Index of /Marginalia/1995 Bob Black

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1995 Bob Black.pdf   25.01.2004 107kB -

1995

'Heb je ideeën of hebben ideeën jou?'
onder de onderstroom met Bob Black

Wie afdaalt in de onderstroom van (Engelstalige) bladen en fanzines, maakt al spoedig kennis met de gewezen advocaat Bob Black - de meest gedreven en productieve publicist van de Amerikaanse underground. Ontsnappen aan het fenomeen Black is hier onmogelijk. Hij schreef honderden artikelen, columns en recensies en deze activiteiten maakten hem tot het 'enfant terrible' van alternatief Amerika. Zijn kaalslag begon in 1985 toen hij het opstel The Abolition of Work publiceerde, een essay waarin hij de afschaffing van het werk ten behoeve van het spel beoogde. Het werk is nog altijd te verkrijgen via het legendarische postorderbedrijf Loompanics en bezorgde hem de twijfelachtige eer een kruising te zijn tussen Friedrich Nietzsche en Sid Vicious. Zijn vele taal en woordgrappen zijn tegelijkertijd vindingrijk, humoristisch en subversief. Sinds 1985 richt hij zijn pijlen op 'de afschaffing van de loonarbeid' en stelde hij in 1991 voor uitgeverij Autonomedia (New York) een boeiende bundel samen onder de titel Zerowork: The Anti-Work Anthology. Een jaar later verscheen bij dezelfde uitgever zijn tweede bundel essays, Friendly Fire, die eerder gepubliceerd werden in uiteenlopende undergroundbladen als Anarchy. A Journal of Desire Armed en Facsheet Five. Opnieuw verdiept Black hier zijn argumenten tegen het werk en begeleidt hij de lezer door zijn eigen activistische leven. Hij doet verslag van zijn poster en radioprojecten, zijn ruzies met bladen als Processed World, en van zijn aframmeling waardoor hij San Fransisco diende te verlaten. Momenteel bivakkeert hij op een opslagzolder in New York City. In 1994 verscheen bij Feral House (Portland) zijn meest recente bundel Beneath the Underground; een afdaling in en rondleiding door het Noord-Amerikaanse marginale milieu: punks, skateboarders, situationisten, bladenmakers, uitgevers, schrijvers, muzikanten en sektes passeren Black's ondergrondse revue. Dit werk is de eerste omvangrijke poging de Amerikaanse drop-outcultuur van binnenuit te beschrijven en te becommentariëren.

Je hebt jezelf ontpopt als de meest productieve en meest gedreven criticus van 'het anarchisme'. Tegelijkertijd echter profileer je jezelf als de grootste propagandist van 'de anarchie'.. Dit lijkt nogal paradoxaal. Ergens in je meest recente boek Beneath the Underground schrijf je dan ook: 'Anarchisten...ik kan niet met hen leven, ik kan niet zonder hen'. Hoe belangrijk zijn dergelijke labels voor jou?

Woorden hebben slechts tot doel te verwijzen naar datgene dat achter die woorden ligt. Of je nu spreekt van 'anarchisme' of 'anarchie' doet er in feite helemaal niet toe: ieder formalisme is nu eenmaal fetisjisme. Maar als je het begrip 'anarchie' hanteert als de uitdrukking van werkelijk doorleefde activiteiten, als een dynamische levensvoorwaarde, en je hanteert het begrip 'anarchisme' als een doctrine, een cluster van overtuigingen, als een ideologie; in dat geval is de onderscheiding van vitaal belang. Indien je mijn definities accepteert dan onderschrijf je tevens dat het 'anarchisme' in het beste geval irrelevant is voor 'anarchie', en dat het in het slechtste geval een obstakel vormt ter realisering van 'anarchie'. Met andere woorden, 'anarchisme' is die doctrine die achter blijft indien het verlangen naar 'anarchie' gestorven is: de middelen hebben het doel vervangen'.

* In Nederland benadrukten anarchistische theoretici - denk onder meer aan Arthur Lehning, Anton Constandse - het socialistische element in hun libertaire wereldbeschouwing. Met andere woorden, zij richten zich nadrukkelijk op (het marxistische primaat van) de arbeid en vertrouwen op een historische rol van de arbeidersbeweging. Maar fabrieks, kantoor of landarbeid is toch heel wat anders dan het schrijven van politieke verhandelingen of het uitgeven van bladen? Waarom is 'werk' zo belangrijk voor deze intellectuelen terwijl jonge anarchisten eerder geneigd zijn 'werk' als een bron van slavernij te beschouwen?

Ik moet allereerst voorop stellen dat de anarchistische 'scenes' in Nederland en de Verenigde Staten een verschillend karakter vertonen. In beide landen is de anarchistische theoreticus zeer waarschijnlijk een hoog opgeleide intellectueel of een semi-intellectueel, zoals de student. Maar terwijl de typische Amerikaanse syndicalist een universiteitsmedewerker is (de meeste echte 'working-class' syndicalisten zijn reeds van ouderdom gestorven), is de typische Amerikaanse anarchist geen liefhebber van vakbonden. Onze 'syndies' vormen een snel verdwijnende ideologische minderheid - de meeste anarchisten beschouwen de arbeidersstrijd even saai als onbenullig. Wellicht is 'syndicalisme' hier een bijna uitgestorven fenomeen, 'arbeiderisme' en 'productivisme' bespoken nog altijd het spectrum van veel anarchisten. Dit heeft verschillende oorzaken. De eerste is het collectieve schuldgevoel. Intellectuelen voelen zich schuldig ten opzichte van de generaties arbeiders die gestreden hebben om dat mogelijk te maken waaraan zij hun goede opleiding te danken hebben. Daarom verheerlijken zij de arbeidersbeweging en bewieroken ze arbeid als een hedendaags sacrament. Bovendien identificeren velen zich met arbeiders, en dat is een heel wat meer relaxte levensstijl dan werken om te werken, werken om te overleven.

Op de tweede plaats komt het vertrouwen in werk, in 'productivisme' voort uit het feit dat intellectuelen zelf een 'product' zijn; het product van de Verlichting. De industriële revolutie creëerde zowel een industrieel proletariaat als een seculiere intelligentsia. Industrialisatie behelst het toepassen van de Rede op het productieproces, om zodoende een enorme output te kunnen genereren. Net als het marxisme poogde ook het syndicalisme, de radicale vakbondsstrijd, het effect van de rede in het productieproces te intensiveren. Haar doel was niet de rationalisering van de productie een halt toe te roepen, maar haar juist te versterken: de industriële revolutie werd door hen geconsumeerd. In dit proces rationaliseerden intellectuelen, of 'hoofdwerkers', het productieproces voor hun kameraden, de 'handwerkers'. Het is de triomf van de Rede, van de wetenschap, de vooruitgang, de instrumentele logica, de technologie...het is de overwinning van de natuur door de cultuur. Ook het syndicalisme beoogde het kapitalisme te verslaan binnen dezelfde spelregels - ze heeft niet gepoogd een beter spel te spelen. Een beter spel heeft lak aan ideologie of deskundigheid maar verlangt de vrije doorgang van verbeelding, creativiteit en passie waardoor onvoorziene gevolgen eindelijk een kans krijgen. Vakbondsmensen verlangen een voorspelbare en controleerbare wereld. Het ultieme ideaal van de oude syndicalisten, 'the One Big Union', was een gesloten constructie bij uitstek: niets en niemand mocht aan haar controle ontsnappen'.

Zonder twijfel is 'de opstand tegen het werk' de aardigste activistische en theoretische bijdrage aan anarchisme/anarchie sinds de jaren zestig - wellicht zelfs sinds de jaren twintig. Alhoewel de 'antiwerkbeweging' in Nederland al in het interbellum floreerde (denk aan de anarchisten rondom Herman Schuurman en Piet Kooijman en bladen als De Moker en Alarm) en steeds opnieuw de kop weer op stak in de vaderlandse underground (Provo, Bluf!, Bond Tegen Arbeidsethos, Basta, eigenwerk-beweging) hebben deze argumenten zelden enig gewicht gelegd in maatschappelijke discussies over werk en werkeloosheid. Sinds een nieuwe generatie auteurs, waaronder jijzelf - bijvoorbeeld in Primitive Affluence [Primitieve Welvaart] – opvattingen over werk koppelt aan antropologische kennis van samenlevingen van jagers en verzamelaars, is er een andere kijk op 'werk' ontstaan, waarin de fundamenten van de arbeid ter discussie worden gesteld. De door jou beschreven 'arbeidsloze' samenlevingen, zoals bijvoorbeeld de San in Afrika, worden vaak gekenmerkt door hun nomadische karakter. Maar biedt 'de afschaffing van het werk' wel perspectief in een wereld die steeds meer sedentair wordt en die nomadische levenswijzen op een rationele en systematische wijze vernietigt?

Nu je het zegt, ik had me nog niet afgevraagd in welke mate onze domesticatie een sedentair of 'zittend leven' bevordert. Uiteraard, jagers en verzamelaars - de enige werkelijke 'anarchistische' samenlevingen - leiden een leven dat beslist niet 'zittend' genoemd kan worden. Gewoonlijk trekken ze van de ene natuurlijke omgeving naar de andere, volledig in overeenstemming met de seizoenswisselingen of gedreven door minder voorspelbare veranderingen in hun omstandigheden. Dankzij hun mobiliteit bleven zij het langst uit de wurggreep van het kolonialisme (terwijl boeren in de Derde Wereld veel eerder in een imperialistisch regime gedwongen werden). Toch denk ik dat met name de afwezigheid van onverplaatsbare eigendommen cruciaal is voor jagers en verzamelaars: het is hier eenvoudigweg onmogelijk een staatsvorm te creëren. Friedrich Engels beweerde dat indien een samenleving een surplus voortbrengt, dit surplus door de heersende klasse kan worden afgeroomd: hier liggen de wortels van de staat. Ik denk echter niet dat het verkrijgen van een surplus direct tot staatsvorming leidt; maar het dunkt me wel een noodzakelijke voorwaarde.

Maar 'primitieve anarchie' is niet slechts voorbehouden aan jagers en verzamelaars. Ook veel tuinbouw en 'slash-and-burn'-samenlevingen waren anarchistisch van aard - al bewerken zij een stuk grond gewoonlijk slechts enkele jaren om daarna van locatie te veranderen. Maar wat betekent een 'zittend' leven eigenlijk? Veel hedendaagse arbeiders reizen over grotere afstanden dan jagers en verzamelaars doen. Als 'sedentair' verwijst naar het verrichten van arbeid op een en dezelfde plek, dan dienen we vast te stellen dat het in samenlevingen van jagers en verzamelaars voornamelijk vrouwen zijn die gedwongen zijn hun werk 'zittend' te verrichten. En het zijn de vrouwen, zo wil een Indiaans gezegde, 'die de hemel omhoog houden'.

Liever kijk ik daarom naar het principe van de eigendom. Indien je bezittingen je op je plaats vasthouden, en je opbrengsten worden afgeroomd door non-producenten, dan kun je er op rekenen dat de arbeid jou in je greep krijgt en dat de overheid zich met je leven gaat bemoeien. Indien je echter een vrij leven tracht in te richten, met toegang tot alle bronnen die je nodig hebt, ongeacht waar je ook bent, pas dan word je niet gegijzeld door je eigen bezittingen. Dit uitgangspunt heeft niets te maken met rijkdom of armoede. Kunnen vertrekken wanneer je daar behoefte aan hebt, zonder angst, daar gaat het uiteindelijk om, een avontuur met risico-elementen'.

Jouw meest beruchte essay, The Abolition of Work [De afschaffing van de loonarbeid], verscheen onlangs in Nederland in het groene magazine Ode. Kroniek van de onderstroom. De laatste tien jaar was dat opstel zonder twijfel de meest populaire anti-werk-tekst in de Nederlandse subculturen. Opvallend genoeg circuleerde het essay lange tijd onder werkloze syndicalisten van de Bedrijfsorganisatie Collectieve Sector (destijds aangesloten bij het OVB en tegenwoordig onafhankelijk als de Vrije Bond). Kun je verklaren waarom antiwerkargumenten in Nederland weldegelijk binnen de vakbonden gehoord werden?

Nee, daarvoor heb ik te weinig kennis van de Nederlandse situatie. Ik weet dat Ode het essay publiceerde - ze hebben echter niet de moeite genomen me een exemplaar toe te sturen. Ik weet dat er Nederlandse zines bestaan die belangstelling tonen voor deze ideeën, zoals het Amsterdamse Voorheen de Paardekennelbode. Ik kan het exemplaar echter nergens meer vinden: mijn zinecollectie ligt in dozen opgeslagen, ik leef vandaag van de bijstand en sinds ik uit mijn huis ben gezet, omdat ik de huur niet langer kon betalen, slaap ik in een opslagruimte. Het doet me deugt te horen dat ook syndicalisten interesse toonden: niet alle vakbondslui zijn humorloze dombo's. Ook de International Workers of the World (IWW) - de 'Wobblies' - streefden vroeger naar een culturele revolutie. Het IWW-geschrift Little Red Songbook had een hoog anti-werk-gehalte (met prachtige liederen als 'Hallelujah, I'm a Bum'). Toen de IWW nog uit arbeiders bestond was haar anti-werk-karakter duidelijk manifest. Tegenwoordig echter maken blanke middle-class studenten en afgestudeerde hippies de dienst uit in de IWW, en haar antipathie ten opzichte van de arbeid is verdwenen. Maar een ding is zeker: syndicalisten adoreren werk, arbeiders niet'.

De lezer moet nogal wat werk verrichten om je boeken in bezit te krijgen - bij mijn weten heeft alleen de boekwinkel van kunstenaarscollectief V2 te Rotterdam je werk in voorraad. In een aantal artikelen heb je gepleit voor 'voortbrengend spel', als een 'alternatief' voor 'werk'.

Laten we aannemen dat mensen graag dingen doen die ze graag doen. Is er geen reden om aan te nemen dat mensen die dingen moeten doen, het liefst dingen doen die ze leuk vinden? En waarom zouden mensen niet datgene doen wat gedaan moet worden en wat anderen tevens leuk vinden? Het punt is dat genotvolle activiteiten en productieve activiteiten niet noodzakelijkerwijs elkaar tegengestelden zijn. Indien deze gedachte juist is, dan is er geen noodzakelijke tegenspraak tussen vrijheid en noodzaak. 'Spel' (vrijheid) kan aldus het noodzakelijke voor je leven voortbrengen, maar ook de luxe binnen je leven garanderen. Wat voor jou nog werk is, kan voor mij al spel geworden zijn. Laten we 'spelen', voor elkaar en met elkaar. Veralgemeniseer dit idee, pas het overal op toe, en de mogelijkheden blijken oneindig. Dat de mensheid moet produceren, dat individuele mensen moeten produceren - in hun bonte en rijke verscheidenheid - is niet de vraag waarom het gaat; de kern is dat mensen in het voorbrengen van hun noodzakelijke levensbehoeften doen wat ze leuk vinden'.

Jouw opvattingen over het 'voortbrengende spel' ('productive play') worden ook breed uitgemeten in je in 1992 verschenen boek Friendly Fire. Maar het is toch een illusie te veronderstellen dat iedereen op een goede dag zijn baan vaarwel zal zeggen om te gaan doen wat hij of zij leuk vindt? Loondienst zal immers nog geruime tijd de dienst uitmaken. In je boek schreef je dat dat niet erg is omdat we 'de arbeiders nodig hebben tijdens de transitie'. Denk je dan dat we ons vandaag in een 'overgangsfase' bevinden? Hoe wil je die 'transitie' versnellen?

Let op: als ik een marxistische term hanteer, zoals bijvoorbeeld 'transitie', dan kun je er donder op zeggen dat ik hoogstens halfserieus ben. We gaan echt niet geleidelijk via een voorbeschikte route naar een wereld voorbij de arbeid. Sterker nog, ik betwijfel ten stelligste of we die wereld ook daadwerkelijk gaan scheppen. Het gaat er mij slechts om dat ik denk dat het mogelijk is. Onze beschaving gaat geleidelijk ten onder aan zijn eigen gewicht: overal hakken mokerslagen in op instituties, van misdadigers tot fraudeurs, van zwartwerkers tot krakers, en van uitkeringstrekkers (zoals ik) tot het scala van 'low-intensity lifestyles'.

De overgang waarvan ik spreek is een mistig concept. Denk maar eens aan tijdelijk of contractwerk - een snel groeiend fenomeen in de VS. Werkgevers houden van tijdelijke arbeid omdat het goedkoper is en dergelijke werknemers zich niet in bonden organiseren. Maar ook veel werknemers houden van hun tijdelijkheid omdat het werk hen gewoonlijk niet aanstaat; zo hoeven ze minder te werken en onderdrukken ze de tendens die hen laat doen wat ze moeten doen (werken dus).

En hoe we die transitie kunnen versnellen? Allereerst dien je alle illusies die je in hun greep houden overboord te zetten. Ieder individu is uiteindelijk een unicum, een 'Einzige' - om met Max Stirner te spreken - en ieder individu dient zijn of haar eigen en persoonlijke manier te vinden om met het spektakel om te gaan. Je 'dient de mensheid het meest' indien je je eigen belangen dient, de belangen van een kleinschalige groep, of eventueel zelfs die van een familie. Zo niet, dan dien je uiteindelijk de samenleving van de welvaart en de zekerheid, de samenleving van de schaarste en de angst, en als gevolg overlaad je jezelf met overheidsinmenging en bevoogdende belastingen. Maar het gehele bouwwerk trilt vandaag op haar grondvesten. En wanneer die muren eenmaal instorten, wees dan op je hoede voor haar gedemoraliseerde verdedigers'.

* Net als in de VS of Brazilie zien we ook in Europa een snel groeiende onafhankelijke bladen en uitgeverswereld. Landen als Spanje, Frankrijk en ook Nederland tellen steeds meer kleine en middelgrote zines. In je laatste boek Beneath The Underground steek je de loftrompet op deze ontwikkeling. Als ik tussen de regels doorlees constateer ik dat je deze 'samizdat/marginalen-scene' waardeert als de meest expliciete uitdrukking van een hedendaags anarchisme/anarchie. Heb je zoveel bewondering voor de bladen vanuit je Amerikaanse achtergrond ('the freedom of speech')? Of beschouw je het rijke bladenlandschap als een nieuwe 'beweging' die wellicht vergelijkbaar is met, laten we zeggen, de arbeidersbeweging tussen 1850 en 1940?

Ik denk dat je jezelf hier verspreekt. De 'samizdat/marginalen-scene' is vooral zo veelbelovend omdat het juist een impliciete uitdrukking van de anarchie behelst. Uiteraard biedt deze wereld tevens de mogelijkheid anarchisme/anarchie op een expliciete wijze uit te drukken, maar de meeste zine-makers zijn a-politiek. Hun werkwijze is niet-hiërarchisch, kleinschalig en brengt geen onmogelijke kosten met zich mee - het blad is de plek bij uitstek voor zelfstarters. In jouw termen zou je kunnen stellen dat een blad uitdrukking geeft aan een niet-sedentaire cultuur, niet in geografische zin, maar in die zin dat een blad niet gehinderd wordt door adverteerders, overheadkosten, leningen, of zelfs een lezerspubliek. Zines zijn, wat Hakim Bey noemt, 'Tijdelijke Autonome Zones' - maar dan in een culturele betekenis van het begrip. Slechts zelden ontwikkelt een blaadje zich tot een institutie die zich pathologisch bekommert om doelgroepen, en slechts zelden treffen we hier een tendens aan waarin middelen de doelen moeten heiligen. De kleine bladen prefigureren een levenswijze waarin mensen zelf hun eigen situaties creëren; ze gaan hun eigen weg, ontmoeten andere ideeën en breken hun eigen uitgangspunten weer af.

Inderdaad denk ik dat zich in het bladenlandschap een 'beweging' aankondigt, wellicht vergelijkbaar met de oude syndicalistische beweging, maar laten we er wel voor waken niet te zeer door metaforen verleid te worden. Het woord 'beweging' bevat teveel connotaties die ons doen denken aan een gecoördineerde beweging in de richting van een vastgesteld doel. Indien ik een metafoor wil hanteren die recht doet aan de 'marginalen-scene' dan denk ik zeker niet aan een gewapend leger dat zingend en marcherend onderweg is naar de Revolutie. Liever denk ik aan water, opborrelend uit vele bronnen, bijeenkomend in kleine stromen, weer uiteengaand in nog kleinere stromen die het ritme van het landschap volgen, weer bijeenkomend in nieuwe beekjes, verdampend tot wolken en weer condenserend tot water, wellicht zelfs samenkomend in geweldige rivieren... maar ook delta's vormend waardoor er steeds meer wegen naar de zee ontstaan. Ook kan het water onderweg pauzeren, als poelen of meren, als plaatsen van rust (niet noodzakelijk stagnatie). Kijk eens om je heen, er is zoveel 'beweging', zelfs beweging in vastgestelde richtingen, maar realiseer je wel dat het eindpunt geen genot schenkt. Om van metafoor te veranderen: de reis is de bestemming.

Wat betreft je opmerking over mijn Amerikaanse achtergrond; er is niets typisch Amerikaans aan het milieu der marginalen. Een groot aantal invloeden en bronnen zijn afkomstig uit het buitenland - zo waren Mail Art en Punk internationaal vanaf het prille begin. Maar omdat we zo afhankelijk zijn van de post is het niet verwonderlijk dat de marginalen zich het meest voorspoedig hebben ontwikkeld in redelijk welvarende landen waar de post zelden gecensureerd wordt (zeker in de States, hier kan de post het vele werk nauwelijks aan waardoor voor het openen en lezen van brieven nauwelijks tijd bestaat!) Het resultaat bleek een vrije markt van ideeen die volledig aan het oog onttrokken bleef van niet-participanten, inclusief de overheid.
Laat ik een voorbeeld uit mijn eigen levenspraktijk geven. Mijn eerste deelname in dit marginale milieu (die toen nog niet als zodanig herkend werd) dateert uit 1977 toen ik posters maakte in het kader van mijn project 'De Laatste Internationale'. Ik was overgegaan op affiches en posters omdat ik gefrustreerd was over de wijze waarop linkse en 'alternatieve' bladen met kopij omgingen - over de 'gevestigde' media wil ik het al helemaal niet hebben. Ik kon nu zeggen wat ik wilde, werd door niemand gecensureerd, en had niemands toestemming nodig. Mijn posters konden weliswaar verscheurd worden (dat gebeurde ook), maar ik kon ze weer opnieuw opplakken (dat deed ik ook). Uiteindelijk kon ik mijn ei dus kwijt. Ik bleef lange tijd in contact met andere postermakers en we gebruikten ook de post voor onze doeleinden. Van de eerste vier reprints van mijn posters werden er drie buiten de VS gedrukt (Canada, Engeland en Nederland).
Maar het is lastig om de overzeese, transatlantische contacten gaande te houden. Een van de meest intrigerende deugden van de zines is hun interactieve karakter. De lezers zijn hier vaak ook de schrijvers. Gezien het lage tempo waarin de internationale post opereert, blijven snelle en actuele interacties moeilijk. Ook zijn de kosten van de internationale post veel hoger dan in het geval van de binnenlandse: in de VS zijn de tarieven de laatste jaren enorm gestegen. Een 'first class-brief' kost vandaag acht maal zo veel dan deze dertig jaar geleden nog kostte - voor internationale bestellingen zijn de kosten nog exorbitanter gestegen. Zonder het zelf te beseffen heeft de Amerikaanse overheid door haar hoge tarieven de wereld van de zines een flinke klap toegebracht.

Uiteraard is 'Freedom of speech' een belangrijk issue in de VS: zij wordt gegarandeerd door de Grondwet en het Hoog Gerechtshof interpreteert deze gedachte als een uiterst complexe doctrine. Ik kan wel zeggen dat ik, als advocaat, een expert ben op dit gebied, maar ik betwijfel ten stelligste of het bestaan van deze garantie verantwoordelijk is voor het florerende bladenlandschap. Dat de zines niet aangeklaagd worden komt voort uit het feit dat justitie ze niet eens opmerkt; op de tweede plaats is een enkele zine de moeite van een aanklacht zelden waard. Het gemiddelde undergroundblad houdt het slechts een jaar vol - je vind ze niet eens bij de kiosk. Mensen die een klacht indienen over een blad weten vaak niet eens waar en hoe ze het blad moeten vinden. Desondanks zijn er bladen die daadwerkelijk aangeklaagd zijn, denk aan Mike Diana's tijdschrift Boiled Angel - in Florida werd hij aangeklaagd wegens 'onzedelijk gedrag' in een van zijn cartoons (zijn tekeningen waren misschien blasfemisch, maar zeker niet onzedelijk). Maar tot op heden komt repressie jegens zines nauwelijks voor.

Maar ook al beschikt onze Grondwet over deze 'First Amendment', dit wil niet zeggen dat Amerikanen zich bij uitstek kenmerken door hun uitgesprokenheid. Onderzoeken en enquetes laten zien dat Amerikanen de vrijheid van spreken weliswaar in abstracte zin verdedigen, maar dat zij onder concrete omstandigheden meestal tegenstanders van de vrije meningsuiting blijken. Vrijheid van meningsuiting zegt de gemiddelde Amerikaan vaak niets, omdat hij of zij zelf gewoon weinig te vertellen heeft. De liberalen vertellen: 'Indien de overheid vandaag in staat is pornografen en anarchisten te onderdrukken, dan is ze dat morgen met christenen of pistooldragende advocaten ook'. Veel Amerikanen zijn dom, 'but not that stupid'. Ze beseffen terdege dat de staat niet alles censureert dat ze willen horen of lezen, en dat die staat nog minder geinteresseerd is in wat ze zeggen. Dus waarom zouden ze zich hierom druk maken? Dat doen ze ook niet'.

* Breng je onderscheidingen aan in de wereld van de zines? Ik bedoel, denk je in termen van linkse of rechtse zines of heb je een uitgesproken afkeer van bladen die politiek-ideologisch van karakter zijn? Heb je criteria voor een 'goed' tijdschrift en dient een blad altijd 'tijdelijk' van aard te zijn?

'De begrippen 'links' en 'rechts' verwezen oorspronkelijk naar de bankjes waarin de volksvertegenwoordigers van de Franse Revolutie zich bevonden. Maar die wetenschap heeft vandaag geen praktische implicaties meer. Al spoedig werden 'links en 'rechts' houdingen, of sterker nog, vooroordelen - nog niet eens ideologieën; zo coherent waren de begrippen niet. In Frankrijk bijvoorbeeld was een 'radicaal' iemand die het klerikalisme verwierp en zich op sentimentele wijze met de Franse Revolutie identificeerde. Kortom, hij behoorde tot 'links', maar op politiek gebied presenteerde de 'radicaal' zich als een pre-kapitalist, als een 'vriend van de gevestigde orde' - dus iemand uit het 'rechtse' kamp. Ik zal je hier niet lastig vallen met een uiteenzetting over het wezen van de Amerikaanse politieke partijen dat zich nauwelijks laat verklaren in termen van links-rechts. Dit onderscheid maakt de zaak niet duidelijker, en eigenlijk doet het er ook niet toe. Wellicht hadden dergelijke begrippen ooit hun waarde, maar ik zou niet weten welke waarde ik er vandaag nog aan zou kunnen hechten. Het maakt me niet uit waar een gedachte of een idee vandaan komt, als ik iets kan gebruiken dan gebruik ik het ook. Heb ik het niet meer nodig, dan verwerp ik het weer. Ik heb het al zo vaak gesteld en doe het hier nog een keer: 'Heb je ideeen of hebben ideeen jou?'

De gedachte dat een zine tijdelijk moet zijn is net zo belachelijk als de opvatting dat een zine permanent moet zijn. Ik zie echter dat de bereidheid om het tijdelijke karakter te onderstrepen in de praktijk bevrijdend werkt, en meer vreugde en genoegdoening schenkt - of een blad uiteindelijk duurzaam is of niet is van minder belang. In zichzelf heeft 'tijdelijkheid' geen waarde; dit geldt echter wel voor 'flexibiliteit' - het is een gebruikswaarde. En hoe een 'goed' blad eruit ziet? 'Goed' waarvoor?'

* Voor het eerst sinds de jaren zestig verschijnen er weer anarchistische publikaties die de moeite van het lezen waard zijn. Momenteel verschijnt schoorvoetend in Nederland en Belgie - behalve jouw bundels - ook het werk van John Zerzan en Hakim Bey. Niet alleen publiceren jullie allen onder meer bij de New Yorkse uitgeverij Autonomedia, jullie overigens verschillende benaderingen geven in toenemende mate uitdrukking aan een boeiende heterodoxe filosofie. Bovendien - en dat is een verademing indien we de saaie politieke literatuur van het continent in ogenschouw nemen - zijn jullie uitstekende schrijvers en verhalenvertellers. Het schijnt een denken dat - in de onderlinge samenhang van jullie verhalen - een werkelijk frisse kijk op de hedendaagse consumptiesamenleving biedt. Maar bestaat die samenhang ook in de publicistische praktijk? Met andere wooorden, hebben jullie periodiek contact met elkaar? Denk je dat er - om met John Stuart Mill te spreken - sprake is van een nieuwe 'Spirit of the Age'?

'Het doet me plezier dat je me associeert met John Zerzan en Hakim Bey in een drie-eenheid van onorthodoxe anarchie. We hebben inderdaad veel overeenkomsten, maar onze klemtoon is zeer verschillend. Ik weet niet of Zerzan en Bey contacten met elkaar onderhouden; waarschijnlijk hebben ze elkaar nooit ontmoet. Ik trok enige tijd op met Zerzan toen ik in de herfst van 1977 naar San Francisco verhuisde. Om persoonlijke redenen verbraken we onze contacten om ze later weer te herstellen - maar toen woonden we ver uit elkaar, hij aan de westkust, ik aan de oostkust. Bey woont in New York City en we hebben elkaar vaak ontmoet sinds ik in 1989 naar dezelfde stad verhuisde. Ook hebben we intensief met elkaar gecorrespondeerd - het laatste jaar wat minder overigens. Ik begon Zerzan zo'n twintig jaar geleden te lezen, hij was nog niet zo'n goed schrijver, maar hij wordt steeds beter. Bey was altijd al een bekoorlijk schrijver.

Inderdaad zijn enkele anarchistische publikaties de laatste vijftien of twintig jaar van vitaal belang gebleken. Het merendeel echter had net zo goed in 1890 of 1920 geschreven kunnen zijn. Maar de vernieuwing kwam dan ook van buiten het anarchistische milieu: van de situationisten, van de ecologisten, ook van de feministen ('a mixed blessing!'). Eindelijk werden het subjectieve en het persoonlijke weer in de frontlinie geplaatst. Punks, homoos, hippies en 'riot girrlz' gooiden de levensstijlconcepties van de anarchisten volledig in de war. Tot die tijd waren de laatste anarchisten vooral wegkwijnende intellectuelen of hoogbejaarde vakbondsleden. 'Oude' en 'nieuwe' anarchisten keken elkaar en zichzelf aan en gruwden van wat ze zagen. Ook verliet ik zelf enige tijd met een grote mond de anarchistische 'beweging'... maar 'beweging' of 'niet-beweging', anarchie is er nog altijd. Ik heb mijn hoop niet gevestigd op een komend Gouden Tijdperk. Veel publikaties zijn inderdaad de moeite van het lezen waard, maar louter anarchisten lezen ze. We hebben dan ook een uitdrukking voor dit verschijnsel: 'preken voor de eigen parochie'. Daar is overigens niets mis mee. Een anarchistische pers die zich inspant het 'anarchisme' van de anarchisten te verrijken en te verbeteren verricht uiterst zinvol werk. Wellicht is de 'formele' anarchistische pers onvoldoende uitgerust om de buitenwacht te bereiken; de impliciete 'anarchie' van de marginalen lijkt veel beter geschikt te zijn voor die taak. In deze wereld ontmoet je 'anarchie zonder tranen'. Het is niet moeilijk af te dalen in de onderstroom van de bladen en de marginalen, in je eigen tempo, op je eigen voorwaarden. Het is juist deze onderstroom van waaruit de meeste anarchisten vandaag de dag voortkomen'.

* In je denken en schrijven ben je veel minder occult dan iemand als Hakim Bey die veel aandacht besteed aan de 'anarchie' van sectes, cults en geheime samenlevingen. Sectes hebben een lange geschiedenis in de VS, net zoals in Nederland. Nog altijd kenmerken beide landen zich door een enorme variatie aan sectes en genootschappen. Hoe sta jij tegenover dergelijke 'samenlevingen'? Het meest pregnant werden we recentelijk geconfronteerd met enkele Amerikaanse sectes dankzij de ondergang van WACO en de aanslag van de Michigan Militia op een regeringsgebouw in Oklahoma City (Nederlandse kranten spraken van een aanslag van 'rechtse anarchisten').

'Excuse me', sektes, cults en geheime samenlevingen zijn geen synoniemen. Maar laat ik enkele opmerkingen maken. Je hebt gelijk, dergelijke fenomenen interesseren me veel minder dan Hakim Bey en John Zerzan. De laatste schreef ooit een prikkelend artikel over de doorbraak van de Ku Klux Klan in de jaren twintig en de Amerikaan Bey bekeerde zich ooit tot de Shi'itische Islam. Hij woonde tien jaar lang ergens in Azie. Dankzij zijn specifieke achtergrond is hij niet alleen geïnteresseerd in, maar tevens zeer goed geïnformeerd over esoterische onderwerpen. Die interesse zal ik nooit krijgen.

Maar nu we toch over de Amerikaanse situatie denken schiet me iets te binnen. De meeste Amerikaanse kolonies werden gesticht door Engelse sektariërs (New England werd bijvoorbeeld gesticht door calvinisten, Pennsylvania en New Jersey door quakers) of andere religieuze dissidenten (Maryland werd bijvoorbeeld gesticht door katholieken). Ironisch genoeg werden de sektes van het 'Oude Engeland' het establishment van het 'Nieuwe Amerika' en scheidden dissidente dissidenten zich weer af om nieuwe kolonies te stichten (denk aan Rhode Island). Dit waren inderdaad sektes, maar geen cults.

Binnen twee generaties vielen de kleinburgerlijke stadjes van New England, met hun gezinsstructuren en dominante Puritijnse Kerk, weer uiteen. Mensen vertrokken naar kleine kerkloze dorpsgemeenschappen ('hamlets'), naar kleine alleenstaande boerderijen, of naar de nieuwe steden verder naar het westen. Deze volksbeweging is nooit tot stilstand gekomen. Het holisme van de oorspronkelijke sektarische religies werd niet meer hersteld en ook de kerken verloren hun centrale positie in de gemeenschappen. Dit gebeurde enerzijds omdat afscheiding binnen het Amerikaanse protestantisme eerder regel dan uitzondering was; en anderzijds omdat de bevolking nooit lang genoeg op een plek bleef om organische gemeenschappen te vormen. Het gebrek aan een religieus saamhorigheidsgevoel werd in de VS echter steeds gevoeld. Twee religieuze 'Great Awakenings' (de jaren 1740 en de jaren 1830) kenmerken de Amerikaanse geschiedenis - tijdens deze jaren ontstonden cults als bijvoorbeeld de Zevende Dags Adventisten. Dergelijke 'awakenings' ontstaan steeds opnieuw doordat het kapitalisme in zijn ontwikkeling voortdurend gemeenschappen vernietigt en belangrijke facetten van de religie tot marktspecialismen omvormt (denk onder meer aan gezondheidszorg en psychiatrie). Maar wat religie altijd beoogde was de affirmatie, de bevestiging van gemeenschap. Vandaag vervullen sektes en cults de behoefte aan gemeenschap. Je sekte of je cult is jouw gemeenschap, een ideologische wijkplaats voor de vervreemden (voor velen is het 'anarchisme' ook zo'n plek). Zij die de afwezigheid van gemeenschap als zeer urgent urgent ervaren - en niet in staat zijn een analyse te maken als Hakim Bey of John Zerzan dat doen - voelen zich sterk tot sektes en cults aangetrokken. Veertig miljoen Amerikanen noemen zich vandaag fundamentalist.

Omdat je er nu toch over begint, ik moet nog iets kwijt over de bomaanslag op het federale gebouw in Oklahoma City. De daders waren helemaal geen 'rechtse anarchisten' - het waren niet eens anarchisten. Zelfs de Federale regering heeft zo'n belachelijke claim niet gemaakt. Volgens haar zit de 'Militia Beweging' achter deze aanslag en ik denk dat ze gelijk heeft. Deze militias zijn uiterst rechts, populistisch en gericht tegen de overheid. Vaak profileert de beweging zich als racistisch, maar dat is niet altijd het geval. De leden hebben een bepaald beeld van de Nationale Grondwet en menen dat politici de Constitutie met voeten treden (wat overigens niet geheel onwaar is). Maar hun belangrijkste strijdpunt is het recht een gewapende macht te vormen tegenover de staat. Ze raken gealarmeerd als de discussie weer oplaait dat het wapengebruik in de VS teruggedrongen moet worden. Om eerlijk te zijn, ik raak dan ook wel eens gealarmeerd. Je moet beseffen dat ik leef in het enige grote westerse land waarvan de bevolking tot op de tanden gewapend is. Tevens is de VS de grootste militaire natie ter wereld. Na de ineenstorting van de Soviet Unie heeft de Amerikaanse staat weer een vijand: meer dan honderd miljoen Amerikanen zijn vandaag de dag bewapend. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat het juist deze 'crazy bastards' zijn tegen wie je jezelf allereerst dient te verdedigen. Als we nu eens aan hen zouden kunnen uitleggen wie hun werkelijke vijand is...'


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -