzamelaar, De Omnibus, De Nederlandsche Spectator, De Levensbode en
De Humanist (maar uiteraard ook De Gids) treft men heterodoxe bespiegelingen
aan die vooral tot doel hadden de onhoudbaarheid te bewijzen van alledaagse
opvattingen omtrent de menselijke natuur en de vanzelfsprekende godsdienstige
waarheden. Deze bladen gaven uitdrukking aan een vitaal secularisme, geworteld
in een stedelijke, seculiere intelligentsia.
Hier werd geklaagd over de pretenties van het naakte empirisme, over de verafgoding
die Kant ten beurt viel, en werd gesteld dat men ook middels a-prioristische
bespiegelingen wetenschappelijke zekerheid kon verkrijgen. Niet alleen de ervaring
verschaft kennis en inzicht, maar ook het 'afgetrokken denken' biedt ons wetenschappelijke
zekerheid omtrent de werkelijkheid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Spinoza
in dit klimaat floreerde: de ervaring biedt ons slechts kennis der verschijnselen
['natura naturata'] terwijl het denken tevens de mogelijkheid biedt kennis
te nemen van het geheel ['natura naturans']. De natuurwetenschap zou zich louter
beperken tot verschijnselen, waardoor het zicht op een al-enige en ongedeelde
werkelijkheid steeds verder uit het oog verdween. Deze vrijdenkers voelden
zich vervreemd, zij kritiseerden het atomistische en mechanische wereldbeeld
en bepleitten een ongedeelde, monistische wereldbeschouwing.
Dankzij antropologische studies en Darwins evolutionisme konden vrijdenkers wijzen op de historische ontwikkeling die de verschillende religies hadden doorgemaakt. Bovendien hadden 'Dageraadsmannen' als Franz Junghuhn, Rudolph Charles D'Ablaing van Giessenburg en Multatuli geruime tijd in Nederlands-Indie doorgebracht en uitvoerig over het monisme der natuurreligies geschreven. In Delft en Leiden spande Pieter Johannes Veth zich in onze kennis van Indie te populariseren , en ook Land - de opvolger van Veth in 1864 aan het Amsterdams Atheneum - richtte zich als orientalist op Oosterse talen, het boeddhisme en de Islam. Met de hulp van Spinoza werd dit naturalisme steeds meer verinnerlijkt, het transcendentale christendom uitgehold, en kon men in deze kring het eerste Nederlandse seculier-humanistische programma formuleren.
nieuwe media
Als Sassen stelt dat negentiende eeuwse filosofen weliswaar gepassioneerd,
maar 'vooral voor zichzelf en een handjevol geestverwanten' schreven dan
heeft hij zeker geen ongelijk. Het meest opvallende aspect van het wijsgerig
leven in de negentiende eeuw is immers de afwezigheid van een exclusief filosofisch
medium. Nederland kende geen zuiver-filosofisch tijdschrift. Theoretische
en abstract-filosofische vraagstukken lagen niet goed bij het publiek. Filosofen
beperkten zich vooral tot boeken en brochures. Maar daarnaast floreerde het
'algemeen-culturele' tijdschrift waarin ook de filosofie kon figureren bij
afwezigheid van een eigen medium. Publiceren in dergelijke tijdschriften
had consequenties voor de schrijvende filosoof. Eclecticisme, of 'mengelwerk'
had de voorkeur boven abstracte verhandelingen; inleidingen van een algemene
aard en de geschiedenis van de filosofie kregen meer aandacht dan technische
uiteenzettingen; en ten slotte dwongen dergelijke bladen de filosoof tot
maatschappelijke of soms zelfs politieke stellingnames: filosofie diende
vooral praktisch te zijn. Van der Wijck rechtvaardigde zijn behandeling van
filosofische thema’s als volgt: "Daar wijsbegeerte aan het beschaafd
publiek bij mondjesmaat moet worden toegediend, [mag] mijn artikel dus niet
te lang mag worden".
De toegenomen aandacht voor Spinoza moet vooral op het conto worden geplaatst van deze buitenuniversitaire aandacht voor de wijsbegeerte. Niet alle academische filosofen waren gecharmeerd van deze ontwikkeling. Zo hekelde Land in 1860 de 'schadelijke begripsverwarring' die zich in deze kringen zou voltrekken. Van enige consistentie zou geen sprake zijn waardoor 'intellectueele chaos' de filosofie kon domineren. Ook Spruyt verfoeide deze 'filosofie van het hart' die zich zou uiten in 'lofzangen in proza', maar niet in heldere begripsvorming. Land herzag zijn standpunt toen het spinozisme de boventoon ging voeren en werkte zelfs met Van Vloten aan een nieuwe Latijnse 'editio definitiva' (1882/83).
Ook in het werk van Van der Wijck bespeuren we die toenadering tot de buiten-universitaire wijsbegeerte. Gestimuleerd door de Spinoza-herdenking van 1877 zou hij zich in toenemende mate richten op algemeen-filosofische inleidingen om te kunnen voldoen aan de modieuze vraag naar nieuwere denkbeelden. Het christendom verloor zijn vanzelfsprekendheid om ruimte te maken voor een vrije markt van ideeën. Sinds 1877 zou Van der Wijck tal van denkers in Nederland introduceren. Vanuit zijn conservatieve levenswandel - hij bleek een militant tegenstander van socialisme en communisme - legde de Groninger een opvallende voorkeur aan de dag voor heterodoxe, cultuurkritische denkers: Spinoza, Giordano Bruno, Voltaire, Johan Kinker, Jean Marie Guyau, John Ruskin, Schopenhauer en Nietzsche kregen allen zijn aandacht. Bovendien bekoren deze introdukties ook de hedendaagse lezer nog en behoren zij stellig tot de aardigste inleidingen die wijsgerig Nederland in deze periode produceerde.
Met het introduceren van deze verschillende richtingen en denkers beoogde hij, om met Julius de Boer te spreken, 'een kringloop van categorieën, waarin de zoogenaamde grondbegrippen aller bijzondere vakwetenschappen in hun algemeen verband zijn begrepen'. Van der Wijck wilde niet te zeer afdwalen in detailstudies, maar zocht naarstig naar het algemene dat alle wetenschappen met elkaar verbond: 'vincilum scientiarum' was zijn motto. Uiteindelijk, zo betoogt hij met Spinoza, is alles een. De wijsbegeerte dient gericht te zijn op het construeren van een 'ware encyclopaedie'. In de loop der jaren zeventig, na het verlaten van het empirisme, hangt Van der Wijck dan ook geen enkel systeem meer aan, maar zoekt hij naar uiteenlopende 'aperçu’s' die als werkzame momenten in een persoonlijk idealistisch stelsel kunnen worden opgenomen. In Van der Wijcks Spinoza-studie vinden we niet alleen een toenadering tot de niet-academische wijsbegeerte, maar tevens een correctie hiervan: de heterodoxe filosofie mag geen publieke, dat is maatschappelijke rol spelen - zij dient zich te beperken tot salons en rooktafels.
Spinoza
De kleine studie van de Groningse filosoof, eenvoudig getiteld Spinoza (Groningen
1877), betreft een poging Spinoza op een laagdrempelige wijze te presenteren
aan het publiek. Zijn tekst was een bewerking van een voordracht die Van
der Wijck hield te Amsterdam, Rotterdam en Den Haag: de herleving van het
spinozisme was een grootstedelijk verschijnsel. Spinoza, stelt de filosoof,
was een vrijgeest, een 'kettersch denker', hij was 'een persoonlijkheid die
niet wordt geleefd, maar een eigen leven leidt, niet innerlijk gekleed naar
de mode van zijn eeuw, geen trechter die gewillig opneemt wat er in gegoten
wordt, maar een man met oorspronkelijke denkbeelden en een afzonderlijk gemoedsbestaan'.
Spinoza's denken en handelen zijn congruent, zij mogen niet van elkaar worden
gescheiden omdat zijn beoogde doel een 'wellevenskunst' was. Vandaar dat
Van der Wijck in zijn voordracht biografie en filosofie integreerde tot een
eenheid. Hij behandelt Spinoza's bronnen, waaronder Bruno en Descartes, en
constateert dat de zeventiende eeuwse denker opvattingen koesterde die eerst
in onze tijd op hun waarde kunnen worden geschat.
In tegenstelling tot Land en de vrijdenkers - die Spinoza vooral bewonderden vanwege diens opheffing van de vervreemding, veroorzaakt door het huidige 'atomisme' - staan voor Van der Wijck Spinoza's politieke analyses en diens ideaal van de 'leekestaat' voorop: "...de staat die enkel souverein is op het gebied van het praktische, de staat die zich niet inlaat met wat zijn burgers denken of gevoelen, loochenen of verkondigen, maar alleen met wat ze doen".
Sommige buiten-universitaire denkers en schrijvers, zoals de jurist en filosoof Marius Lotsy, hekelden al jaren het liberalisme dat samen met het empirisme in versukkeling was geraakt. Het liberalisme zou zich nog louter bezighouden met politieke vraagstukken, en vanwege het ontbreken van een sterke, praktische staat zou zij zich op economisch gebied fatalistisch neerleggen bij een 'laisser-faire-beleid' - met als gevolg onder meer een diepe crisis in de landbouw. Ook Van der Wijck was aanvankelijk het liberalisme toegedaan, maar meende dat 'de hedendaagsche liberaliteit' nieuwe impulsen nodig had. In Spinoza ziet hij een wegbereider van de moderne tijd, een propagandist van een nieuwe soort liberalisme dat geloof hecht aan de eigen onfeilbaarheid. Het is een liberalisme dat zowel de kerk als de staat het recht ontneemt in te grijpen in het geestesleven van de burger. Een liberalisme dat zich neerlegt bij tegenspraak en pluralisme; een liberalisme dat de 'leekestaat' promoot en professionele politici afwijst; een liberalisme dat het eigen welzijn vereenzelvigt met het algemene welzijn. Kortom, een etatistisch liberalisme: de maatschappij is de staat.
Hij huldigt Spinoza weliswaar als ketter, maar vanuit zijn optiek mag een ketter slechts ageren binnen de spelregels van de overheid. Kritiseert hij de staat of de wetgeving, dan is hij een 'stokebrand'. Het denken moet vrij zijn, maar aan het spreken en handelen moeten beperkingen worden opgelegd. Het met elkaar delen van denkbeelden bevordert bovendien sociabiliteit en gemeenschap. Ook Van der Wijck kan zich niet onttrekken aan gevoelens van vervreemding, heersend in een vluchtige tijd waarin 'het bekoorlijke der vriendschap voor een deel is zoekgeraakt': "Spinoza had zijne vrienden, meestal jeugdige geleerden, aan wie hij zijne gedachten mondeling of per brief mededeelde...Vriendschap was toen een woord van groote betekenis. Alleen aan zijn vrienden fluisterde men toe, hoe men over God en de wereld, over bijbel en kerkleer dacht. Thans heeft een denker geen geheimen. Men behandelt alle quaesties in het volle daglicht der publiciteit. De couranten zijn onze vertrouwelingen. Men weet niet hoe zoet het is, in den schaduw, op een stillen zomeravond, eens tot vrije, ongedwongen wisseling van gedachten te komen. Wie thans wat op zijn hart heeft, schrijft een boek, gaat op de markt staan, en noodigt de voorbijgangers uit om naar hem te luisteren".
Van der Wijck hekelt het algehele proces van sociale en intellectuele nivellering op een wijze die Bolland berucht zou maken: vandaag kan een ieder zich schrijver of filosoof noemen; vandaag kan een ieder met een grote mond het politieke bedrijf betreden. Hechte gezins en kameraadschapbanden zijn echter verdwenen en hebben plaats gemaakt voor onmacht op alle niveaus en onvrede onder grote delen van de bevolking. Van der Wijck roemt Spinoza weliswaar, maar niet als de publieke vrijheidsapostel die Van Vloten, Moleschott, Lotsy en Betz van hem maakten. Deze humanisten hadden tevens gepleit voor de vrijheid van spreken, voor het recht denkbeelden openlijk te uiten. Of zoals de arts en privaatfilosoof Hendrik Johan Betz het verwoordde: "Vrijheid in onbeperkte mate, tot bandeloosheid toe, want het is beter, dat er duizend onzinnigheden worden verkondigd, dan dat er een enkel juist denkbeeld verloren gaat, of blijft sluimeren". Van der Wijck echter voorzag dat 'een veelheid der meeningen' slechts kon leiden tot politieke impotentie en maatschappelijke onrust.
In zijn latere 'Spinozabespiegelingen', geschreven voor De Gids in 1900, is Van der Wijcks cultuurkritiek uitgegroeid tot een militante haat tegenover de moderne, democratische en kapitalistische samenleving: "Enkel de geest van mannen als Spinoza, die niet in eer, geld en zingenot 's menschen zaligheid zien, kan het toenemend bederf van het rotte Europa tegenhouden en aan echte beschaving, de beschaving van het blijmoedige, van God en wereld beiden vervuld gemoed, ten slotte den triumf bezorgen".
Ook bracht Van der Wijck de studie van Spinoza onder aandacht van Groningse universiteitsmedewerkers en studenten. In de jaren tachtig startte hij een leesgroep waarin de vijf boeken van de Ethica intensief werden bestudeerd. Als blijk van waardering schonken de deelnemers hem na afloop een geschilderd portret van de wijsgeer dat zich een vaste plaats verwierf in Van der Wijcks studeerkamer te Groningen.
conclusies
Het geleidelijk vervagen der grenzen tussen de buitenacademische en academische
wijsbegeerte treffen we het meest pregnant aan in het werk van Van der Wijck.
De maatschappij en cultuurkritiek die we buiten de universiteit aantreffen
wordt geleidelijk geïntegreerd in zijn studies. Zijn aandacht voor uitgesproken
critici van de moderne, democratische en gefragmenteerde samenleving - zoals
Ruskin, Guyau en Nietzsche - maken hem tot een wegbereider van het Nederlandse
fin de siecle. Zo pleitte hij, als enige hoogleraar, voor een eredoctoraat
voor Bolland, en bezorgde hij de spinozist Willem Meijer in 1906 dezelfde
titel. In 1913 profileerde hij zich zelfs als mentor van de zojuist ontwaakte
'wijsgeerige beweging' : "Onze eeuw schijnt niet te zullen toebehooren
aan slaperige halfbewuste automaten, maar aan vrijen van geest, die oog en
hart hebben voor de onzienlijke werkelijkheden, voor waarheid en gerechtigheid...De
jongeren onder ons zijn hier te lande bezig een tijd voor te bereiden, waarin
kloekheid van zin en gezonde levenslust opnieuw den boventoon zullen voeren.
Uit instinktief zelfbehoud verwerpen zij leeringen, welke dreigen hun het
merg uit de beenderen te zuigen. Een nieuwe geest werkt en woelt in hen.
Zij zijn geneigd weer in zich zelf te gelooven en weer van zich zelf af te
hangen". Hoe ver is Van der Wijck hier niet verwijderd van het verlichte
en objectivistische empirisme dat hij vroeger nog huldigde? Welke conclusies
mogen we uit Van der Wijcks Groningse ontwikkeling trekken?
1. Wijsgerige vernieuwingen werden in de tweede helft van de negentiende eeuw
vooral bewerkstelligd buiten het domein van de universiteiten in nieuwe seculiere,
algemeen-culturele media. Het empirisme van Opzoomer verkeerde in een diepe
crisis die nog zichtbaar aanwezig is in het werk van Van der Wijck.
2. Academische hoogleraren, zoals Land te Amsterdam en Van der Wijck te Groningen,
poogden de herleving van het spinozisme onder hun patronage te brengen om 'wildgroei'
te voorkomen en legden daarbij eigen accenten. Het spinozisme compenseerde
het gebrek aan filosofische werkzaamheid aan de faculteiten en hoogleraren
poogden te profiteren van deze hernieuwde aandacht voor de filosofie.
3. Land en Van der Wijck baanden daarmee de weg voor filosofen die sterk geworteld
waren in de buitenuniversitaire en cultuurkritische 'wijsgerige beweging':
in Groningen volgde Heijmans Van der Wijck op en in Amsterdam bleek Bolland
de opvolger van Land.
Beschouwd vanuit deze optiek vervulde Van der Wijck te Groningen een cruciale
rol in het wijsgerig leven op het breukvlak van twee eeuwen. Hij mag voor zowel
het Nederlandse fin de siecle, als voor de emancipatie van een wijsgerige lekenbeweging,
met recht een wegbereider worden genoemd.
1 juni 1996.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |