Index of /Spinozisme en Vrijdenken/1999 Willem Meijer

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1999 Willem Meijer.pdf   26.01.2004 112kB -

1999

Willem Meijer (1842-1926):
'Macon zonder schootsvel'

Willem Meijer, schrijft Willem Gerard van der Tak in een brochure naar aanleiding van diens overlijden in 1926, "is de meest ware Spinozist geweest sedert Spinoza". Onder Nederlandse spinozisten neemt Meijer een bijzondere plaats in, want hij zou zich ver hebben verwijderd van een spinozisme dat in Nederland gedurende de negentiende eeuw opgang maakte. Terwijl zijn voorgangers - van Bernard Nieuhoff tot Johannes van Vloten - steeds hebben gestreefd naar een 'loutering' van het spinozisme, dat wil zeggen, een kneden van Spinoza's leer naar persoonlijke overtuigingen en maatschappelijke ontwikkelingen, heeft de dogmaticus Meijer voortdurend een zuiversystematisch en hermetisch spinozisme bepleit waarin geen ruimte meer bestaat voor eclecticisme en persoonlijke overtuigingen. In de inleiding van zijn in 1896 gepubliceerde Ethica-vertaling stelt hij nadrukkelijk vast:

"Dichterlijk gevoel komt hier niet van pas en persoonlijke vooroordelen moeten geheel ter zijde worden gesteld. Men heeft enkel met begrippen te doen en evenals bij de wiskunde niets anders te vragen dan of de stellingen daaruit op de juiste wijze zijn afgeleid".

Ons land kent twee categorieen van spinozisten, schrijft de veel te jong gestorven jurist en wijsgeer Hendrik du Marchie van Voorthuysen negen jaar eerder in zijn Nagelaten Geschriften (deel II): namelijk, 'ijverige discipelen' en 'aanhangers'. De eerste groep onderschrijft weliswaar Spinoza's wijsbegeerte, maar meent dat ieder filosofisch stelsel leemtes en fouten bevat die aanvulling en correctie verdienen. We zouden hier van loutering kunnen spreken. De 'aanhangers' daarentegen verdedigen de meester door dik en dun en menen dat Spinoza in besliste termen het laatste woord der waarheid heeft gesproken. Spinozisme is hier de 'vera philosophia' - de enige ware filosofie - aldus een typering van Meijer die daarmee het predikaat aanhanger verdient. Deze indruk - als zou hij "de meest ware spinozist sinds Spinoza" zijn - wordt bevestigd door Meijers leerlingen in de filosofische verenigingen die hem in de wandelgangen doorgaans met 'Meijer-Spinoza' aanspreken.

Willem Meijer dient inderdaad te worden aangemerkt als de meest systematische spinozist van de negentiende eeuw: zijn ontvouwing van het integrale plan - zoals geschiedt in de bijlage van zijn Ethica-vertaling uit 1896 - is een unicum in de Nederlandse Spinoza-receptie. Ook de ernst en de toewijding waarmee hij Spinoza's teksten vertaalt en toegankelijk maakt; zijn gedrevenheid in het verbreiden en populariseren van Spinoza's inzichten; en zijn historische studies van de zeventiende eeuwse context waarin Spinoza zijn denkbeelden formuleerde, getuigen van een professionaliteit die zijn gewaardeerde voorganger Johannes van Vloten doet verbleken tot een sloddervos of een goedbedoelende amateur.

Maar is hij daarmee "de senior van het moderne, Europese professionele Spinoza-onderzoek", zoals Carl Gebhardt in Chronicon Spinozanum (IV 1926) beweerde? Ik waag dat te betwijfelen en reken Meijer, net als zijn voorgangers en tijdgenoten, tevens tot de ijverige discipelen voor wie loutering het eerste doel is. Ook Gebhardt lijkt dit in zijn definitie van spinozisme schoorvoetend toe te geven: een spinozist is immers niet iemand die Spinoza's leerstellingen voor waar aanneemt (een aanhanger), maar iemand die uit Spinoza's leven en denken een persoonlijke levensleer weet te distilleren (een ijverige discipel). Bovendien verraadt Meijers spinozisme een patriarchaal, verlicht-despotisch, premodern wereldbeeld waarin geen plaats bestaat voor moderne vraagstukken die worden opgeroepen door democratie, socialisme, emancipatie van vrouwen en jongeren, kunst en cultuurbeleid, en natuurbeheer. In velerlei opzicht herinnert Meijers 'vera philosophia' aan de pretentieuze pogingen van achttiende eeuwse Rozenkruisers en vrijmetselaars om een tolerante "ideologie der coëxistentie van ideologieën" (Leo Apostel) te ontwerpen. Ook in zijn bemoeienissen met de caritas en zijn gevoelde plicht tot nuttige, maatschappelijke activiteiten vinden we het streven van de oude vrijmetselarij terug. Vanuit deze optiek is niet verwonderlijk dat Meijer een "macon zonder schootsvel" werd genoemd. Hij wijst geheime genootschappen weliswaar af ten gunste van publieke verenigingen, maar zijn karakter, levenswandel en filosofie reflecteren evengoed de clandestiene, spinozistische onderstroom van de achttiende en vroeg-negentiende eeuwse maconnerie als het twintigste eeuwse professionele Spinoza-onderzoek.

Toch biedt Meijers conceptie van het spinozisme een boeiend commentaar op het spinozisme zoals dat in Nederland gestalte heeft gekregen omstreeks de eeuwwisseling. In deze voordracht wil ik de enkele peilers van dat spinozisme onder u aandacht brengen. Na een biografische schets van Willem Meijer ga ik achtereenvolgens op een drietal motieven van zijn wijsgerige arbeid in: zijn verlangen naar oorspronkelijkheid of authenticiteit in een steeds vluchtigere wereld; zijn wetenschapskritiek en cultuurpessimisme; en tenslotte, zijn spinozistische politicologie - het centrum van zijn wijsgerige motivaties.

'Een eenigszins ouderwetsche persoonlijkheid'
De intellectuele biografie van Meijer kan met vier grote penseelstreken worden neergezet: zijn ontwikkeling als theoloog (1862-1868); zijn korte loopbaan als entrepreneur van de landbouw (1868-1880); zijn schreden op het gebied van de journalistiek (1880-1890); en zijn roeping als vrijdenker en spinozist (1890-1926).

Willem Meijer wordt geboren op 18 november aan de Amsterdamse Heerengracht als zoon van een niet onbemiddelde, rentenierende entrepreneur die in zijn leven goede zaken heeft gedaan met de import en verkoop van stoommachines. Voor de jonge Willem ligt een opleiding tot Luthers predikant in het verschiet. In 1862 gaat hij te Leiden theologie studeren waar hij tijdens de colleges van theoloog Johannes Scholten voor het eerst met Spinoza wordt geconfronteerd. Hier ontpopt hij zich tot een levenslustig student die ook uitblinkt als een begenadigd danser en een kloeke ruiter - verdiensten die hem de bijnaam 'de Majoor' bezorgen. In 1866 slaagt hij summa cum laude voor zijn examen in de godgeleerdheid, maar de van huis uit rechtzinnige Meijer raakt in de greep van de twijfel. De moderne theologie maakt opgang en onder druk van de argumenten van Allard Pierson, Conrad Busken Huet en David Friedrich Strauss ziet hij zich voor een lastige keuze geplaatst: dient hij zich te bekennen tot de vrijzinnigen die de kerk weliswaar zijn ontgroeid, maar zich er toch aan vastklampen omdat ze gemeenschap waarborgt? Of moet hij de kerk verlaten omdat ze nog louter een administratief fossiel is alwaar de bijbel bovendien allegorisch wordt geïnterpreteerd? Zijn voorkeur voor orthodoxie en dogmatiek en zijn waardering voor 'waarachtige vroomheid' staan hem echter niet toe een verwaterd godsgeloof en een even verwaterde eredienst serieus te nemen.

Worstelend met dit probleem reist hij af naar Heidelberg, naar de bakermat van de moderne theologie, in de hoop zijn gewetensnood te verzachten. Hij studeert daar een semester, maar raakt geïrriteerd door de hypocrisie van zijn docenten die door de week vrijzinnige standpunten verkondigen, maar 's zondags onder de kansel vrome liederen zingen. Teleurgesteld wendt hij zich af van de theologie en besluit, terug in Leiden, geschiedenis te gaan studeren. Die studie bevalt hem nog minder: geschiedschrijving beschouwt hij als een aaneenrijgen van losse anekdotes - hij mist grote syntheses en wijsgerige vraagstellingen. Bovendien sluit de idee van historiciteit niet aan op Meijers orthodoxe, op het eeuwige gerichte, wijze van denken. Hij wijkt daarop uit naar Groningen en probeert daar vervolgens wiskunde en fysica onder de knie te krijgen. Twee jaar later echter zit hij weer in Amsterdam. Zijn moeder is inmiddels overleden en na de afwikkeling van de nalatenschap hangt hij zijn studieboeken in de wilgen.

In oktober 1868 huwt hij de predikantsdochter Johanna Hesse en verhuist naar een zojuist aangekochte hofstede in Bennebroek die hij De Meijerij doopt. Het zijn de jaren van de beroerde omstandigheden in de landbouw. Amerikaans graan wordt tegen dumpprijzen op de Nederlandse markt afgezet hetgeen verderfelijke gevolgen heeft voor de vaderlandse economie. Meijer besluit zijn diensten aan de Nederlandse landbouw aan te bieden. Alhoewel een volstrekte leek op dit terrein, biedt zijn bankrekening hem alle mogelijkheden vrijelijk te experimenteren met het ondernemerschap. Hij koopt en verkoopt vee, landerijen en boerderijen waardoor zijn bedrijf - inmiddels gevestigd in Hillegom - gestaag groeit. Als zijn zeven kinderen in Haarlem ter schole gaan, krijgt Meijer heimwee naar de stad en beëindigt hij zijn loopbaan als landbouwentrepreneur. Werken voor de kost is echter niet noodzakelijk: de boerderijen die hij bezit verhuurt hij aan 'bedrijfsboeren' die hem van een behoorlijk inkomen voorzien.

Het valt hem aanvankelijk zwaar zijn draai in Haarlem te vinden. Een vak heeft hij nooit geleerd, hij is het predikantschap ontgroeid, het ontbreken van een doctorstitel frustreert een academische loopbaan, en zijn poging verslaggever te worden van het Haarlemsch Dagblad loopt op een mislukking uit. Ook sticht hij een eigen periodiek, De Plattelander, dat al ras ten onder gaat vanwege gebrek aan abonnees. Toch trekken Bennebroek, Hillegom en Haarlem diepe sporen in Meijers geestelijke en politieke ontwikkeling. Hij is ervan overtuigd dat de crisis in de landbouw op het conto moet worden geschreven van het falen van het Nederlandse liberalisme dat louter oog heeft voor politieke kwesties, maar blind is voor economische vraagstukken - de idee van 'laissez faire, laissez passer' is volstrekt achterhaald: alleen een sterke staat die haar economie actief bevordert en verdedigt, zegt Meijer, heeft bestaansrecht. Om zijn standpunten kracht bij te zetten richt hij in Haarlem een radicale kiesvereniging op, Volksbelang, waarvan de doelstellingen, zo beweert Van der Tak, vooruit lopen op de latere vrijzinnig-democratische partij van Arnold Kerdijk.

In 1890 verhuist de nu bijna vijftigjarige Meijer naar Den Haag. De residentiestad is al sinds de jaren zestig een bolwerk van heterodoxie. Hier voorzagen vrijgeesten als Petrus van Limburg Brouwer en Carel Vosmaer het befaamde tijdschrift De Nederlandsche Spectator van een spinozistische kleur. Den Haag is ook de stad waar Spinoza woonde en waar Johannes van Vloten in 1880 een monument ter nagedachtenis van deze zeventiende eeuwse vrijgeest onthulde. Ook de kerkverlater Meijer is inmiddels vrijdenker geworden en stort zich op een studie van Spinoza's wijsbegeerte. Hij stelt zich vier doelen: de bevordering van het vrije denken; het stimuleren van de beoefening van de wijsbegeerte; het verbreiden van Spinoza's leer; het toepassen van de vruchten van dit denken in het huisgezin en de samenleving.

Achtereenvolgens vertaalt en publiceert Meijer Spinoza's Godgeleerd Staatkundig Vertoog (1895); de Ethica (1896); de Brieven (1896); de Korte Verhandeling (1899); en het Staatkundig Vertoog (1901). Werken als de Principia Cartesiana en de Cogita Metaphysica laat hij onvertaald omdat deze niets met spinozisme hebben te maken. Zij zijn, merkt Meijer op in een lezing voor Het Spinozahuis in 1906, "niets meer dan een dictaat", uitgegeven door vrienden die Johan de Witt op het bestaan van de Amsterdamse filosoof wilden wijzen. Bovendien zou Spinoza herhaaldelijk hebben beweerd dat hij de denkbeelden in de Principia en de Cogita niet voor zijn verantwoording wilde nemen.

In 1904 start Meijer met cursussen over Spinoza aan Amsterdamse onderwijzers die daarop een Spinoza Studie Club oprichten. Dit gezelschap gaat in 1906 op in de Verenigingen voor Wijsbegeerte in Amsterdam en Den Haag. Ook neemt hij de bevordering van het vrije denken ter hand: eerst als lid van De Dageraad, maar als deze zich wat al te enthousiast wendt naar anarchisme en socialisme, stapt hij uit de vereniging. Hij blijft overigens schrijven voor haar periodiek De Vrije Gedachte dat te Den Haag wordt uitgegeven. Vervolgens bekommert hij zich om sociale activiteiten - het vrije denken moet immers worden toegepast in de samenleving. Hij verricht werkzaamheden in het kader van de armenzorg en de reclassering, is lid van de lokale Voogdijraad en richt zelf de vereniging Zedelijke Opvoeding op die zich ten doel stelt aan de ouderlijke macht onttrokken kinderen niet-godsdienstig, maar toch zedelijk op te voeden. Ondertussen zet hij zijn onderzoek naar Spinoza en het spinozisme onverdroten voort, hetgeen culmineert in een gestage stroom publicaties die ook buiten Nederland weerklank vindt.

Aangespoord door zijn internationale contacten neemt hij in 1897 het initiatief tot de stichting van de Vereniging Het Spinozahuis welke de aankoop van Spinoza's huisje te Rijnsburg beoogt, alsmede het aanleggen van een bibliotheek, en het publiceren van studies over Spinoza's leven en werk - een wens die met de in 1934 gestarte reeks Mededelingen vanwege het Spinozahuis eindelijk in vervulling gaat. Meijer wordt de eerste secretaris van de vereniging - een functie die hij tot zijn dood zal blijven bekleden. Zijn verdiensten voor de wijsbegeerte in het algemeen en het spinozisme in het bijzonder leveren hem in 1906 een eredoctoraat op dat te Utrecht wordt uitgereikt door Bernard van der Wijck - een voormalig scientist uit de school van Cornelis Willem Opzoomer die later opschoof naar een persoonlijk idealisme op een gematigd spinozistische grondslag.

Tenslotte, en niet op de minste plaats van groot belang voor een verdere professionalisering van het Spinoza-onderzoek in en buiten Nederland, legt Meijer in 1920 - overigens in goede samenwerking met Carl Gebhardt - de basis van een internationaal forum - Societas Spinozana - dat twee jaar later ook met een eigen periodiek naar buiten treedt: het jaarboek Chronicon Spinozanum. Meijers krachten zijn dan al echter tanende. Een slopende ziekte teistert zijn fysieke gesteldheid en maakt geestelijke inspanningen steeds moeilijker. Vroeg in de morgen van zondag 3 januari 1926 overlijdt Willem Meijer in zijn woonplaats Den Haag op drieëntachtigjarige leeftijd - zijn vrouw en vier van zijn kinderen waren hem al eerder voor gegaan. Met Meijer stierf een "eenigszins ouderwetsche persoonlijkheid", schrijft Van der Tak in zijn in memoriam, "wiens karakteristieke denkerskop herinnerde aan het Holland der 17de eeuw". Maar met hem stierf ook "de meest ware Spinozist sedert Spinoza", vervolgt de nieuwe secretaris van Het Spinozahuis. Wat ons tenslotte overblijft, verzucht Gebhardt in een ander levensbericht, is Meijers wijsgerige oeuvre.

Vandaag echter, op de drempel van de eenentwintigste eeuw, moeten we constateren dat zelfs dat oeuvre hem niet heeft overleefd. Meijer-Spinoza heeft geen biografie gekregen en er is geen enkele studie aan zijn spinozisme gewijd. Hier volgt een bescheiden poging tot situering van zijn spinozisme.

Een speurtocht naar oorspronkelijkheid
Alhoewel zijn loopbaan als vrijdenker anders doet vermoeden, is Willem Meijer altijd een rationeel mysticus gebleven - een door en door religieuze natuur die zijn gehele leven zocht naar een authentiek bestaan, of in zijn eigen woorden, naar 'waarachtige vroomheid'. De vrijdenkers van het fin de siècle schuiven onder invloed van activisten als Ferdinand Domela Nieuwenhuis steeds meer op in de richting van atheïsme en anarchisme, maar Meijer verfoeit deze ontwikkeling omdat de vrije gedachte zou worden gereduceerd tot een proces van ontkenning waarin louter negatieve standpunten worden gehuldigd. De vrije gedachte, beweert Meijer, is een positief denken dat actuele normen en waarden dient voort te brengen. Dit denken treft hij aan in het spinozisme - de enige ware wijsbegeerte, dat wil zeggen, de enige wereld- en levensbeschouwing die de vrije mens past. Die wijsbegeerte is bovendien leerstellig of dogmatisch: spinozisme is een reeks systematische uitspraken van de gezaghebbende meester Spinoza wiens leerstellingen door leerlingen als waarheid dienen te worden aangenomen. Zo was het bij Cicero, Seneca en Christus, schrijft Meijer, maar ook bij Spinoza.

In een bijdrage aan het Tijdschrijft voor Wijsbegeerte, getiteld 'Over Spinoza en den godsdienst' (1907), blijkt de idee van 'echte vroomheid' - elders spreekt hij van 'hooge levensernst', 'eeuwige waarheid', en 'hoogste zaligheid' - opnieuw zijn ijkpunt en referentiekader. Echte vroomheid is het inzicht, verkregen dankzij de rede, dat ons leert dat alles wat werkelijk is als volmaakt moet worden beschouwd - een rationeel bewustzijn van levenseenheid met de gehele natuur. Dit bewustzijn kan louter worden verkregen dankzij Spinoza's 'vera philosophia' waarvan echte vroomheid - als 'scientia intuitiva' of 'geestelijke aanschouwing' (zie het vijfde boek van de Ethica) - immers het doel is. De godsdienst kan hiertoe niet langer in staat worden geacht omdat haar betekenis in deze tijd volledig teloor is gegaan: begrippen als christendom, vroomheid, godsdienst en religie worden zo willekeurig gebruikt dat er van uitholling sprake is. Echte vroomheid biedt ook geen plaats aan een antropocentrisch mensbeeld - immers, het bewustzijn van de levenseenheid met de natuur, van de eeuwige waarheid, overstijgt niet alleen iedere sterflijke persoonlijkheid, maar ook de wereldgeschiedenis die van een tijdelijke aard moet worden geacht. Alhoewel de dichter, de vrome en de wijsgeer (Meijer bedoelt hier natuurlijk de spinozist) allen zoeken naar een verklaring van het geheel der dingen, laat slechts de laatste zich leiden door de rede. De dichter en de gelovige - of het nu gaat om godsvruchtigen of natuuraanbidders doet niet ter zake - baseren zich echter op inblazingen en inspiraties. Daarom wijst Meijer natuurverering - zoals geschiedde onder oude vrijmetselaars en vrijdenkers - en de kunsten - bepleit door de Spectatormannen en de Tachtigers - af als illusoire bemiddelaars tussen leven en eeuwigheid. Spinoza's redelijk inzicht in de natuur der dingen, concludeert Meijer, sluit alle poëzie en godsdienst uit en is juist daarom de ware wijsbegeerte - een vrome wijsbegeerte die echter niet atheïstisch mag worden genoemd, want de Ethica biedt inzicht in het wezen van God zonder godsdienst. Niet atheïsten als Van Vloten, maar theologen als Johan Herman Gunning hebben dat goed gezien, zegt Meijer. Spinozisme is vrome wijsbegeerte.

Meijers exclusieve eerbetoon aan Spinoza's filosofie als de enige ware wijsbegeerte doet ons vandaag hoogst arrogant aan, maar past uitstekend in de negentiende eeuwse postgodsdienstige context waarin naarstig wordt gezocht naar het grote goddelijke plan - het equilibrium - dat toch schuil moet gaan achter de chaotische verschijningsvormen waarin de wereld zich aandient.

Al in 1834 ontwierp de invloedrijke christenwijsgeer Johannes Frederik Lodewijk Schroder - hoogleraar te Utrecht - zijn 'teekenskunde'. Kennis van de mens en de wereld bieden ons tekens die ons als het ware in staat stellen God te lezen. De eerste generatie vrijdenkers van Post Nubila Lux en De Dageraad, maar ook natuurwetenschappers als Mulder en Donders, bestudeerden de natuurwetenschappen in de hoop tekens te vinden die het al-enige wezen van God of de Natuur (beide met hoofdletters) bloot zouden leggen. Letterkundigen, van Petrus van Limburg Brouwer tot Herman Gorter, beschouwden de kunsten als een ultieme tekenskunde waarin het pact tussen leven en eeuwigheid gestalte krijgt.

Meijer echter vindt zijn tekenskunde niet in de godsdienst, de Natuur, de wetenschap of in de muzen, maar in het ware, vrije en oorspronkelijke denken - dat is in het spinozisme. Zijn opvatting van spinozisme is dus verwant aan Hegels zuivere rede, een even grootscheepse en even hoogmoedige poging om vanuit de studeerkamer in diepe overpeinzingen de ultieme logos te ontsluieren. Of zoals Johannes Diderik Bierens de Haan in 1907 met veel pathos opmerkt: het is de poging om achter het "konkrete, verdeelde, bizondere en veelvormige...de diepzinnige waarheid van het Eene en Algemeene te achterhalen". Kortom, spinozisme als de sleutel tot het wereldraadsel; als het antwoord op vervreemding; als een speurtocht naar waarachtig of authentiek bestaan; als vrome, seculiere heilsleer.

Spinozisme is bij Meijer-Spinoza niet zozeer de aansporing een persoonlijke levensleer te ontwerpen, overeenkomstig de eigen aard en de eisen van de dag - een loutering, met andere woorden, zoals bepleit door Nieuhoff, Van Vloten en Bierens de Haan - maar niets minder dan een gedurfde ontvouwing van het grote equilibrium: 'de gedachten Gods voor de Schepping'. Met het schema dat u in handen heeft heeft u Meijers God in uw handen - ik verwacht dan ook dat u het vel met de grootste eerbied behandelt.

In zijn stellige overtuiging God en de wereld eindelijk te hebben ontsloten weet Meijer menig kerkverlater te infecteren. En wel met name hen die, om de opvolger van Bolland te Leiden - Arthur Josephus de Sopper - te parafraseren, met een brede, filosofische armzwaai in een ommezien de grootste problemen wensen op te lossen. Terugkijkend op de voorafgaande decennia en denkend aan de toonaangevende wijsgeren van die periode, merkt De Sopper hoofdschuddend op: "Wie de absolute waarheid heeft ontdekt of uitgevonden, en met een behoorlijke dosis zelfaffirmatie als leermeester der wijsheid optreedt om anderen in haar tempel binnen te leiden, is de man van den dag". Willem Meijer was zo'n man van de dag: hij bezat de absolute waarheid, werd in zelfaffirmatie slechts overtroffen door Bolland, en leidde kortstondig velen naar de tempel van het spinozisme. Hij was zelfs zo'n man van de dag dat zijn stem direct na zijn dood al verstomde. Tekenend is het feit dat zelfs zijn kleine biografische schets in het Spinozanummer van Bzzletin (121, 1984) een reprint is van Van der Taks in memoriam uit 1926.

Invloed oefende de religieuze spinozist Meijer in zijn dagen paradoxaal genoeg slechts uit op radicale vrijdenkers, overtuigde atheïsten en ethische anarchisten, zoals zijn leerling Bernard Damme die het vrije socialisme van Domela Nieuwenhuis van een spinozistisch gekleurde grondslag voorzag. Vooral deze radicalen hadden behoefte aan een omvattend filosofisch systeem dat de gehele werkelijkheid in grote lijnen kon vatten. Toch staat een anarchist als Bernard Damme - die in 1908 middels een bloemlezing Spinoza in de Nederlandse arbeidersbeweging introduceerde - dichter bij het eclectische en louterende spinozisme van Van Vloten en Bierens de Haan dan bij het hermetische, planmatige spinozisme van Meijer. Ook de aanhanger Meijer bracht dus vooral ijverige discipelen voort.

wetenschap en cultuurkritiek
Reeds in Leiden toont Meijer zich afkerig van het historische denken omdat het ons zicht op het eeuwige en al-enige zou ontnemen. Zijn gedachten over de geschiedenis van de wijsbegeerte zijn ronduit schematisch. Alle denkers - van de Griekse tijd tot het midden van de negentiende eeuw - zijn 'dienstbare wijsgeren' geweest, filosofen die hun diensten aan de godgeleerdheid aanboden. Slechts een handjevol eenlingen, waaronder enkele Arbabische filosofen, Giordano Bruno en Spinoza, stonden op tegen deze 'ancilla theologiae'. Maar bij Kant gaat het eerst goed mis, zegt onze cultuurcriticus. Kant heeft, zo schrijft Meijer in een polemiek met psychiater Gerbrandus Jelgersma (1900), voornamelijk 'onheil gesticht' door alle rationele psychologie en metafysica buiten te sluiten. Kant beweerde immers dat "de weg der onmiddellijke waarneming" onwetenschappelijk is. Daarmee is de wijsbegeerte - "de goddelijke rede" - in verval geraakt om nog slechts te mogen figureren in de republiek der letteren. Dankzij Kant verdort de wetenschap in een hoog tempo: godgeleerdheid is gereduceerd tot de geschiedenis der godsdiensten; rechtsgeleerdheid tot kennis der wetten; letterkunde tot spraakleer; en wijsbegeerte tot 'schematisme'. De moderne mens van de negentiende eeuw kenmerkt zich daarom door "levenmoeheid en moedeloosheid". Het geloof is verdwenen, "krankzinnigheid neemt hand over hand toe" waardoor de toekomst is aan de 'psychopathologie' - met andere woorden, de mensheid is volslagen gek geworden.

Ook Spinoza is onderwerp van hoon en vernedering omdat hij geen gebruik maakte van de ervaring en het experiment en geen boodschap had aan onderzoekingen van zijn voorgangers en collega's. Wetenschappers typeren Spinoza's wijsbegeerte vandaag als onnuttig, ongegrond en ijdel. Meijer neemt zich voor Spinoza te verdedigen tegen deze aantijgingen en kiest in zijn polemiek voor een aanval op de grondslagen van de wetenschappen. Allereerst blinken geleerden, vooral die in de natuurwetenschappen, uit in het gebruik van vreemde en vervreemdende woorden die elke leek te boven gaan. Te hooi en te gras plukken zij begrippen uit verschillende talen, culturen en disciplines om ze vervolgens in onleesbare verhandelingen te reproduceren. Deze "dieven der wetenschap", zoals Meijer ze typeert, scheppen een onoverbrugbare kloof tussen de professional en de leek. Met weemoed blikt hij terug op de Grieken en Romeinen die zo'n 'mengelmoes' niet nodig hadden. Tevens wijst hij op Opzoomer, Pierson, Land en Bolland die geleerd, maar toch 'goed Hollandsch' schrijven. Niets behoedt ons meer voor dwalingen dan onze eigen spreektaal, zegt hij Spinoza na.

Ten tweede hekelt hij de grondslagen van de natuurwetenschap zelf. De wetenschap der natuur, stelt Meijer, was aanvankelijk 'eerste wijsbegeerte' of metafysica: want men dacht na over het heelal en de kosmos. Vandaag echter verstaan we onder natuurwetenschap het meten en wegen van al datgene dat voor zintuiglijke waarneming vatbaar is - een activiteit die in de antieke tijd met 'tweede filosofie' werd aangeduid. Hij acht het betreurenswaardig dat louter de tweede, experimentele filosofie in de huidige natuurwetenschap aanspraak mag maken op waarheid:

"Maar toch hoe arm van inhoud zou dan ons weten zijn, moesten wij ons bepalen bij hetgeen ons zintuiglijk kon worden waargemaakt. De stof die eeuwig blijft heeft niemand ooit gewogen, de kracht die nooit vergaat heeft niemand ooit gezien. Een geheel museum van atomen, moleculen, functies en latente energieën is nergens anders voorhanden dan in de ziel der natuurkundigen en hoeveel waarheden waaraan het publiek als onomststootelijk gelooft, b.v. het draaien van de dwaalster waarop wij ons bevinden, den afstand van ons tot de vaste sterren, het overgaan der soorten, het bestaan van metalen in de zon, de scheikundige verwantschap, het toekomstige ijstijdperk, de leer der ontwikkeling, de vermakelijke leer van de struggle for wife (life) enz. zijn doodeenvoudig alleen door afleiding uit algemeene oordeelen en denkwetten, of wel door onderstelde verwerkelijking van begrippen tot stand gekomen. Al kunnen wij de proefneming vooral in de natuurwetenschap niet missen, geen wetenschap kan en mag bij dat experiment blijven staan."

Dit citaat illustreert dat Willem Meijer zich in geen enkel ideologisch opzicht onderscheidt van het spinozisme dat in Nederland tussen 1850 en 1940 wordt gehuldigd. Ondanks interne spinozistische schijngevechten als naturalisme versus idealisme, rationalisme versus mystiek, atheisme versus vrome wijsbegeerte, Haagse School versus Rijnsburgse School, enzovoorts, zijn alle spinozisten, zoals Bierens de Haan in 1907 opmerkt, "nazaten van Rousseau" die kritisch staan tegenover de merites van de moderne, op het 'dieszeitige' gerichte samenleving; die ageren tegen vervreemding en het verlies van de authentieke ervaring en het onmiddellijke inzicht - in Meijers woorden, 'echte vroomheid'; om vervolgens te concluderen dat resultaten van de wetenschappen louter nut hebben indien ze worden opgenomen in een synthetiserend eenheidsbesef - Meijers 'eerste wijsbegeerte'. Ervaring en wetenschap vinden hun bekroning in de wijsbegeerte: een onlosmakelijk drieledig pact dat spinozisten van Junghuhn tot Carp steeds hebben verdedigd. Meijers Plan laat daarover geen twijfel bestaan: Spinoza's hiërarchie van de soorten van kennis (zinnelijke waarneming, kennis van de eigenschappen, en het inzicht in het wezen der dingen) wordt door Meijer gelijkgesteld aan ervaring, wetenschap en wijsbegeerte. De natuurwetenschap, en in haar kielzog de andere terreinen van de samenleving, komen niet verder dan de wetenschap - de tweede soort van kennis - waardoor het inzicht in het wezen der dingen en de samenhang der dingen duister blijven: we kennen veel, maar we weten niets.

Aan het einde van zijn polemiek met Jelgersma zegt Meijer dan ook dat hij geen bestrijding van de wetenschap voorstaat en zeker niet van betweterij wil worden beschuldigd. Hij wil louter een "opbouwende en terechtwijzende beoordeeling" geven omdat hij rotsvast overtuigd is van het feit dat de empirische wetenschap en de objectieve levens en wereldbeschouwingen hoofdzakelijk kwaad hebben gesticht in de samenleving. Wie eenheid en verband zoekt, concludeert hij, dient Spinoza's Ethica ter hand te nemen: eerst dan kan de nieuwere wetenschap op haar waarde worden geschat.

Staat is maatschappij
Het moge duidelijk zijn dat het spinozisme voor Meijer een voertuig is van cultuurpessimisme en wetenschapskritiek. Zijn eerste vertaling betreft het Godgeleerd Staatkundig Vertoog - Spinoza's politicologie, volgens Meijer een studie die elke prille spinozist als eerste ter hand dient te nemen. Hij is daarmee een van de eerste Nederlandse spinozisten die Spinoza's politieke filosofie centraal stelt. Slechts de Groningse en later Utrechtse hoogleraar Bernard van der Wijck brak in 1877 al een lans voor een spinozistisch gekleurd liberalisme dat het oude, vastgelopen laisser faire-liberalisme van nieuwe impulsen zou moeten voorzien. Het is ook deze Van der Wijck die Meijer in 1906 een eredoctoraat in de wijsbegeerte aanbiedt.

Zoals we zagen kreeg Meijer een politiek bewustzijn tijdens zijn periode als landbouwer. De crisis vergruisde zijn vertrouwen in het oude liberalisme en bracht hem nader tot Spinoza's politicologie. Het Godgeleerd Staatkundig Vertoog, schrijft Meijer in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte (1916), is in Nederland onbegrepen gebleven. Onvoldoende kennis van Spinoza's wijsbegeerte is zeker een oorzaak van dat onbegrip, maar er bestaan meer redenen, zoals de gedachte dat het traktaat louter vanuit de zeventiende eeuwse context kan worden begrepen en de opvatting dat de TTP een 'demonisch schotschrift' was dat aanleiding zou hebben gegeven tot jodenhaat en vervolgingen. Meijer vat de essentiële punten van de TTP kort samen:

1. Vrijheid van denken en spreken is een natuurrecht dat door de staat moet worden toegestaan;
2. Een vroom geloof moet blijken uit een zedelijke levenswijze en heeft niets te maken met godsdienstplechtigheden;
3. Godsdienst en wijsbegeerte zijn gescheiden, onafhankelijke terreinen;
4. Men kan God liefhebben, maar niet dienen.

Kortom, zo concludeert Meijer, de TTP leert ons of liberaal te zijn of klerikaal. Vandaar, vervolgt hij, hebben slechts Rozenkruisers en vrijmetselaars de TTP uitgeroepen tot het programma van de maconnerie en bleef het werk tot laat in de negentiende eeuw op de achtergrond omdat de klerikalen immers de macht bezaten. De TTP is louter en alleen te begrijpen door hen die zich realiseren dat de rede de hartstochten moet overwinnen om vrede op aarde mogelijk te maken.

In een brochure uit 1914, Wat is de staat? (naar Spinoza), zet hij zijn op Spinoza's leest geschoeide neoliberale motieven nog explicieter uiteen. De malcontent Meijer start zijn betoog met een grove en schematische cultuurkritiek die ons reeds vertrouwd in de oren klinkt. De wereld is het toneel van onrust, twisten, oorlogen, en elkaar bestrijdende mogendheden. Vrede wordt niet bereikt, omdat voor vrede 'engelen' nodig zijn. "Laat ons dus pogen de menschen tot engelen te maken", schrijft Meijer. Maar waar te beginnen?

Gedurende de negentiende eeuw is de voogdij van het algemene gezag volledig uitgehold. Men is zich gaan richten op maatschappijen, op politieke bewegingen, op vakbonden en andere substituten. De staat speelt geen rol van betekenis meer en wordt nog louter gezien als een administratieve eenheid die zich vooral bezig houdt met het innen van belastingen. Na het 'wegredeneeren' van de staat volgde ook de ontbinding van het huwelijk. Meijer schrijft: "Ook dit moest afgeschaft. Hoog en laag werd er mede gespot. En de idealisten, voornamelijk vrouwen, deden mede. Hoe dwaas dit is kan alleen een man begrijpen". Maar ook mannen maken zich schuldig aan de uitholling van het huwelijk: "De man verplicht zich niet voor vrouw en kinderen te zorgen en kan ieder oogenblik een andere vrouw nemen zonder dat iemand er mee te maken heeft. Zij willen vrij zijn. Zij willen geen verplichtingen hebben". Tenslotte wordt ook de tucht voor de jeugd afgeschaft waardoor 'anarchie' vandaag de toon zet. Zijn geknor is een getrouwe kopie van het politieke en maatschappelijke ressentiment dat Van der Wijck al jaren ventileert in periodieken als De Gids.

Het uitbreken van de Grote Oorlog in 1914 heeft de staatsidee weer doen terugkeren - een herleving die Meijer hoopvol stemt. Na een historisch overzicht van de wording van de staat te hebben geschetst behandelt hij de limieten van het staatsrecht en de staatsmacht. Hier roept hij Spinoza's TTP in herinnering. Staatsmacht heeft immers zijn grenzen, schreef Spinoza al. De staat kan mensen niet verbieden te denken en te oordelen - de staat dient gewetensvrijheid toe te staan. Iedere burger - behalve de anarchist, oppert Meijer - geniet de voordelen van de staat en in ruil tekent hij een contract met die staat. De burger mag vervolgens denken en schrijven wat hij wil, zolang hij zijn kritiek niet richt tegen de staatsinstelling zelf.
Net als Van der Wijck meent ook Meijer dat dit niet betekent dat de burger kan doen en laten wat hij wil:

"Men mag volstrekt niet doen wat men wil. De Staat regelt ons handelen, ons gedrag. Wil iemand liever naakt lopen dan gekleed, dan wordt hij eenvoudig opgesloten. En wenscht hij dat toch te doen, dan moet hij maar naar Afrika gaan, waar dit zede is. Maar wij dulden dit niet. Hoe inniger de samenleving, hoe gebondener het bestaan".

Zijn afkeer van de Hollandse anarchie, zijn verlangen naar een autoritaire staat, naar vrijheid in gebondenheid, doen hem in de oorlog partij kiezen voor Duitsland. Twee jaar eerder heeft Meijer al een lofrede op Bismarck geschreven waarin hij de Duitse kanselier op een lijn plaatst met 'groote denkers' als Rousseau en Goethe die Spinoza's denkbeelden bewerkten voor het aanpassingsvermogen der onnozele massa. Maar niemand heeft zo'n spinozistische staatsleer ontwikkeld als Bismarck dat deed, jubelt Meijer. Spinoza's ideeen over de staat komen het meest pregnant tot uitdrukking in Bismarcks Real-Politik. Immers, Bismarck stelt net als Spinoza de liefde tot het vaderland boven alle andere belangen, waaronder bijbelse voorschriften. Alhoewel Bismarck, in tegenstelling tot Spinoza, geen oog heeft voor volkssoevereiniteit, trekken beiden dezelfde conclusie, namelijk de opvatting dat een overheidsegoïsme de noodzakelijke grondslag van iedere grote staat legt. In een redevoering voor de Rijksdag merkte Bismarck, volgens Meijer uiterst spinozistisch, op: "Ik ben net als Christus, maar als Rijkskanselier weiger ik mijn andere wang toe te keren na een oorvijg".

Daar waar denkers als Gunning, Kuyper en Spruyt, maar ook spinozisten als Bierens de Haan en Damme, Spinoza's staatleer hekelen als Hobbesiaans, hopeloos absolutistisch, en in strijd met de Nederlandse tolerantie, lopen Meijer en Van der Wijck vooruit op de autoritaire eenheidsstaat die Johan Herman Carp later in het nationaal-socialisme gerealiseerd zal zien. Met het voortschrijden van de twintigste eeuw lijkt het spinozisme - wellicht sinds Meijer - verbetener, strenger en meer autoritair. De prachtige, blijmoedige en louterende onschuld van het spinozisme - die aansporing aan velen zelf te denken en het eigen bestaan zelf vorm te geven - kon zo verworden tot een handleiding voor conservatieve, gezagvrezende en malcontente burgers die hun nederige plaats in de maatschappij kennen en van hun overheid een krachtdadig optreden eisen. Abraham Kuyper hield in de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn hart al vast bij de gedachte aan een politicologie op spinozistische grondslag - een politiek die hij als 'stuitend' en 'brutaal' typeerde. Hij vroeg zich af: "Zal inderdaad het absolutisme, voor drie eeuwen in het bloed onzer voorvaderen verstikt, welhaast weer welig op onze erven tieren?"

ten slotte
Willem Meijer was een wat ouderwetse, knorrige man die zich vastklampte aan een eenduidige heilsleer die hij beschouwde als de enige weg naar 'oprechte vroomheid' in een door God verlaten wereld. Het primaat van wetenschap en economie was hem een doorn in het oog omdat het ieder authentiek bestaan dwarsboomde en mensen tot slaven van geld, kennis, competitie en eerzucht zou maken. Emancipatie van arbeiders, vrouwen en jongeren, een nivellering van maatschappelijke verhoudingen, en de erosie van het huwelijk hadden uiteindelijk de eenheidsstaat doen oplossen en maatschappelijke verdeeldheid gezaaid.

In zijn kruistocht tegen die wereld heeft Meijer tot op hoge leeftijd een scala van activiteiten ontplooid die het Nederlandse Spinoza-onderzoek en de Nederlandse Spinoza-verering van een gedegen infrastructuur hebben voorzien. Vandaag plukken we daarvan nog steeds de vruchten - deze jaarvergadering is daarvan een voorbeeld. Meijer was wellicht niet "de senior van het moderne, Europese Spinoza-onderzoek", zoals Gebhardt met enige gevoel voor overdrijving schreef, maar wel een typisch Nederlandse spinozist die buiten de academie, in de alledaagse samenleving, velen nader tot het wijsbegeerte in het algemeen en het spinozisme in het bijzonder heeft gebracht.
Als Van der Wijck Meijer in 1906 een ere-doctoraat aanbiedt, kritiseert deze weliswaar Meijers verouderde mechanistisch-naturalistische wereldbeschouwing, maar vat hij diens verdiensten keurig samen. Ik zou dan ook gepast willen besluiten met een citaat van Van der Wijck:

"Gij hebt jarenlang in stilte een werk verricht dat ook buiten onze grenzen waardeering heeft gevonden. Gij hebt niet alleen Spinoza's werken opnieuw vertaald, gij hebt ze zoo vertaald dat het kernige Latijn van den 17den eeuwschen wijsgeer in even kernig en helder Nederlandsch is overgebracht. Daarbij hebt Gij gedreven door Uwe groote en belanglooze liefde tot Spinoza, geen moeite ontzien om zijne nagedachtenis door de Vereeniging 'Het Spinoza Huis' te doen herleven en bewonderen onder onze tijdgenooten en zijt Ge, sinds jaren, de volijverige secretaris, wien niets te veel is, waar het de roemrijke herdenking van Spinoza geldt. Bovendien zoo Uw ijver groot zij, de nauwgezetheid, waarmee Gij Uwe naspringen en Uw wetenschappelijk onderzoek verricht, is dermate vertrouwbaar, dat Gij, onder de talrijke Spinozakenners, aan wien de Duitsche philosooph Freudenthal, in de voorrede tot zijn groot werk over Spinoza, hulde en dank betuigt, de eenige zijt die genoemd wordt".

Katwijk, 15 mei 1999


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -