Index of /Wijsbegeerte in Nederland/1995 Nederland zinkt

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1995 Nederland zinkt.pdf   25.01.2004 83kB -

1995

‘NEDERLAND ZINKT!’
Nederlandse filosofen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog

De jaren dertig vormen het tragische dieptepunt van een eens bloeiende filosofische beweging die zijn weerga in Europa niet kende. Door de neergang van wijsgerige scholen, filosofische tijdschriften en -kringen, utopistische gemeenschapjes als Walden, Laren en Blaricum, en de decimering van de anarchistische en theosofische beweging verloor menig privaatdocent en cursusleider het zicht op een belegde boterham. Hierdoor zagen velen zich genoodzaakt elders emplooi te vinden, bijvoorbeeld in de tijdschriften en kringen van het nationaal-socialisme.

Vooral de zogenaamde 'neoidealisten' werden door dit lot getroffen. Het idealisme - dat hier te lande vooral gekoesterd werd door hegelianen en spinozisten - had nooit veel speelruimte aan de universiteiten gekregen omdat de neokantiaanse filosofie ieder idealisme en metafysica niet alleen overbodig, maar ook belachelijk maakte. Een cruciaal aspect van het wijsgerig leven in Nederland in de eerste helft van deze eeuw treedt hier op de voorgrond: de bikkelharde intellectuele strijd tussen neokantianen en neoidealisten; tussen vooruitgangsgezinden en tegenstanders van de moderne stedelijke samenleving.

Otto Liebmanns lokroep 'Terug naar Kant' (1865) werd in Nederland niet al te luid verwoord omdat het kantianisme eigenlijk nooit afwezig was geweest in de negentiende eeuw. Al omstreeks 1800 kende ons land een bloeiende kantiaanse beweging, onder de bezielende leiding van Van Hemert en Kinker, wier geschriften zelfs tot in Frankrijk invloed wisten uit te oefenen. Ook later in die eeuw spraken theologen als Van Volkom, spiritisten als Markus Polak en vrijdenkers als Siffle met veel sympathie over Kant en diens categorische denken. Ook een nieuwe generatie academische filosofen - waaronder Bellaar Spruyt, Van der Wijck, Ovink en Leo Polak - beschouwde sinds het laatste kwart van de vorige eeuw 'de moeilijke weg van Kant de eenige die de wijsbegeerte voor dwalingen kan behoeden'. In de jaren negentig merkten uiteenlopende intellectuelen als Kuyper en Heymans juichend op dat ieder postkantiaans idealisme in Nederland volledig was uitgestorven. Het was een voorbarige conclusie, want nog geen decennium later bleek het neoidealisme zich als een hechte beweging in het wijsgerig leven te hebben verankerd.

Het kantianisme werd een kritische methode geacht die de wijsbegeerte in staat stelde de grondbegrippen van alle wetenschappen en hun samenhang te onderzoeken. De wijsbegeerte - in kantiaanse zin 'de leer van het kenvermogen' - stelde zich dienstbaar op ten opzichte van de wetenschap en het experiment. Het empirisme, het experiment en de ervaring werden ook voor de filosofie van doorslaggevend belang geacht en iedere metafysica werd buitengesloten. Positivistische wetenschap en kantiaanse wijsbegeerte sloten een vruchtbaar pact dat de prelude vormde van een periode van succesvolle wetenschapsbeoefening aan de Nederlandse universiteiten. In 1901 ontving Van 't Hoff de Nobelprijs voor de scheikunde; twee jaar later viel die eer ten beurt aan de natuurkundigen Lorenz en Zeeman, in 1910 gevolgd door hun collega Van der Waals. Ook wiskundigen als Brouwer, Mannoury en Struik boekten internationale successen. Deze nieuwe positivistische generatie bleek uitstekend op de hoogte van de kantiaanse wijsbegeerte. Wetenschappers als de fysicus Van der Waals jr., de sterrenkundige Pannekoek en de psychiater Jelgersma bleken gedreven scribenten die het de vakfilosofen in wijsgerige polemieken en controverses behoorlijk lastig wisten te maken. Nederlandse wetenschappers waren aldus uitstekend op de hoogte van de wijsbegeerte, dat wil zeggen, van de kantiaanse filosofie. Zo ageerde Antonie Pannekoek in het tijdschrift De Kroniek (1901) fel tegen de idealistische filosofie van de spinozist Bierens de Haan, en zijn opmerking mag typerend voor de sfeer van dit klimaat genoemd worden: "Nu staat het u vrij om te zeggen dat ge het niet met Kant eens zijt. Maar het gaat toch niet aan, de filosofische stelsels als een veld te beschouwen, waar iedereen naar hartelust kan grasduinen om hier en daar wat gedachten van verschillende denkers bij mekaar te garen". Het moest maar eens afgelopen zijn met dat filosofische gespeculeer en dat eclecticisme dat de Nederlandse wijsbegeerte zo lang in haar greep had gehouden. Ook de wijsgeer diende zich empirisch te gedragen omdat speculatieve uitspraken over de mens en zijn geest achterhaald schenen in een tijd waarin de moderne experimentele psychologie grote successen boekte. Wie nog idealistisch wilde speculeren zonder zich op de ervaring te beroepen, maakte zich schuldig aan "cacographie", zo merkte Van der Waals jr. spottend op.

Deze op de ervaring gerichte benadering van de filosofie consolideerde zich aan de universiteiten en onder leiding van de kantiaan Ovink werd in 1923 het Genootschap voor Critische Philosophie opgericht, dat haar naam in 1938 wijzigde in het Genootschap voor Wetenschappelijke Philosophie. In de onlangs verschenen biografie van H.J. Pos geeft Peter Derkx op treffende wijze een indruk van het kantiaans-wetenschappelijke klimaat aan de Nederlandse universiteiten.

Maar in het kielzog van de neokantiaanse successen ontpopte zich een kritische cultuur die zich heel wat minder enthousiast opstelde ten opzichte van de dienstbare rol van de wijsbegeerte jegens de wetenschap. Al in de late jaren tachtig waarschuwde de spinozist Lotsy in De Nieuwe Gids tegen 'wetenschappelijke grootheidswaanzin', 'maniakale Kant-verafgoding' en de 'weerzinwekkende pretenties van de wetenschap'. De generatie van Tachtig - met woordvoerders als Van Eeden, Verwey en Bierens de Haan - kreeg steeds meer belangstelling voor een idealistische filosofie die tegenover de positivistische wetenschap en de moderne samenleving werd geplaatst. Volgens de Leidse filosoof De Sopper drong het besef in Nederland door dat de moderne mens 'een verlengstuk van de machine' geworden was, een 'tand in een rad', geboren met slechts een enkel doel: werken, om daarna afgeleefd te sterven. Al onze relaties worden in deze 'zakelijke wereld' in toenemende mate 'gemediatiseerd', waardoor de hedendaagse cultuur, zo stelde De Sopper in 1908 op nietzscheaanse wijze, 'een komedie is die wel eens op een vreselijke cultuurtragedie zou kunnen uitlopen'.

Een jaar eerder had Bierens de Haan al krachtig stelling genomen tegen de moderne samenleving en haar kantiaans en wetenschappelijk vooruitgangsoptimisme veroordeeld. In 1907 had hij uiteenlopende filosofen samengebracht in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte (het eerste zuiverfilosofische tijdschrift in Nederland). Hij beschouwde het blad als 'het orgaan van een wijsgerige beweging'. Deze beweging maakte zich op voor de verkondiging van een 'volle en harmonieuze levensleer' als antwoord op de wording van een 'dieszeitige' samenleving. De toegenomen arbeidsdeling, consumentisme, industrialisatie, natuuraantasting en verkeersdrukte hadden immers 'het Eeuwige als een onbereikbaar Jenseits' geïsoleerd, waardoor de filosofie naar de maatschappelijke en culturele marge gedirigeerd werd. Denkers als Kant, Comte en Spencer werden verantwoordelijk geacht voor de liquidatie van de filosofie. Daarom was het Tijdschrift voor Wijsbegeerte geen vakblad, maar een 'kultuurblad': de filosofie diende stelling te nemen tegen de moderne - cultuurloze - samenleving.

Inderdaad wordt de historicus van de filosofie in Nederland getroffen door de enorme populariteit van de wijsbegeerte tussen 1890 en 1920. Volgens De Sopper werd het fin de siècle beheerst door 'philosophigheid en diepdoenerij'. Filosofie was in de mode en velen meenden in de wijsbegeerte antwoorden te vinden op contemporaine problemen van mentaal-culturele aard. De 'wijsgerige beweging' was vooral gefundeerd in twee elkaar overlappende kringen: enerzijds waren daar de nazaten van Tachtig - die van zich lieten horen in bladen als De Nieuwe Gids, De Kroniek, Tweemaandelijksch Tijdschrift en De Beweging - en anderzijds was daar het occulte landschap: utopisten, spiritisten, anarchisten, kolonisten, kunstenaars en theosofen zochten met behulp van de filosofie naar de 'wereldorde' die toch achter de moderne, maar gefragmenteerde en chaotische samenleving schuil moest gaan. Een sympathieke kennismaking met deze speurtocht biedt Lien Heyting in haar vorig jaar verschenen boek De wereld in een dorp - dat het excentrieke leven in Laren en Blaricum (1880-1920) als uitgangspunt heeft. Waarschijnlijk is er geen ander Europees land waar de belangstelling voor occulte en populair-wijsgerige denkbeelden zo groot was als in Nederland. De theosofie was nergens meer populair (ruim vijfhonderd actieve leden in 1914) en de aanhang van de anarchistische beweging werd in West-Europa slechts overtroffen door Spanje.

Juist in deze kringen vond menig filosoof een unieke mogelijkheid zijn of haar diensten aan te bieden - buiten het beschermde domein van de universiteiten. Filosofische verenigingen, kringen en salons rezen als paddestoelen uit de grond; buurthuizen, volksuniversiteiten en arbeiderscursussen maakten veel ruimte voor de geschiedenis van de wijsbegeerte; en binnen utopische gemeenschapjes als Walden of Blaricum waarborgde de filosofische conversatie de sociabiliteit van de leden. Deze beweging kende een drietal hoogtepunten die vandaag een plaats verdienen in de geschiedenis van het wijsgerig leven in Nederland: de aanstelling van de hegeliaan en civilisatie-criticus Bolland als hoogleraar in Leiden (1896), de oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte (1907) en de stichting van de Internationale School voor Wijsbegeerte te Amersfoort (1915). Het gezamenlijk bestuderen en lezen van filosofische teksten, en het luisteren naar geoefende filosofen gaf uitdrukking aan een 'niet-gemediatiseerd' en 'actualistisch' leven. Toen Albert Verwey in 1896 Bollands oratie bijwoonde, schreef hij: 'Nog nooit heb ik zoo de onpersoonlijkheid van het geschrevene zien verdwijnen onder de persoonlijkheid van het gesproken woord...die hartstocht en die natuurlijkheid, die oprechtheid en die verzekerdheid...Bolland vertegenwoordigt een een nieuwen tijd aan een oude universiteit'.

Dankzij Bolland kwam er meer eenheid in de versnipperde wijsgerige beweging. Omstreeks 1900 bekeerde hij zich tot het hegelianisme en wist hij menig toehoorder nader tot Hegel te brengen. Woorden als hegelen, hegelarij, hegelaressen en hegelingen werden opgenomen in het Nederlandse vocabulaire en ook buiten Leiden verzorgde hij in een tiental andere steden colleges. Maar behalve aan Hegel schonk Bolland veel aandacht aan zijn afkeer van de moderne positivistische samenleving. In zijn meest belangrijke boek, Zuivere Rede (1904), vatte hij die afkeer samen en verklaarde hij de vooruitgangsgedachte tot een illusie, verantwoordelijk voor de eliminatie van genieën en het kreupel maken van de beschaving. Zijn op Hegel gebaseerde zuivere rede diende als een sleutel om de filosofische waarheid (de Logos) achter historische bijbelteksten en religieuze symboliek te ontsluieren. Alhoewel Nederland nooit eerder zo'n populair filosoof in haar midden had gehad bleef Bolland in Leiden volledig geïsoleerd. Als antipositivist en antidemocraat in hart en nieren kwam hij in conflict met wijsgerige collega's, psychologen, positivistische wetenschappers, vrouwen, Joden, socialisten, kortom met iedereen.

Na zijn dood in 1922 bleef zijn schare leerlingen in grote ontreddering achter. Niet alleen bleek de studie van Hegel - zonder Bollands exegese - een opgave die menig amateur-filosoof boven het hoofd groeide, aan de andere kant bleek de wijsgerige beweging vanwege de tragiek van de Eerste Wereldoorlog al over haar hoogtepunt heen. In de jaren twintig liep ook de belangstelling voor het anarchisme en de theosofie geleidelijk terug en uiteindelijk verkeerde ook het Tijdschrift voor Wijsbegeerte zelfs in financiële nood.

Bollands meest trouwe volgelingen, georganiseerd in het Bolland Genootschap, hebben nog enige tijd getracht de hegeliaanse filosofie voort te zetten, maar de 'successen' die Bolland boekte bleven uit. Uiteraard ontbeerden zij de oratorische talenten van de meester, maar zij hadden ook de tijd tegen waarin de vraag naar filosoferen aanzienlijk verminderd was. Tot 1932 hebben enkele vooraanstaande rechts-hegelianen - waaronder Wigersma, Van Lunteren en Hessing - zich nauwelijks met de politieke staatsleer bezig gehouden, maar met enthousiasme wierpen zij zich in 1932 op de zojuist opgerichte NSB. De eens bloeiende filosofische beweging verkeerde in een diepe crisis, maar de vele fascistische bladen - zoals De Bezem - blonken uit in het citeren van Bollands aforismen. Ook namen filosofen zitting in partijbesturen. Zo waren in 1923 de Bolland-sympathisanten K.H.E. de Jong, Sinclair de Rochemont en Verviers al betrokken bij de oprichting van de eerste georganiseerde fascistische partij in Nederland: het Verbond van Actualisten. Volgens A.A. de Jonge, in zijn Crisis en Critiek der Democratie (1968), waren dergelijke denkers verantwoordelijk voor de antidemocratische en profascistische geest in de Nederlandse hegeliaanse kring tussen 1922 en 1945. Diepgravend onderzoek naar de relaties tussen het neoidealisme en het fascisme heeft hier nog niet plaatsgevonden. Maar duidelijk is wel dat politiek en filosofie in toenemende mate met elkaar verstrengeld raakten.

Was hier slechts sprake van opportunisme, zoals vaak betoogd is? Wigersma en Hessing voorzagen bijvoorbeeld vanuit hun hegeliaans-dialectische denken de onvermijdelijke opmars van de autoritaire staat. Zij betreurden dit niet, want een dergelijke ontwikkeling lag immers besloten in de dialectisch gestructureerde ontwikkeling van de 'Wereldgeest'. Ook de filosoof en theosoof J.J. Poortman - samensteller van het nog altijd onvolprezen Repertorium der Nederlandse Wijsbegeerte (1948) - juichte het rijkskanselierschap van Hitler in 1933 toe en lovend schreef hij over 'de uitdrukkelijke vredeswil van Hitler' die het ontstaan van 'de Vereenigde Staten van Europa' bespoedigde. En trouwens, zo schreef hij in Theosophia (1933), had Blavatsky ruim vijftig jaar geleden deze 'Europese Revolutie' niet al voorspeld?

Kritiek op deze opportunistische filosofen die een nieuwe markt aanboorden kwam er natuurlijk ook. Links-hegelianen als Telders, Borger en De Ligt namen krachtig stelling tegen de verlokkingen van fascisme en nationaal-socialisme. Anton Constandse waarschuwde de lezers in 1921 al tegen de hegelianen Hessing en Wattjes - bij wie hij in Den Haag een cursus gevolgd had - omdat ze naar 'een Junkerkaste' streefden die de massa door middel van beelden, emblemen, vlaggen, lichten, gestalten en de vurige godsdienst zou dienen te beheersen. Op academisch niveau namen filosofen ook stelling, bijvoorbeeld door de oprichting van het Comité van Waakzaamheid waarin mensen als Pos, Romein en Ter Braak actief waren.

Opvallend is verder de afwezigheid van standpunten met betrekking tot het antisemitisme. Poortman wees bijvoorbeeld het antisemitisme af maar had geen problemen met de logica van het fascisme dat minder vriendelijke ingrepen noodzakelijk achtte. Voor Bierens de Haan - en andere rechtsspinozisten als Carp - geldt een zelfde verhaal. In de Groene Amsterdammer (1938) verdedigde Bierens de Haan weliswaar het Nederlandse asielrecht, maar kon zich tegelijkertijd voorstellen dat 'Nederland vol was': 'De reddingsboot van een zinkend schip, waarin voor dertig personen plaats is, kan niet met vijftig worden beladen zonder zelf een zinkend schip te worden'. Ook publiceerde hij zonder wrevel in het Haagsch Maandblad, dat onder redactie stond van de virulente antisemiet W.M. Westerman. Over zijn houding met betrekking tot de verwijdering van Joodse filosofen (Wolf en Polak) uit de redactie van Tijdschrift voor Wijsbegeerte heeft Frans Jacobs vorig jaar in ANTW al een boeiende discussie op gang gebracht. De afkeer van het jodendom en het Joodse rationalisme loopt als een rode draad door de neoidealistische beweging. Al omstreeks de eeuwwisseling vinden we lofredes op het 'arierisme' van Houston Stewart Chamberlain (denk hier bijvoorbeeld aan P.H. Hugenholtz van de Vrije Gemeente). Maar ook Bollands De Teekenen des Tijds (1922) behoort nog altijd tot de meest weerzinwekkende antisemitische pamfletten die ooit in Nederland geschreven werden.

Eerst nadat een verhitte menigte in de week van 4 tot 10 mei 1940 enkele vooraanstaande rechtshegelianen had gemolesteerd trokken de kopstukken Hessing en Wigersma zich terug uit de actieve antidemocratische beweging. Afstand van hun standpunten namen zij niet. In hun afscheidsrede, gepubliceerd in het autoritaire blad De Waag, wordt gesteld dat de Duitse bezetting getuigde van 'een wereldhistorische noodzakelijkheid'. Zij die spraken over 'aangetaste vrijheid' begrepen niet dat het Nederlandse volk nooit vrij geweest was omdat ze met handen en voeten aan Engeland gebonden was. Tot de lezers van dit pro-Duitse blad riep de terugtredende Wigersma: "Maar ik vaar mee! En ik denk er niet aan mij aan de gevaren eener woelige zee te ontrekken en in een veilig hoekje aan den wal slechts toeschouwer te zijn van het wereldgebeuren".

Mensen als Wigersma, Hessing, Carp, Goedewaagen en Poortman interpreteerden het nazisme op een louter filosofische wijze en verloren de politieke realiteit volledig uit het oog. Werkelijkheid was voor hen slechts begrepen werkelijkheid in hegeliaanse zin. Dat echter het onbegrepene (ressentiment, de fascinatie voor geweld en strijd, irrationeel antisemitisme etc.) ook deel uitmaakte van diezelfde werkelijkheid werd door hen volledig veronachtzaamd. Bovendien maakten zij allen deel uit van een wijsgerige beweging die haar belangrijkste drijfveer omstreeks 1900 al geformuleerd had: de afkeer van de moderne, democratische, verstedelijkte en industriële samenleving. Het 'hegeliaanse alternatief' lag gelegen in een technocratisch en machiavellistisch dualisme: enerzijds promootte men 'Gelassenheit' (individuele vrijheid) en anderzijds 'de billijkheid' van een autoritair politiek beleid; er was in deze roerige crisistijd nu eenmaal een sterke hand nodig. Of in Poortmans woorden: 'Vrijheid is geboden naarmate men het innerlijke nadert, maar in sociaal opzicht is dwang geboden'. De bollandiaan P.H. Ritter jr. sprak zich nog duidelijker uit, en al wijzende naar het portret van Spinoza en het kruisbeeld aan dezelfde muur sprak hij in 1927 tot een kennis: 'De massa moet nu eenmaal geregeerd worden en dit kan niet met de zuivere rede. Met Spinoza voel ik me verwant, maar met het kruisbeeld moet de menigte in toom worden gehouden'. Bezien vanuit deze principiële 'dubbele bodem' begrijpen nu ook beter waarom Bierens de Haan tegelijkertijd het asielrecht voor Duitse en Oost-Europese Joden kon bepleiten om tegelijkertijd te stellen dat 'de reddingssloep Nederland reeds zinkende was'.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -