Index of /Kunst en Theorie/2010 Ondertussen in de stad

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
2010 Ondertussen in de stad.pdf   23.03.2010 88kB -

2010

Ondertussen in de stad…
Proefondervindelijke uitdagingen

Somewhere in between
The waxing and the waning wave
Somewhere in between
The night and the daylight
Somewhere in between
The ticking and the tocking clock
Somewhere in between
What the song and silence say
Somewhere in between
Breathing out and breathing in

(Kate Bush, Somewhere In Between, 2005)

Herstructurering. Het begrip domineert stedelijke nota’s en beleidsplannen, maar het discours is vooralsnog eendimensionaal. En dat terwijl herstructurering vandaag “de grootste en wellicht ook moeilijkste opgave in het vakgebied van de architectuur vormt”, zoals Archined terecht beweerde. Sinds 1997 verstaat het ministerie van VROM onder herstructurering een grotere menging van wonen, werken en recreëren binnen stedelijke gebieden, waardoor de leefbaarheid versterkt wordt en een meer veelzijdige economie zich kan ontwikkelen. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar infrastructuur, woonomgeving, voorzieningen en lokale bedrijvigheid. De term herstructurering wordt als overkoepelend begrip voor al deze ingrepen gehanteerd. Maar het programma heeft een klinische en zakelijke aard, klinkt industrieel en technologisch, voelt koud en onpersoonlijk aan. In feite is herstructurering de Nederlandse equivalent van het fenomeen gentrification, dat kan worden vertaald als verdeftiging. Wijken en buurten worden niet alleen stedenbouwkundig en architectonisch opgefrist, maar moeten ook de exodus van de kapitaalkrachtige middenklasse uit de stad een halt toeroepen. In het kielzog van die ontwikkeling wordt de opeenhoping van lagere sociale groepen in oude stadswijken als een probleem ervaren. Herstructurering betekent ook dat deze groepen in de verstrooiing worden gebracht: “We gaan de armoede verdrijven tot buiten de Ruit van Rotterdam”, sprak een trotse Rotterdamse corporatiemanager niet lang geleden.

Het fenomeen van de herstructurering - dat zich niet alleen in Nederland, maar overal in de global village openbaart - kenmerkt zich zelden door tact of bescheidenheid. Het opwaarderen van wijken en buurten gaat vaak gepaard met grote, logistieke operaties, uitgedokterd door een pact van corporaties, ontwikkelaars, aannemers en ambtenaren. De grootschaligheid van de ondernemingen heeft aanzienlijke delen van onze steden in tijdelijke woestenijen omgetoverd. In de Nederlandse film Skin (Hanro Smitsman, 2008) dient zo’n landschap als afschrikwekkend decor. Tegen de achtergrond van de gehavende herstructureringswijk Crooswijk in Rotterdam schetst de rolprent de ontwikkeling van een Joodse jongen tot racistische skinhead. Het tragische verhaal en het gruwelijk realistische decor stuwen elkaar naar een beklemmend stukje stadsgeschiedenis. Het is een geruststellende gedachte dat zo’n geteisterde en verminkte stad in werkelijkheid slechts tijdelijk bestaat. Desondanks leven steeds grotere aantallen mensen dagelijks in de chaotische realiteit van de herstructurering.

Is er andere, meer softwaregeoriënteerde omgang met de theorie en praktijk van herstructurering denkbaar? Processen van globalisering, schrijven Ida Susser en Jane Schneider in Wounded Cities (2003), zijn vooral zichtbaar en tastbaar in gewonde steden en stadsdelen. Deze stedelijke zones zijn weliswaar aan grote druk onderhevig, maar blijken toch een bijzondere dynamiek te herbergen. Het is een misverstand te veronderstellen dat stagnatie en passiviteit als regel hier de toon zetten. Het vermogen verlies te verwerken, afscheid te nemen, veerkracht te tonen, zich weer op te richten en te prepareren voor de toekomst, vormt een uitdagend potentieel. Episodes van verwonding bieden immers de mogelijkheid collectieve actie te ondernemen. Gewonde steden vragen om verbeeldingskracht tegenover afbraak, om creativiteit tegenover neergang, zo stellen de auteurs. Aan het boek lag een serie onderzoeken en symposia ten grondslag over ‘deconstructie en reconstructie in een wereld van globalisering’. Geïnspireerd door criticus David Harvey onderzoekt de studie steden die het slachtoffer zijn geworden van globalisering. Het doel van de onderneming is niet louter kritiek: door veerkracht en creativiteit te bestuderen, hopen de onderzoekers een andere, nieuwe dynamiek in kaart te brengen en bouwstenen te leveren voor een ‘politics of reconstruction’.

Met hun ‘Laboratorium voor de Tussentijd’ zijn ook kunstenaar Sabrina Lindemann en architect Iris Schutten een onderzoek gestart in de Haagse herstructureringswijk Transvaal. Deze voormalige, wat rommelige arbeiderswijk, met veel huurwoningen, wordt gesloopt en getransformeerd in een ordelijke wijk, waaraan koopwoningen voor de middenklassen worden toegevoegd. De wetenschap van de gewonde stad ligt ook ten grondslag aan het laboratorium in Transvaal: hoe moeten kunstenaars, architecten en ontwerpers omgaan met de tussentijd vol dichtgetimmerde huizenblokken en braakliggende terreinen, langdurige leegstand en uit elkaar vallende sociale verbanden?, zo vragen de initiatiefnemers zich af. Wat leren we van tijdelijke architectonische ingrepen en tijdelijke artistieke interventies in deze gebieden? Zijn er nieuwe stedelijke strategieën denkbaar die anticiperen op de wellicht permanente aanwezigheid van tussentijd in onze stedelijke conditie?

Een laboratorium voor de tussentijd is een heikele onderneming. In een tijdsgewricht waarin interim-management, interactiviteit, interdisciplinariteit en tijdelijke noodwetten in het strafrecht steeds vaker het ritme van het dagelijks leven bepalen, lijkt het ‘tussen’ te worden opgelost in ongerichte golven van permanente dynamiek. Onze tijd, zegt filosoof Henk Oosterling, is ‘radicaal middelmatig’ geworden. In Het tijdelijke van het tussen (2007) merkt Jeroen Boomgaard op dat het tussen slechts bestaat bij de gratie van het vastomlijnde en het gedefinieerde. Het meest intrigerende aspect van het tussen is immers haar hybride en ongerichte verschijningsvorm: ze verschijnt pas wanneer een categorie, medium of ontwikkeling zijn grenzen overschrijdt en “het de kaders die onze blik sturen weet te omzeilen”. Onderzoek naar de tussentijd stelt ons in staat scherper te denken en nieuwe perspectieven te openen. Maar op het moment dat we de tussentijd kunnen definiëren en vervolgens kunnen vangen in nieuwe stedelijke strategieën, is haar moment voorbij en ontsnapt ze aan ons bevattingsvermogen.

Ook in Wounded Cities is de tussentijd niet het doel van de onderneming. Door processen van neergang en weerbaarheid in twaalf steden te bestuderen, hopen de auteurs argumenten aan te dragen, die bijdragen aan het vernieuwen en daarmee veranderen van grootstedelijke politiek en beleid: een stad is geen fysieke moloch, maar mensenwerk. Momenten van herstructurering en collectieve verhalen van pijn en verlies, bieden een geweldige kans sociale gemeenschap en menselijke waardigheid opnieuw te ijken en een krachtige stem te geven in ons denken over de stad, over de bewoners die haar maken, en over globalisering. Globalisering en herstructurering worden hier ontdaan van hun zakelijke, bureaucratische en technologische pantsers. Want steden, schrijft antropoloog en geograaf David Harvey in hetzelfde boek, zijn uiterst kwetsbare vormen van menselijke organisatie.

“De stad is een organische levensvorm die zichzelf voortbrengt door menselijke activiteit. Een stad groeit, handhaaft zich of sterft uit. En onderweg doorleeft ze verschillende stadia: de stad kan krachtig zijn of gewond raken, gezond of ziek zijn, elegant of schaamteloos lelijk. De stad is een politiek lichaam”.

Die levenslustige stadsopvatting noopte ook Charles Landry tot het schrijven van The Art Of City-Making (2006). In een eerder bestek had hij reeds een optimistisch manifest gepubliceerd, waarin ontwikkelaars en beleidsmakers werden aangespoord meer gebruik te maken van het creatieve potentieel van de stad. Zijn studie The Creative City (2000) was bedoeld als ‘gereedschapskist voor stedelijke vernieuwers’ (zoals de ondertitel luidde). Tal van praktijken, methoden en exemplarische voorbeelden van stedelijke innovaties werden onder de aandacht van de lezer gebracht. Volgens Landry zijn planologie en stadsontwikkeling vaak hopeloos gedateerd, omdat hun bureaucratische en technologische karakter hen verhindert openingen te maken naar ‘software solutions’, interculturaliteit, sociale creativiteit en verbeelding. Het enigszins chaotische, maar voorbeeldige werk werd echter overvleugeld door The Rise Of The Creative Class (2002). Beide titels werden – ten onrechte - al spoedig met elkaar vereenzelvigd. Ook econoom Richard Florida brak een lans voor meer creativiteit in processen van stadsontwikkeling en kende de nieuwe creatieve klasse in dat streven een voorhoedepositie toe. Zijn centrale gedachte was deze: hoe beter een stad zorgt voor haar creatieve klasse en hoe beter een stad erin slaagt die klasse aan zich te binden, hoe voorspoediger economie, welvaart en tolerantie zich in die stad zullen ontwikkelen. Het boek – vaak slecht begrepen - werd een bestseller, omdat het zich uitstekend liet verbinden met het mondiale streven naar herstructurering en betere vestigingsvoorwaarden voor nieuwkomers in expanderende steden.

Maar dát had Landry helemaal niet bedoeld. In de openingszinnen van The Art Of City-Making beweert hij dat creativiteit vandaag wordt gegijzeld door het modieuze vertoog van de creatieve klasse, waarin verdeftiging, vastgoedpolitiek en het versterken van de middenklasse tot kernwaarden zijn uitgeroepen. Daarom dient creativiteit opnieuw te worden gedefinieerd, onafhankelijk van professionele beroepsgroepen, op een alledaags niveau, en moet de focus worden verschoven van productinnovatie en media naar sociale en andere facetten van creativiteit. Kunst en ‘kunstmatig denken’ zijn immers waardevol voor alle aspecten van ons grootstedelijke leven en dragen ook bij aan het waardegenererende vermogen van een stad.

Zoals Wounded Cities het gebied exploreert dat zich tussen grootstedelijke processen van neergang en opbloei bevindt, zo opent Landry een domein tussen kunst en wetenschap. In zijn laboratorium voor de tussentijd heeft hij kunst weliswaar als richtinggevend beginsel aanvaard, maar bepleit hij een empirische methode van onderzoek en hamert hij op de noodzaak van verifieerbare hypothesen. Door zijn project ‘de kunst van het stadswerken’ te dopen, wil hij waardevolle en waardevermeerderende aspecten van stedelijkheid vooropstellen en zijn onderzoek plaatsen in de context van het subjectieve. Daarom wijst hij de term stadsontwikkeling af, omdat die notie gevangen blijft in de constructie van een fysieke omgeving vanuit een objectief, zuiver professioneel architectonisch en stedenbouwkundig discours. Ook Landry brengt de menselijke factor in het discours van de stadsontwikkeling.

“Wat een stad leven, betekenis en zingeving schenkt, zijn de handelingen van mensen in een fysieke omgeving. Decor en spel mogen niet worden vereenzelvigd. De fysieke dingen zijn weliswaar noodzakelijke instrumenten en hulpmiddelen, maar de kunst van het stadswerken wil de stad in balans brengen, door de geloofwaardigheid en status van scriptschrijvers, regisseurs, kunstwerkers en performers te verhogen. Teveel hebben we verwacht van de professionele kaste die onze fysieke omgeving ontwierp. En is niet zij, meer dan anderen, verantwoordelijk voor de steden waarin we vandaag wonen?”

Opnieuw gemodelleerd als gereedschapskist, biedt The Art Of City-Making een duizelingwekkende verzameling voorbeelden en beschrijvingen van geslaagde en minder geslaagde praktijken van dit stadswerken. Ook Nederland figureert in zijn betoog. Zo wordt de Amsterdamse binnenstad wordt geprezen om zijn mooie mix van chique grandeur en nonchalante slordigheid. In Rotterdam gaat Landry op City Safari en ontwaart hij een model om toerisme te incorporeren in het ontdekken van de stad. Den Haag ontbreekt weliswaar, maar projecten als Hotel Transvaal van Jan Konings en Autonië van Bureau Venhuizen hadden niet misstaan in Landry’s overzicht. Beide experimenten bieden ‘software solutions’ voor problemen die samenhangen met processen van herstructurering.

Als iconen, eyecatchers en publiekstrekkers passen deze initiatieven bovendien perfect in het verlangen naar transformatie en verdeftiging dat ontwikkelaars en vastgoedbeheerders voor ogen staat. Grootstedelijke problemen worden als unieke ontwerpmogelijkheden beschouwd. In Participation and Collaboration in Contemporary Art (2009) typeert Eva Fotiadi dit inzicht als de ideële ruggengraat van Bureau Venhuizen. Fysieke, architectonische, technologische en culturele problemen van een wijk worden onderzocht, in kaart gebracht en tot potentiële ontwerpfenomenen uitgeroepen. Vervolgens worden deze fenomenen vertaald naar concrete ontwerppraktijken, waardoor de ruimtelijke ordening nieuwe perspectieven en impulsen wordt geboden. Hier is sprake van de proefondervindelijke methode die in The Art Of City-Making wordt bepleit. De kunstenaar is kunstenaar-onderzoeker geworden.

Hoewel Konings en Venhuizen het discours van kunst in de openbare ruimte omzichtig lijken te mijden en weigeren zichzelf te definiëren als kunstenaars, gaat achter hun praktijk een interessante opvatting schuil die ik als proefondervindelijke kunst zou willen typeren. De gedachte is ontleend aan de Britse auteur Colin Bennett. In Politics Of The Imagination (2002) omschreef hij het werk van schrijver Charles Fort als “feiten als kunstvorm”. Fort ontvouwde in vier boeken, verschenen tussen 1919 en 1933, zijn filosofie van het intermediatisme en introduceerde de hyphen (het koppelteken) als kern van zijn opvattingen. De essentie van ons kennen, beweert Fort, ligt niet zozeer in vaste begrippen, categorieën en media, maar juist in het tussenliggende spanningsveld. Deze Amerikaanse scepticus, een nakomeling van Nederlandse migranten, werd bij zijn leven - ten onrechte - gerecipieerd als tegenstander van het wetenschappelijke denken en pleitbezorger van een esoterische filosofie. Zelf sprak hij liever van humor: hij hekelde inderdaad de absolute aanspraken van de wetenschap op waarheid, maar verwierp ook de even absolute claims van theosofische en andere holistische wereldbeschouwingen.

Fort hanteerde de empirische of proefondervindelijke methode als literair model. Hij schiep daarmee een uniek artistiek genre: het genre van de vergeten data. In 1919 verscheen The Book Of The Damned. Fort bracht zijn leven door in bibliotheken en archieven en raakte geobsedeerd door de uitsluitende methode van wetenschappelijk onderzoek. Onderzoekers verzamelen data, maar om verifieerbare hypothesen te formuleren, dienen ze ook data te elimineren die niet passen in wetenschappelijke uitspraken met een universele geldigheid. Fort werd activist en wierp zich op als pleitbezorger van uitgestoten gegevens, die hij “verdoemde data” noemde. In zijn ‘boek der verdoemden’ richt hij zich tot de meteorologie. Jarenlang bestudeerde hij wetenschappelijke tijdschriften en noteerde afwijkende, merkwaardige en gekke waarnemingen van meteorologen, die de epistemologie van de weerkunde nooit hadden bereikt. Vervolgens rubriceerde hij zijn verdoemde gegevens in tal van categorieën. Die werkwijze resulteerde in 28 hilarische hoofdstukken over gele regens, rode regens, zwarte regens, regens van stenen, vissen en kikkers – alles keurig voorzien van bronvermeldingen, jaartallen, locaties en de namen van de observatoren. Ondertussen speculeert hij er lustig op los, waardoor de contouren ontstaan van een verdoemd, maar vrolijk universum. Met de prachtige speelfilm Magnolia (1999) bracht regisseur Paul Thomas Anderson een ode aan dit universum, waarin een intrigerend en samenhangend mozaïek wordt gelegd uit scherven van schijnbaar toevallige gebeurtenissen.

Verdoemde data behoren bij uitstek tot het domein van de kunst. Meer dan enig ander domein biedt de kunst mogelijkheden verloren of genegeerde kennis opnieuw te interpreteren en te vertalen naar een andere epistemologie. En daarmee ook naar een andere opvatting van herstructurering. Dat is niet alleen een les van Wounded Cities en The Art Of City-Making, maar zou ook de grondslag kunnen vormen van een laboratorium voor de tussentijd. Zo’n laboratorium combineert onderzoek naar vergeten, genegeerde of uitgestoten data met concrete initiatieven en ontwerppraktijken. Die tussentijd kan nooit het doel zijn, maar biedt wel een geweldige aanleiding stadsontwikkeling, ruimtelijke ordening, gemeenschap en collectieve actie van andere, nieuwe perspectieven te voorzien.

Proefondervindelijke projecten en experimenten vinden we vandaag in tal van wijken en buurten als Haarlem-Oost, Overvecht (Utrecht), Westwijk (Vlaardingen), Nieuw-Crooswijk en Pendrecht (Rotterdam), Piushaven (Tilburg) en Transvaal (Den Haag). Als een bijzondere, subjectieve vorm van urbane antropologie, verdringt deze proefondervindelijke kunst steeds meer klassieke vormen van kunst in de openbare ruimte. “Er is vandaag meer behoefte aan series van interventies over een langere periode van stedelijke transformatie, dan aan kunstwerken in de openbare ruimte”, meldde de culturele attaché van de Rotterdamse Tarwewijk. Het feit dat deze kunst steeds meer opdrachtgevers en financiers uit de publiekprivate sector aan zich weet te binden, zegt veel over de potenties van het genre, maar getuigt ook van de wens het klinische en technologische karakter van stadsontwikkeling, planologie én herstructurering te doorbreken.

Uiteraard plaveit zo’n empirische praktijk in de openbare ruimte ook de weg naar nieuwe partners, waaronder representanten van sci-art, research based arts, community art en urban design. In een publicatie van Designplatform Rotterdam, Wég met de publieke ruimte (2008), kent designhistoricus Timo de Rijk ontwerpers een belangrijke rol toe in het herdefiniëren van de openbare ruimte.

“De overheid, gestuurd door commerciële motieven, willekeurige bestuurlijke ambitie en veel politieke correctheid is niet in staat om het specifieke gebruik van nieuwe gebruikers in de publieke ruimte actief te organiseren. Ze weet zich geen raad met de allocatie van een plek. De overheid ziet toe op de openbare ruimte als een plek die toegankelijk is voor iedereen, maar langzamerhand bruikbaar is voor niemand… De productontwerper zal de aanspraak op een universeel gebruik van de totale publieke ruimte door een zeer diverse groep gebruikers ter discussie moeten stellen. Pas dan zal hij in staat zijn de rol te spelen die van hem verwacht mag worden: de bedenker van producten die de nieuwe openbare ruimte definiëren”.

Nogmaals: is er een andere, meer softwaregeoriënteerde omgang met herstructurering mogelijk? Charles Landry besluit The Art Of City-Making met een concrete actielijst, die ook kan fungeren als handleiding voor een laboratorium voor de tussentijd:

1Anticipeer op crisissituaties: culturele, maatschappelijke en economische problemen bieden unieke mogelijkheden de stad opnieuw te doordenken;
2Streef naar vergroting en verbreding van een netwerk van partners en geestverwanten uit verschillende sectoren van de samenleving;
3Inventariseer creatieve potenties en mogelijke obstakels: wie bevordert creatieve processen en welke factoren hinderen hun ontwikkeling?
4Stel vast welke projecten in de stad voorbeeldig zijn; bezoek ze met een divers samengesteld team en evalueer de wijze waarop ze functioneren;
5Ontwikkel bewijsmateriaal dat je argumenten geldigheid verschaft en ventileer uitspraken over creativiteit, kunst en zachte technologie;
6Sluit je programma aan op de master strategy van een stad (meestal economie of ruimtelijke ordening) en injecteer die strategie met een culturele of creatieve agenda;
7Ontwikkel een programma van pilot projects en draag zorg voor de collectieve zichtbaarheid van die programma’s, bijvoorbeeld via tentoonstellingen of festivals;
8Onderzoek de wijze waarop je stad over zichzelf verhaalt en zich naar buiten presenteert en stel vast of dat verhaal correcties behoeft;
9Roep een invloedrijke lobbygroep in het leven, die bereid is jouw opvattingen en programma’s te distribueren in seminars en brainstormsessies;
10Vermijd termen als ‘creatieve stad’ en ‘creatieve klasse’, maar laat anderen de creatieve potenties van je programma ontdekken.

Op 6 september 2008 verscheen in Elle Wonen een artikel over Hotel Transvaal, waarin de kamers en hun vormgeving werden aangeprezen bij de lezers van het tijdschrift: “Geniet van een intercontinentaal ontbijtje in een van de horecagelegenheden in de buurt en maak kennis met de bewoners van Transvaal”. Een begeleidende foto toont een luxueus hemelbed en een prachtige kroonluchter tegen de achtergrond van een bijzonder decorum. Even ontworstelde Transvaal zich aan het klinische regime van de herstructurering. Even werden verdoemde data aaneengeregen tot een coherent stadsverhaal.

 

Gebruikte literatuur:

Colin Bennett, Politics of the Imagination. The Life, Work and Ideas of Charles Fort (Manchester 2002);
John Bissett, Regeneration. Public Good or Private Profit? (Dublin 2008);
Jeroen Boomgaard, ‘Het tijdelijke van het tussen’, in: Henk Oosterling, Henk Slager, Renée van de Vall (red.), Intermediale reflecties. Kruisbestuivingen en dwarsverbanden in de hedendaagse kunst (Rotterdam 2007) 149-154;
Richard Florida, The Rise Of The Creative Class (New York 2002);
Charles Fort, ‘The Book Of The Damned’, in: The Complete Books Of Charles Fort (New York 1974) 3-310;
Eva Fotiadi, Participation and Collaboration in Cotemporary Art. A Game Without Borders between Art and ‘real’ Life (Amsterdam 2009);
David Harvey, ‘The City as a Body Politic’, in: Jane Schneider & Ida Susser (red.), Wounded Cities. Deconstruction and Reconstruction in a Globalized World (Oxford-New York 2003) 25-44;
Charles Landry, The Creative City. A Toolkit For Urban Innovators (Londen-Sterling 2000);
Charles Landry, The Art Of City-Making (Londen-Sterling 2006);
Henk Oosterling, Radicale Middelmatigheid (Amsterdam 2002);
Timo de Rijk, Weg met de publieke ruimte (Rotterdam 2008);
Ida Susser & Jane Schneider, ‘Wounded Cities: Deconstruction and Reconstruction in a Globalized World’, in: Schneider & Susser, Wounded Cities, 1-23;
Hans Teerds, ‘Grootschalig maar subtiel’, Archined (nieuws) 9 juni 2008.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl - - -