Index of /Wijsbegeerte in Nederland/1994 Alexander Francois Siffle

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1994 Alexander Francois Siffle.pdf   25.01.2004 131kB -

1994

EEN MIDDELBURGSE ROBESPIERRE OF SPINOZA?
A.F. Siffle 1801-1872


ten geleide

In 1872 overleed de notaris en filosoof A.F. Siffle in zijn geboorteplaats Middelburg. Zijn begrafenis trok nauwelijks belangstelling. Toch was Siffle gedurende zijn leven een onvermoeibare publicist en spreker gebleken die menig Nederlander nader tot de filosofie gebracht had. Hij construeerde geen school of richting maar poogde het bespiegelende en metafysische denken in ere te herstellen. Immers, onder invloed van de moderne natuurwetenschappen werd de metafysica door velen als achterhaald gediskwalificeerd. Siffle was geen 'groot' filosoof maar zijn activiteiten vormen een treffende afspiegeling van de herleving van het wijsgerig leven omstreeks het midden van de vorige eeuw.
Hedendaagse historici van de wijsbegeerte in Nederland concentreren zich niet meer uitsluitend op 'grote denkers' en hun filosofische stelsels. Het onderzoeksterrein is vandaag nadrukkelijk verbreed tot de studie van het wijsgerig leven in Nederland. Lange tijd richtte men zich vooral op de universitaire cultuur met zijn hoogleraren, maar onder invloed van vooral Angelsaksische studies neemt de belangstelling voor de buitenuniversitaire filosofie gestaag toe - ook in Nederland. Het oordeel over het gehalte van de wijsbegeerte in Nederland tijdens de negentiende en vroeg-twintigste eeuw is tot op heden steeds negatief geweest. In 1947 sprak Ferd. Sassen - de Nederlandse historicus bij uitstek - een vernietigende conclusie uit: de productie was gering in omvang, filosofische denkbeelden bleken nauwelijks origineel, debatten beperkten zich tot enkele geestverwanten, de filosofie handhaafde zich als een privilege van de upper ten, en ten slotte zou haar maatschappelijke invloed minimaal zijn.
Toch spreken de bronnen een andere taal. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw bezongen tijdgenoten in alle toonaarden de wederopstanding van de filosofie in Nederland. De moderne theologie, liberalisme en nationalisme, atheïsme en ontkerkelijking, en de resultaten van de natuurwetenschappen, maakten een filosofische bezinning op de nieuwe plaats van God en de mens actueel. Sinds de tweede helft van de negentiende eeuw constateren we een opleving van het wijsgerig leven in de vrijmetselarij, vrijdenkersverenigingen, letterkundige genootschappen, spiritistische en theosofische loges, buurtverenigingen, volksuniversiteiten, utopische gemeenschapjes, en in wijsgerige verenigingen. Deze herleving werd expliciet verwoord door de Middelburgse notaris en wijsgeer Alexander Francois Siffle (1801-1872) die tijdens zijn leven een enorme ijver aan de dag legde in zijn pogingen de filosofie voor velen toegankelijk te maken. Tot op heden ontbreekt een biografie van het leven en werk van deze markante Zeeuw - over wie Multatuli opmerkte (Idee 126) dat hij - 'oneindig veel beter [schreef] dan ik'. Dankzij Siffle krijgen we enig zicht op de nieuwe wijsgerige cultuur van de negentiende eeuw. Siffle was betrokken bij het liberalisme in Middelburg, hij stimuleerde de moderne theologie en de vrije gedachte in Zeeland, en werd een belangrijk wijsgeer van vrijdenkersvereniging De Dageraad. Bovendien heeft hij getracht een Nederlandse filosofische traditie te construeren die aanving bij Spinoza en sinds 1855 tot bloei kwam. Met dit artikel wil ik een kleine bijdrage leveren aan de biografie van A.F. Siffle, waarbij ik me vooral concentreer op zijn wijsgerige activiteiten.


biografische schets

Voor Zeeuwen met enige historische belangstelling zal de naam Siffle niet onbekend in de oren klinken. Deze juristenfamilie was in de vorige eeuw nauw betrokken bij het culturele en politieke leven in Middelburg. Alexander Francois werd in 1801 geboren te Middelburg als het enige kind van de plaatselijke notaris Alexander Michel Siffle en diens echtgenote Pauline Beljaart - zelf ook dochter van een notaris. Zij gaven hun zoon een gedegen en beschermde opvoeding waarvan de lijnen werden uitgezet door de uiterst dominante vader Siffle. Op tijdgenoten maakte de jonge Alexander Francois een 'onmanlijke en zoetsappige' indruk en zelfs als volwassene werd hij door zijn vader 'als een knaap behandeld'. De Middelburgse stadsbevolking rekende de familie Siffle tot de deftige burgerstand en na de Franse school bezocht Alexander jr. volgens goed gebruik de Latijnse school in zijn woonplaats. Hij was verknocht aan het ouderlijk huis en vertoefde niet gaarne verre van huis. Alhoewel hij zich inschreef voor de rechtenstudie te Leiden bleek hij geenszins van plan Middelburg in te ruilen voor de oude universiteitsstad. Siffle studeerde 'op afstand' en maakte - onder nauwlettend toezicht van zijn vader - een bevlogen en intellectuele ontwikkeling door. Op 1 oktober 1825, nauwelijks 24 jaar oud, promoveerde hij op een juridisch onderwerp waarmee hij zich rijp toonde de praktijk van zijn vader in de naaste toekomst over te nemen. Zijn promotoren waren H.W. Tydeman (rector magnificus te Leiden) en H. van Roijen (voormalig rector en woonachtig in Vlissingen). Beide rectoren bleven geruime tijd goed bevriend met de familie Siffle.
Direct na zijn promotie vestigde Siffle zich als advocaat in zijn woonplaats met de bedoeling zijn rechtswetenschappelijke en -filosofische opvattingen te toetsen aan de levenspraktijk van alledag. Blijkbaar beschikte hij over voldoende vrije tijd want onmiddellijk wijdde hij zich geconcentreerd aan het schrijven. Korte tijd na de opening van zijn praktijk publiceerde hij in 1825 zijn eerste bundel gedichten. Nagtglas noemde Siffle in zijn Levensberichten van Zeeuwen (1893) geen groot dichter - hij ontbeerde de dichterlijke bezieling - maar een uitstekend en talentvol gelegenheidsdichter die de improvisatie niet schuwde. Tijdens tal van gebeurtenissen in Middelburg trad hij op als 'stadspoeet' en declameerde zijn rijmen tot op hoge leeftijd: "...en toen op den 7 april 1869 het Zeeuwsch Genootschap zijn eeuwfeest vierde, tintelden in de weinige coupletten, die de grijze dichter alstoen aanhief, nog sprankels van jeugdige kracht en vuur".
Maar ook zonder dichterlijke bezieling bleef hij een groot liefhebber van de Nederlandse literatuur. In de jaren 1827 en 1828 publiceerde Siffle enkele historische studies over de oorsprong en de wetten van het Nederlandse rijm, over dichtmaten, en over het taalstelsel van Bilderdijk. Voor zijn werk verkreeg hij onder meer prijzen van de Maatschappij voor Letterkunde (Brugge) en Teyler's Tweede Genootschap. Voor het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen (opgericht in 1769) was deze hulde een aanleiding de schrijver het lidmaatschap van het genootschap aan te bieden. Niet eerder verleende men in Zeeland een dergelijke gunst aan een pas 27-jarige. Ook was hij actief in de Maatschappij tot het Nut van het Algemeen.
In 1828 nam Siffle de praktijk van zijn vader over en huwde vijf jaar later Cornelia Maria Udemans uit Goes met wie hij in 1838 een zoon ter wereld bracht: Henri Paul Alexander. Ook deze jonge Siffle studeerde rechten, werd 'kandidaat-notaris' en was voorbestemd in het voetspoor van zijn vader en opa te treden. Maar helaas, op 28-jarige leeftijd overleed Henri aan tering. Tussen 1828 en 1870 publiceerde Siffle onophoudelijk in tijdschriften als Vriend des Vaderlands, Vaderlandsche Letteroefeningen, Themis, Weekblad voor recht, Mnemosyne en het Taalkundig Magazijn. Tevens schreef hij behalve dichtbundels ook treurspelen waarin zijn aandacht uitging naar vaderlandse historische figuren als Albrecht Beiling en Filips van Egmond. Siffle beschouwde zichzelf als een expliciete vertegenwoordiger van een Nederlandse culturele traditie. Zijn grote belangstelling voor de natie Nederland en haar 'high culture' verbonden historische interesse met liberaal patriottisme. Als liberaal voorzag hij een nieuwe samenleving waar godsdienstige dogma's plaats zouden ruimen voor een wijsgerig en religieus pluralisme; waar persvrijheid in plaats van censuur zou heersen; waar aristocraten politieke macht zouden overdragen aan mondige burgers; en waar hysterie, opstand en rebellie voorgoed tot het verleden zouden behoren. Begrippen als 'volksgeest' en 'burgerzin' bekoorden hem en het is dan ook niet verwonderlijk dat Siffle de liberale overwinning van 1848 toejuichte. Ter gelegenheid van het Vrijheidsfeest (vijftien jaar liberalisme) dichtte hij in 1863:

Vrijheid doet de volken leven.
Hier is elke tong ontboeid:
't woord mag van de lippen zweven,
melden wat het hart ontgloeit.

Heeft de drukkunst duizend monden,
ongestoord mag zij verkonden,
wat men denkt en hoopt en vreest.
En een Grondwet, mild en heilig,
maakt den burger fier en veilig,
vieren wij dan het Vrijheidsfeest.

journalistieke activiteiten

In 1848 was hij betrokken bij de oprichting van de liberale Zeeuwse Courant, een voortzetting van de Vlissingsche Courant, een dagblad dat sinds haar start in 1834 een kwijnend bestaan leidde. Aan het einde van de jaren dertig namen enkele Zeeuwse liberalen - waaronder Siffle - de redactionele taken over waardoor Zeeland kennis kon maken met 'het eerste politiseerende blad' van de provincie. Samen met de Arnhemse Courant en de Kamper Courant steunde de Vlissingsche het liberalisme van de jurist Dirk Donker Curtius, op dat moment de onbetwiste leider van het liberalisme in Nederland. De redactie toonde veel belangstelling voor Grondwetswijzigingen, de Troonredes, het vraagstuk van de ministeriele verantwoordelijkheid en de persvrijheid. In 1840 stelde de redactie vast dat haar doel was "het helpen verspreiden van klare begrippen, omtrent hetgeen ons staatkundig belang zoo naar binnen als naar buiten kan bevorderen". Enerzijds toonde men zich verheugd over de sociale en politieke veranderingen die zich aandienden, maar anderzijds was men nerveus op de hoede voor chaos, hysterie en rampspoed. Opstanden en sociale spanningen, zoals die in België, Frankrijk, Engeland en Zwitserland aan de dag traden, dienden ten allen tijden te worden voorkomen. Daarom zou een rechtvaardige monarch zich boven de partijen moeten opstellen om wanorde te voorkomen: "De eerste en voornaamste wensch is: vrede voor Nederland, naar buiten en naar binnen. Wijsheid, kracht en rechtvaardigheid, bij den Koning, en tot loon hiervan, tevredenheid in zijn binnenste, bloei en welvaart van zijn huis, liefde, dankbaarheid en verknochtheid van alle klassen zijns volks".
Tevens pleitte de krant voor gelijkberechtiging der joden. Siffle profileerde zich als de Middelburgse liberaal bij uitstek en schreef lange commentaren voor de Vlissingsche Courant. In zijn De Pers in Zeeland 1758-1900 (1912) noemde Abrahams de betoogtrant van Siffle 'omslachtig' en 'langdradig'. Ook Donker Curtius achtte zijn commentaren wat saai en te algemeen van aard en maande de redactie toch wat feller van leer te trekken. Siffle verweerde zich daarop en wees Donker op het feit dat 'felheid' geen karaktertrek van het Nederlandse volk genoemd kan worden, want "een hoofdtrek van dat karakter is gewis bezadigheid, respect voor rust en orde". Niet zonder reden poogde Siffle zijn bezadigde en rustige toon te handhaven. In het rechtzinnige Zeeland uitte menigeen zijn onvrede ten aanzien van de liberale krant die in de volksmond al spoedig 'de onruststooker' genoemd werd. Abrahams herinnerde zich nog levendig "hoe er soms aan het hoekje van den huiselijken haard door ouderen van dagen op de heftigheid van de Vlissingsche onruststooker werd gescholden en hoe sommige grijsaards alleen op het hooren van den naam der courant bedenkelijk het hoofd schudden". In de jaren veertig vocht de krant verbeten tegen de vooroordelen van het Zeeuwse publiek waardoor de redactie verbitterd raakte en geestverwanten Siffle steeds vaker de kastanjes uit het vuur lieten halen.
Na 1845 ging het snel bergafwaarts met de krant. Siffle reduceerde zijn politieke commentaren tot spot- en hekeldichten en veel artikelen werden uit andere bladen overgenomen. Maar in 1848 kreeg de courant een nieuwe impuls. Siffle scheen zelfverzekerder dan ooit en hij leverde lange beschouwingen die vaak een filosofisch-sociologisch karakter hadden. Zo combineerde hij in een enkel artikel zijn voorkeur voor Donker Curtius boven Schimmelpenninck met de cultuur van het oude China en het werk van Rafael en Rubens. Ook nam de kritiek toe op het aristocratische Zeeuwse bestuur dat stelselmatig het democratische beginsel zou onderdrukken. De lezers identificeren het blad volledig met Siffle, zo bleek onder meer uit de ingezonden brieven. Een anonieme auteur bestempelde de notaris-politicus als "een Jacobijn van de ergste soort, een Middelburgsche Robespierre, die zelfs naar men wil, reeds bezig is aan het samenstellen van een stoomguillotine, om in de aanstaande Zeeuwse Republiek de tegenstanders der Middelburgsche Girondijnen te vernietigen". Op 1 oktober 1848 verscheen het dagblad opnieuw onder een gewijzigde naam: de Zeeuwse Courant. Maar ook die koerswending leverde weinig op. Abrahams noteerde drie redenen voor het uitblijven van steun uit Middelburg en Walcheren. Allereerst zou de krant zich kenmerken door een gebrek aan tact: de artikelen waren droog en langdradig terwijl er juist behoefte bestond aan een 'kort maar krachtige' berichtgeving. Op de tweede plaats was het aantal liberale geestverwanten in 1848 te Middelburg nog te gering om met enig succes een dagblad te kunnen uitgeven. Ten slotte werd de Zeeuwse Courant schuldig bevonden aan het polariseren van spanningen in de Middelburgse samenleving. De 'goede en oude' verstandhouding tussen de verschillende sociale groepen liep ten einde en de krant werd het mikpunt van smaadschriften en schimpdichten die uiterst fel van toon waren. Niet zonder reden dichtte Siffle in zijn kolommen:

Ja! Waarachtig! Ja!
We draaien als een weerhaan met den wind
Die 't meeste schimpen kan
schijnt ons de grootste held.

In de moeizame strijd voor het liberalisme dreigde Siffle een verbitterd man te worden. De schimpdichten waren vaak tegen de notarisdichter zelf gericht en soms ongemeen fel. Een anoniem en liberaal criticus sabelde Siffle ongenadig neer:

Denkersvrijheid - zoekt ze niet
bij die liberalen,
die op onbeschoften toon
steeds op andren smalen,
en aan alle wederspraak
zweren grenzelooze wraak.

't Is een advocaat-poeet, tevens ook notaris
die, zooals een ieder weet,
is een groote prullaris,
ja de grootste nulliteit
in des levens werkelijkheid.

Eigen grootheid, eigen eer,
dat is slechts hun zoeken;
daarom, Burgers! Opgepast,
laat U niet verkloeken!
Zendt een waarlijk liberaal,
naar des lands vergaderzaal.

Mogelijk overwoog Siffle zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer, zo blijkt uit de laatste regel. Ook maakte hij enige tijd - zonder succes overigens - deel uit van de Middelburgse gemeenteraad. Maar het tekent Siffle, als voorstander van persvrijheid, dat hij dergelijke schimpdichten in zijn dagblad opnam. In 1850 werd hij zelfs eigenaar van de krant maar de neergang kon niet uitgesteld worden. Vijf jaar later wijzigde hij de naam nogmaals (Provinciaale Zeeuwse en Middelburgsche Courant) in de hoop een groter publiek te kunnen aanspreken. Maar in de zomer van 1860 telde de Zeeuwsche nog slechts 58 abonnees waarmee het doek voor Siffle en zijn dagblad viel. Abrahams achtte dit toch een tragisch lot en meende dat het dagblad beter verdiend had.
Na het wegvallen van zijn persoonlijke spreekbuis legde Siffle zich meer en meer toe op het schrijven en voordragen van wijsgerige verhandelingen. Landelijk was hij actief in de vrijdenkersvereniging De Dageraad en te Middelburg werd hij redenaar van de loge La Compagnie Durable.


post-maconnieke filosofie

Het dagblad waaraan Siffle ruim twintig jaar verbonden was kenmerkte zich door lange beschouwingen en bespiegelingen. De Middelburgse notaris maakt de indruk van een echte 'salonintellectueel' die in alle rust en met gepaste afstand maatschappelijke en wijsgerige ontwikkelingen volgde. Bovendien kon hij in de plaatselijke en goed uitgeruste boekhandel Van Benthem alle literatuur krijgen die hij wenste. Zijn uitgesproken voorkeur voor de speculatieve filosofie en omvattende stelsels vormde de bron van zijn ontplooide activiteiten. In zijn jonge jaren had hij zich de filosofie van Fichte en Schleiermacher eigen gemaakt. Hij streefde naar een Verlicht Christendom en bleef zijn gehele leven trouw aan Kant. Zijn fascinatie voor het breukvlak van de theologie en de filosofie kwam onder meer tot uiting in een lezing die hij in 1829 hield voor het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen en waarvan de titel luidde: "Over de aannemelijkheid van het evangelisch christendom, alleen op wijsgeerige gronden". Deze voordracht ontlokte hem de uitspraak dat 'het christendom wel eene godsdienst voor eenvoudigen [is] maar niet voor onnoozelen'. Hij toonde een bijzondere interesse voor de zogenaamde 'Pantheismusstreit' die in Duitsland onder meer Goethe tot Spinoza gebracht had. Ook Siffle koesterde de denkbeelden van Spinoza, wiens werk hij bestudeerde met behulp van de befaamde 'Bruder-editie' - een driedelige Latijnse 'editio definitiva' die in 1841 op de markt kwam. Tevens poogde hij ook in Nederland een wijsgerige en pantheïstische traditie te construeren die op Spinoza terugging.
In het Middelburg van het midden van de negentiende eeuw vonden debatten veelvuldig plaats in en rondom de kerken. Het grootste deel van de bevolking behoorde in naam tot de Hervormde Kerk. De aristocratie bezocht vooral de Waalse Kerk, terwijl de burgerij - waartoe Siffle gerekend werd - in de drie kerkgebouwen van de Nederduitsch Hervormde Gemeente kerkte. Een derde religieuze groepering vinden we in de gereformeerde afgescheidenen die bijna zonder uitzondering tot de 'smalle gemeente' behoorden. Met name in de Hervomde Gemeente woei sinds 1848 een gematigde wind die gestimuleerd werd door de bekende predikant-dichters J.P. Hasebroek (1849-1851) en J.J. ten Kate (1850-1859). De orthodoxie maakte plaats voor een liberale geest waardoor de vrijzinnigen als Siffle (ouderling) en Kornelis Baart (gekozen tot diaken in 1853) meer ruimte kregen hun denkbeelden te ventileren. Baart stond aan de basis van de Nijverheidsvereeniging (een voorloper van de coöperatieve arbeidersverenigingen) en koesterde uitgesproken sociale opvattingen. P.J. Meertens ging in zijn In het voetspoor van Henriette Roland Holst (z.j) al uitvoerig in op de lotgevallen van de Middelburgse familie Baart. In 1856 werd deze vrijzinnige ontwikkeling beloond met de komst van F.P.J. Sibmacher Zynen, een vrijzinnige predikant die zelfs Multatuli las. In deze kring bestond de nodige aandacht voor het wijsgerig denken en in 1856 werden zowel Siffle als Baart lid van de zojuist opgerichte vrijdenkersvereniging De Dageraad.
Siffle koos daarmee voor een zeer specifieke populair-wijsgerige beweging die ongekend kritisch stond ten opzichte van de kerken en de theologie. In een voordracht voor het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen in 1859 poogde hij een traditie te construeren die aanving bij Spinoza en via de kantianen Johan Kinker, Paulus van Hemert en Markus S. Polak evolueerde tot 'het panentheisme des tegenwoordigen tijd', een stroming waarin Siffle zich thuis voelde. In deze Verhandeling over B. de Spinoza trachtte hij zijn gehoor te overtuigen van het feit dat het 'ons kleine vaderland' nooit ontbroken heeft aan scherpzinnige denkers die "als heldere sterren in den nacht van dit voorbijgaande leven, voor ons, pelgrims op aarde, flonkerden aan den hemel, en een vriendelijk licht wierpen op het naar boven kronkelende pad". Uiteraard stond Nederland in de schaduw van de Duitse filosofie maar sinds 1800 was er, volgens Siffle, onmiskenbaar sprake van een verbetering van het filosofisch klimaat. Om zijn stelling kracht bij te zetten wees hij op denkers als Kinker, Van Hemert en Polak die allen enthousiast gepoogd hadden hun Verlichtings-filosofie te verbreiden.
Omstreeks 1800 had de kantiaanse beweging zich verankerd in de Amsterdamse loge La Charite en zij beschouwde de maconnerie als een voorhoede van de door Kant gepredikte "Aufklarung". In de loges bestond al sinds de vroege achttiende eeuw een belangstelling voor naturalistische en spinozistische denkbeelden. Ook Van Hemert en Kinker pleitten onder de vrijmetselaars voor de opheffing van het traditionele en dualistische christendom, ageerden tegen religieuze intolerantie, en poogden de loges open te stellen voor niet-christenen. A.J. Hanou - de biograaf van Kinker - meende dat de kantianen een 'linkerflank' binnen de vrijmetselarij realiseerden waar rituelen naar het tweede plan verhuisden en het wijsgerige en maatschappelijke debat centraal gesteld werd. De idealistische 'orde-ideologie' van de kantianen onderscheidde drie kerngedachten: de rede is de hoogste godsdienst; de wereld is ons vaderland (kosmopolitisme); geluk voor allen in een wereldstaat. Kinker dichtte dan ook optimistisch over het streven van zijn broeders:

't Was wijsbegeerte, te eener dracht
met Vrye-metz-lary geboren;
Van Hemert heeft zij ons gebracht,
om ook haar zusters stem te hooren.

De overkoepelende Grootloge der Nederlanden (het Grootoosten) voelde niet veel voor deze nieuwlichterij en maande de broeders zich meer met maçonnieke dan wijsgerige vraagstukken bezig te houden. Men weigerde in te stemmen met de opvatting dat de vrijmetselarij 'een stoottroep voor wereldwijde maatschappelijke verbetering' zou zijn en noemde de nieuwlichters in 1820 'profanen [of] buiten de tempel verblijvenden'. Het Grootoosten vreesde blijkbaar de seculariserende werking die van het kantianisme en pantheïsme uitging.
De profane richting kon voorlopig in het gareel gebracht worden maar in de jaren veertig culmineerde het conflict in rel van formaat. De Amsterdamse filosoof en spiritist Markus S. Polak klaagde in zijn loge La Paix over het verval van de vrijmetselarij in Nederland. Hij uitte klachten over het lage intellectuele peil van de maconnerie waardoor 'de voortreffelijkste geleerden' thuis zouden blijven. Van de duizend Amsterdamse broeders zou slechts een kwart praktizeren. In de loges overheerste de aandacht voor 'nietige en kleingeestige zaken', zoals het drinkgelag en het banket. Onverteerbaar achtte Polak het feit dat eerzame burgers in staat gesteld werden zich in de maconnerie in te kopen: voor een fors bedrag werden leerling of gezellengraden verkocht. Polak sprak van stelselmatige vernedering van de broederschap. Gedurende de jaren 1847-48 hield hij in het land voordrachten waarin hij richtlijnen formuleerde 'om de Orde weder in hare oorspronkelijke reinheid te herstellen'.
Het Grootoosten reageerde furieus op deze jood die het waagde de Nederlandse maconnerie te kritiseren. Uiteindelijk, na een hetze-achtige anticampagne, stichtten Polak en enkele medestanders in 1850 een zesde Amsterdamse loge, Post Nubila Lux (Licht na de wolken), die echter niet door het Grootoosten erkend werd en aldus als 'clandestiene loge' te boek stond. Deze loge maakte de wijsbegeerte tot het speerpunt van haar programma. In artikel drie van de doelstellingen deelde Polak mede dat de loge 'een school voor bespiegelende wijsbegeerte' zou dienen te zijn. Een plek waar broeders gezamenlijk wijsgerige en maatschappelijke problemen zouden kunnen bespreken. Zo debatteerde men onder meer over de natuurlijke godsdienst, de onsterfelijkheid van de ziel, het spinozisme, en de ethiek van de zelfmoord. Daarnaast bestond er aandacht voor 'critische historiekunde' en de geschiedenis van de wijsbegeerte. Uit de geschiedenis distilleerde men argumenten voor het samenstellen van een eigen actuele levens en wereldbeschouwing. De Vlaamse filosoof Leo Apostel schreef onlangs in zijn boeiende boek De Vrijmetselarij. Een wijsgerige benadering (1992) dat de broeders streefden naar een tolerante 'ideologie der coëxistentie van ideologieën'. Met andere woorden, de belangstelling voor de wijsbegeerte was zuiver eclectisch van aard en het aanhangen van een enkel dogmatisch stelsel werd gewoonlijk afgewezen. In 1829 had de Lutherse predikant Willem van Volkom - die sympathiek stond ten opzichte van Spinoza en maconnieke denkers als Fichte en Fessler - ieder '-isme' (waaronder kantianisme en spinozisme) al afgewezen als "verpersoonlijke letterroof" ("personificirtes plagiat").
In het uiterst behoedzame Nederland bestond weinig speelruimte voor kritische opmerkingen jegens de theologie en het Amsterdamse conflict rondom Polak stond dan ook niet op zichzelf. Al in 1822 werd Thorbecke gedwarsboomd in zijn poging hoogleraar te worden omdat hij 'van spinozisme verdacht' werd. In 1843 verbood de redactie van De Gids Johannes van Vloten nog langer artikelen met een anti-theologische strekking voor het blad te schrijven en ook de fysioloog en materialist Jacob Moleschott kon hier geen uitgeverij bereid vinden die zijn vertalingen van het werk van Strauss wilden uitgeven. De Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels hanteerde een 'zwarte lijst' waarop werken van kritische auteurs als Strauss en Feuerbach prijkten. Echter sinds 1848 had de liberale generatie meer zelfvertrouwen gekregen en steeds openlijker traden de broeders uit hun beschermde maçonnieke schulp. Vooral de jaren 1854 en 1855 deden de seculiere cultuur ontwaken. De deïst en naturalist Franz Junghuhn publiceerde in deze jaren zijn beruchte boek Licht en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java dat geheel via de loges verspreid werd. In dit boek wisselen vier natuurvorsers (Dag, Nacht, Avondrood en Morgenrood) met elkaar van gedachten over godsdienst en ethiek. Dag is de deïst, Nacht de orthodoxe christen, in Avondrood ontmoeten we de pantheïst, en Morgenrood is de materialist. Het boek kreeg de nodige herdrukken en bleek succesvol omdat de lezer zich met 'nieuwe' wereldbeschouwingen kon identificeren. Bovendien kon men voor de wetenschappers eenvoudig namen invullen van Nederlandse denkers en scribenten die in de kolommen van populair-wijsgerige bladen als De Dageraad (1856) van zich lieten horen. We kunnen dan denken aan de 'kristokraat' Antonius van der Linde (Nacht), de fysioloog en biochemicus Jacob Moleschott (Morgenrood), onze Middelburgse wijsgeer Siffle (Avondrood) en de schrijver Junghuhn zelf (Dag). De belangrijkste conclusie van Dag, namelijk dat de Javanen zonder kennis van het christendom toch een hoge zedelijke cultuur kenden, beroerde velen en deed de kritiek op het traditionele christendom toenemen.
Ook De Gids kreeg meer belangstelling voor het naturalisme en pantheïsme. Toen de populaire Duitse volksschrijver Berthold Auerbach zijn boek Spinoza. Ein Denkerleben (1855) publiceerde maakte De Gids ruimte voor een lovende boekbespreking van maar liefst 34 pagina's. In hetzelfde jaar verwoordde de pantheïst en spinozist Johannes van Vloten zijn geloof aan een 'Hemel op Aarde' in het boeiende utopistische artikel Godsdienst en Natuurkennis. De mens was niet langer een 'Kristen' die geknecht werd door theologische dogma's, hij was nu waarlijk 'Mensch' geworden omdat hij op eigen kracht en met behulp van de rede (wetenschap en natuurkennis) zijn eigen geschiedenis zou gaan vormgeven. In 1862 presenteerde Van Vloten een lijvige Spinoza-studie en tot zijn dood in 1882 zou hij ruim zestig verhandelingen over het leven en werk van de zeventiende eeuwse naturalist publiceren.
In dit klimaat werd Siffle in 1856 lid van de zojuist opgerichte vrijdenkersvereniging
De Dageraad. De oprichters waren allen afkomstig uit Polak's loge Post Nubila Lux en daarom kunnen we stellen dat De Dageraad een eerste poging was de eclectische wijsbegeerte los te maken van de maconnerie die seculariserende tendenzen steeds opnieuw gesmoord had. Siffle leverde voor het maandblad De Dageraad commentaar op recent verschenen wijsgerige boeken, hij polemiseerde met uiteenlopende filosofen (zoals met B.H.C.K. van der Wijck en Van Vloten), en bleek vooral geïnteresseerd in een Nederlandse filosofie.


pantheïsme en wetenschapskritiek

In zijn voordracht van 1859 over Spinoza voor het Zeeuws Genootschap verklaarde Siffle zich schatplichtig aan Van Hemert, Kinker en Polak en hij verwachtte van Polaks studie De nieuwe Grondleer der Wijsbegeerte (1857) resultaten die 'groots en heerlijk' zouden zijn. Polak was een overtuigde idealist die het denken het hoogste goed van de mens beschouwde. Zijn adagium "Menszijn is denken: zonder het denken is de heerlijke schepping Gods slechts een opgesmukte grafkuil" werd ook door Siffle overgenomen. Maar veel nadrukkelijker dan de spiritist Polak besteedde Siffle aandacht aan Spinoza. Zijn aandacht voor de zeventiende eeuwse wijsgeer past in het liberale en nationale klimaat van de jaren 1850-1880 waarin gezocht werd naar inspirerende voorbeelden uit de vaderlandse geschiedenis. Spinoza was zo'n figuur en vooral Van Vloten heeft zich ingespannen de wijsgeer als een voorloper van de seculiere en liberale cultuur te presenteren. Deze presentatie vond zijn bekroning in de oprichting van een standbeeld van Spinoza aan de Haagse Paviljoensgracht (1880). Bovendien konden vrijdenkers van allerlei pluimage zich eenvoudig identificeren met de verguisde Spinoza wiens denkbeelden in zijn eigen tijd ook door de grote stroom veroordeeld werden. Emotioneel wees Siffle zijn toehoorders op de grote naturalist die "in zijn leven als een ketter en een godloochenaar is verguisd, vervolgd, verdreven, belaagd; nog lang na zijn dood gehoond en miskend; maar eindelijk, in Duitschland vooral, gelijk een heilige, gehuldigd en vereerd, ja zelfs, als zuiver verkondiger der identiteitsleer, boven Schelling, als scherpzinnig denker, boven Hegel gesteld". In onze tijd, zo betoogt Siffle, zou de verguisde wijsgeer 'met toejuiching' tot hoogleraar aan een universiteit benoemd worden.
Siffle baseerde zich op een mystieke en metafysische interpretatie van het spinozisme, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Johannes van Vloten die gepoogd had een positivistische Spinoza te presenteren. Siffle vatte Spinoza's metafysica op als "de leer van God, als de oneindige zelfstandigheid, waarvan de ontwikkeling zich splitst in de beschouwing van het wezen en de eigenschappen Gods, en in die zelfopenbaring van God of der verhouding van het oneindige tot het eindige". Hij omarmde Spinoza's monisme omdat in de dualistische scheiding tussen denken (verstand en wil) en uitgebreidheid (rust en beweging) de eenheid van de kosmos volledig verloren zou gaan. Met andere woorden, in het dualistische christendom wordt de relatie tussen 'de Albezieler' en de mens tot een onverklaarbaar raadsel gemaakt. Spinoza's God, 'het Grondwezen', is het grootst mogelijk denkbare dat niet direct met de natuur gelijkgesteld mag worden. Enerzijds is daar de "alles daarstellende Natuur van het eeuwige denken en de grenzelooze uitgebreidheid" ("natura naturans"), [en anderzijds] "de van eeuwigheid uit dien, met zalige zelfbewustheid alles barenden en voedenden levensoceaan, ontspringende en achtervolgelijk daarin wederkeerende menigte van schepselen, die te zamen de schepping uitmaken" ("natura naturata"). Samen gaan deze twee naturen op in een hogere eenheid waardoor zowel denken als uitgebreidheid in wezen grenzeloos en tijdloos zijn: er bestaat geen ziel zonder lichaam, geen stof zonder geest, en het stoffelijke en onstoffelijke zijn beide eeuwig en bezield 'in de volheid van Gods wezen'. Alles en iedereen maakt op een harmonieuze wijze deel uit van 'den eeuwigen Vader'. Volgens Siffle krijgen wij kennis van God bij het doorschouwen van de eenheid van zijn wezen. In deze mystische doorschouwing wordt 'de hereeniging met het oorspronkelijk Oneindige' weer mogelijk. Maar onze verbintenis met 'de Zelfstandigheid' is een zuiver individuele zaak, zo lijkt hij met Kant te zeggen. Ieder wezen moet afzonderlijk werken aan zijn voltooiing van de eeuwig scheppende natuur.
Siffle verwoordde een moderne 'unio mystica', een mystieke levensleer, en net als Kinker, Van Volkom en Polak geloofde hij aan een bepaalde onsterfelijkheid. Immers, 'onze verworven krachten' (herinnering en verbeelding) ontwikkelen zich na de dood van het sterfelijke lichaam verder in andere levensvormen om ooit "bij de volkomen hereeniging met het Grondwezen op nieuw tot genot der heerlijkheid te geraken, waaruit hij, in welken levensvorm ook, bij zijne eerste schepselwording is afgedaald". Het besef deel uit te maken van de alles daarstellende natuur of het Grondwezen is geworteld in de onmiddellijke doorschouwing. Ook Spinoza realiseerde dit, zo meent Siffle, want Spinoza sprak immers over het belang van de derde en hoogste graad van kennis, of de intuitieve kennis. Voor de Middelburgse wijsgeer lag het wezen van de religie in het gemoed (Schleiermacher), in de intuitie (Spinoza).
Zijn spinozisme was sterk verwant aan Goethe en het Duitse naturalisme zoals dat uit de 'Pantheismusstreit' voortvloeide. Met zijn koestering van Spinoza's mystieke Godsleer leverde hij felle kritiek op het christendom; op pogingen het spinozisme met de moderne theologie te verzoenen (zoals de theoloog J.H. Scholten voorstond); maar tevens op de positivistische interpretatie van het spinozisme. Volgens Siffle had Spinoza zeer overtuigend aangetoond dat "eene wereld in God, met een God, alomtegenwoordig in de wereld, nader aan ons hart zijn, dan eene wereld buiten en onder, met een God buiten en boven de wereld. Dit zal geen betoog behoeven voor elk die verstaat en gevoelt". Siffle en Polak verdedigden het bespiegelende denken tegenover het empirisme en positivisme dat in hun dagen opgang maakte. Men meende dat empirisme en natuuronderzoek vooralsnog leidde tot 'menigvuldiging' (verscheidenheid) waardoor de 'hereeniging met het Grondwezen' (eenheid) uitbleef.
Maar niet iedereen binnen De Dageraad was zo gelukkig met het wat zweverige pantheïsme van Siffle. Enerzijds waren daar critici die in navolging van Arthur Schopenhauer het pantheisme als een 'atheisme van de fatsoenlijke burger' beschouwden. Anderen achtten het spinozisme een afschrikwekkend voorbeeld van hoogmoed dat slechts kon uitlopen op wereld- ('Akosmismus') of godsloochening ('Atheismus'). De gedachte dat wij mensen 'bestaansformen' zijn van het 'Al-eene' en geen nederige schepsels Gods was hier ten lande omstreeks 1860 een uiterst revolutionaire gedachte. Siffle voerde binnen De Dageraad een pantheïstische stroming aan, een stroming die hij in zijn voordracht van 1859 in feite zelf gecreëerd had. Zijn voorkeur ging uit naar 'stelselvormers' zoals Johan Kinker, en hij hoopte van harte dat ook Polak en anderen zouden slagen in het formuleren van een wijsgerig stelsel. De grootste stelselbouwer was natuurlijk Spinoza geweest, zo betoogde Siffle. En daar de nieuwe filosofen nog geen adequaat omvattend stelsel ontworpen hadden bleef hij uit de Ethica van Spinoza - zonder zichzelf overigens spinozist te noemen - zijn inspiratie putten.
Een echte modernist kan Siffle toch niet genoemd worden. Hij stond zeer kritisch tegenover de moderne natuurwetenschap en wees ieder positivisme en materialisme van de hand. Tevens ervoer hij de opkomende ervaringsleer van Auguste Comte als een verkrampte reactie op strijdende en elkaar betwistende idealistische en religieuze stelsels. Het positivisme was niet meer dan 'een dogmatisme van tegenovergestelde aard'. Materialisme en positivisme hadden geresulteerd in een verarming van het geestelijk leven waardoor de wijsbegeerte zich had opgesloten in 'den beperkten kring der verstandsbegrippen' en in toenemende mate doof bleek 'voor de stem des gemoeds'. De hedendaagse wetenschap tracht 'iets te kennen' terwijl slechts de onmiddellijke doorgronding tot wezenlijke kennis kan leiden. De natuurkunde verklaart dan ook geen oorzaken, zo stelt hij in De Dageraad, maar verschaft ons slechts kennis die door 'onze bewerktuiging' verkregen is. Met andere woorden, we kennen wel, maar weten niets. Tevens hekelde hij het utopisme van naturalisten als Van Vloten en Moleschott die stelden dat de samenleving van de toekomst vrij van ieder geloof zou zijn. De godsdienstige vormen mogen zich dan wijzigen, in essentie blijft het religieuze gemoed de kern van iedere religie: "Slechts door eigen, schoon altijd feilbaar inzien, mag men komen tot de erkentenis van hetgeen men voor zich zelven, als goed, waar en schoon, leert beminnen en beoefenen. Maar de algemeene wetten van den menschelijken geest laten over het zedelijk-noodige zeer weinig verschil onstaan, zoodat door alle tijden heen de kern van de godsdienst bij alle volken, die slechts enigszins den staat der woestheid waren ontworsteld, dezelfde is gebleven, en alleen de omzwachtelde schors dikker of dunner, grover of fijner is".
Opmerkingen als deze waren een aanleiding tot nieuwe antropologische studies van vooral Indische culturen. In de jaren zestig en zeventig zou Petrus van Limburg Brouwer (onder meer spinozist en redacteur van De Nederlandsche Spectator) in een aantal artikelen voor De Gids dit thema verder uitwerken waarbij hij aandacht besteedde aan boeddhistische en 'atheïstische' culturen en de kabbala. In de ogen van Siffle was de hedendaagse wetenschap, de moderne theologie en de wijsbegeerte verworden tot een banale 'strijd der meeningen'. Het was juist de taak van de filosofie de mensen het nietige van al die geschillen te doen inzien. De filosofie dient bespiegelend van aard te zijn zodat zij de eenheid van 'een algemeen geloof der menschheid' kan verkondigen. Hij voer fel uit tegen de hoogleraar en empirist Van der Wijck die in zijn oratie De oorsprong en het wezen der kennis (1864) de menselijke geest als een 'tabula rasa' omschreven had: een onbeschreven blad dat van nature niets weet en door middel van de ervaring alles moet leren. Volgens de Middelburgse notaris-wijsgeer leverde een dergelijke constatering weinig op omdat de menselijke drijfveren buiten iedere empirische beschouwing bleven. Siffle meende dat Van der Wijck geen antwoorden kon geven op vragen als 'Hoe komt de mens aan zijn vatbaarheid om te leren?' of 'Waarom handelen we zoals we handelen en niet anders?': "Maar hoe zal ons de ervaring aleen verheffen tot erkenning van het eeuwige en onbegrensde in het zelfstandige denken? tot het begrip van het Volkomene? tot huldiging der eenheid? ondeelbaarheid, eeuwigheid en grenzeloosheid, onveranderlijkheid en volmaaktheid van het heelal, niet als voorwerp van onze waarneming, maar als eenig wezenlijk bestaande, het blijvende onder alle afwisseling, het grote 'noumenon' van alle phaenomena, gelijk Kant het zou uitdrukken, het albezielende en zelfstandige Zijn bij Spinoza?"
Van der Wijck wilde niet op deze vragen ingaan en noemde de inductieve zienswijze van Siffle verouderd en achterhaald. Bovendien achtte hij Siffle overmoedig omdat hij vragen formuleerde waarop geen antwoorden mogelijk zouden zijn. Siffle verweerde zich met Spinoza en deelde Van der Wijck mede dat de hoogleraar zich zou beperken tot de twee eerste kennissoorten. En juist deze intuïtieve kennis was afwezig in de moderne wetenschap. Deze polemiek gaf onder meer blijk van de geweldige cultuurkloof die gaapte tussen speculatieve denkers en empiristen. De laatsten meenden dat de 'bovennatuurkunde' niet meer thuishoorde in de moderne wetenschap en dat metafysici 'lieden van de teruggang' zouden zijn.
In het tijdschrift De Dageraad wierp Siffle zich op als een verdediger van deze 'bovennatuurkunde'. Vrijheid en determinisme beschouwt hij als de keerzijden van de eeuwig naturende natuur, van het Absolute. Daaruit volgt dat een voortgebrachte schepsel geen wezenlijke vrijheid kent maar slechts beschikt over de vrijheid 'om te doen wat het wil voor zoo ver geen stoffelijke hinderpaal dit belet'. Voor Siffle is het duidelijk dat de mens zijn relatieve rol in de kringloop van het leven in ogenschouw moet nemen, wil hij tenminste vrij leven en denken. De individuele mens wordt voortdurend beheerst door zijn hartstochten en zijn egoïsme die slechts te overwinnen zijn door de erkenning en doorleving van het eeuwige en het oneindige.
A.F. Siffle was een religieus mens die lyrisch zijn 'unio met het Grondwezen' bezong. Zijn taalgebruik was zelden concreet en vaak verloor hij zich in lange volzinnen waarin op poëtische toon de onbegrensde oneindigheid van de kosmos beschreven werd. Voor Siffle was de persoonlijke God gestorven, maar zijn geloof in Spinoza's 'Deus sive Natura' was springlevend. Hij bouwde een geweldig (maconniek) vocabulair op om zijn God treffend te kunnen beschrijven: het Al, het Al-ene, de grenzeloze natuur, de Albezieler, het Grondwezen, het Opperwezen, het 'noumenon', de eeuwige Vader, de Aloceaan, de alles barende en voedende levensoceaan, het oorspronkelijk Oneindige, de zelfstandigheid, de substantie, het eeuwige denken en de grenzeloze uitgebreidheid, het volkomene, het albezielende en zelfstandige Zijn...Toch bleef Siffle een wat geïsoleerde figuur in de vrijdenkersvereniging. Onder invloed van de resultaten van de natuurwetenschap kwam er steeds meer aandacht voor het positivisme en materialisme - zo propageerden Van Vloten en Moleschott met meer succes hun seculier spinozisme.


terug in de maçonnieke moederschoot

In de eerste helft van de jaren zestig moet Siffle zich gerealiseerd hebben dat zijn pogingen het Nederlandse volk te bereiken mislukt waren. In Middelburg was zijn dagblad al ten onder gegaan en ook in de De Dageraad had het pantheïsme aan glans verloren. Op aandringen van enkele vrienden werd hij op 30 maart 1864 op 63-jarige leeftijd aangenomen in de loge La Compagnie Durable (opgericht in 1770). De Middelburgse broeders twijfelden niet aan zijn motieven want men wist dat Siffle "het grootste deel zijns levens de beginselen van het genootschap niet slechts toegedaan was, maar dat hij de beginselen waarop het rust, zooveel mogelijk in handel en wandel toepaste". Middelburg beschikte over twee loges - de andere was de 'aristocratische' loge Le Philantrope (opgericht in 1758). In La Compagnie Durable hadden notarissen, advocaten en klerken steeds een grote rol gespeeld en de contributie betrof het laagst toegestane bedrag binnen de maçonnieke wetgeving. Het waren dan ook vooral de sociale middengroepen die elkaar in deze loge ontmoetten. Toen de Zeeuwse vrijmetselaar J.C. Altorffer de notaris-wijsgeer bij zijn dood in 1872 herdacht vroeg hij zich af waarom Siffle niet eerder tot de maconnerie was toegetreden. Tot een antwoord kwam hij niet.
Toch zouden we deze vraag voorzichtig kunnen beantwoorden. Siffle was uitstekend op de hoogte van het kantianisme en spinozisme dat in Nederland steeds verbonden was geweest met de vrijmetselarij. Echter, de maconnerie werd beheerst door een conservatieve geest waarin de rituele mystiek geprefereerd werd boven de rationalistische. Siffle moet op de hoogte geweest zijn van de moeizame pogingen van Kinker en Van Hemert meer ruimte te scheppen voor het wijsgerig denken, en ook zijn leermeester Markus Polak had in Amsterdam met verdachtmakingen en uitsluiting kennis gemaakt. De oprichting van Post Nubila Lux en De Dageraad betrof een exclusieve poging het vrije filosofische denken los te maken van de vrijmetselarij. Dat Siffle die poging steunde blijkt onder meer uit het feit dat hij zich met Kornelis Baart in 1856 aansloot bij De Dageraad. Omdat zijn hooggespannen verwachtingen niet uitkwamen zal hij besloten hebben de 'volksopvoeding' te staken. Ook W.W. Mijnhardt concludeerde in Tot Heil van 't Menschdom (1987) dat de Middelburgse loges tussen 1750 en 1815 geen rol speelden in de verspreiding van verlichte opvattingen. Siffle zal van het intellectuele peil van de loges geen al te hoge dunk gekregen hebben, maar in de maconnerie kon hij desondanks een aandachtig wijsgerig gehoor vinden. Op 27 september 1864 verkreeg hij de tweede graad en in januari reeds de derde. In de Middelburgse loge maakte hij een voorspoedige loopbaan door. Op 24 maart 1865 werd hij benoemd tot redenaar en tot aan zijn dood zou hij die funktie blijven bekleden. Volgens Altorffer 'tintelden zijn uitgesproken bouwstukken van maçonniek licht'. In de Zeeuwse vrijmetselarij bleef hij een belangrijke inspiratiebron en in 1867 werd hij zelfs als gedecoreerd als 'Meester van Eer' in de internationale Vlissingse loge l'Astre de l'Orient.
In zijn laatste levensjaar werd hij getroffen door een beroerte waardoor het werken hem nog maar zeer moeilijk afging. Zijn vriend Altorffer bracht hem een bezoek toen 'de eerste flikkering van herstel een zonnestraal geworden was'. Dit verslag is een van de weinige persoonlijke documenten:

"Aanvankelijke beterschap was niet te ontkennen; was het lichaam getroffen, de geest bleek even helder als vroeger; en de optimist, die steeds het goede, hoe gering het ook ware, op prijs stelde en blijmoedig genoot, verheugde zich recht hartelijk in die flikkering van herstel en vormde reeds plannen voor werkzaamheid binnen zijn studeervertrek dat voortaan zijn doorgaand verblijf zou moeten zijn. Later bezocht ik hem andermaal. Hoe verblijdde hij zich daarover! Met welgevallen sprak hij over de congresvergaderingen, waarvan hij door de nieuwsbladen kennis had gekregen, en riep mij blijmoedig toe: 'tot weerziens!' Met de beste verwachtingen verliet ik hem. 't Waren echter de laatste woorden die ik van zijne lippen hoorde, de laatste maal dat ik zijn vriendenhand drukken mocht.
Voornemens hem nogmaals te bezoeken, vernam ik op denzelfden dag, den 7 October 1872, zijn snel toegenomen bedenkelijken toestand, en spoedig daarna zijn overlijden. Dat overlijden liet bovenal in den engen huiselijken kring een diep gevoeld gemis na, daar zijn waardige echtgenoot, mejufvr. K.M. Udemans een lieferijk echtgenoot in hem derft. Zijn eenig kind Henri Paul Alexandre, was in 1866, op 28jarigen leeftijd zijn vader reeds in het graf voorgegaan".

Siffle was aan het einde van zijn leven een volledig geïsoleerde figuur geworden en de belangstelling voor zijn begrafenis was dan ook minimaal. Enkele familieleden en geestverwanten bewezen hem de laatste eer onder de uitroep "Excelsior!". Altorffer vatte zijn leven samen in drie woorden: denken ("zijn onderzoekende geest werd nooit moede kennis te nemen van oudere en nieuwere stelsels der philosophie"), werken ("God gaf hem zijne talenten als volmaakte middelen tot een volmaakt einde") en dienen ("niet slechts voor den kring zijner vrienden en bekenden, maar voor elk die zich tot hem wendde").
Bezien we vandaag de loopbaan van Alexander Francois Siffle, dan worden we getroffen door het tragische karakter van zijn leven. Mogelijk 'schreef hij oneindig veel beter dan Multatuli'; roem heeft zijn inspanning niet gebracht. De ondergang van zijn krant, de vijandige houding van de Middelburgse bevolking, zijn terugkeer naar de beschermde en 'ondergrondse' domeinen van de maconnerie, en de vroege dood van zijn zoon Henri hebben ongetwijfeld diepe sporen in zijn leven getrokken.
Toch worden we ook getroffen door de moed die de Middelburger aan de dag legde. Hij stond op de bres voor het openbaar debat en de vrije pers, hij hanteerde geen pseudoniemen, en verkondigde een spiritueel spinozisme dat eerst door de generatie van Tachtig omarmd zou worden. Toen de filosoof en spinozist Johannes Diederik Bierens de Haan in 1907 het eerste nummer van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte presenteerde wees hij op de noodzaak van de metafysica voor de moderne tijd. Het economische en wetenschappelijke denken had 'het beschouwelijke temperament' en daarmee ook de wijsbegeerte naar de maatschappelijke marge gedirigeerd. Bierens de Haan maakte zich sterk voor een 'volle en harmonieuse levensleer' als antwoord op de wording van een 'dieszeitige' samenleving waarin de toegenomen arbeidsdeling, consumentisme, industrialisatie, natuuraantasting en verkeersdrukte 'het Eeuwige als een onbereikbaar Jenseits' geisoleerd had. Hij herhaalde daarmee de waarschuwende woorden die Siffle al in de jaren vijftig en zestig aan het adres van positivisten en materialisten gericht had. Siffle voorzag dat het primaat en de bejubeling van de moderne wetenschap tot een platvloers materialisme zou leiden en kritiseerde het vooruitgangsdenken dat door denkers als Van Vloten en Moleschott verkondigd werd. Ook voor het huidige debat omtrent de crisis van het vooruitgangsdenken biedt het werk van Siffle voldoende aanknopingspunten voor verder onderzoek.


geselecteerde bibliografie van A.F. Siffle:

* De Notaris inprimis secundum jus hodiernum (dissertatie Leiden 1825)
* Gedichten van Mr. A.F. Siffle (Middelburg 1825)
* Cantate: de hemelvaart van Jezus (Middelburg 1826)
* Over de taalstelsels van Siegenbeek en Bilderdijk (Middelburg 1827)
* Welke voorbeelden hebben geachte Neder- en Hoogduitsche dichters van vroeger en den tegenwoordigen tijd in verschillende soort van dicht en dichtmaat gegeven ten opzichte van het gebruik van regelmatige rijmwoorden, zoo op zichzelve, als ten aanzien van die op elkander staan? (Haarlem 1828)
* Vaderlandsche opwekkingen (Middelburg 1830)
* Albrecht Beiling (Middelburg 1831)
* Filips van Egmond of het verijdeld verraad (Middelburg 1832)
* Godefride en Gisla (geschreven voor het Amsterdamsch Stadsschouwtoneel, Amsterdam 1836)
* Sophocles-Antigone (Amsterdam 1836)
* Aan Prins Hendrik (Middelburg 1839)
* Hulde aan de nagedachtenis van koning Willem III (Middelburg z.j.)
* Nieuwe Gedichten van Mr. A.F. Siffle (Middelburg 1844)
* Verhandeling over B. de Spinoza voor het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, in: De Dageraad (1859)
* In welken zin is de schepping eeuwig en onbegrensd? De Dageraad (1859)
* Kritisch-wijsgeerige beschouwingen. De Dageraad (1861)
* In welken zin bestaat er eene bovennatuurkunde? De Dageraad (1862)
* Opmerkingen n.a.v. de inwijdingsrede van jhr. B.H.C.K. van der Wijck. De Dageraad (1864)
* Hoe begreep Spinoza de eeuwigheid der ziel? De Dageraad (1869)

over A.F. Siffle:

* F. Nagtglas, Levensberichten van Zeeuwen II (Middelburg 1893), 629-632.
* H.P. Abrahams, De Pers in Zeeland (Den Haag 1912), 112-185.
* J.C. Altorffer, Een denker en dichter: Mr. Alexander Francois Siffle 1801-1872, in: Jaarboekje voor Nederlandsche Vrijmetselaren 1873, 152-158.
* Siebe Thissen, 'Images of Light and Shadow'. Overt Spinozism bursts forth into Dutch cultural life (1854-1872). Lezing gehouden tijdens het internationale colloqium "Disguised and overt Spinozism in the Netherlands" (5-8 oktober 1994 te Rotterdam), georganiseerd door W.N.A. Klever en L. van Bunge. Later dit jaar verschijnt een bundel waarin deze tekst is opgenomen.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -