| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2000 Het leven van Spinoza.pdf | 26.01.2004 | 86kB | - |
POSTSCRIPTUM:
HET LEVEN VAN SPINOZA
VOLGENS MARGARET GULLAN-WHUR
Over het leven van Spinoza, zo bleek uit een bescheiden onderzoekje dat ik
in mijn kennissenkring uitvoerde, bestaan twee verschillende waarderingen
die elkaar in extremiteit echter niet ontlopen: bewondering of hoon. De eerste
categorie heeft de grootste bewondering voor deze zeventiende eeuwse denker,
die zijn hartstochten op bewonderenswaardige wijze wist te bedwingen; die
onder moeilijke omstandigheden een gedurfd ethisch en politiek stelsel wist
te ontwerpen; en die in zijn wijsbegeerte en levensinrichting zoveel autonomie
en oorspronkelijkheid vond, dat de waan van de dag - met zijn nerveuze baantjesjagerij,
een theocratisch fundamentalisme en het modieuze cartesianisme - kon worden
overstegen. Daar tegenover staan de critici, die, vreemd genoeg, met een
beroep op dezelfde argumenten, Spinoza overladen met hoon en vervolgens menen
dat er in de receptie sprake is van een schromelijke overschatting. Met zijn
totalitaire disciplinering van de hartstochten zou hij het christendom, maar
ook Hobbes, rechts hebben ingehaald, door de vijandige houding ten opzichte
van het lichaam, de vrouw en niet-westerse culturen te intensiveren. Zijn
wijsbegeerte zou juist modieus van aard zijn, slechts de indruk van geleerdheid
wekken, en zijn geïsoleerde bestaan zou het tastbare bewijs zijn van
zijn levens- en wereldvreemde karakter. Tussen deze beide polen - en ik citeer
even de meest uitgesproken opmerkingen uit mijn kleine enquête: aan
de ene kant "de meest geniale Nederlandse denker" en aan de andere
kant "een wereldvreemde autist" - vindt klaarblijkelijk een receptie
en waardering van Spinoza's leven en werk plaats
Maar het feit dat je vandaag een belrondje kan maken en kan informeren naar
Spinoza, tekent de enorme verbreiding en vooruitgang die Spinoza's naam en
faam sinds anderhalve eeuw hebben doorgemaakt. Voordat de Zeeuwse huisarts
Samuel Coronel jr., in het begin van de jaren '70 van de vorige eeuw, zijn
kleine, sympathieke biografie van Spinoza publiceerde, hield ook hij een kleine
enquete in zijn woonplaats Middelburg. Coronel moest tot zijn verbijstering
constateren dat er nauwelijks een sterveling bestond die ooit van Spinoza had
gehoord. De meest geletterden onder hen dachten eerder aan de beruchte Spaanse
veldheer Ambrosio Spinola, dan aan onze zeventiende eeuwse denker.
De meningen over Spinoza's werk en leven mogen vandaag de dag weliswaar verdeeld
zijn, toch is het beeld dat we van deze wijsgeer hebben gekregen tot op heden
onvolledig, gefragmenteerd, verminkt en soms zelfs onjuist. Ik spreek dan
op de eerste plaats over zijn biografie, zijn levenspraktijk, want over zijn
werk verschijnt in vele talen een nog immer wassende stroom publicaties van
een hoog wetenschappelijk kaliber. Sinds kort kent Nederland zelfs een hoogleraar
Spinoza-studies.
Met de levensbeschrijvingen van Spinoza is het veel slechter gesteld en tot op heden moest de geïnteresseerde lezer zich tevreden stellen met een schematische en onvolledige kennis van zijn bestaan. We weten dat zijn vrienden brieven en biografische feiten bewust hebben verdonkeremaand; we weten dat Spinoza van atheïsme en zedenloosheid werd beschuldigd, waardoor opmerkingen of notities over zijn persoonlijke leven in alle voorzichtigheid werden geuit ('caute'); we weten dat speurtochten door onze archieven niet hebben geresulteerd in een schat aan nieuwe biografische gegevens. Spinoza's leven glipt voortdurend door onze vingers, omdat 'verdoemde data' de wetenschappelijke data in kwantiteit en kwaliteit overtreffen. Verdoemde data, zo schreef de crypto-spinozist of intermediatist Charles Fort in zijn befaamde The Book of the Damned (1919), zijn data die de wetenschappelijke epistemologie nooit hebben bereikt, waardoor een volstrekt verminkt beeld van de werkelijkheid wordt opgeroepen. Nu is het verdoemen van data een essentieel bestanddeel van ieder wetenschappelijk onderzoek - de wetenschapper moet immers een keuze maken uit de data die hem ter beschikking staan - maar in het geval van het datatekort rondom Spinoza's leven, worden alle historische brokstukjes, spoortjes en roddeltjes tot wetenschappelijke data verheven. Wat overblijft is een verdoemd bestaan, een verdoemde biografie, een levenspraktijk waarvan we niet precies weten of het de historische werkelijkheid uitdrukt of zelfs maar benadert. Die spanning tussen feit en fictie is een terugkerend thema in de levensbeschrijvingen van Spinoza. Tot op heden heeft iedere auteur, die zich durfde te wagen aan een Spinoza-biografie, zich rekenschap gegeven van die spanning en de leemtes aangevuld met veelal autobiografische schetsen.
De Spinoza-biografie van Johannes van Vloten uit 1862 is ten dele zeker ook een autobiografie van Van Vloten zelf. De spinozist Willem Meijer werd omstreeks de eeuwwisseling Meijer-Spinoza genoemd, als ware hij een necromantisch medium waardoor Spinoza uit de dood kon worden opgewekt, om zodoende diens leven en werk suprapersoonlijk aan het publiek te presenteren. Ook in de biografieën van Antoon Vloemans en Theun de Vries zijn de hand en het karakter van de auteurs nadrukkelijk aanwezig, waardoor subject en object voortdurend met elkaar versmelten of zelfs met elkaar worden geïdentificeerd. Een hoogtepunt in dit genre is nog altijd het in 1995 verschenen Een nieuwe Spinoza, geschreven door auteur-acteur Wim Klever. Het boek lijkt op een avontuurlijke tandemtocht, waarbij soms Spinoza voorop zit en dan weer Klever het stuur overneemt indien de data hem in de steek laten.
Maar in zo'n genre, zo merkte de hoogleraar en Spinoza-kenner Jan Land omstreeks 1900 al op, kan niet op elke pagina een even grote wetenschappelijke nauwkeurigheid worden verwacht. Zijn de meeste biografieën geschreven van binnen naar buiten, van Spinoza's leven en werk naar de context waarbinnen dat leven en werk gestalte kreeg, grotere wetenschappelijke nauwkeurigheid kan ook worden bereikt door Spinoza's leven te bestuderen vanuit de historische en maatschappelijke context. Om zijn opvatting kracht bij te zetten wees Land daarbij op de zojuist verschenen studie Spinoza en zijn kring (1896), waarin de vrijdenker en archivaris Koenraad Oege Meinsma "historisch-kritische studiën over Hollandsche vrijgeesten" uit de tijd van Spinoza presenteerde. Ook een hedendaagse Spinoza-kenner en filoloog als Piet Steenbakkers meent dat Meinsma's studie nog altijd een noodzakelijke bron is voor ieder serieus Spinoza-onderzoek.
De biografie van Margaret Gullan-Whur, waarvan hier vandaag de Nederlandse vertaling wordt gepresenteerd (die ik iedereen overigens van harte kan aanbevelen), heeft beide benaderingslijnen - van binnen naar buiten, van buiten naar binnen - geïntegreerd in haar levensbeschrijving van Spinoza. Niet eerder werd er een Spinoza-biografie gepubliceerd waarin Spinoza als mens, als buurman, als een gewone, zij het markante Nederlander, aan de lezer werd voorgesteld. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog hebben historici hun klachten geuit over het hagiografische karakter van de Spinoza-biografieën, waardoor een persoonlijkheid werd gecreëerd die meer leek op de gebrandschilderde heiligen van de katholieke kerken, dan op een sterveling van vlees en bloed. Bovendien heeft Gullan-Whur de euvele moed gehad biografische aspecten te ontlenen aan wijsgerige passages - een interpretatie die ik als historicus van harte toejuich, maar die onder geleerde Spinoza-kenners wordt gelijkgesteld met wetenschappelijke fraude. Waar de historicus het gebrek aan data kan pareren met verbeeldingskracht en een gedegen kennis van de historische context, daar wijst de op begrippen gefixeerde filosoof die verbeelding doorgaans krachtig af. Dat Hegels schrijfstijl afhankelijk was van de roes van bier of de roes van wijn; dat Gabriel Dante Rossetti zijn poëzie schreef op opium; dat de herenliefde van Walt Whitman implicaties had voor zijn opvattingen over de natuur; en dat een recente Nobelprijswinnaar zich liet ontvallen dat zijn scheikundige inzichten waren ontleend aan het gebruik van cocaïne, zou iedere wetenschapper toch moeten interesseren. Zeker ook spinozisten, die immers altijd hebben volgehouden dat er sprake is van voortdurende parallellie en interactie tussen geest en lichaam. Gullan-Whur heeft op een integere wijze deze vormen van samenhang in een verfrissende matrix geplaatst en deinst er dan ook niet voor terug uitspraken te doen over Spinoza's existentiële en politieke twijfels, zijn schier arrogante wereldvreemdheid, zijn nerveuze omgang met zijn lichaam, zijn vrouwenhaat, en zijn weinig gelukkige liefdesleven
Wie afgaat op enkele gezaghebbende recensies die over het boek zijn geschreven, krijgt al snel de indruk dat hier een journaliste van Story of Privé aan het werk is geweest, die zich als een paparazza, voorzien van afluisterapparatuur en geavanceerde fotocamera's, in het liefdesleven van Spinoza heeft gestort. En nog erger: Spinoza zou een homoseksuele relatie hebben onderhouden met een van zijn leerlingen. Foei! Ik heb me dan ook ten zeerste verbaasd over de woede die deze laatste suggestie teweeg heeft gebracht, zeker omdat de verbolgenen zelf ook niet uitblinken in weerlegging of nuancering. Zelf heb ik de gewraakte passages met de nodige neutraliteit gelezen en beschouw ik Gullan-Whurs veronderstellingen als acceptabel - als lezer, maar ook als wetenschapper.
Nu heeft de filosofie sinds jaar en dag bijgedragen aan een
herensociabiliteit en heeft de genootschappelijke en occulte cultuur van
de 17de, 18de en 19de
eeuw ook libertijnse opvattingen over seksualiteit in de besloten praktijk
gebracht. Zo weten we dat de Spinoza-kenner en Spinoza-bibliograaf Antonius
van der Linde seksuele uitspattingen had, waarbij bondage en vernedering van
zijn eigen vrouw tot zijn repertoire behoorden. In tegenstelling tot de Hegel-receptie
in Nederland, telt de vooroorlogse Spinoza-receptie nauwelijks vrouwen, die
zich, in de termen van de filosofe Clara Meijer-Wichmann, afkeerden van "het
stoere worstelspel van het gespierde intellect". Een uitzondering is wellicht
de Britse schrijfster George Eliot, maar ook deze spinoziste omarmde het pseudoniem
van een man en kende grote twijfels over haar eigen seksuele preferenties.
Hoewel Eliots vertaling van de Ethica pas een eeuw later werd gepubliceerd,
verzocht ze haar toenmalige uitgever nadrukkelijk niet haar ware naam - Marian
Evans - te vermelden indien de Ethica zou worden uitgebracht, omdat het filosofische
publiek het werk van een vrouwelijke vertaler met hoon zou overvallen.
Ook de geruststellende gedachte dat vrouwenhaat een alledaags verschijnsel
in de 17de eeuw betrof en dus Spinoza nauwelijks kan worden aangerekend,
moet worden genuanceerd. Equilibrium-entrepreurs als Hobbes, Descartes en
Spinoza hebben zich in hun fascinatie voor harmonie, vooruitgang en beschaving
bijzonder laatdunkend uitgelaten over het wilde, het primitieve, het dissonante,
het polyfone, en - u voelt het al aankomen - het vrouwelijke. We hoeven van
Spinoza geen lofrede op de vrouw te verwachten, maar, zoals de Rotterdamse
anarchist en Spinoza-kenner Bernard Damme in 1908 opmerkte, Spinoza had vrouwen
ook niet "in een adem met dienstbaren en onmondigen" hoeven noemen.
Wie zich door dit type vragen echter van de wijs laat brengen,
is niet meer van de 21ste eeuw, zou ik eraan toe willen voegen. Feit is echter
wel dat een
aantal uitstekende en door vrouwen geschreven biografiën van mannelijke
filosofen - u kunt hier denken aan Annie Cohen-Solals biografie van Jean Paul
Sartre en Fiona McCarthy's biografie van William Morris - ook recentelijk nog
op een vergelijkbare wijze door recensenten onder vuur werden genomen. Is het
spinozisme dan een machofilosofie? Ik vrees dat ik hier het terrein van de
vrouwenstudies betreed en verzoek de lezer Gullan-Whur dan ook zelf ter hand
te nemen en een eigen oordeel te vormen.
Wie zich niet laat intimideren door Gullan-Whur en gewoon lekker doorleest,
wordt getrakteerd op enkele prachtige staaltjes van contextuele geschiedenis,
waarbij haar beschrijving van de occulte en wijsgerige underground van Den
Haag als een hoogtepunt moet worden aangemerkt. De oude les van Meinsma,
het bestuderen van de historische en maatschappelijke context, wordt zelfs
tot uitgangspunt genomen, want alle hoofdstukken behandelen specifieke locaties,
zoals Amsterdam, Rijnsburg, Voorburg, Den Haag en zelfs Utrecht ontsnapt
niet aan haar blikveld. Het is de hoogste tijd dat een historicus deze occulte
Haagse wereld eindelijk eens in kaart gaat brengen, want onze vaderlandse
post-Republiek-geschiedenis blijkt minder saai dan we lange tijd dachten.
Dat in zo'n pretentieuze omarming van stukjes Nederlandse lokale geschiedenis
ook onnauwkeurigheden en kleine onjuistheden binnensluipen - zoals Jonathan
Israel in het NRC Handelsblad (3-9-1999) heeft laten zien voor vooral de
Amsterdamsjoodse context - mag de pret echter niet drukken. Een tweede druk
kan altijd beter dan een eerste.
Maar in onze wetenschappelijke ijver vergeten we bijna dat
Within Reason. A Life of Spinoza (1998) - laat de titel eens goed tot u doordringen
- natuurlijk
ook een prachtig geschreven boek is. De Angelsaksische cultuur kent een lange
traditie van biografieën, waarbij de continentale traditie helaas nog
ver in de schaduw staat. Ook Nederland worstelt nog met de biografie, uitzonderingen
als Willem Otterspeers Bolland. Een biografie (1995) daargelaten.
Maar recente pogingen als die van Herman de Liagere Böhl (Gorter), Klaas
van Berkel (Dijksterhuis) en Peter Derkx (Pos) verbleken toch vooral in ritmisch,
compositorisch en literair opzicht bij, bijvoorbeeld, Calvin Tomkins' levensbeschrijving
van Marcel Duchamp, Fiona McCarthy's biografie van William Morris en Peter
Ackroyd's schets van het leven en werk van William Blake - werken die in
dezelfde periode op de markt verschenen. Ook Margaret Gullan-Whur heeft een
vlotte pen,
waarmee ze soms bijna achteloos de meest ingewikkelde wijsgerige denkbeelden
helder weet te presenteren, zonder daarbij karaktertrekken van Spinoza en
de historische setting te veronachtzamen. Dat maakt het lezen van Within
Reason
tot een avontuur en ik ben ervan overtuigd dat deze biografie voor velen
tot een effectieve kennismaking met het spinozisme zal leiden. Gullan-Whur
is geen
engineer, maar een imagineer, een datadandy: een schrijver die stapelt, verknoopt,
verbanden legt en doorkruist, zonder de essentie - het leven en werk van
Spinoza - uit het oog te verliezen. Wetenschappelijke data, verdoemde data
en virtuele
data vinden alle hun plek.
In stilistisch en imaginair opzicht heb ik veel van haar geleerd en betreur ik het feit dat het boek niet eerder verscheen, zodat ik in mijn eigen prosopografie van De spinozisten (2000) lering had kunnen trekken uit haar benadering. Wellicht had ik dan de seksuele escapades van Antonius van der Linde, in relatie tot het thema van de disciplinering van de hartstochten, met meer durf doordacht. Wellicht had ik me dan afgevraagd of de Zeeuwse spinozist Alexander Francois Siffle, staande bij het graf van zijn aan tuberculose overleden enige zoon, troost kon vinden in de vroege dood van de eveneens aan TBC overleden Spinoza. Wellicht had ik me nadrukkelijker af moeten vragen waarom vrouwen ontbreken in de Spinoza-receptie van de 19de en vroeg 20ste eeuw en waarom de meest uitgesproken spinozist Johannes van Vloten zijn dochters zo'n pro-feministische opvoeding meegaf. Wellicht had ik meer aandacht moeten besteden aan de vrouwen van Nederlandse spinozisten, waaronder depressies, echtscheidingen en zelfmoorden de toon lijken te zetten.
Sinds 1850 heeft iedere generatie in Nederland zijn eigen biografie van en kennismaking met Spinoza gekregen, waarin steeds vragen en aspiraties van het betreffende tijdvak werden geformuleerd. Aan het rijtje illustere namen als Berthold Auerbach, Johannes van Vloten, Koenraad Meinsma, Antoon Vloemans, Willem van der Tak, Theun de Vries, Huib Hubbeling en Wim Klever - belangrijke biografen in de Nederlandse Spinoza-receptie - kan nu ook Margaret Gullan-Whur worden toegevoegd. Zoals iedere tijd zijn eigen Spinoza-verbeelding verdient, zo verdient onze 21ste eeuw de verbeelding van Gullan-Whur. Het zou echter onspinozistisch zijn als deze auteur een kritiekloze bewondering ten deel zou vallen, want volgens goed spinozistisch gebruik valt er altijd wel wat te klagen. En dat is maar goed ook, want van spinozisten mogen we toch tenminste verwachten dat ze over een eigen oordeel en een kritisch vermogen beschikken, waarmee de waan van de dag en de normaliteit van het alledaagse in twijfel worden getrokken. Volgens een ander goed spinozistisch gebruik dienen we tegelijkertijd verheugd te zijn over de groeiende Nederlandse belangstelling voor de volksverlichter Spinoza en mogen we ons gelukkig prijzen dat een Britse auteur licht heeft geworpen op tal van schaduwrijke plekken in Spinoza's leven. Gullan-Whur heeft ons, meer dan enig biograaf voor haar, gevoelig gemaakt voor het lot van een uiterst originele en intelligente, maar fysiek en wellicht ook psychisch gehavende jongeman, die een eenzame pelgrimstocht maakte om zich te verzoenen met vervreemding, identiteit, troost, ziekte en existentiële obsessies in, zoals ze het zelf schrijft, "een kleine uithoek van het 17de eeuwse Europa".
Spinozalyceum Amsterdam, 2 december 2000
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |