| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| Hoofdstuk 1.pdf | 13.03.2004 | 85kB | - |
HOOFDSTUK 1
EEN NIJVERHEIDSGEMEENSCHAP OP HET PLATTELAND: OISTERWIJK 1860-1940
INLEIDING: NIJVERHEID IN OISTERWIJK
Sigarenfabrieken kwamen niet zomaar uit de lucht vallen. Fabrikanten zochten
welbewust naar geschikte locaties. In dit hoofdstuk zullen we trachten aan
te tonen dat Oisterwijk voldoende mogelijkheden bood voor industriele ontwikkeling.
Noodzakelijk is het daarvoor om terug te gaan naar de periode voor de sigarenindustrie.
In de 19de eeuw was Oisterwijk geen echt agrarisch dorp meer. Sinds de middeleeuwen
zorgde de nijverheid voor een aanzienlijk deel van de inkomsten. Maar deze
middeleeuwse nijverheid raakte in verval. Tussen de 16de en de 19de eeuw ging
het Oisterwijk bepaald niet voor de wind. Het sociaal-economische klimaat was
uiterst beroerd. Daarnaast teisterden ziekten en roversbenden het dorp, dat
haar inwonerstal zag teruglopen tot 1650 in 1815.
Traditioneel bezat Oisterwijk een lakennijverheid. Deze textielindustrie werd
aangevuld door de ververij van de gebroeders Arnold en Wouter Holleman. Zij
vervaardigden garancine, een rode kleurstof onttrokken aan de meekrapplant
(1). Hun fabriek bood ook werk aan diverse wevers. Echter de opkomst van Tilburg
als textielcentrum van Noord-Brabant bleek funest voor de Oisterwijkse textielnijverheid.
Zowel de laken- als vlasnijverheid werden vernietigd. Rond 1870 bleek de textielindustrie
geheel uit Oisterwijk verdwenen (2).
In de loop van de 19de eeuw trad er weer bevolkingsgroei op in Brabant. Tussen
1810 en 1912 nam het aantal inwoners in Oisterwijk toe van 1622 tot 3672 (3).
Aanvankelijk floreerde de landbouw, en de handel met omringende plaatsen kon
uitgebreid worden. De oude zandwegen maakten plaats voor verharde wegen: dit
kwam het transport natuurlijk ten goede. Lang had Oisterwijk twee gemeentewerkers
in dienst wier taak vooral bestond uit het dichten van karresporen in het zand.
De verharding trad allereerst westwaarts op: richting Udenhout, Berkel Enschot
en Tilburg. Naar het schijnt werd per politieverordening bepaald dat aanwonenden
elke zaterdag de verharde weg dienden aan te vegen (4). De aanleg van de spoorlijn
(Boxtel-Tilburg) en de bouw van het Oisterwijkse station stimuleerden natuurlijk
eveneens de ontsluiting van het dorp (5).
De bevolkingstoename zette zich door. Deze groei kon echter niet helemaal worden
opgevangen door de agrarische sector. Het grondbezit in de Meijerij was al
sterk versnipperd waardoor steeds verdergaande herverdeling van grond onmogelijk
werd (6). Ontginningen werden voorlopig nog niet uitgevoerd. Veel Oisterwijkse
arbeidskrachten konden niet meer in de landbouw worden ingezet. Daarbij zorgden
misoogsten (veroorzaakt door de aardappelziekte rond 1850) en economische crises
(door de import van goedkoop Amerikaans graan in het laatste kwart van de 19de
eeuw) voor een teruggang van de landbouw. In Oisterwijk sloten een twintigtal
boeren zich aaneen binnen de coöperatieve roomboterfabriek 'De Boterbloem'
om de malaise te keren. De fabriek betaalde de boeren vier centen voor een
liter melk, dat was meer dan de boeren er bij zelf boteren aan konden verdienen.
Soms werd er met de boter geknoeid. De boeren reageerden eerlijk: "Ge
bent misschien niet zo braaf als ge arm bent" (7).
De nijverheid bleek opnieuw een aanvullende bron van inkomsten te zijn. Een
opkomende nijverheid van belang was de ledernijverheid: het schoenmaken en
het looien van leer. Daarnaast maakten de Brabanders kennis met de sigarenindustrie.
DE SCHOENMAKERIJEN
Om een extra inkomen te verdienen maakten boerenfamilies thuis schoeisel.
Dagloners zonder werk en landloze boerenzonen specialiseerden zich in die ledernijverheid.
Van oudsher had bijna iedere gemeente wel een schoenmaker. In 1815 bestonden
er slechts 13 kleine dorpen in Brabant waar geen schoenmaker gevestigd was
(8). De schoenmakers hadden, zoals gezegd, nog duidelijk banden met het agrarisch
bestaan. In het laatste kwart van de 19de eeuw maakten Oisterwijkse schoenmakers
soms wel zes paar schoenen per week. Meestal werden de paren voor een gulden
verkocht. De schoenen raakte men echter niet altijd kwijt. Het schoenmakersgezin
hield daarom vaak een varken, een geit, kippen en konijnen om hierop in tijden
van nood terug te kunnen vallen (9).
De schoenmakers vervaardigden schoenen op maat of ze verkochten tweedehands
paren aan hen die onvoldoende geld hadden. Gewoonlijk was er in een dorp een
schoenmaker (confectie- en maatwerk) en een schoenlapper (reparatie). Vaak
werden beide ambachten door een en dezelfde persoon uitgeoefend.
Tussen 1850 en 1900 steeg het aantal schoenmakers en -lappers sterk. De vraag
nam toe door de bevolkingstoename en door de vele oorlogen die om schoenen
vroegen voor het leger. In 1912 bleek al meer dan 70% van de schoenproductie
in Noord-Brabant plaats te vinden. Vooral centraal Noord-Brabant specialiseerde
zich in schoenen. De beroepsgroep bleek relatief veel vrouwen op te nemen.
Over het algemeen deden gehuwde vrouwen thuiswerk en ongehuwden fabriekswerk
(10). Bijna alle arbeiders in de ledernijverheid in Oisterwijk bleken van Oisterwijkse
komaf (11).
Tabel 1 geeft een overzicht van het aantal schoenmakers en -makerijen in Oisterwijk
tussen 1860 en 1910:
TABEL 1
AANTAL SCHOENMAKERS (I), SCHOENMAKERIJEN (II) EN JONGENS OF LEERLING-SCHOENMAKERS
WERKZAAM VOOR SCHOENMAKERS (III) IN OISTERWIJK 1860-1910
| jaar | I | II | III |
| 1860 | 28 | 4 | 10 |
| 1866 | 39 | 7 | 6 |
| 1871 | 43 | 8 | 8 |
| 1876 | 271 | 15 | 100 |
| 1880 | 241 | 48 | 38 |
| 1885 | 260 | 60 | 40 |
| 1890 | 260 | 60 | 50 |
| 1895 | 270 | 60 | 40 |
| 1900 | 307 | 15 (3)* | 45 |
| 1905 | 346 | 18 (4) | 24 |
| 1910 | 347 | 20 (5) | 22 |
* tussen de haakjes staan het aantal bedrijven aangegeven waar 20 of meer arbeiders werkzaam waren. Het bedrijf kan hier zowel een manufactuur (werkplaats) als een fabriek (gemechaniseerd) zijn.
BRON: C.A. Mandemakers, De ontwikkeling van de factor arbeid binnen de Nederlandse schoennijverheid, 1860-1910, in Jaarboek voor de geschiedenis van bedrijf en techniek 2, Rotterdam, 1985, pp.124-126
De tabel toont
duidelijk aan hoe sterk de schoenindustrie in Oisterwijk expandeerde. De
daling van het aantal schoenmakerijen rond 1900 was het gevolg van de opkomst
van de fabrieken. Het aantal arbeiders werkzaam in de ledernijverheid groeide
toen nog steeds. De stijging zette zich door tot de jaren dertig. Mechanisatie
werd pas laat ingezet. Schoenindustrie was aanvankelijk huisindustrie. De arbeiders
waren bereid om te werken voor een laag loon en derhalve was mechanisatie voor
de patroon voorlopig niet nodig. Daarnaast werd de komst van de mechanisatie
uitgesteld door de gedwongen winkelnering. We komen daar later nog op terug.
Rond 1900 kwamen dan toch de eerste fabrieken op. De eerste aanvraag voor een
schoenfabriek werd in 1899 door J.P. van Arendonk gedaan. Het betrof hier een
combinatie looierij-schoenfabriek. In 1904 diende J.A. Mels een verzoek in
voor de oprichting van een schoenfabriek. In 1911 vroeg J. van der Eerd toestemming
voor de uitbreiding van de schoenmakerij van J. Paijmans. De firma Van de Wiel
mechaniseerde als eerste. Velen volgden zijn voorbeeld (12).
Het succes van de schoenfabricage was vooral te danken aan deze mechanisatie.
Dit resulteerde in een productiviteitsstijging van zo'n 30% per volwassen schoenmaker.
In deze toenemende productiviteit lag de voornaamste oorzaak voor de afname
van het aantal schoenmakers in Brabant (13). Voor Oisterwijk gold dit voorlopig
nog niet. De schoenfabrieken boden nog jaren plaats aan veel arbeiders. Bij
PASO ( NV Paijmans schoenfabrieken) werkten in 1930 al 310 arbeiders, Roosen-De
Bakker telde in datzelfde jaar bijna 200 werknemers en de firma Larsen (Stoomschoenfabriek
La Hollande) had in 1927 meer dan 100 arbeiders in dienst (14). De oprichting
van een Oisterwijkse vakschool voor schoenmakers in het begin van deze eeuw
was zeker geen overbodige luxe. De schoenindustrie vroeg steeds meer om effectieve
kennis en scholing.
DE LOOINIJVERHEID
Naast de schoenindustrie
bood ook de looinijverheid een bron van bestaan. De looiers werkten gewoonlijk
voor de eigen regio (15). Oisterwijk bood de
looiers nogal wat mogelijkheden. In het zachte, stromende water van de kleine
riviertjes spanden de looiers hun huiden die gespoeld en geweekt dienden te
worden. Ook stond aan de stroom een molen die eikenschors vermaalde tot 'run':
de looistof, noodzakelijk om huiden in leer te veranderen (16). Run werd vooral
door boeren bijeengespaard. De productie van leder was een zaak van kleine
familiebedrijfjes. Vaders leerden hun zonen het looiproces. Bekende looiers
in die dagen waren Kluijtmans, Koolen, Van Haren, De Jong, Wemmers, Van der
Linden, Verhagen, Blomjous en Canters. Oisterwijk telde in de jaren zeventig
van de vorige eeuw meer dan 30 looierijen. Tussen 1871 en 1878 werden er in
de Voorste Stroom zo'n 46.000 huiden gespannen. Wethouder en looier, Christ
Kluijtmans, las dagelijks een Antwerpse krant om op de hoogte te blijven van
de laatste ontwikkelingen in de looinijverheid (17). Aan de Vloeiweg in Oisterwijk
staan nog enkele looiershuisjes.
Bestond de scheiding schoenmaker-leerlooier aanvankelijk nauwelijks, in de
loop van de 19de eeuw specialiseerden beide beroepsgroepen zich meer en meer.
Families die al sinds 1800 werkzaam waren in de looinijverheid bouwden een
flinke ervaring op. Rond 1900 hadden al deze oude families de leiding in de
Oisterwijkse ledernijverheid. We denken aan families zoals Berkelmans, Van
de Wiel, Canters en Van Iersel (18). Zij vervulden ook belangrijke posities
in het openbare leven. In 1900 was Hendrik ('Drikske') van Beckhoven naast
looier ook burgemeester. Samen met zijn broer werkte hij thuis aan de productie
van leder (19).
De Oisterwijkse kleine looinijverheid nam snel af. Internationaal raakten nieuwe
en chemische looistoffen in opmars (20). In Oisterwijk bleef men ambachtelijk
met run werken (21). Mechanisatie en de invloed van chemie leidde tot schaalvergroting.
In Duitsland ontstonden rond 1900 de eerste monsterbedrijven waarbinnen de
kostprijs van leer gehalveerd kon worden. Naar Duits voorbeeld startte C.J.
van der Aa in 1916 in Oisterwijk de N.V. Lederfabriek Oisterwijk. Het bedrijf
werd in 1920 overgenomen door het concern Adler & Oppenheimer via de in
1906 opgerichte Amsterdamsche Ledermaatschappij (22). De komst van deze grote
fabriek bespoedigde de ondergang van de kleine looierijen. Telde de fabriek
in 1918 zo'n 80 arbeiders, in 1930 draaide de fabriek al met meer dan 850 arbeiders
(23).
De huisarbeiders en de eerste fabrieksarbeiders hadden het rond de eeuwwisseling
slecht. De gedwongen winkelnering en de extreem lage lonen zorgden voor armoede.
Sommige onderzoekers achtten het merkwaardig dat er juist in Oisterwijk geen
klassenstrijd tussen patroons en arbeiders losbarstte. Zij zagen de oorzaak
gelegen in het feit dat zowel de patroons als de arbeiders hetzelfde dialect
spraken en aan dezelfde armoede gewend waren (24). Dit was echter slechts ten
dele waar. Winkeldwang stimuleerde de verpaupering, en angst voor ontslag stond
massaal protest in de weg (25).
DE SIGARENNIJVERHEID
Een derde nijverheid
van belang was de sigarenindustrie. Deze nijverheid vestigde zich in Oisterwijk
in de jaren zeventig van de vorige eeuw. De gebroeders
J. De Kuijper en H. De Kuijper startten hun bedrijfje "aan het Linde-eijnd".
Men produceerde het merk 'DK' (De Kuijper) (26). In 1894 vestigde Alphonse
Hamers zich in Oisterwijk. Hij nam de villa van Holleman aan De Lind over en
begon zijn bedrijf De Huifkar. Zowel De Kuijper als Hamers werkten aanvankelijk
met thuiswerkers. Van de eerste winsten werden fabrieken opgezet. Hamers ging
rond 1899 over op fabrieksmatige produktie van sigaren. Tot aan zijn dood in
1952 bleef De Huifkar kwaliteitssigaren produceren voor de nationale en internationale
markt. De sigarenmakers waren in tegenstelling tot de lederbewerkers niet van
Oisterwijkse afkomst.
Geleidelijk vestigde het sigarenmaken zich op Oisterwijkse bodem. In 1912 was
al zo'n 6% van de beroepsbevolking werkzaam in de sigarenindustrie (27). De
nijverheid bood ook mogelijkheden in tijden van slapte. Op eenvoudige wijze
konden sigarenmakers thuis bedrijfjes starten. De investeringskosten waren
laag (men hoefde slechts tabak in te kopen) en de sigaren kwamen goedkoop op
de markt (men werkte thuis immers zonder CAO). Hierdoor konden kleine fabriekjes,
met zelden meer dan 5 arbeiders, soms redelijk succesvol draaien. De geproduceerde
thuissigaren, in Oisterwijk wel "eenheidssigaren" genoemd, werden
locaal verkocht.
Vooral De Huifkar zou aan veel sigarenmakers werk bieden. Ook andere arbeiders
waren nodig op de fabriek, denk aan stripsters en ringsters. In toptijden kon
Hamers twee- tot driehonderd arbeiders inzetten. Kleine fabriekjes waren meestal
een kort leven beschoren.
Hamers mechaniseerde zijn fabriek nooit in tegenstelling tot de schoenfabrikanten.
Handwerk bleek kwalitatief betere sigaren op te leveren. Mechanisch of halfmechanisch
geproduceerde sigaren waren slechts winstgevend als het ging om goedkope modellen.
De Huifkar moest het vooral hebben van duurdere modellen. Daar de mechanisatie
uitbleef was Hamers eigenlijk een koopman?fabrikeur in plaats van fabrikant.
EENZIJDIGE INDUSTRIALISATIE
Oisterwijk groeide in de jaren twintig en dertig uit tot een industrieplaats op het platteland. In 1920 kende het dorp de volgende vrij eenzijdige industrie:
TABEL 2
STAAT DER FABRIEKEN IN OISTERWIJK IN 1920
| fabrieken | eigenaars | aantal arbeiders* | |||
| I | II | III | IV | ||
| bierbrouwerij | De Kroon | 2 | ? | ? | ? |
| worstfabriek | Voskens | 2 | ? | ? | ? |
| leerlooierij | Canters | ? | ? | ? | ? |
| idem | NV O'wijk | 84 | ? | 12 | ? |
| idem | Kuijpers | 20 | ? | 2 | ? |
| idem | Oonincx | ? | ? | ? | ? |
| idem | V.d.Linden | 3 | ? | ? | ? |
| looierij/schoenfabriek | V.d.Wiel | 28 | 3 | 2 | ? |
| idem | Berkelmans | 19 | 2 | 3 | 2 |
| idem | Van Iersel | 5 | 2 | ? | ? |
| schoenfabriek | V.d.Linden/Piggen/V.d.Beule & Co | 22 | 2 | 10 | 8 |
| idem | Paijmans | 18 | 3 | 2 | ? |
| idem | Nouwens | 9 | 1 | 1 | ? |
| idem | Janssens | 10 | 2 | 1 | ? |
| idem | Koolen | 18 | ? | 1 | 4 |
| idem | Larsen | 8 | 1 | 2 | 1 |
| idem | V.d. Heijden | 24 | 3 | 3 | 4 |
| idem | NV N-Brabant | ? | ? | ? | ? |
| idem | Van Baast | 7 | 2 | 1 | ? |
| idem | Roosen | 23 | 12 | 17 | 10 |
| sigarenfabriek | Hamers & Co | 29 | ? | 1 | 2 |
| steenfabriek | De Jong | 10 | ? | ? | ? |
* Het aantal arbeiders is onderverdeeld in volwassen mannen (I), volwassen vrouwen (II), jongens onder de 17 jaar (III) en meisjes onder de 17 jaar (IV).
BRON:H. van Velthoven, Noord-Brabant op weg naar groei en welvaart, 1850-1920, Nijmegen, 1963, p.64
Burgemeester Verwiel schreef in 1933 een artikel voor 'Ons Nederland'. Hierin
trad hij op als promotor van Oisterwijk. Hij benadrukte juist het nijverheidsaspect
van het dorp (28):
"Merkwaardig is echter, dat de industrie en toerisme, welke elkaar als regel
niet al te best verdragen en daarom zoo vaak als antipoden beschouwd worden,
in Oisterwijk op een gelukkige wijze harmonieeren ... De oude huisindustrie heeft
in deze eeuw van mechanisatie nieuwe wegen ingeslagen en is uitgegroeid tot een
fabrieksindustrie van beteekenis".
De schoen-, de leer- en de sigarenindustrie maakten in de crisisjaren zware
tijden door. Na de oorlog kwamen zij er duidelijk niet meer bovenop. Veel looierijen
en schoenfabrieken werden in de jaren vijftig opgedoekt. Met de dood van Hamers
in 1952 kwam ook het definitieve einde aan De Huifkarfabriek. Het wegvallen
van deze nijverheid werd grotendeels opgevangen door de toeristisch-recreatieve
functie van Oisterwijk. De arbeiders uit de bijna verdwenen sigarennijverheid
werden vooral opgenomen in de grote leerfabriek.
Concluderend mogen we stellen dat Oisterwijk al in de 19de eeuw aanleg toonde
voor nijverheid. Het wegvallen van de textielindustrie en de diverse landbouwcrises
gaven Oisterwijk een landloos en arm proletariaat, dat bereid was tegen lage
lonen in de nijverheid te gaan werken. Vooral de lederindustrie en later ook
de sigarenindustrie boden een prima mogelijkheid om dat 'agrarisch overschot',
ontstaan door bevolkingsgroei, op te nemen. Beide industrietakken groeiden
in het behandelde tijdvak. We zullen nu ingaan op de sociale omstandigheden
van dat proletariaat rond 1900.
VAN HUISNIJVERHEID NAAR FABRIEKSINDUSTRIE
We hebben gezien
dat de landbouw en de (kleine) veeteelt niet in staat bleken de Oisterwijkse
bevolkingstoename te absorberen: de agrarische sector was 'vol'.
Huisnijverheid bleek een mogelijkheid om toch aan een volwaardig inkomen te
geraken. In Oisterwijk betrof dit vooral de schoen- en ledernijverheid.
Veel sociaal-historici zien in dit fenomeen van de huisindustrie de voorfase
van de echte industrialisatie. Men spreekt dan ook wel van porto-industrialisatie.
Kooplieden zouden uiteindelijk overal de huiswerkers bijeenbrengen in fabrieken
en werkplaatsen. Toch gaat dit verhaal voor Noord-Brabant niet altijd op. Zo
verdween uit Eindhoven en Helmond de vlas- en linnennijverheid zonder dat deze
door fabrieksindustrie werd opgevolgd. Soms bleef huisarbeid gewoon bestaan
naast de fabrieken en soms stimuleerde fabrieksindustrie de huisindustrie.
In het laatste geval kunnen we aan Oisterwijk denken: het succes van De Huifkar
stimuleerde de opkomst van thuiswerkende sigarenmakers (29).
Ondanks de vele afwijkende voorbeelden mogen we voor Oisterwijk toch wel aannemen
dat de huisindustrie aan de fabrieksindustrie voorafging. De opkomst van de
schoenfabrieken resulteerde in een onmiddellijke afname van de schoenmakerijen.
Ook weten we dat Oisterwijkse huisarbeiders geworven werden voor de fabrieken,
zij het niet altijd even succesvol.
Gedurende de 19de eeuw maakte Oisterwijk een proletarisering door. Vooral na
1890 ontstond een situatie waarin de positie van de (huis-)arbeiders nauwelijks
meer kon verbeteren (30). Met de groei van de ledernijverheid en de komst van
de sigarenfabrieken zag Oisterwijk de groep groeien die onder het bestaansminimum
moest leven. De uitbetaalde lonen waren zo laag dat geen ondernemer er over
peinsde te mechaniseren (31). Voor de patroon bleek het uiterst voordelig om
met thuiswerkers te werken. De schoenmakers haalden iedere week het 'tuig'
bij hun baas. Op zaterdag togen zij naar de werkwinkel van de patroon waar
de schoenen kant en klaar werden afgeleverd (32).
De overgang van huisindustrie naar fabrieksindustrie verliep niet zonder problemen.
Het was niet eenvoudig om in agrarische streken een fabriek te openen. Thuiswerkers
voelden er niet veel voor, zij waren niet zomaar bereid hun betrekkelijke vrijheid
in te ruilen voor dwangmatige arbeid achter gesloten deuren (33). De fabrikanten
dienden hun arbeiders de fabrieken in te lokken. In de jaren '80 en '90 trokken
vertegenwoordigers van patroons uit de Langstraat naar Oisterwijk. Daar woonden
immers genoeg goedkope arbeidskrachten. Men trachtte de jonge arbeiders te
werven voor de schoenfabrieken. Veel mannen trokken weg richting Waalwijk en
Kaatsheuvel om hun geluk te beproeven. Vaak echter kwamen zij na enkele weken
met hangende pootjes terug. Zij gaven er de voorkeur aan om thuis op hun vertrouwde
kruk hun arbeid te verrichten (34).
Oisterwijkse fabrikanten stuitten op eenzelfde problematiek. De arbeiders,
niet gewend aan het strakke ritme van de fabrieksklok, bleken vaak niet binnen
te houden. Een populaire hobby in die dagen was het vangen van eekhoorns in
de bossen. Kreeg men daar zin in, dan togen de arbeiders zingend en wel de
fabriek uit (35). Ook werd de hengel nogal eens verkozen boven het sigarenmesje.
MAANDAGHOUDEN IN DE 19DE EEUW
Een andere gewoonte
die haar wortels had in de huisnijverheid, en in de eerste fabrieksjaren
gewoon bleef bestaan, was het 'maandaghouden'. Vooral onder schoen-
en sigarenmakers bleek dit een schier onuitroeibare traditie. In de huisindustrie
werkten de kleine patroons en de gezellen op maandag nooit. De maandag was
een verlengstuk van de zondag. De ochtend werd gebruikt om eens goed uit te
slapen. Dat was ook wel nodig: op de dag des Heren werd namelijk overvloedig
sterke drank geschonken en gedronken. Tegen de middag kwamen de vakgenoten
dan bijeen bij de smid of timmerman. Daar werd het materiaal weer in orde gebracht
voor de komende week. De schoenmakers deden alles zelf. Men huurde een slijpsteen
en daarmee werden op de eigen werkplaats de messen geslepen. Ook maakten zij
op maandagmiddag de paren af die op zaterdag niet gereed waren gekomen. Deze
maandagparen werden de 'verdomden' genoemd (36).
De drank kon nauwelijks buiten de fabriekspoort worden gehouden. Ook het maandaghouden
ging op de fabrieken gewoon door. Zeker tot aan de eerste wereldoorlog was
dit een noeste gewoonte. Arbeiders kwamen dan op maandagen niet opdagen. Sigarenmakers
stonden bekend als stevige drinkers. Kroegen waren er dan ook voldoende in
Oisterwijk. Sommige sigarenmakers begonnen zelf een kroeg. Die maandagmiddag
bleef op de fabriek lang speciaal. Arbeiders die wel kwamen kletsten wat, legden
een kaartje, of dronken een borreltje.
ARMOEDE
De armoede op de Brabantse
zandgronden was groot. Al eerder zagen we dat de boeren op coöperatieve
wijze de armoede trachtten tegen te gaan. De boerinnen zochten spelden (dennennaalden)
in de Oisterwijkse bossen. Men legde
deze onder de dieren als mest. Ook haalde men mest op bij de burgers. Hele
hopen lagen op straat te wachten om opgehaald te worden. In ruil mochten de
'mestleveranciers' enkele vierkante meters grond verbouwen op de betreffende
boerderij waaraan men de mest gaf. Meestal verbouwden de Oisterwijkers aardappelen
(37).
De sigarenmakers in Brabant behoorden eveneens tot de onderste maatschappelijke
laag. Toen Janus Boons, een oud-Oisterwijkse sigarenmaker, als vakbondsleider
door het zuiden trok, was hij meermalen vertwijfeld (38):
"Noch deze mannen, noch deze vrouwen spraken mij van levensgeluk; waarnemen
kon ik slechts het tegendeel. Ik heb ze gezien, die vrouwen en ook die spruiten
om de tafel, de vrouwen met een verschrompelde gelaatskleur en loomen tred, oogen
mat en moe, voorwerp van wanhoop en vertwijfeling, vermengd met die arme spruiten
in hunne menigvuldigheid een demonstratie van onuitsprekelijk leed, en tevens
een aanklacht tegen de daar bestaande toestanden".
Boons wist waarover hij sprak. Eerder, in 1919, werd hij gekozen als gemeenteraadslid
voor de SDAP. Veel plezier heeft hij daar beslist niet aan beleefd: als zoveel
andere Oisterwijkse socialisten werd hij 'gebroodroofd'. Daarna werd Janus
Boons hoofdbestuurslid voor de Nederlandse Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond.
De rooms-katholieke kerk wist ook niet veel uit te richten tegen de heersende
armoede. De priesters bestreden vooral de gevolgen. Zo organiseerde kapelaan
Huijbers drankbestrijdingtoneelstukken. Maar hij schroomde niet de niet-katholieke
arbeiders het leven zuur te maken. Een van zijn bezigheden was het broodroven
van niet-katholieke sigarenmakers (39).
GEDWONGEN WINKELNERING
Een van de meest tragische episoden uit de Oisterwijkse geschiedenis is zonder
meer die van de gedwongen winkelnering, ook wel winkeldwang genoemd. Winkeldwang
hangt direct samen met het einde van de huisnijverheid en de alom heersende
armoede. Alhoewel winkeldwang niet voorkwam in de Oisterwijkse sigarennijverheid
mogen we er toch niet omheen. Inzicht in gedwongen winkelnering geeft elementaire
inzichten in de sociale verhoudingen tussen arbeiders en werkgevers zoals die
in Oisterwijk leefden. Vooral de lederbewerkers waren hiervan afhankelijk.
Maar wat is nu eigenlijk winkeldwang?
Gedwongen winkelnering was de ongeschreven verplichting voor arbeiders om voor
een deel van hun loon inkopen te doen in een door de werkgever zelf (of door
familieleden) geëxploiteerde winkel (40). Het betrof hier meestal textiel-
of kruidenierswinkels. De arbeiders verkeerden in een bijzonder zwakke positie:
men kon van de patroon niet eisen dat deze hen in geld uitbetaalde. Winkeldwang
trad juist daar op waar een overgang plaatsvond van huisindustrie naar gemechaniseerde
industrie. In steden kwam dwang nauwelijks voor. De arbeidsverhoudingen op
het platteland waren nog zeer paternalistisch.
De winsten van de patroons waren tegen het einde van de eeuw steeds lager geworden
vanwege de moordende concurrentie in hun bedrijfstak (zie tabel 1, de enorme
opkomst van schoenmakerijen). Buitenlandse schoenen waren goedkoper en vaak
beter van kwaliteit. De patroons trachtten met hun winkels extra inkomsten
te verkrijgen. Tussen 1870 en 1890 schoten deze winkels als paddestoelen uit
de grond. De patroons compenseerden hun verliezen door de prijzen van de winkelartikelen
sterk te verhogen. Men verdedigde dit systeem door te stellen dat de arbeiders
nu minder geld in drank konden omzetten.
In de Meijerij hadden de werkgevers hun winkels verbonden aan hun werkplaats.
Meestal organiseerde de winkel ook de broodverkoop. De al eerder aangehaalde
'Drikske' van Beckhoven, burgemeester en leerlooier, had bijvoorbeeld zo'n
winkel. Hij verkocht kleding en kruideniersartikelen (41). De winkels waren
klein en onhygiënisch. Ze leken dan ook niet op echte winkels, het waren
meer stallen. Rond 1900 had Oisterwijk 23 patroons in de schoennijverheid.
Van hen dreven er 14 een winkel. Via vakorganisatie trachtten de arbeiders
onder deze druk vandaan te komen. Als reactie sloten de patroons zich nog hechter
aaneen. In 1910 richtten tien van hen een coöperatieve inkoopvereniging
op om de winkels overeind te houden. De volgende tabellen geven enkele cijfers
met betrekking tot de winkeldwang in Oisterwijk:
TABEL 3
GEMIDDELD BEDRAG DAT ARBEIDERS TIJDENS DE WINKELDWANG IN OISTERWIJK MEER BETAALDEN
IN DE WERKGEVERSWINKELS
| aantal arbeiders dat de winkel bezoekt | 234 |
| gemiddelde wekelijkse extra-uitgave | fl. 0,39 |
| totaal bedrag per jaar meer betaald (dan in vrije winkels) | fl. 4680,- |
| bedrag per arbeider meer besteed | fl. 20,- |
TABEL 4
GEDWONGEN WINKELNERING IN DE SCHOENINDUSTRIE IN OISTERWIJK IN 1910
| totaal aantal werkgevers | 23 |
| totaal aantal arbeiders | 375 |
| niet-betrokken werkgevers | 9 |
| niet-betrokken arbeiders | 141 |
| betrokken werkgevers | 14 |
| betrokken arbeiders | 234 |
BRON: A.Luysterburg, Gedwongen winkelnering in Noord-Brabant 1870-1920, in Economisch- en sociaal-historisch jaarboek, deel 37, Den Haag, 1974
Uit bovenstaande gegevens mogen we concluderen dat bijna 65% van de Oisterwijkse
arbeiders, werkzaam in de schoennijverheid, te kampen had met deze vorm van
uitbuiting. Gemiddeld betaalden zij 12% meer per gekochte eenheid dan andere
Oisterwijkers in 'vrije' winkels betaalden. Gedwongen winkelnering was de kurk
waarop de schoennijverheid dreef. Opheffing daarvan zou in veel gevallen onmiddellijke
sluiting van de betrokken bedrijven betekend hebben. Daarnaast was de ontslagangst
onder arbeiders erg groot. In de volksmond werden de slachtoffers wel 'beschuiteters'
genoemd (42). Structureel loste de winkeldwang niets op, de schoennijverheid
ging steeds verder achteruit.
Gedwongen winkelnering paste in het bestaande systeem van arbeidersuitbuiting:
men kende lage lonen, lange werkdagen, vaak slechte behuizing en geen arbeidsregeling.
Het weekloon van de Oisterwijkse schoenmaker schommelde tussen de twee en acht
gulden. Daarbij betaalde men gemiddeld fl. 1,35 aan huishuur (43). Als we dan
ook nog eens de hoge winkelprijzen in ogenschouw nemen resteert een treurig
beeld. Winkeldwang maakte de Oisterwijkse proletarisering op pijnlijke wijze
aanschouwelijk.
Na 1914 nam de gedwongen winkelnering snel af. Wettelijke maatregelen, economische
verbeteringen, politieke veranderingen en de invloed van de vakbeweging waren
hier debet aan. Uiteindelijk had vakorganisatie ook in Oisterwijk succes. In
het dorp sprekende vakbondsleiders hekelden steeds de winkeldwang. Zo sprak
op een mooie zondagmiddag, begin juni 1902, de anarchist A. van den Berg, in
Oisterwijk. Hij was door zijn politieke evenknie, Frits van Dartel, uitgenodigd
om te spreken voor sigarenmakers en lederbewerkers. Volgens De Sigarenmaker
waren er nogal wat schuldige patroons aanwezig in het publiek. Zij durfden
echter niet met Van den Berg in debat te gaan en zij verdwenen schoorvoetend
van de openluchtmeeting (44). Maar ook patroonsorganisaties zelf hekelden dit
fenomeen. Schuldige patroons werden door hen 'winkelheksen' genoemd (45).
Vakorganisatie van lederbewerkers werd lange tijd tegengehouden. Enkele vroege
pogingen liepen op niks uit. De pastoor verbood het bezoeken van vergaderingen.
Maar toch kon in 1907 aarzelend een lederbewerkersvakbond van de grond komen
met aanvankelijk 24 leden (46). De grootste patroons deden als eerste hun winkels
van de hand. Meestal vormde mechanisatie een alternatieve bron voor extra?inkomsten.
In 1917 was de winkeldwang voorgoed uit Brabant verdwenen. Zij kenmerkte de
crisismatige overgang van huisindustrie naar fabrieken.
DE ONTWIKKELING VAN DE SIGARENINDUSTRIE
In de jaren zeventig van de 19de eeuw kreeg Oisterwijk te maken met sigarennijverheid.
Deze bedrijfstak had binnen enkele decennia een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt.
In 1819 was de fabricage van sigaren in Nederland nog onbekend (47). Maar al
snel bleek productie meer dan rendabel. Ondernemers konden op een eenvoudige
manier rijk worden. De arbeiders rekruteerde men uit de armste lagen der bevolking.
Een van de eerste fabrieken werd opgericht in Kampen (1826) door een Duitser.
De sigarennijverheid breidde zich daarna snel uit over het land: Utrecht, Rotterdam,
Arnhem en Den Bosch (48). Vooral in de periode 1860-1880 expandeerde deze bedrijfstak.
Het succes van de Rotterdamse en Amsterdamse tabaksmarkten (met tabak uit
Oost-Indië) veroorzaakte deze bloei.
De groei was zo onstuimig dat er naast fabrieken ook thuiswerk ontstond. Sigarenmakers
werkten thuis voor een koopman, die hen de tabak leverde. Soms werkte men voor
zichzelf. Het beroep werd hoofdzakelijk door mannen uitgeoefend. Na het verbod
op de kinderarbeid (1874) werden ook vrouwen ingeschakeld. Zij hielden zich
meestal bezig met het strippen van de tabak: het ontnerven van de tabaksbladen.
Na een korte periode van stagnatie begon rond 1895 weer een periode van groei.
Rond deze tijd startte Hamers zijn onderneming in Oisterwijk.De keuze voor
Oisterwijk moet min of meer toevallig zijn geweest. Oisterwijk bezat natuurlijk
wel een traditie van huisnijverheid en bovendien was er een proletariaat dat
best voor lage lonen wilde werken. Ook persoonlijke factoren zullen een rol
hebben gespeeld: voor het zusje van Hamers werd een sanatorium gezocht in een
bosrijke omgeving en de familie Hamers had haar wortels in de omgeving (Udenhout).
De gunstige conjunctuur bevorderde de export van sigaren. Hamers zou zich vooral
op die export gaan richten. Tot 1918 kwamen Huifkar-sigaren nauwelijks op de
Nederlandse markt terecht. De winkeldwang trof de sigarennijverheid in Brabant,
met uitzondering van Oisterwijk, zwaar. In 1920 ontstond een echte CAO voor
de bedrijfstak, maar de tijden waren toen voor de sigarenmakers slecht. Hevige
concurrentie uit Duitsland en accijnsheffingen ondermijnden deze nijverheid.
De werkloosheid onder sigarenmakers nam toe en daarnaast ging de consument
steeds meer over op goedkope sigaren en sigaretten (49). Tot aan 1920 werkten
de meeste sigarenmakers boven de grote rivieren, daarna sloeg de balans door
naar het zuiden (50). Daar werd immers tegen veel lagere lonen geproduceerd,
wat voor ondernemers uiterst aantrekkelijk was.
Tijdens perioden van grote werkloosheid bloeide de huisindustrie weer op. Deze
'randbedrijven' produceerden zonder CAO. Zij brachten aldus zeer goedkope sigaren
op de markt. Voorbeelden hiervan in Oisterwijk waren onder andere: De Bakker,
Paijmans, Van Berkel, Graft, Horvers. Zij leerden bijna allemaal het vak op
De Huifkar. De kleine sigarenmakerijen hielden het meestal niet zo lang vol.
De kleine ondernemers hadden niet veel kennis omtrent de afzet en verkoop van
sigaren (51).
Toch daalden de prijzen van de sigaren door die randbedrijven sterk. De grote
fabrieken wilden via mechanisatie hun concurrentiepositie verbeteren. In het
zuiden konden zij rekenen op veel steun van de patroons. Hamers en De Bakker
schaarden zich echter achter de sigarenmakers (52). Dat was niet zo verwonderlijk
omdat Hamers zich toelegde op handwerk en De Bakker niet in machines kon investeren.
Beiden hadden geen belang bij mechanisatie. De tegenstanders van mechanisatie
formuleerden hun standpunt als volgt (53):
"Met de mechanisering gaat het net als met de bewapening. Het is een wedstrijd
naar een onbekend doel, de eindstreep bereikt men nimmer. De voorsprong die men
gisteren meende te hebben, wordt heden in een achterstand veranderd, doordat
de concurrent een nog meer volmaakte machine in bedrijf stelt".
Op 5 november kwam de mechanisatiewet tot stand. De aanschaf van nieuwe machines
werd aan banden gelegd. Maar toch kon de ingezette ontwikkeling niet gestuit
worden. Steeds minder ambachtelijke sigarenmakers en steeds meer fabrieksarbeiders
kwamen in het bedrijf. Het productieproces werd in delen uit elkaar gehaald.
Met De Huifkar ging het evenwel nog niet zo slecht. De firma kende tot aan
het begin van de jaren dertig een vrij constante groei, afgezien van het dieptepunt
in 1920. Toen kromp Hamers zijn personeel tijdelijk in vanwege de accijnsheffing.
Daarna nam hij aanvankelijk slechts katholieke sigarenmakers aan waardoor De
Sigarenmaker er vooral een antisocialistische actie in zag (54).
In de periode 1931-1935 ging de hele industrie steeds verder achteruit door
toenemende concurrentie. Ook de vraag naar goedkope sigaren deed Hamers geen
goed. De jaren dertig werden voor de fabriek zorgelijke jaren. De schulden
namen toe en Hamers trad uit zijn sociaal isolement om zorgelijke wandelingen
door het dorp te maken. Tijdens zo'n wandeling vertrouwde hij een kennis toe
dat hij aan de grond zat: "Ik ben een arm man!", zo constateerde
Hamers bitter (55). Huifkar?arbeiders begonnen weer voor zichzelf. Ook kon
men op de fabriek materiaal kopen (om de sigaren zelf te verkopen) of krijgen
(om de sigaren weer aan de fabriek te verkopen). Op De Huifkar werkte in die
tijd Januske Lammers. Hij was een chef die het werk van al die thuiswerkers
en thuisstripsters controleerde en hij deelde het dek uit (56).
Ondanks de teruggang van de sigarennijverheid bleef De Huifkar toch een fabriek
van betekenis voor Oisterwijk.Na de leerfabriek en de schoenfabrieken van Roosen-De
Bakker en Paijmans bleef De Huifkar Oisterwijk's vierde fabriek.
ONDERNEMEN IN DE SIGARENINDUSTRIE
De 18 jarige ondernemer, Alphonse Hamers, vestigde zich in 1894 aan De Lind
in Oisterwijk. De tabaksbranche was bij uitstek geschikt om snel rijk te worden
in die tijd. Enige bedrijfseconomische kennis was echter wel vereist. Hamers
had wat dat betreft een uitstekende opvoeding genoten aan het gymnasium van
Luik. Praktische tabakskennis deed hij op aan de proefvelden van de Hollandse
tabaksplantages. Deze plantages maakten stevige winsten die voorheen nog voor
een belangrijk deel in de vaderlandse schatkist terecht kwamen. Na de afbouw
van het 'Cultuurstelsel' vloeiden de in de kolonie gemaakte winsten bijna eenzijdig
naar de beurzen van de Nederlandse ondernemers (57).
Een ondernemer in sigaren had natuurlijk geld nodig. De behoefte aan vermogen
was afhankelijk van het gewenste beleid van de fabrikant. Hij kon een bedrijfsruimte
huren, maar ook kopen. Het productieproces stelde nauwelijks eisen aan de ruimte.
Ook kon de ondernemer besparen op de kosten door sigarenmakers thuis te laten
werken. Een ondernemer kon anno 1895 geen beroep doen op binnenlands kapitaal
van beleggers of banken. Deze waren nauwelijks geïnteresseerd in de nationale
industrie. Men investeerde liever in de Amerikaanse spoorwegen of in Russische
staatsobligaties. Er bestonden twee manieren om toch aan geld te komen: door
geld te lenen van de familie of door compagnons in de zaak te betrekken (58).
Deze laatste werden door advertenties zoals onderstaande aangetrokken (59):
"Compagnon: In de ruim 16 jaar bestaande sigarenfabriek wordt ter uitbreiding
een compagnon of commanditaire vennoot gevraagd, die 8 a 9 mille kan storten".
De bedragen varieerden van enkele duizenden tot fl. 50.000,-. Na 1916 nam de
populariteit van de industrie toe. Banken bleken toen bereid intensief te investeren
in het bedrijfsleven. Veel bedrijven werden in deze tijd om belastingtechnische
redenen een N.V., De Huifkar volgde dit voorbeeld in 1928.
De belangrijkste taak van de ondernemer was natuurlijk het inkopen van tabak.
Met de opkomst van de Indische tabakscultuur kwam de binnenlandse tabaksmarkt,
vooral na 1885, tot bloei. De arbeidsomstandigheden op de plantages waren verschrikkelijk.
De arbeiders, of koelies, werden als minder dan beesten behandeld. Binnen De
Huifkar was dit feit bekend. Bart van der Linden vertelde ons hoe onder sigarenmakers
de toestand van 'de Javaan' besproken werd (60). De tabak werd naar Nederland
verscheept en daar verkocht. Beroemd was de veiling van Frascati in Amsterdam
waar ook Hamers zijn tabak inkocht. Meestal kochten handelaren de tabak in
om die weer door te verkopen aan fabrikanten. Grote fabrikanten lieten hun
tabak rechtstreeks uit Indie overkomen.
De Huifkar was vooral gericht op export. Zowel de export als de daarbij behorende
promotie vergden veel tijd. Het management van de fabriek werd uitbesteed aan
een procuratiehouder. Eerste procuratiehouder op De Huifkar was Jan Rompel,
die de Franse taal (de taal van de zakenwereld) uitstekend beheerste. In 1923
werd hij opgevolgd door Petrus van Zon. Enkele handelsreizigers vertegenwoordigden
de firma in het buitenland. Deze opzet bleek te slagen tot de jaren dertig.
Helaas konden we niet beschikken over een bedrijfsarchief waardoor inzichten
in de financiële ontwikkeling van De Huifkar onvolledig blijven. Tot 1898
werkte Hamers met thuiswerkers. Van de winsten werd eind 1898 de eerste fabriek
gekocht. De bedrijfstak leende zich voor interne financiering dat wil zeggen
de ondernemer kon klein beginnen om daarna snel uit te breiden. Nieuwe uitbreidingen
volgden in 1917 en 1926. De late jaren twintig waren voor Hamers de meest succesvolle
jaren. Tien jaar later was hij een "arm man".
De Huifkar mechaniseerde nooit. Toch was er sprake van een rationele bedrijfsvoering.
Arbeidsbesparende investeringen waren niet noodzakelijk. Het arbeidsaanbod
zette het loonpeil onder druk en daarnaast waren machines niet in staat kwalitatief
hoogwaardige sigaren te maken. Hamers was primair een koopman die grondstof
distribueerde aan sigarenmakers. Deze werkten relatief zelfstandig in de fabriek
onder toezicht van een meesterknecht. De fabriek nam de sigaren via een stukprijs
weer van de sigarenmakers af. De Huifkar was dan ook geen fabriek in de eigenlijke
zin van het woord maar een manufactuur of een werkplaatsfabriek. Hamers was
een koopmanondernemer in plaats van een echte fabrikant. Hieruit moeten we
het gegeven verklaren dat Hamers zelden of nooit in contact kwam met de sigarenmakers
en niet veel moest hebben van arbeidsovereenkomsten. Hamers en Co was een typisch
overgangsbedrijf tussen koopmanschap en industrieelondernemerschap (61).
| info@siebethissen.net | - | - | - |