Index of /Marginalia/1988 De Huifkar/Hoofdstuk 1

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
Hoofdstuk 1.pdf   13.03.2004 85kB -

1988

HOOFDSTUK 1

EEN NIJVERHEIDSGEMEENSCHAP OP HET PLATTELAND: OISTERWIJK 1860-1940


INLEIDING: NIJVERHEID IN OISTERWIJK

Sigarenfabrieken kwamen niet zomaar uit de lucht vallen. Fabrikanten zochten welbewust naar geschikte locaties. In dit hoofdstuk zullen we trachten aan te tonen dat Oisterwijk voldoende mogelijkheden bood voor industriele ontwikkeling. Noodzakelijk is het daarvoor om terug te gaan naar de periode voor de sigarenindustrie.
In de 19de eeuw was Oisterwijk geen echt agrarisch dorp meer. Sinds de middeleeuwen zorgde de nijverheid voor een aanzienlijk deel van de inkomsten. Maar deze middeleeuwse nijverheid raakte in verval. Tussen de 16de en de 19de eeuw ging het Oisterwijk bepaald niet voor de wind. Het sociaal-economische klimaat was uiterst beroerd. Daarnaast teisterden ziekten en roversbenden het dorp, dat haar inwonerstal zag teruglopen tot 1650 in 1815.
Traditioneel bezat Oisterwijk een lakennijverheid. Deze textielindustrie werd aangevuld door de ververij van de gebroeders Arnold en Wouter Holleman. Zij vervaardigden garancine, een rode kleurstof onttrokken aan de meekrapplant (1). Hun fabriek bood ook werk aan diverse wevers. Echter de opkomst van Tilburg als textielcentrum van Noord-Brabant bleek funest voor de Oisterwijkse textielnijverheid. Zowel de laken- als vlasnijverheid werden vernietigd. Rond 1870 bleek de textielindustrie geheel uit Oisterwijk verdwenen (2).
In de loop van de 19de eeuw trad er weer bevolkingsgroei op in Brabant. Tussen 1810 en 1912 nam het aantal inwoners in Oisterwijk toe van 1622 tot 3672 (3). Aanvankelijk floreerde de landbouw, en de handel met omringende plaatsen kon uitgebreid worden. De oude zandwegen maakten plaats voor verharde wegen: dit kwam het transport natuurlijk ten goede. Lang had Oisterwijk twee gemeentewerkers in dienst wier taak vooral bestond uit het dichten van karresporen in het zand. De verharding trad allereerst westwaarts op: richting Udenhout, Berkel Enschot en Tilburg. Naar het schijnt werd per politieverordening bepaald dat aanwonenden elke zaterdag de verharde weg dienden aan te vegen (4). De aanleg van de spoorlijn (Boxtel-Tilburg) en de bouw van het Oisterwijkse station stimuleerden natuurlijk eveneens de ontsluiting van het dorp (5).
De bevolkingstoename zette zich door. Deze groei kon echter niet helemaal worden opgevangen door de agrarische sector. Het grondbezit in de Meijerij was al sterk versnipperd waardoor steeds verdergaande herverdeling van grond onmogelijk werd (6). Ontginningen werden voorlopig nog niet uitgevoerd. Veel Oisterwijkse arbeidskrachten konden niet meer in de landbouw worden ingezet. Daarbij zorgden misoogsten (veroorzaakt door de aardappelziekte rond 1850) en economische crises (door de import van goedkoop Amerikaans graan in het laatste kwart van de 19de eeuw) voor een teruggang van de landbouw. In Oisterwijk sloten een twintigtal boeren zich aaneen binnen de coöperatieve roomboterfabriek 'De Boterbloem' om de malaise te keren. De fabriek betaalde de boeren vier centen voor een liter melk, dat was meer dan de boeren er bij zelf boteren aan konden verdienen. Soms werd er met de boter geknoeid. De boeren reageerden eerlijk: "Ge bent misschien niet zo braaf als ge arm bent" (7).
De nijverheid bleek opnieuw een aanvullende bron van inkomsten te zijn. Een opkomende nijverheid van belang was de ledernijverheid: het schoenmaken en het looien van leer. Daarnaast maakten de Brabanders kennis met de sigarenindustrie.

DE SCHOENMAKERIJEN

Om een extra inkomen te verdienen maakten boerenfamilies thuis schoeisel. Dagloners zonder werk en landloze boerenzonen specialiseerden zich in die ledernijverheid. Van oudsher had bijna iedere gemeente wel een schoenmaker. In 1815 bestonden er slechts 13 kleine dorpen in Brabant waar geen schoenmaker gevestigd was (8). De schoenmakers hadden, zoals gezegd, nog duidelijk banden met het agrarisch bestaan. In het laatste kwart van de 19de eeuw maakten Oisterwijkse schoenmakers soms wel zes paar schoenen per week. Meestal werden de paren voor een gulden verkocht. De schoenen raakte men echter niet altijd kwijt. Het schoenmakersgezin hield daarom vaak een varken, een geit, kippen en konijnen om hierop in tijden van nood terug te kunnen vallen (9).
De schoenmakers vervaardigden schoenen op maat of ze verkochten tweedehands paren aan hen die onvoldoende geld hadden. Gewoonlijk was er in een dorp een schoenmaker (confectie- en maatwerk) en een schoenlapper (reparatie). Vaak werden beide ambachten door een en dezelfde persoon uitgeoefend.
Tussen 1850 en 1900 steeg het aantal schoenmakers en -lappers sterk. De vraag nam toe door de bevolkingstoename en door de vele oorlogen die om schoenen vroegen voor het leger. In 1912 bleek al meer dan 70% van de schoenproductie in Noord-Brabant plaats te vinden. Vooral centraal Noord-Brabant specialiseerde zich in schoenen. De beroepsgroep bleek relatief veel vrouwen op te nemen. Over het algemeen deden gehuwde vrouwen thuiswerk en ongehuwden fabriekswerk (10). Bijna alle arbeiders in de ledernijverheid in Oisterwijk bleken van Oisterwijkse komaf (11).
Tabel 1 geeft een overzicht van het aantal schoenmakers en -makerijen in Oisterwijk tussen 1860 en 1910:

TABEL 1
AANTAL SCHOENMAKERS (I), SCHOENMAKERIJEN (II) EN JONGENS OF LEERLING-SCHOENMAKERS WERKZAAM VOOR SCHOENMAKERS (III) IN OISTERWIJK 1860-1910

jaar I II III
1860 28 4 10
1866 39 7 6
1871 43 8 8
1876 271 15 100
1880 241 48 38
1885 260 60 40
1890 260 60 50
1895 270 60 40
1900 307 15 (3)* 45
1905 346 18 (4) 24
1910 347 20 (5) 22

* tussen de haakjes staan het aantal bedrijven aangegeven waar 20 of meer arbeiders werkzaam waren. Het bedrijf kan hier zowel een manufactuur (werkplaats) als een fabriek (gemechaniseerd) zijn.

BRON: C.A. Mandemakers, De ontwikkeling van de factor arbeid binnen de Nederlandse schoennijverheid, 1860-1910, in Jaarboek voor de geschiedenis van bedrijf en techniek 2, Rotterdam, 1985, pp.124-126

De tabel toont duidelijk aan hoe sterk de schoenindustrie in Oisterwijk expandeerde. De daling van het aantal schoenmakerijen rond 1900 was het gevolg van de opkomst van de fabrieken. Het aantal arbeiders werkzaam in de ledernijverheid groeide toen nog steeds. De stijging zette zich door tot de jaren dertig. Mechanisatie werd pas laat ingezet. Schoenindustrie was aanvankelijk huisindustrie. De arbeiders waren bereid om te werken voor een laag loon en derhalve was mechanisatie voor de patroon voorlopig niet nodig. Daarnaast werd de komst van de mechanisatie uitgesteld door de gedwongen winkelnering. We komen daar later nog op terug. Rond 1900 kwamen dan toch de eerste fabrieken op. De eerste aanvraag voor een schoenfabriek werd in 1899 door J.P. van Arendonk gedaan. Het betrof hier een combinatie looierij-schoenfabriek. In 1904 diende J.A. Mels een verzoek in voor de oprichting van een schoenfabriek. In 1911 vroeg J. van der Eerd toestemming voor de uitbreiding van de schoenmakerij van J. Paijmans. De firma Van de Wiel mechaniseerde als eerste. Velen volgden zijn voorbeeld (12).
Het succes van de schoenfabricage was vooral te danken aan deze mechanisatie. Dit resulteerde in een productiviteitsstijging van zo'n 30% per volwassen schoenmaker. In deze toenemende productiviteit lag de voornaamste oorzaak voor de afname van het aantal schoenmakers in Brabant (13). Voor Oisterwijk gold dit voorlopig nog niet. De schoenfabrieken boden nog jaren plaats aan veel arbeiders. Bij PASO ( NV Paijmans schoenfabrieken) werkten in 1930 al 310 arbeiders, Roosen-De Bakker telde in datzelfde jaar bijna 200 werknemers en de firma Larsen (Stoomschoenfabriek La Hollande) had in 1927 meer dan 100 arbeiders in dienst (14). De oprichting van een Oisterwijkse vakschool voor schoenmakers in het begin van deze eeuw was zeker geen overbodige luxe. De schoenindustrie vroeg steeds meer om effectieve kennis en scholing.

DE LOOINIJVERHEID

Naast de schoenindustrie bood ook de looinijverheid een bron van bestaan. De looiers werkten gewoonlijk voor de eigen regio (15). Oisterwijk bood de looiers nogal wat mogelijkheden. In het zachte, stromende water van de kleine riviertjes spanden de looiers hun huiden die gespoeld en geweekt dienden te worden. Ook stond aan de stroom een molen die eikenschors vermaalde tot 'run': de looistof, noodzakelijk om huiden in leer te veranderen (16). Run werd vooral door boeren bijeengespaard. De productie van leder was een zaak van kleine familiebedrijfjes. Vaders leerden hun zonen het looiproces. Bekende looiers in die dagen waren Kluijtmans, Koolen, Van Haren, De Jong, Wemmers, Van der Linden, Verhagen, Blomjous en Canters. Oisterwijk telde in de jaren zeventig van de vorige eeuw meer dan 30 looierijen. Tussen 1871 en 1878 werden er in de Voorste Stroom zo'n 46.000 huiden gespannen. Wethouder en looier, Christ Kluijtmans, las dagelijks een Antwerpse krant om op de hoogte te blijven van de laatste ontwikkelingen in de looinijverheid (17). Aan de Vloeiweg in Oisterwijk staan nog enkele looiershuisjes.
Bestond de scheiding schoenmaker-leerlooier aanvankelijk nauwelijks, in de loop van de 19de eeuw specialiseerden beide beroepsgroepen zich meer en meer. Families die al sinds 1800 werkzaam waren in de looinijverheid bouwden een flinke ervaring op. Rond 1900 hadden al deze oude families de leiding in de Oisterwijkse ledernijverheid. We denken aan families zoals Berkelmans, Van de Wiel, Canters en Van Iersel (18). Zij vervulden ook belangrijke posities in het openbare leven. In 1900 was Hendrik ('Drikske') van Beckhoven naast looier ook burgemeester. Samen met zijn broer werkte hij thuis aan de productie van leder (19).
De Oisterwijkse kleine looinijverheid nam snel af. Internationaal raakten nieuwe en chemische looistoffen in opmars (20). In Oisterwijk bleef men ambachtelijk met run werken (21). Mechanisatie en de invloed van chemie leidde tot schaalvergroting. In Duitsland ontstonden rond 1900 de eerste monsterbedrijven waarbinnen de kostprijs van leer gehalveerd kon worden. Naar Duits voorbeeld startte C.J. van der Aa in 1916 in Oisterwijk de N.V. Lederfabriek Oisterwijk. Het bedrijf werd in 1920 overgenomen door het concern Adler & Oppenheimer via de in 1906 opgerichte Amsterdamsche Ledermaatschappij (22). De komst van deze grote fabriek bespoedigde de ondergang van de kleine looierijen. Telde de fabriek in 1918 zo'n 80 arbeiders, in 1930 draaide de fabriek al met meer dan 850 arbeiders (23).
De huisarbeiders en de eerste fabrieksarbeiders hadden het rond de eeuwwisseling slecht. De gedwongen winkelnering en de extreem lage lonen zorgden voor armoede. Sommige onderzoekers achtten het merkwaardig dat er juist in Oisterwijk geen klassenstrijd tussen patroons en arbeiders losbarstte. Zij zagen de oorzaak gelegen in het feit dat zowel de patroons als de arbeiders hetzelfde dialect spraken en aan dezelfde armoede gewend waren (24). Dit was echter slechts ten dele waar. Winkeldwang stimuleerde de verpaupering, en angst voor ontslag stond massaal protest in de weg (25).

DE SIGARENNIJVERHEID

Een derde nijverheid van belang was de sigarenindustrie. Deze nijverheid vestigde zich in Oisterwijk in de jaren zeventig van de vorige eeuw. De gebroeders J. De Kuijper en H. De Kuijper startten hun bedrijfje "aan het Linde-eijnd". Men produceerde het merk 'DK' (De Kuijper) (26). In 1894 vestigde Alphonse Hamers zich in Oisterwijk. Hij nam de villa van Holleman aan De Lind over en begon zijn bedrijf De Huifkar. Zowel De Kuijper als Hamers werkten aanvankelijk met thuiswerkers. Van de eerste winsten werden fabrieken opgezet. Hamers ging rond 1899 over op fabrieksmatige produktie van sigaren. Tot aan zijn dood in 1952 bleef De Huifkar kwaliteitssigaren produceren voor de nationale en internationale markt. De sigarenmakers waren in tegenstelling tot de lederbewerkers niet van Oisterwijkse afkomst.
Geleidelijk vestigde het sigarenmaken zich op Oisterwijkse bodem. In 1912 was al zo'n 6% van de beroepsbevolking werkzaam in de sigarenindustrie (27). De nijverheid bood ook mogelijkheden in tijden van slapte. Op eenvoudige wijze konden sigarenmakers thuis bedrijfjes starten. De investeringskosten waren laag (men hoefde slechts tabak in te kopen) en de sigaren kwamen goedkoop op de markt (men werkte thuis immers zonder CAO). Hierdoor konden kleine fabriekjes, met zelden meer dan 5 arbeiders, soms redelijk succesvol draaien. De geproduceerde thuissigaren, in Oisterwijk wel "eenheidssigaren" genoemd, werden locaal verkocht.
Vooral De Huifkar zou aan veel sigarenmakers werk bieden. Ook andere arbeiders waren nodig op de fabriek, denk aan stripsters en ringsters. In toptijden kon Hamers twee- tot driehonderd arbeiders inzetten. Kleine fabriekjes waren meestal een kort leven beschoren.
Hamers mechaniseerde zijn fabriek nooit in tegenstelling tot de schoenfabrikanten. Handwerk bleek kwalitatief betere sigaren op te leveren. Mechanisch of halfmechanisch geproduceerde sigaren waren slechts winstgevend als het ging om goedkope modellen. De Huifkar moest het vooral hebben van duurdere modellen. Daar de mechanisatie uitbleef was Hamers eigenlijk een koopman?fabrikeur in plaats van fabrikant.

EENZIJDIGE INDUSTRIALISATIE

Oisterwijk groeide in de jaren twintig en dertig uit tot een industrieplaats op het platteland. In 1920 kende het dorp de volgende vrij eenzijdige industrie:

TABEL 2
STAAT DER FABRIEKEN IN OISTERWIJK IN 1920

fabrieken eigenaars aantal arbeiders*
    I II III IV
bierbrouwerij De Kroon 2 ? ? ?
worstfabriek Voskens 2 ? ? ?
leerlooierij Canters ? ? ? ?
idem NV O'wijk 84 ? 12 ?
idem Kuijpers 20 ? 2 ?
idem Oonincx ? ? ? ?
idem V.d.Linden 3 ? ? ?
looierij/schoenfabriek V.d.Wiel 28 3 2 ?
idem Berkelmans 19 2 3 2
idem Van Iersel 5 2 ? ?
schoenfabriek V.d.Linden/Piggen/V.d.Beule & Co 22 2 10 8
idem Paijmans 18 3 2 ?
idem Nouwens 9 1 1 ?
idem Janssens 10 2 1 ?
idem Koolen 18 ? 1 4
idem Larsen 8 1 2 1
idem V.d. Heijden 24 3 3 4
idem NV N-Brabant ? ? ? ?
idem Van Baast 7 2 1 ?
idem Roosen 23 12 17 10
sigarenfabriek Hamers & Co 29 ? 1 2
steenfabriek De Jong 10 ? ? ?

* Het aantal arbeiders is onderverdeeld in volwassen mannen (I), volwassen vrouwen (II), jongens onder de 17 jaar (III) en meisjes onder de 17 jaar (IV).

BRON:H. van Velthoven, Noord-Brabant op weg naar groei en welvaart, 1850-1920, Nijmegen, 1963, p.64

Burgemeester Verwiel schreef in 1933 een artikel voor 'Ons Nederland'. Hierin trad hij op als promotor van Oisterwijk. Hij benadrukte juist het nijverheidsaspect van het dorp (28):
"Merkwaardig is echter, dat de industrie en toerisme, welke elkaar als regel niet al te best verdragen en daarom zoo vaak als antipoden beschouwd worden, in Oisterwijk op een gelukkige wijze harmonieeren ... De oude huisindustrie heeft in deze eeuw van mechanisatie nieuwe wegen ingeslagen en is uitgegroeid tot een fabrieksindustrie van beteekenis".
De schoen-, de leer- en de sigarenindustrie maakten in de crisisjaren zware tijden door. Na de oorlog kwamen zij er duidelijk niet meer bovenop. Veel looierijen en schoenfabrieken werden in de jaren vijftig opgedoekt. Met de dood van Hamers in 1952 kwam ook het definitieve einde aan De Huifkarfabriek. Het wegvallen van deze nijverheid werd grotendeels opgevangen door de toeristisch-recreatieve functie van Oisterwijk. De arbeiders uit de bijna verdwenen sigarennijverheid werden vooral opgenomen in de grote leerfabriek.
Concluderend mogen we stellen dat Oisterwijk al in de 19de eeuw aanleg toonde voor nijverheid. Het wegvallen van de textielindustrie en de diverse landbouwcrises gaven Oisterwijk een landloos en arm proletariaat, dat bereid was tegen lage lonen in de nijverheid te gaan werken. Vooral de lederindustrie en later ook de sigarenindustrie boden een prima mogelijkheid om dat 'agrarisch overschot', ontstaan door bevolkingsgroei, op te nemen. Beide industrietakken groeiden in het behandelde tijdvak. We zullen nu ingaan op de sociale omstandigheden van dat proletariaat rond 1900.

VAN HUISNIJVERHEID NAAR FABRIEKSINDUSTRIE

We hebben gezien dat de landbouw en de (kleine) veeteelt niet in staat bleken de Oisterwijkse bevolkingstoename te absorberen: de agrarische sector was 'vol'. Huisnijverheid bleek een mogelijkheid om toch aan een volwaardig inkomen te geraken. In Oisterwijk betrof dit vooral de schoen- en ledernijverheid.
Veel sociaal-historici zien in dit fenomeen van de huisindustrie de voorfase van de echte industrialisatie. Men spreekt dan ook wel van porto-industrialisatie. Kooplieden zouden uiteindelijk overal de huiswerkers bijeenbrengen in fabrieken en werkplaatsen. Toch gaat dit verhaal voor Noord-Brabant niet altijd op. Zo verdween uit Eindhoven en Helmond de vlas- en linnennijverheid zonder dat deze door fabrieksindustrie werd opgevolgd. Soms bleef huisarbeid gewoon bestaan naast de fabrieken en soms stimuleerde fabrieksindustrie de huisindustrie. In het laatste geval kunnen we aan Oisterwijk denken: het succes van De Huifkar stimuleerde de opkomst van thuiswerkende sigarenmakers (29).
Ondanks de vele afwijkende voorbeelden mogen we voor Oisterwijk toch wel aannemen dat de huisindustrie aan de fabrieksindustrie voorafging. De opkomst van de schoenfabrieken resulteerde in een onmiddellijke afname van de schoenmakerijen. Ook weten we dat Oisterwijkse huisarbeiders geworven werden voor de fabrieken, zij het niet altijd even succesvol.
Gedurende de 19de eeuw maakte Oisterwijk een proletarisering door. Vooral na 1890 ontstond een situatie waarin de positie van de (huis-)arbeiders nauwelijks meer kon verbeteren (30). Met de groei van de ledernijverheid en de komst van de sigarenfabrieken zag Oisterwijk de groep groeien die onder het bestaansminimum moest leven. De uitbetaalde lonen waren zo laag dat geen ondernemer er over peinsde te mechaniseren (31). Voor de patroon bleek het uiterst voordelig om met thuiswerkers te werken. De schoenmakers haalden iedere week het 'tuig' bij hun baas. Op zaterdag togen zij naar de werkwinkel van de patroon waar de schoenen kant en klaar werden afgeleverd (32).
De overgang van huisindustrie naar fabrieksindustrie verliep niet zonder problemen. Het was niet eenvoudig om in agrarische streken een fabriek te openen. Thuiswerkers voelden er niet veel voor, zij waren niet zomaar bereid hun betrekkelijke vrijheid in te ruilen voor dwangmatige arbeid achter gesloten deuren (33). De fabrikanten dienden hun arbeiders de fabrieken in te lokken. In de jaren '80 en '90 trokken vertegenwoordigers van patroons uit de Langstraat naar Oisterwijk. Daar woonden immers genoeg goedkope arbeidskrachten. Men trachtte de jonge arbeiders te werven voor de schoenfabrieken. Veel mannen trokken weg richting Waalwijk en Kaatsheuvel om hun geluk te beproeven. Vaak echter kwamen zij na enkele weken met hangende pootjes terug. Zij gaven er de voorkeur aan om thuis op hun vertrouwde kruk hun arbeid te verrichten (34).
Oisterwijkse fabrikanten stuitten op eenzelfde problematiek. De arbeiders, niet gewend aan het strakke ritme van de fabrieksklok, bleken vaak niet binnen te houden. Een populaire hobby in die dagen was het vangen van eekhoorns in de bossen. Kreeg men daar zin in, dan togen de arbeiders zingend en wel de fabriek uit (35). Ook werd de hengel nogal eens verkozen boven het sigarenmesje.

MAANDAGHOUDEN IN DE 19DE EEUW

Een andere gewoonte die haar wortels had in de huisnijverheid, en in de eerste fabrieksjaren gewoon bleef bestaan, was het 'maandaghouden'. Vooral onder schoen- en sigarenmakers bleek dit een schier onuitroeibare traditie. In de huisindustrie werkten de kleine patroons en de gezellen op maandag nooit. De maandag was een verlengstuk van de zondag. De ochtend werd gebruikt om eens goed uit te slapen. Dat was ook wel nodig: op de dag des Heren werd namelijk overvloedig sterke drank geschonken en gedronken. Tegen de middag kwamen de vakgenoten dan bijeen bij de smid of timmerman. Daar werd het materiaal weer in orde gebracht voor de komende week. De schoenmakers deden alles zelf. Men huurde een slijpsteen en daarmee werden op de eigen werkplaats de messen geslepen. Ook maakten zij op maandagmiddag de paren af die op zaterdag niet gereed waren gekomen. Deze maandagparen werden de 'verdomden' genoemd (36).
De drank kon nauwelijks buiten de fabriekspoort worden gehouden. Ook het maandaghouden ging op de fabrieken gewoon door. Zeker tot aan de eerste wereldoorlog was dit een noeste gewoonte. Arbeiders kwamen dan op maandagen niet opdagen. Sigarenmakers stonden bekend als stevige drinkers. Kroegen waren er dan ook voldoende in Oisterwijk. Sommige sigarenmakers begonnen zelf een kroeg. Die maandagmiddag bleef op de fabriek lang speciaal. Arbeiders die wel kwamen kletsten wat, legden een kaartje, of dronken een borreltje.

ARMOEDE

De armoede op de Brabantse zandgronden was groot. Al eerder zagen we dat de boeren op coöperatieve wijze de armoede trachtten tegen te gaan. De boerinnen zochten spelden (dennennaalden) in de Oisterwijkse bossen. Men legde deze onder de dieren als mest. Ook haalde men mest op bij de burgers. Hele hopen lagen op straat te wachten om opgehaald te worden. In ruil mochten de 'mestleveranciers' enkele vierkante meters grond verbouwen op de betreffende boerderij waaraan men de mest gaf. Meestal verbouwden de Oisterwijkers aardappelen (37).
De sigarenmakers in Brabant behoorden eveneens tot de onderste maatschappelijke laag. Toen Janus Boons, een oud-Oisterwijkse sigarenmaker, als vakbondsleider door het zuiden trok, was hij meermalen vertwijfeld (38):
"Noch deze mannen, noch deze vrouwen spraken mij van levensgeluk; waarnemen kon ik slechts het tegendeel. Ik heb ze gezien, die vrouwen en ook die spruiten om de tafel, de vrouwen met een verschrompelde gelaatskleur en loomen tred, oogen mat en moe, voorwerp van wanhoop en vertwijfeling, vermengd met die arme spruiten in hunne menigvuldigheid een demonstratie van onuitsprekelijk leed, en tevens een aanklacht tegen de daar bestaande toestanden".
Boons wist waarover hij sprak. Eerder, in 1919, werd hij gekozen als gemeenteraadslid voor de SDAP. Veel plezier heeft hij daar beslist niet aan beleefd: als zoveel andere Oisterwijkse socialisten werd hij 'gebroodroofd'. Daarna werd Janus Boons hoofdbestuurslid voor de Nederlandse Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond.
De rooms-katholieke kerk wist ook niet veel uit te richten tegen de heersende armoede. De priesters bestreden vooral de gevolgen. Zo organiseerde kapelaan Huijbers drankbestrijdingtoneelstukken. Maar hij schroomde niet de niet-katholieke arbeiders het leven zuur te maken. Een van zijn bezigheden was het broodroven van niet-katholieke sigarenmakers (39).

GEDWONGEN WINKELNERING

Een van de meest tragische episoden uit de Oisterwijkse geschiedenis is zonder meer die van de gedwongen winkelnering, ook wel winkeldwang genoemd. Winkeldwang hangt direct samen met het einde van de huisnijverheid en de alom heersende armoede. Alhoewel winkeldwang niet voorkwam in de Oisterwijkse sigarennijverheid mogen we er toch niet omheen. Inzicht in gedwongen winkelnering geeft elementaire inzichten in de sociale verhoudingen tussen arbeiders en werkgevers zoals die in Oisterwijk leefden. Vooral de lederbewerkers waren hiervan afhankelijk. Maar wat is nu eigenlijk winkeldwang?
Gedwongen winkelnering was de ongeschreven verplichting voor arbeiders om voor een deel van hun loon inkopen te doen in een door de werkgever zelf (of door familieleden) geëxploiteerde winkel (40). Het betrof hier meestal textiel- of kruidenierswinkels. De arbeiders verkeerden in een bijzonder zwakke positie: men kon van de patroon niet eisen dat deze hen in geld uitbetaalde. Winkeldwang trad juist daar op waar een overgang plaatsvond van huisindustrie naar gemechaniseerde industrie. In steden kwam dwang nauwelijks voor. De arbeidsverhoudingen op het platteland waren nog zeer paternalistisch.
De winsten van de patroons waren tegen het einde van de eeuw steeds lager geworden vanwege de moordende concurrentie in hun bedrijfstak (zie tabel 1, de enorme opkomst van schoenmakerijen). Buitenlandse schoenen waren goedkoper en vaak beter van kwaliteit. De patroons trachtten met hun winkels extra inkomsten te verkrijgen. Tussen 1870 en 1890 schoten deze winkels als paddestoelen uit de grond. De patroons compenseerden hun verliezen door de prijzen van de winkelartikelen sterk te verhogen. Men verdedigde dit systeem door te stellen dat de arbeiders nu minder geld in drank konden omzetten.
In de Meijerij hadden de werkgevers hun winkels verbonden aan hun werkplaats. Meestal organiseerde de winkel ook de broodverkoop. De al eerder aangehaalde 'Drikske' van Beckhoven, burgemeester en leerlooier, had bijvoorbeeld zo'n winkel. Hij verkocht kleding en kruideniersartikelen (41). De winkels waren klein en onhygiënisch. Ze leken dan ook niet op echte winkels, het waren meer stallen. Rond 1900 had Oisterwijk 23 patroons in de schoennijverheid. Van hen dreven er 14 een winkel. Via vakorganisatie trachtten de arbeiders onder deze druk vandaan te komen. Als reactie sloten de patroons zich nog hechter aaneen. In 1910 richtten tien van hen een coöperatieve inkoopvereniging op om de winkels overeind te houden. De volgende tabellen geven enkele cijfers met betrekking tot de winkeldwang in Oisterwijk:

TABEL 3
GEMIDDELD BEDRAG DAT ARBEIDERS TIJDENS DE WINKELDWANG IN OISTERWIJK MEER BETAALDEN IN DE WERKGEVERSWINKELS

aantal arbeiders dat de winkel bezoekt 234
gemiddelde wekelijkse extra-uitgave fl. 0,39
totaal bedrag per jaar meer betaald (dan in vrije winkels) fl. 4680,-
bedrag per arbeider meer besteed fl. 20,-

TABEL 4
GEDWONGEN WINKELNERING IN DE SCHOENINDUSTRIE IN OISTERWIJK IN 1910

totaal aantal werkgevers 23
totaal aantal arbeiders 375
niet-betrokken werkgevers 9
niet-betrokken arbeiders 141
betrokken werkgevers 14
betrokken arbeiders 234

BRON: A.Luysterburg, Gedwongen winkelnering in Noord-Brabant 1870-1920, in Economisch- en sociaal-historisch jaarboek, deel 37, Den Haag, 1974

Uit bovenstaande gegevens mogen we concluderen dat bijna 65% van de Oisterwijkse arbeiders, werkzaam in de schoennijverheid, te kampen had met deze vorm van uitbuiting. Gemiddeld betaalden zij 12% meer per gekochte eenheid dan andere Oisterwijkers in 'vrije' winkels betaalden. Gedwongen winkelnering was de kurk waarop de schoennijverheid dreef. Opheffing daarvan zou in veel gevallen onmiddellijke sluiting van de betrokken bedrijven betekend hebben. Daarnaast was de ontslagangst onder arbeiders erg groot. In de volksmond werden de slachtoffers wel 'beschuiteters' genoemd (42). Structureel loste de winkeldwang niets op, de schoennijverheid ging steeds verder achteruit.
Gedwongen winkelnering paste in het bestaande systeem van arbeidersuitbuiting: men kende lage lonen, lange werkdagen, vaak slechte behuizing en geen arbeidsregeling. Het weekloon van de Oisterwijkse schoenmaker schommelde tussen de twee en acht gulden. Daarbij betaalde men gemiddeld fl. 1,35 aan huishuur (43). Als we dan ook nog eens de hoge winkelprijzen in ogenschouw nemen resteert een treurig beeld. Winkeldwang maakte de Oisterwijkse proletarisering op pijnlijke wijze aanschouwelijk.
Na 1914 nam de gedwongen winkelnering snel af. Wettelijke maatregelen, economische verbeteringen, politieke veranderingen en de invloed van de vakbeweging waren hier debet aan. Uiteindelijk had vakorganisatie ook in Oisterwijk succes. In het dorp sprekende vakbondsleiders hekelden steeds de winkeldwang. Zo sprak op een mooie zondagmiddag, begin juni 1902, de anarchist A. van den Berg, in Oisterwijk. Hij was door zijn politieke evenknie, Frits van Dartel, uitgenodigd om te spreken voor sigarenmakers en lederbewerkers. Volgens De Sigarenmaker waren er nogal wat schuldige patroons aanwezig in het publiek. Zij durfden echter niet met Van den Berg in debat te gaan en zij verdwenen schoorvoetend van de openluchtmeeting (44). Maar ook patroonsorganisaties zelf hekelden dit fenomeen. Schuldige patroons werden door hen 'winkelheksen' genoemd (45).
Vakorganisatie van lederbewerkers werd lange tijd tegengehouden. Enkele vroege pogingen liepen op niks uit. De pastoor verbood het bezoeken van vergaderingen. Maar toch kon in 1907 aarzelend een lederbewerkersvakbond van de grond komen met aanvankelijk 24 leden (46). De grootste patroons deden als eerste hun winkels van de hand. Meestal vormde mechanisatie een alternatieve bron voor extra?inkomsten. In 1917 was de winkeldwang voorgoed uit Brabant verdwenen. Zij kenmerkte de crisismatige overgang van huisindustrie naar fabrieken.

DE ONTWIKKELING VAN DE SIGARENINDUSTRIE

In de jaren zeventig van de 19de eeuw kreeg Oisterwijk te maken met sigarennijverheid. Deze bedrijfstak had binnen enkele decennia een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. In 1819 was de fabricage van sigaren in Nederland nog onbekend (47). Maar al snel bleek productie meer dan rendabel. Ondernemers konden op een eenvoudige manier rijk worden. De arbeiders rekruteerde men uit de armste lagen der bevolking.
Een van de eerste fabrieken werd opgericht in Kampen (1826) door een Duitser. De sigarennijverheid breidde zich daarna snel uit over het land: Utrecht, Rotterdam, Arnhem en Den Bosch (48). Vooral in de periode 1860-1880 expandeerde deze bedrijfstak. Het succes van de Rotterdamse en Amsterdamse tabaksmarkten (met tabak uit Oost-Indië) veroorzaakte deze bloei.
De groei was zo onstuimig dat er naast fabrieken ook thuiswerk ontstond. Sigarenmakers werkten thuis voor een koopman, die hen de tabak leverde. Soms werkte men voor zichzelf. Het beroep werd hoofdzakelijk door mannen uitgeoefend. Na het verbod op de kinderarbeid (1874) werden ook vrouwen ingeschakeld. Zij hielden zich meestal bezig met het strippen van de tabak: het ontnerven van de tabaksbladen.
Na een korte periode van stagnatie begon rond 1895 weer een periode van groei. Rond deze tijd startte Hamers zijn onderneming in Oisterwijk.De keuze voor Oisterwijk moet min of meer toevallig zijn geweest. Oisterwijk bezat natuurlijk wel een traditie van huisnijverheid en bovendien was er een proletariaat dat best voor lage lonen wilde werken. Ook persoonlijke factoren zullen een rol hebben gespeeld: voor het zusje van Hamers werd een sanatorium gezocht in een bosrijke omgeving en de familie Hamers had haar wortels in de omgeving (Udenhout).
De gunstige conjunctuur bevorderde de export van sigaren. Hamers zou zich vooral op die export gaan richten. Tot 1918 kwamen Huifkar-sigaren nauwelijks op de Nederlandse markt terecht. De winkeldwang trof de sigarennijverheid in Brabant, met uitzondering van Oisterwijk, zwaar. In 1920 ontstond een echte CAO voor de bedrijfstak, maar de tijden waren toen voor de sigarenmakers slecht. Hevige concurrentie uit Duitsland en accijnsheffingen ondermijnden deze nijverheid. De werkloosheid onder sigarenmakers nam toe en daarnaast ging de consument steeds meer over op goedkope sigaren en sigaretten (49). Tot aan 1920 werkten de meeste sigarenmakers boven de grote rivieren, daarna sloeg de balans door naar het zuiden (50). Daar werd immers tegen veel lagere lonen geproduceerd, wat voor ondernemers uiterst aantrekkelijk was.
Tijdens perioden van grote werkloosheid bloeide de huisindustrie weer op. Deze 'randbedrijven' produceerden zonder CAO. Zij brachten aldus zeer goedkope sigaren op de markt. Voorbeelden hiervan in Oisterwijk waren onder andere: De Bakker, Paijmans, Van Berkel, Graft, Horvers. Zij leerden bijna allemaal het vak op De Huifkar. De kleine sigarenmakerijen hielden het meestal niet zo lang vol. De kleine ondernemers hadden niet veel kennis omtrent de afzet en verkoop van sigaren (51).
Toch daalden de prijzen van de sigaren door die randbedrijven sterk. De grote fabrieken wilden via mechanisatie hun concurrentiepositie verbeteren. In het zuiden konden zij rekenen op veel steun van de patroons. Hamers en De Bakker schaarden zich echter achter de sigarenmakers (52). Dat was niet zo verwonderlijk omdat Hamers zich toelegde op handwerk en De Bakker niet in machines kon investeren. Beiden hadden geen belang bij mechanisatie. De tegenstanders van mechanisatie formuleerden hun standpunt als volgt (53):
"Met de mechanisering gaat het net als met de bewapening. Het is een wedstrijd naar een onbekend doel, de eindstreep bereikt men nimmer. De voorsprong die men gisteren meende te hebben, wordt heden in een achterstand veranderd, doordat de concurrent een nog meer volmaakte machine in bedrijf stelt".
Op 5 november kwam de mechanisatiewet tot stand. De aanschaf van nieuwe machines werd aan banden gelegd. Maar toch kon de ingezette ontwikkeling niet gestuit worden. Steeds minder ambachtelijke sigarenmakers en steeds meer fabrieksarbeiders kwamen in het bedrijf. Het productieproces werd in delen uit elkaar gehaald. Met De Huifkar ging het evenwel nog niet zo slecht. De firma kende tot aan het begin van de jaren dertig een vrij constante groei, afgezien van het dieptepunt in 1920. Toen kromp Hamers zijn personeel tijdelijk in vanwege de accijnsheffing. Daarna nam hij aanvankelijk slechts katholieke sigarenmakers aan waardoor De Sigarenmaker er vooral een antisocialistische actie in zag (54).
In de periode 1931-1935 ging de hele industrie steeds verder achteruit door toenemende concurrentie. Ook de vraag naar goedkope sigaren deed Hamers geen goed. De jaren dertig werden voor de fabriek zorgelijke jaren. De schulden namen toe en Hamers trad uit zijn sociaal isolement om zorgelijke wandelingen door het dorp te maken. Tijdens zo'n wandeling vertrouwde hij een kennis toe dat hij aan de grond zat: "Ik ben een arm man!", zo constateerde Hamers bitter (55). Huifkar?arbeiders begonnen weer voor zichzelf. Ook kon men op de fabriek materiaal kopen (om de sigaren zelf te verkopen) of krijgen (om de sigaren weer aan de fabriek te verkopen). Op De Huifkar werkte in die tijd Januske Lammers. Hij was een chef die het werk van al die thuiswerkers en thuisstripsters controleerde en hij deelde het dek uit (56).
Ondanks de teruggang van de sigarennijverheid bleef De Huifkar toch een fabriek van betekenis voor Oisterwijk.Na de leerfabriek en de schoenfabrieken van Roosen-De Bakker en Paijmans bleef De Huifkar Oisterwijk's vierde fabriek.

ONDERNEMEN IN DE SIGARENINDUSTRIE

De 18 jarige ondernemer, Alphonse Hamers, vestigde zich in 1894 aan De Lind in Oisterwijk. De tabaksbranche was bij uitstek geschikt om snel rijk te worden in die tijd. Enige bedrijfseconomische kennis was echter wel vereist. Hamers had wat dat betreft een uitstekende opvoeding genoten aan het gymnasium van Luik. Praktische tabakskennis deed hij op aan de proefvelden van de Hollandse tabaksplantages. Deze plantages maakten stevige winsten die voorheen nog voor een belangrijk deel in de vaderlandse schatkist terecht kwamen. Na de afbouw van het 'Cultuurstelsel' vloeiden de in de kolonie gemaakte winsten bijna eenzijdig naar de beurzen van de Nederlandse ondernemers (57).
Een ondernemer in sigaren had natuurlijk geld nodig. De behoefte aan vermogen was afhankelijk van het gewenste beleid van de fabrikant. Hij kon een bedrijfsruimte huren, maar ook kopen. Het productieproces stelde nauwelijks eisen aan de ruimte. Ook kon de ondernemer besparen op de kosten door sigarenmakers thuis te laten werken. Een ondernemer kon anno 1895 geen beroep doen op binnenlands kapitaal van beleggers of banken. Deze waren nauwelijks geïnteresseerd in de nationale industrie. Men investeerde liever in de Amerikaanse spoorwegen of in Russische staatsobligaties. Er bestonden twee manieren om toch aan geld te komen: door geld te lenen van de familie of door compagnons in de zaak te betrekken (58). Deze laatste werden door advertenties zoals onderstaande aangetrokken (59):
"Compagnon: In de ruim 16 jaar bestaande sigarenfabriek wordt ter uitbreiding een compagnon of commanditaire vennoot gevraagd, die 8 a 9 mille kan storten".
De bedragen varieerden van enkele duizenden tot fl. 50.000,-. Na 1916 nam de populariteit van de industrie toe. Banken bleken toen bereid intensief te investeren in het bedrijfsleven. Veel bedrijven werden in deze tijd om belastingtechnische redenen een N.V., De Huifkar volgde dit voorbeeld in 1928.
De belangrijkste taak van de ondernemer was natuurlijk het inkopen van tabak. Met de opkomst van de Indische tabakscultuur kwam de binnenlandse tabaksmarkt, vooral na 1885, tot bloei. De arbeidsomstandigheden op de plantages waren verschrikkelijk. De arbeiders, of koelies, werden als minder dan beesten behandeld. Binnen De Huifkar was dit feit bekend. Bart van der Linden vertelde ons hoe onder sigarenmakers de toestand van 'de Javaan' besproken werd (60). De tabak werd naar Nederland verscheept en daar verkocht. Beroemd was de veiling van Frascati in Amsterdam waar ook Hamers zijn tabak inkocht. Meestal kochten handelaren de tabak in om die weer door te verkopen aan fabrikanten. Grote fabrikanten lieten hun tabak rechtstreeks uit Indie overkomen.
De Huifkar was vooral gericht op export. Zowel de export als de daarbij behorende promotie vergden veel tijd. Het management van de fabriek werd uitbesteed aan een procuratiehouder. Eerste procuratiehouder op De Huifkar was Jan Rompel, die de Franse taal (de taal van de zakenwereld) uitstekend beheerste. In 1923 werd hij opgevolgd door Petrus van Zon. Enkele handelsreizigers vertegenwoordigden de firma in het buitenland. Deze opzet bleek te slagen tot de jaren dertig. Helaas konden we niet beschikken over een bedrijfsarchief waardoor inzichten in de financiële ontwikkeling van De Huifkar onvolledig blijven. Tot 1898 werkte Hamers met thuiswerkers. Van de winsten werd eind 1898 de eerste fabriek gekocht. De bedrijfstak leende zich voor interne financiering dat wil zeggen de ondernemer kon klein beginnen om daarna snel uit te breiden. Nieuwe uitbreidingen volgden in 1917 en 1926. De late jaren twintig waren voor Hamers de meest succesvolle jaren. Tien jaar later was hij een "arm man".
De Huifkar mechaniseerde nooit. Toch was er sprake van een rationele bedrijfsvoering. Arbeidsbesparende investeringen waren niet noodzakelijk. Het arbeidsaanbod zette het loonpeil onder druk en daarnaast waren machines niet in staat kwalitatief hoogwaardige sigaren te maken. Hamers was primair een koopman die grondstof distribueerde aan sigarenmakers. Deze werkten relatief zelfstandig in de fabriek onder toezicht van een meesterknecht. De fabriek nam de sigaren via een stukprijs weer van de sigarenmakers af. De Huifkar was dan ook geen fabriek in de eigenlijke zin van het woord maar een manufactuur of een werkplaatsfabriek. Hamers was een koopmanondernemer in plaats van een echte fabrikant. Hieruit moeten we het gegeven verklaren dat Hamers zelden of nooit in contact kwam met de sigarenmakers en niet veel moest hebben van arbeidsovereenkomsten. Hamers en Co was een typisch overgangsbedrijf tussen koopmanschap en industrieelondernemerschap (61).


info@siebethissen.net   - - -