| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1999 Emile Verviers.pdf | 25.01.2004 | 118kB | - |
Emile Verviers:
zedelijk en zinnelijk conservatisme
Vooraf
In 1927 schrijft de Brabantse econoom en publicist Emile Verviers in De kentering
in het materialistisch denken: "Want wie zal de demon, die de moderne
staat heet, weer kluisteren? Wie zal de wilde bestie welke de moderne decadentie
losgelaten heeft weer bedwingen? [...] Er zit in den volksgeest wel een behoorlijke
dosis conservatisme, doch dit is geen zedelijk conservatisme, dat iets aanhangt
en behouden wil omdat het historisch, eerbiedwaardig, doelmatig of noodzakelijk
is. Maar het is een zinnelijk conservatisme, dat behouden wil alles wat is;
of het in de historische lijn ligt, of het goed, noodig, zedelijk of rechtvaardig
is, doet niet ter zake. Dit conservatisme van den modernen tijd is eene uiting
van den algemeenen feitencultus. Het is een conservatisme, dat de beesten ook
kennen".
Deze 'studie over de maatschappelijke waarde der metaphysica' - zoals de
ondertitel van het hierboven genoemde boek luidt - maakt een plaatsbepaling
van het conservatisme problematisch. Er zijn slechts weinig Nederlandse denkers
en auteurs die zich expliciet voor het conservatisme hebben uitgesproken. Ook
Verviers richt zijn 'zedelijk-conservatieve' kritiek op een 'zinnelijk conservatisme',
dat wil zeggen, op een conservatisme dat voortspruit uit een jachtige, rationalistische,
door nut en winstmaximalisatie gedomineerde samenleving die geen oog meer heeft
voor oude verworvenheden, tradities en zedelijkheidsopvattingen.
Terecht wordt de naam van Verviers door historici steeds in verband gebracht
met een (katholiek) conservatisme. Zijn eerste periodiek, Katholieke Staatkunde
(1922-1923), wordt immers geredigeerd door 'een groepje meest jeugdige conservatieve
katholieken' waarvan de leden moeten worden beschouwd als 'reactionaire antisocialisten
en antidemocraten', schrijft Hans Schippers. Naar aanleiding van de kabinetscrisis
van 1923 - veroorzaakt door het verwerpen van de vlootwet - stuurt Verviers
een open brief naar de koningin waarin hij zijn zorg uitspreekt over de zwakte
van de parlementaire democratie. De koningin moet ervoor zorgen dat er 'een
kabinet komt van wilskrachtige mannen die tot geen van de parlementaire partijen
behoren'. Dit 'louter adviserend' kabinet dient te worden geleid door A.R.
Zimmerman, voormalig burgemeester van Rotterdam en nu commissaris-generaal
van de Volkenbond in Oostenrijk. Verviers pleit voor een sterke figuur met
veel gezag en zonder progressieve neigingen die een doortastend kabinet uit
de algehele maatschappelijke en culturele chaos kan leiden. De katholieke historicus
L.J. Rogier spreekt in verband met diens optreden van een 'rechtshouden': een
dwepen met autoritaire leidsmannen om Nederland uit de impasse van de democratie
te redden.
Voor een nadere, maar uiterst bescheiden uiteenzetting van Verviers' anticonservatief conservatisme wil ik hier twee geschriften onder de aandacht van de lezer brengen: de filosofische studie De kentering in het materialistisch denken (1927) en het politieke pamflet Gemeentelijke Zelfstandigheid (1930).
Enkele biografische notities
Emile Gerard Hubert Verviers (1886-1968) wordt geboren te Roosendaal als zoon
van de boekhouder van een plaatselijke suikerfabriek. Aanvankelijk neemt hij
op zeventienjarige leeftijd het baantje van zijn vader over maar het werk kan
hem niet bekoren. Na het volgen van een avondopleiding economie krijgt hij
in 1908 een betrekking aan het Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie
in Leiden dat in die dagen onder de bezielende leiding staat van P.J.M. Aalberse
(de latere minister van Arbeid) en J.D.J. Aengenent (de latere bisschop van
Haarlem). Beide katholieke voormannen behoren tot de zogenaamde 'Leidsche School'
die progressieve opvattingen koestert met betrekking tot het sociale vraagstuk:
men toont zich hier voorstander van een sociale wetgeving en bepleit katholieke
vakorganisatie. In de katholieke vakbonden viseert de School de toekomstige
'corpora' die als grondslag moeten dienen voor een organische opbouw van de
samenleving. Al spoedig raakt Verviers in conflict met zijn eigen denkbeelden
die veel minder vooruitstrevend zijn. Hij neemt in 1911 ontslag en ontpopt
zich tot een fel tegenstander van elke sociale wetgeving.
Drie jaar later promoveert hij te Leuven op De Nederlandsche Handelspolitiek en krijgt in 1918 te Leiden een aanstelling als privaatdocent in de economische politiek. In Leiden raakt hij onder de invloed van het cultuurpessimisme van Spengler en Bolland. Zo is Verviers een van de toehoorders van Bollands laatste openbare academische les, De Teekenen des Tijds (1921), een botte aanklacht tegen democratie, kiesrecht, joden, socialisten, vrouwen, en mondige jongeren. Nog geen jaar later sticht hij het tijdschrift Katholieke Staatkunde dat zich niet neer wil leggen bij de ondergang van de Europese beschaving, maar constructieve antwoorden wil bieden. De toon van het blad is conservatief en in de artikelen keren de auteurs zich tegen overheidsbemoeienis, tegen socialisme en vakvereniging, en tegen algemeen kiesrecht. Bewonderend spreekt men hier reeds over Mussolini en diens fascisme, dat een 'Hemels Gerecht' wordt genoemd. Naast Verviers verbinden ook de antidemocratische priester Wouter Lutkie en de controversiële kunstenaar Erich Wichman zich aan het periodiek. Zo verslaat Wichman als correspondent te Rome de beruchte mars van Mussolini. Men kiest hier partij tegen individualisme en collectivisme, tegen liberalisme en socialisme, en bepleit - in de woorden van Lutkie - 'een beweging die het mogelijk maakt wat tot nu toe onmogelijk lijkt, te weten, dat men antikapitalistisch kan zijn zonder tot socialisme te vervallen'.
Het katholieke regime blijkt echter niet gecharmeerd van dit gezelschap. De Bossche bisschop Mgr. A.F. Diepen acht Verviers' denkbeelden strijdig met de katholieke leer, betoogt dat alle katholieken zich in de Rooms Katholieke Staats Partij (RKSP) dienen te organiseren, en verbiedt hem vervolgens het voorvoegsel 'katholieke' nog langer in de titel van zijn tijdschrift te gebruiken. Vanaf eind 1923 heet het blad dan ook Opbouwende Staatkunde, maar na enkele nummers verlaat Verviers teleurgesteld de redactie. Uiteindelijk fuseert het genootschap rondom het periodiek met de eerste fascistische groepering in Nederland, het Verbond van Actualisten , geleid door de Bolland-adept Hugues Sinclair de Rochemont, de miljonair Alfred Haighton en parapsycholoog Karel de Jong die zich laten inspireren door het actualisme van de Italiaanse filosoof en partij-ideoloog Gentile. Verviers speelt in het Verbond nog wel een bescheiden rol als 'adviseur', maar richt zijn aandacht voorlopig op een nieuw, eigen periodiek, De Vaderlandsche Kroniek, waarvan slechts enkele nummers verschijnen.
In 1924 betrekt hij de woning van zijn moeder die inmiddels in het landelijke Oisterwijk is gaan wonen. Zijn beurs is dan uitgeput en steeds meer blijkt Verviers afhankelijk van de donaties van Wouter Lutkie. In Oisterwijk besluit hij de industriele samenleving de rug toe te keren door 'te gaan boeren': hij koopt schapen, ploegt heidegrond om, en legt aardbeienveldjes aan. Tevens treedt hij toe als secretaris-penningmeester van het Cooperatieve Veluweplan, een organisatie die de ontginning van woeste gronden beoogt om de Nederlandse boerenstand te kunnen uitbreiden. Hier werkt hij samen met Frederik van Eeden. Deze voormalige utopist heeft zich tot het katholicisme bekeerd en vindt in het Veluweplan compensatie voor het verlies van zijn eerdere sociale plannen. Verviers blijft echter schrijven en zijn geschriften worden nu uitgegeven door de plaatselijke drukker, Alphons van den Boogaard, wiens uitgeverij slechts kan overleven dankzij de financiële steun van Lutkie.
Maar Oisterwijk is in die periode geen traditioneel boerendorp meer: sinds 1900 heeft de industrie (leder, schoenen, sigaren) een steeds grotere vinger in de lokale economie gekregen en ziet de boerenstand zich geconfronteerd met een forse daling van de groepsstatus. Volgens Verviers tasten verstedelijking en industrie het platteland ingrijpend aan en hij besluit stelling te nemen tegen 'de terreur van de vooruitgang', volgens hem veroorzaakt door de 'moderne gedachte' en de 'alleenheerschappij van de rede en het verstand'. Of in andere termen, door de opmars van een 'zinnelijk conservatisme'.
Filosofische motivatie: De kentering in het materialistisch denken (1927)
Verviers is bepaald niet origineel als hij beweert een 'kentering' te bespeuren
in het 'materialistisch denken' dat zijn dagen nog zou domineren. Het thema
van de 'kentering' is al een oud polemisch thema dat gedurende het fin de siecle
tot volle wasdom geraakt. Een nieuwe generatie filosofen - vaak autodidact
of werkzaam buiten de academie - meent dat de moderne samenleving vooral op
geestelijk gebied enorme tekortkomingen kent. In 1907 inventariseert Johannes
Diderik Bierens de Haan in het eerste nummer van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte
de belangrijkste gebreken en concludeert vervolgens dat onze samenleving steeds
meer 'dieszietig' wordt, waardoor 'het Eeuwige [ons] als een onbereikbaar Jenseits'
uit de handen zou glippen. Ook de filosofie is verantwoordelijk voor deze situatie:
positivisme en materialisme hebben geresulteerd in een 'feitencultus' en een
verarming van het geestelijk leven. Reeds in 1897 ageert de natuurkundige J.D.
van der Waals jr. - een zoon van de latere Nobelprijswinnaar - tegen deze waanvoorstellingen.
Moderne wetenschappers, stelt hij, hebben zich al lang verwijderd van dit vulgaire
materialisme. Maar veel idealistische filosofen, merkt hij op in een polemiek
met Bierens de Haan, wekken permanent de indruk dat ze deel uitmaken van 'een
door positivisten vervolgde secte'.
Ook Verviers richt zijn kritiek op een orthodox, negentiende eeuws positivisme
en materialisme. Het positivisme is ontaard in een feitencultus en de feitencultus
heeft de 'publieke opinie' als ultiem criterium van waarheid uitgeroepen. In
de loop van de negentiende eeuw heeft de 'voogdij van het algemeen gezag' -
familie, werkplaats, kerk en gilde - plaats moten maken voor een individualisme
dat de maatschappij heeft beroofd van haar eenheid. Hij bepleit een nieuwe
metafysica, een nieuw synthetisch denken, dat breekt met de berusting van velen
in de huidige situatie. Een nieuwe synthetische of 'opbouwende wijsbegeerte'
dient gebruik te maken van de resultaten van de wetenschappen in haar streven
naar een 'hernieuwde exploratie op het gebied van het absolute'. Daartoe dient
te worden gebroken met de 'immanente moraal' en met de 'bureaucratische anarchie'.
Onder invloed van het denken van Rousseau, Hobbes en Marx zou er in Nederland
sprake zijn van een trend naar 'staatsabsolutisme'. De staat, met zijn centrale
regelgeving en juridische gelijkschakeling van burgers, vormt een bedreiging
voor de zedelijke en religieuze orde van kleine gemeenschappen:
"Het staatsabsolutisme heeft van nature geen enkele rem; vooral niet onder een democratisch-parlementair stelsel, dat een onoverkomelijke afstand schept tusschen regeering en volk. Immers, de invloed van het volk op de samenstelling der vertegenwoordigende lichamen is een zuivere fictie, want het volk zou alleen invloed kunnen uitoefenen door een apparaat, en deze apparaten bevinden zich in handen van de bureaucratie. [...] De als polyp aanwassende bureaucratie is slechts een der uitwendige bezwaren van den modernen staat. Het overwegende bezwaar schuilt in de noodzakelijke vernietiging van de zedelijke orde door het staatsabsolutisme. Waar men zedelijkheid, recht en welvaart wil scheppen door een staatsapparaat, daar is iedere wezenlijke orde en uiteindelijk ook alle leven uitgesloten".
Hier, in de fatalistische omarming van het staatsabsolutisme, situeert Verviers het zinnelijke conservatisme 'dat de beesten ook kennen'. Sommige 'nobele figuren', zoals Ferdinand Domela Nieuwenhuis, hebben nog gepoogd tegenover de staat een 'hoogere, ideeele anarchie' te verdedigen, maar zij bleken roependen in een woestijn. Want massaal verkoos men hier 'de lagere, de amoreele, de legale en bureaucratische anarchie'. Ook katholieke en protestantse politieke partijen hebben zich naar het staatsabsolutisme gewend en de liberale staatkunde christelijk ingekleurd: zo kent de RKSP een eigen klassenstrijdorganisatie 'die evengoed gedisciplineerd is als die der sociaal-democraten; een eigen pers en alles wat verder behoort tot de tuigage eener sociale beweging'.
Het vertoog waarvan Verviers zich bedient is een mengeling van spreektaal en schrijftaal. In het voorwoord merkt hij dan ook op geen last te hebben 'van eerbied voor de gangbare inzichten en voor de Goden van den dag'. Zijn taal herinnert aan die van zijn tutor Wouter Lutkie, waarover Cornelis Verhoeven al opmerkte:
"Het wilskrachtige staccato waarmee hij zijn moralistische uitspraken lanceert - alsof hij in een microfoon spreekt in een grote zaal en telkens door applaus wordt onderbroken - houdt verband met zijn aspiraties naar een leiderschap en met zijn bewondering voor Mussolini".
Gelukkig zijn er kenteringen in de wijsbegeerte zichtbaar die wijzen op een nieuwe dageraad van de metafysica. Verviers doelt hier niet op scholen of richtingen (zoals hegelianisme, kantianisme, spinozisme), maar op inspirerende denkers die een synthetische of opbouwende wijsbegeerte hebben geformuleerd. Allereerst roemt hij Louis Pasteur die in zijn bestrijding van een eenzijdig positivisme steun zocht in algemene, synthetische ideeen, zoals de idee van het oneindige. Ook Henri Bergson herstelt de metafysica en hekelt het intellectualisme van de heersende filosofische stelsels. Diens belangrijkste bijdrage aan de wijsbegeerte ligt in een 'front-aanval tegen de materialistische en intellectualistische scholen' waardoor 'een bevrijdende invloed, vooral op de jongere geesten' wordt uitgeoefend.
Vervolgens vinden we een kentering in het Amerikaanse pragmatisme van denkers als William James waarin de 'erkenning van de persoonlijke wilsbepaling' ons weer dichter bij de traditionele metafysica brengt. Ten slotte acht Verviers de opleving van de neo-scholastiek een verheugend verschijnsel. Sinds het verschijnen van de encycliek Aeterni Patris (1879) van paus Leo XIII wordt de wijsbegeerte als een belangrijk hulpmiddel beschouwd in het streven mensen voor dwalingen te behoeden.
Nadat Verviers een beknopte, maar rammelende schets van nieuwe ontwikkelingen in de wijsbegeerte heeft geschetst komt hij aan zijn conclusies toe die nog geen drie pagina's omvatten. Hij stamelt wat over een 'geestelijke hervorming van de decadente christenheid' en de 'chaos der feitenwereld' en meent dat kenteringen zich schoksgewijs zullen voltrekken, daarmee verwijzend naar de wereldoorlog. Deze schokken zullen de wijsgeer manen de metafysica in ere te herstellen en zullen de menigte 'op grond eener spontane intuïtie van het gezond verstand' wakker schudden. Zal de toekomst zijn aan de wijsbegeerte of aan het zwaard, zo vraagt Verviers zich af. De wijsbegeerte zal richtinggevende gedachten moeten formuleren omdat het zwaard 'slechts in den blinde kan slaan': "Want naar eene hooge opvatting is het aan de metaphysica om ons den manenden vinger Gods in de duisternis te leeren onderscheiden".
Van filosofie naar politiek: een lokaal oproer (1930)
Vooralsnog blijft de grote kentering in de wijsbegeerte uit, maar in zijn woonplaats
Oisterwijk lijkt de menigte wakker geschud 'op grond eener spontane intuitie'.
In de hete zomer van 1930 voltrekt zich een vierdaags oproer in het dorp waaraan
zo'n 1500 inwoners deelnemen - een kwart van de bevolking. Fabrieksarbeiders
demonstreren in het dorp tegen de schoenfabrikanten en de burgemeester, vechten
met de politie en de marechaussee, vernielen eigendommen, en gooien de ruiten
van de grootste schoenfabriek in. Verviers - een 'kleine boer' uit ideologische
overwegingen - ziet in de opstand zijn conservatieve denkbeelden bevestigd.
De arbeiders tonen zich in hun woede felle tegenstanders van de industrie en
de centrale overheid die de autonomie van de gemeente aan banden hebben gelegd.
Steeds meer landbouwgronden worden gebruikt voor de bouw van fabrieken en het
dorp wordt geconfronteerd met een groeiende stroom allochtonen: in 1925 telt
de lederfabriek al meer dan vierhonderd arbeiders die niet van Oisterwijkse
afkomst zijn.
Verviers volgt de opstand met grote belangstelling. Na afloop poogt hij, in samenwerking met twee slachtoffers die in het ziekenhuis zijn beland, de burgemeester en het politieapparaat aan te klagen. Daar de Bossche procureur-generaal lastige Kamervragen verwacht laat hij ter plekke een grootscheeps onderzoek uitvoeren. Op het laatste moment echter trekken beide getuigen zich terug omdat ze bang zijn voor een gerechtelijke confrontatie met de burgemeester. Die laatste krijgt een kleine berisping en het Openbaar Ministerie sluit hiermee de kwestie af. Verviers weigert zijn dossiers echter op te bergen. Vanaf september 1930 constateren we een verhoogde activiteit in zijn bemoeienissen met de plaatselijke politiek. Alhoewel Verviers in De kentering in het materialistisch denken de lezer een meer uitvoerige wijsgerige studie beloofde verdwijnt de filosofie uit zijn blikveld: het woord is nu aan het zwaard. Verviers wordt een politieke activist - een lokale patriot die de wapens opneemt tegen Den Haag.
Politieke motivatie: lokale autonomie
In het najaar van 1930 verschijnt bij Uitgeverij Oisterwijk zijn boekje Gemeentelijke
Zelfstandigheid. Staatkundig advies ter overweging bij gemeenteraadsverkiezingen
- een pleidooi voor lokale partijen die zich onverzoenlijk moeten opstellen
tegenover landelijke partijen en de Haagse politiek
Gemeentelijke zelfstandigheid, betoogt hij, is steeds een hoeksteen geweest van de Nederlandse staatsinrichting. Zij is weliswaar verankerd in de grondwet, maar in de alledaagse praktijk is die autonomie verdwenen en zelfs weggezakt uit het bewustzijn van de mensen. Hij roemt de oude stadstaten, zoals Brugge, die zich fier handhaafden tegenover de willekeur van vorsten en generaals. Ook in het Nederlandse Gouden Tijdperk bleek het federalisme van de Republiek de belangrijkste springveer van nationale en internationale expansie. Deze vergaande autonomie is niet alleen een 'overoude echt Nederlandsche instelling' maar vormt tevens het fundament van de 'West-Europeesche beschaving':
"De stedelijke regeerders van toen keken niet vragend naar de regeering in Den Haag, waren ook niet volgzaam jegens de voormannen hunner politieke partij, doch beoogden de belangen hunner stad, die evenwijdig liepen met hunne persoonlijke en familie-belangen. Zoo hebben zij de gemeentelijke zelfstandigheid meerdere eeuwen achtereen in stand kunnen houden, terwijl onze democratische regenten haar binnen een tijdsverloop van 25 jaar nagenoeg volledig verkwanseld hebben".
Na een uiteeenzetting van de wijze waarop gemeentelijke zelfstandigheid is vastgelegd in ons staatsrecht wil hij de lezer tonen hoezeer de praktijk van onze staatsinrichting strijdig is met de idee van lokale autonomie. Zijn hoon betreft vooral de ontembare bemoeizucht van de rijksoverheid die haar taken 'tot in het waanzinnige' heeft uitgebreid. In die expansiedrift zijn gemeenteraden en burgemeesters tot 'handlangers der rijksregeering' gereduceerd. Burgemeesters krijgen nu een landelijke, ambtelijke opleiding en hun diploma's zijn van groter belang dan hun leiderschapskwaliteiten. Zelfs 'eene zwakke persoonlijkheid' kan het tot burgemeester schoppen dankzij 'zijn meerdere technische vakkennis'. Ook het 'ambtenarencorps' ondergaat zo'n professionalisering waardoor een kleine elite 'achter den rug om van den zwakken raad' de grondwet tot een aanfluiting maakt. De moderne burgemeester, concludeert Verviers, is louter een staatsambtenaar die zijn benoeming dankt aan Den Haag en zijn promotie verwacht uit Den Haag. Onder deze omstandigheden wordt elke gemeentelijke zelfstandigheid verpletterd.
Vanuit bovenstaande overwegingen beschouwt Verviers democratie en staatsabsolutisme als onafscheidelijke bondgenoten: enerzijds bevordert democratie het proces van staatsinmenging, en anderzijds heeft staatsbemoeienis 'het masker der democratie' nodig om haar activiteiten te rechtvaardigen. De lokale bevolking is tenslotte het slachtoffer van die ontwikkelingen:
"Het resultaat van beide moderne zegeningen, waarop het ten slotte aankomt, is dit: dat de menschen van noord tot zuid en van 's morgens tot 's avonds laat gehinderd en zoo noodig getyrannizeerd worden door de handlangers der overheid; dat ze mogen betalen tot het hun groen en geel voor de oogen wordt en dat toch de openbare financien steeds meer ontredderd geraken; dat het economisch leven aan steeds heviger schokken bloot staat; en eindelijk dat alle menschen met elkaar, ook indien ze niet wilden, niet in staat zijn hun juk eenigszins dragelijker te maken".
Verviers bepleit een 'goede democratie', dat wil zeggen, een kiesrecht dat zich louter uitstrekt tot het kiezen van personen die men persoonlijk kent. Zo'n politicus dient een leider te zijn 'die zich zelf opwerpt' en het vertrouwen geniet van de massa. Bovendien dient zo'n leider te beseffen dat 'achter den rug van de heele kraam volksmisleiders' uiteindelijk het 'grootkapitaal' de touwtjes in handen heeft. In enkele pagina's somt hij de gestegen rijksuitgaven in de laatste twintig jaar op en laat hij zien hoe de overheidsschulden vervolgens worden afgewenteld op lagere overheden. Een nieuwe gemeentelijke politiek dient al haar mogelijkheden aan te wenden om de burger te beschermen tegen de centrale regering in Den Haag.
Allereerst is er behoefte aan sterke burgemeesters, schrijft Verviers in het tweede deel van zijn betoog waarin hij een alternatief voor de huidige impasse wil bieden. Een sterke burgemeester is een 'burgemeester-alleenheerscher', want 'in het bestuur door een man ligt zeer veel goeds'. Zaak is natuurlijk wel de juiste man te kiezen. Zo'n burgemeester dient te worden benoemd uit de leden van de gemeenteraad. Tot aan het begin van de twintigste eeuw geschiedde niet anders en deze praktijk heeft een uniek gehalte van burgemeesters opgeleverd. Invloedrijke lokale gestaltes, die het vertrouwen genoten van de bevolking, zagen het burgemeesterschap als een 'eere-ambt' dat ze doorgaans naast hun andere dagelijkse werkzaamheden uitvoerden. Het burgemeesterschap van een 'nevenberoep' dat op 'zuiveren burgerzin' berustte. Niet alleen resulteerde deze werkwijze in voortreffelijke burgemeesters, tevens werd de gemeentelijke zelfstandigheid gewaarborgd. Niet kennis, maar karakter bepaalde hun gezag. Verviers looft de burgemeesters Zimmermann (Rotterdam), De Gijselaer (Leiden) en Patijn (Den Haag) die hun populariteit bij de bevolking immers ontlenen aan hun campagnes tegen 'de ontwrichtende invloeden van democratische gemeenteraden' en tegen 'het staatsabsolutisme der centrale regeering'.
Indien de gemeentelijke zelfstandigheid teloor zal gaan worden we overgeleverd aan de politieke systemen die de Verenigde Staten en de Sovjet-Rusland karakteriseren, zo waarschuwt Verviers. Beide naties kenmerken zich door een politiek, sociaal en economisch centralisme dat tegen 'den aard der menschen' indruist. In Rusland worden mensen geknecht door een dwangmatige regelgeving; in Amerika heeft de democratie een smeltkroes doen ontstaan 'waaruit een rasloos bastaard geslacht is ontstaan van uniforme menschen, zonder sterk sprekende persoonlijkheid en zonder locaal karakter'. Beide 'afschrikwekkende stelsels' dienen te worden vermeden omdat ze niet aansluiten op 'onze historie en onze geaardheid'.
Aan het slot van zijn geschrift roept hij gemeenteraadsleden op in opstand te komen tegen de volksleiders en de gemeenteraad te beschouwen als een politieke organisatie die weerstand moet bieden aan absolutisme, willekeur en dwingelandij. Het is nog niet te laat, zegt Verviers, want ook in Italie en Spanje kon bijtijds 'orde op zaken worden gesteld'. Lokale gemeenten zullen de steunpunten van het nieuwe bewind moeten worden: 'hoe talrijker zij zijn, hoe vlotter het herstelwerk verloopen kan'. Om dit bewustzijn te bevorderen bepleit hij een Partij voor Gemeentelijke Zelfstandigheid die zich ten doel stelt 'het bedrog te ontmaskeren' en 'listige politieke partij-formatie' te dwarsbomen. Hij wil democratische middelen gebruiken om de gemeente te beschermen tegen de democratie. In gemeenten waar een burgemeester zijn ambt slechts ziet als een 'doorgangshuis voor zijn loopbaan' zal deze partij zich profileren als een 'anti-burgemeester-partij'. Daar waar de burgemeester het beginsel van de lokale autonomie uitdraagt, zal zo'n partij een bijdrage leveren aan zijn beleid.
Conservatisme als lokaal patriottisme
In 1931 stelt Verviers zich verkiesbaar voor de Oisterwijkse gemeenteraad:
een daad die voortvloeit uit zijn pleidooi voor gemeentelijke zelfstandigheid.
In politieke pamfletten hekelt hij opnieuw de rol van het grootkapitaal in
de lokale industrie, ageert hij tegen de hoge belastingen die Oisterwijkers
moeten betalen, en verzoekt hij arbeiders politieke besluitvorming toch vooral
over te laten aan 'meerbegaafden' die 'door de natuur zijn aangewezen als leiders
van de minderontwikkelden'. Tijdens de verkiezingen behaalt hij 262 stemmen
(10,2%) die vooral worden weggehaald bij de lokale Rooms Katholieke Staats
Partij (RKSP). Het levert hem een zetel in de raad op, maar omdat hij vanwege
een verblijf in het buitenland verzuimt zijn geloofsbrieven tijdig in te sturen
wordt het pluche toegewezen aan de tweede man op de lijst, Charles Graft. Deze
aannemer heeft connecties met de Algemene Nederlandsche Fascisten Bond (ANFB).
In 1934 neemt het zojuist opgerichte Zwart Front de draad op waar Verviers die heeft laten liggen. Met een even corporatistische hang naar het verleden en met moderne organisatie en propagandamiddelen weten Arnold Meijer, de uitgever Alphons van den Boogaard en Charles Graft grote steun in (en buiten) het dorp te verwerven. Als Meijer in september 1940 aan Seyss-Inquart een negentien pagina's tellend epistel stuurt waarin hij de geschiedenis en grondslagen van Zwart Front (en haar opvolger Nationaal Front) weergeeft, bekent hij dat de beginselen van zijn beweging geheel zijn gebaseerd op de ideeen van Verviers. Uiteraard spruit Meijers betoog voort uit opportunistische motieven, want Verviers is sinds 1936 redacteur van het NSB-periodiek Nieuwe Nederland. Maar er zijn ook grote overeenkomsten. Zowel Verviers als Meijer wijken in ideologisch opzicht af van hun beider idool Benito Mussolini. Wenste de 'Duce' als centralist aan iedere lagere zelfstandigheid (gemeente en provincie) een einde te maken, Verviers en Meijer staan op de bres voor lokale autonomie. Ook Zwart Front wil de corporatieve en Dietse staat laten aansluiten op historisch gegroeide terrritoriale grenzen, zoals parochie- en gemeentegrenzen. Ook voor Meijer en Zwart Front belichaamt de burgemeester de 'ontaarde staatsinmenging'.
Maar Verviers beinvloedt ook de lokale RKSP die zich in toenemende mate opwerpt tot spreekbuis van lokale belangen. Zo kiest de partij voor 'geheime thuisvergaderingen' zodat politieke eendracht kan worden gewaarborgd. Uit protest blijven katholieke en socialistische arbeidersraadsleden weg uit de raadsvergaderingen. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog betreurt burgemeester Verwiel de 'anti-burgemeester-houding' van zijn raad - hij weet zich gesteund door een kleine oppositie van de katholieke arbeiderspartij en de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP).
Verviers heeft zich nooit aangesloten bij Zwart Front maar is zich altijd fascist blijven noemen (volgens eigen zeggen was hij de eerste fascist in Nederland, nog voor Mussolini in Rome de macht greep). Diep onder de indruk van Adolf Hitler - die 'een nieuw tijdperk opent in de geschiedenis der mensheid' - wordt hij redactieleider van Nieuw Nederland. Alhoewel Zwart Front zich verzet tegen de 'onnederlandse' NSB blijft Meijer sympathie koesteren voor Verviers en zijn periodiek dat hij 'het enige goede NSB-blad' noemt. Na de oorlog zou Verviers, in tegenstelling tot Meijer, niet worden vervolgd.
Zonder twijfel was Emile Verviers een overtuigde conservatief, al nam hij stelling tegen ieder 'zinnelijk conservatisme', dat wil zeggen, tegen het berusten in de teloorgang van de lokale autonomie. Het door hem beoogde 'zedelijk conservatisme' - of eerherstel van 'de voogdij van het algemene gezag' - nam de gedaante aan van een militant lokaal patriottisme dat een tegenwicht zou moeten bieden aan 'de dwingelandij van Den Haag', een thema dat ook vandaag nog opklinkt in tal van lokale partijen. Dat hij zijn patriottisme reserveerde voor 'door de natuur aangewezen leiders' - waartoe hij ongetwijfeld zichzelf rekende - werkte in het interbellum al op de lachspieren. De 'minderontwikkelden', voor wie Verviers zo graag als spreekbuis had willen optreden, hadden zo hun eigen gedachten. Want in een pamflet van de katholieke arbeiderslijst in Oisterwijk spreken twee arbeiders in dialect en met veel ironie over het streven van deze uitverkorene:
Kees: "We wies Verviers mee zinnen aanhang?"
Bart: "Ja Kees, ik geleuf det ie meer gezeid hee es ie wies en es ie wor
kon maoken. Der was niks goed in Osterik, ginnen burgemister, geen peliesie,
geene raod niks, alles mos aanders zen".
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |