Index of /Wijsbegeerte in Nederland/1996 De wijsbegeerte van het fin de siecle

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1996 De wijsbegeerte van het fin de siecle.pdf   20.09.2004 84kB -

1996

NEDERLAND EN DE WIJSBEGEERTE VAN HET FIN DE SIECLE

door Henri Krop & Siebe Thissen


Het woord 'fin de siècle' wordt ter aanduiding van een groot aantal veelsoortige verschijnselen in het Europese geestesleven van rond de eeuwwende gebruikt, zo stelt Walter Laqueur in een recent essay. In Frankrijk betekende het vooral 'modern', 'verfijnd', 'geraffineerd' en een gebrek aan ernst, terwijl men elders de uitdrukking kan tegenkomen als synoniem voor symbolisme, estheticisme, narcisme en de cultus van de verveling. De term verschijnt voor het eerst in de jaren tachtig. Laqueur geeft het voorbeeld van een toneelstuk, waarin een Turkse bankier tegen de Fransen zegt dat zij niets meer ernstig kunnen nemen. "Als Jezus Christus, Mohammed, Karel de Grote of Napoleon nu weer zouden leven, dan zou men niet langer dan een week belangstelling voor hen hebben". In Frankrijk staat het fin de siècle voor een wijd verspreid gevoel van malaise, dat volgens Laqueur zijn oorzaak vond in het verlies van de oorlog tegen Pruisen in 1871. Frankrijk zou op alle fronten overweldigd worden door Duitsland en zowel op economisch, sociaal als cultureel gebied door dit land worden voorbijgestreefd. Rond 1905/1906 slaat het geestelijk klimaat in Frankrijk om zonder dat er directe oorzaken voor aan te wijzen zijn. In Engeland is al een tiental jaren eerder met de aanhouding en veroordeling van Oscar Wilde het fin de siècle ten einde.

In Duitsland werd in de discussie over de tijdgeest vooral aandacht besteed aan de ziekelijke ontaarding van de mens, de maatschappij en de cultuur. In 1893 schreef de nu vergeten schrijver en publicist Max Nordau (1849-1923) in een toentertijd beroemd - berucht? - tweedelig werk getiteld Entartung, dat onder meer in het Italiaans, Frans, Zweeds, Engels, Japans, Grieks, Russisch en Nederlands vertaald werd - een laatste herdruk in 1968! "Hysterie en ontaardheid hebben altijd bestaan. Zij komen over het algemeen slechts zelden voor en hebben geen wezenlijke invloed op het geheel van het maatschappelijk leven. Slechts de volledige geestelijke uitputting van onze generatie, die door een vloed van ontdekkingen overspoeld wordt, schiep de voorwaarden waaronder deze ziekte zich kon verspreiden en tot een bedreiging worden voor de beschaving." De stemming van het fin de siècle is: "als de onmachtige wanhoop van een stervende te midden van de onbarmhartig bloeiende natuur. De afgunst van een wellustige rijkaard die een paar jonge vitale geliefden in een bos begluurt. Als eigen aan de geest van zijn tijd zag Nordau de minachting voor traditionele waarden en gebruiken en een gebrek aan inzicht in wat waar en onwaar is. Een tiental jaren eerder schreef hij Paradoxe der konventionellen Lugen, een cultuurkritisch werk, waarvan eveneens honderdduizenden exemplaren werden verkocht. Hierin viel hij in het voorwoord aan de ene kant de overgeleverde wereldbeschouwingen aan zoals het Rooms katholicisme en het socialisme, die als 'grote verhalen' hebben afgedaan en aan de andere: kant "de kunstenaars en schrijvers die zich zelf verheerlijken als de scheppers van een nieuwe kunst en de boodschappers van een nieuw tijdperk." Dit is een verschijnsel dat men ernstig moet nemen, want "boeken en kunstwerken hebben een groot inspirerend vermogen. Uit hen put een tijd zijn zedelijke en esthetische idealen." Deze geäxalteerde nieuwlichters - en Nordau dacht hierbij onder meer aan Nietzsche en Wagner - zijn als dégénérés te beschouwen. Zulk soort geesteszieken vindt men dus niet,alleen onder misdadigers, anarchisten en prostituées, maar volgens Nordau in zijn tijd vooral onder kunstenaars en filosofen. Hij was er zich van bewust dat zijn denkbeelden hem niet populair zouden maken: "het lot van degene die de moed heeft te laten zien dat de artistieke modes vormen van intellectuele degeneratie zijn is verschrikkelijk. De schrijvers of kunstenaars, die ontmaskerd zijn als een charlatan of lijdend aan een geestesziekte zullen het hem nooit vergeven." Nordau had hierin gelijk want zijn scherpe aanval op Nietzsche heeft er niet weinig toe bijgedragen dat deze uit de Dubbelmonarchie afkomstige journalist die voor het grootste deel van zijn leven in Frankrijk woonde, snel vergeten werd.

Hoewel Nordau het begrip 'Entartung' in de karakterisering van zijn tijd centraal stelde, betekende dit geenszins dat hij een pessimist was. Zo meent hij in Die konventionellen Lügen der Kulturmenschheit (1883), zijn eerste cultuurfilosofisch werk, dat de ontwikkeling van de natuurwetenschappen tot de ontmaskering van onwaarachtig geworden traditionele wereldbeschouwingen zullen leiden èn in 1921 schreef hij Die Biologie der Ethik, een geschiedfilosofisch werk, waarin hij de menselijke evolutie uit een staat van onwetenheid, oorlog en barbarij tot een toestand van solidariteit en vrede schildert. Volgens Laqueur leidde het fin de siècle nergens in Europa tot een werkelijke ondergangsstemming. De jaren negentig was een tijd van economische crisis, zowel in de Verenigde Staten als Duitsland, terwijl Frankrijk door de affaire Dreyfus op de rand van een burgeroorlog terecht kwam. Toch, zo laat Laqueur zien, werd de komst van de nieuwe eeuw optimistisch begroet. De hoofdredactie van Le petit Parisien bijvoorbeeld schreef dat de mensheid met recht de nieuwe eeuw met vreugdekreten kon verwelkomen. De enige uitzondering is Rusland. Onder de intelligentsia en ook onder andere delen van de bevolking bestond veel ontevredenheid. De meest invloedrijke negentiende-eeuwse Russische wijsgeer Waldimir Soloview (l843-1900), verkondigde in de laatste jaren van zijn leven dat het einde van de wereld nabij was.

De belangrijkste conclusie die Laqueur uit zijn overzicht van de culturele ontwikkelingen even voor 1900 trekt, is dat het fin de siècle, ook al was het Europees verschijnsel, toch in de verschillende landen grote verschillen vertoont, die even in het oog vallend zijn als de overeenkomsten. De tijdgeest is misschien minder vaderlandloos als soms gedacht wordt. Dit betekent dat de resultaten van het onderzoek naar bijvoorbeeld het Weense fin de siècle (Schorske) niet zonder meer van toepassing zijn op het Nederlandse geestelijk klimaat rond de eeuwwende. Deze overtuiging vormde voor de werkgroep Sassen één van de twee aanleidingen om een studiedag te organiseren (3 december 1994) over het fin de siècle tegen de achtergrond van Jan Romeins klassieker Op het breukvlak van twee eeuwen. Het is in het licht van bovenstaande conclusie van Laqueur merkwaardig om te zien dat de schrijver van de Erflaters in dit werk bijna uitsluitend aandacht bestoedt aan ontwikkelingen in Frankrijk, Duitsland en Engeland en dus impliciet uitgaat van een Europees fin de siècle. Op grond van het materiaal dat in deze bundel is bijeengebracht, hebben wij getracht een aantal hypothesen te formuleren die een uitgangspunt kunnen vormen voor verder onderzoek naar het Nederlandse fin de siecle.

De eerste stelling die wij naar voren zouden willen brengen is dat men ten onrechte het fin de siècIe laat beginnen met de Tachtigers. In enkele bijdragen komt naar voren dat op wijsgerig gebied het gezag van de Nederlandse 'wijsbegeerte der ervaring' al in het begin van de jaren zeventig ernstig wordt aangetast door de problemen die rijzen rond het begrip causaliteit. In de literatuur wordt wel gesteld dat het fin de siècle een gevolg is van de crisis van het positivisme. Dit geldt ook voor Nederland. Het is echter opvallend dat geen enkele andere wijsgerige stroming in Nederland rond de eeuwwende een dominante positie weet te verwerven. Noch hegelianisme van Bolland, noch het psychisch monisme van Heymans, noch één of andere vorm van kantianisme zijn in staat een echte school te vormen en leerlingen te kweken die op leerstoelen aan andere universiteiten dan de eigen thuisbasis benoemd worden. Ondanks de verschillen en tegenstellingen - het fin de siècle is de tijd van grote polemieken - worden allen beheerst door het verlangen aan de 'bagne materialiste' (Claudel) te ontkomen. Hoewel het materialisme in Nederland nooit veel aahangers heeft gehad - zelfs marxisten hadden in deze periode moeite zich als materialist te beschouwen - is het verzet tegen het materialisme van de natuurwetenschap een constante in deze periode. Toch heeft dit in Nederland nooit geleid tot een hausse van irrationalisme van schopenhaueriaanse of nietzscheaanse snit. Bij ons weten hebben geen Nederlandse filosofen een poging gedaan de natuurwetenschappen als zodanig te diskwalificeren, maar wel kende men hun niet langer een exclusieve kennistheoretische status toe. Er bestond geen eenstemmigheid meer over de vraag of de ontwikkeling in de wetenschappen tevens leidde tot maatschappelijke en morele vooruitgang.

De constatering hiervan bracht filosofen samen - hoe uiteenlopend hun programma's ook waren - en in dit klimaat ontstond het Tijdschrift voor Wijsbegeerte. Het dualisme, de voortdurende accentuering van de tegenstellingen tussen geest en stof, individu en maatschappij, noodzakelijkheid en vrijheid, nativisme en opvoeding, en tussen wetenschap en leven, vormt een grondtoon van het Nederlandse fin de siècle. Gerlof Verwey's typering van Heymans' filosofie als een 'wetenschappelijke soteriologie' - een rechtvaardiging van de speurtocht naar metafysische waarheid naast en dankzij de wetenschappen - lijkt voor de Nederlandse filosofie als geheel opgeld te doen.

Op de tweede plaats is de crisis van het positivisme tevens een crisis van het liberalisme. Dit is alleen al het geval vanwege het feit dat de meeste academische wijsgeren ook actief waren in de liberale politiek. Aan het einde van de 19de eeuw vindt een belangrijke verandering plaats van de aard van het kapitalisme. De economie die godomineerd werd door de vrije markt verandert in een waarin grote bedrijven de boventoon gaan voeren. Menig filosoof kritiseerde het liberale 'laissez faire', dat men als één van de oorzaken van de agrarische crisis in Nederland beschouwde. Een sterke eendrachtige staat - bijvoorbeeld naar de ideeën van Spinoza of Bismarck - zou immuun maken voor crises van de internationale economie. In 1877 merkte Van der Wijck op: "De hedendaagsche liberaliteit wortelt voor een deel in de veelheid der meningen en daaruit voortvloeiende onmacht, voor een ander deel in twijfel en ongeloof." Ook de spinozist Marius Lotsy trok in De Nieuwe Gids fel van leer tegen het krachteloze liberalisme dat zou voortspruiten uit 'de impotentie van de liberale partij, even opwekkend en prikkelend als een afgeloopen speeldoos'. Het liberalisme zou louter oog hebben voor politieke kwesties en weigeren economische vraagstukken helder onder ogen te zien. Het liberalisme zou daardoor zijn verworden tot een conservatisme. Willem Meijer brak in 1879 op een geruchtmakende wijze met de liberale partij. Hij richtte met vrienden de radicale kiesvereniging Volksbelang op. Zijn doel was een nieuw liberalisme, waarin staat en maatschappij synoniem waren. Het programma was volledig geschoeid op dat van Bismarck - een staatsman die hij zijn gehele leven zou bewonderen. Dit liberalisme loopt vooruit op de latere Vrijzinnig Democratische Partij van Arnold Kersdijk. Opmerkelijk is tevens dat Meijer - net als Bierens de Haan later - overtuigd raakte van de relevantie van Spinoza's staatsleer toen hij werkzaam was als landbouwer en de agrarische crisis aan den lijve ondervond.

Vanaf de jaren zevenig wordt verder het liberalisme zowel links als rechts aangevallen vanwege zijn 'niet-democatisch' karakter. De aan het eind van 19de eeuw ontstane massabewegingen als het nationalisme, het socialisme en het confessionalisme hekelden de pretentie van het liberalisme uit naam van het hele volk en alle 'redelijke" mensen te spreken. Aan de ene kant keerde Kuyper bijvoorbeeld zich tegen het liberale 'staatsabsolutisme', zoals men dit bij Pierson en Opzoomer, maar ook bij hun zeventiende-eeuwse voorvader Spinoza zou vinden. Uit naam van de vrijheid zouden zij zowel in kerk als in staat gepoogd hebben aan een meerderheid van andersdenkenden het denkbeeld van een ongelovige staat op te leggen. Aan de andere kant vindt men bij de socialisten de kritiek dat het liberalisme in wezen enkel de 'ideologie' van één klasse is.

Ten slotte kenmerkt de periode omstreeks de eeuwwisseling zich door een crisis van het christendom, die voor een deel verooraakt werd door de verwetenschappelijking van de theologie. Zo was in de radicale bijbelkritiek de historische Jezus vervluchtigd tot een mythische figuur, die elke band met de door de kerken beleden Christus verloren had. De vergelijkende godsdienstwetenschap maakte verder de claim van de liberale theologie dat het christendom de meest superieure vorm van godsdienst was ongeloofwaardig. In Nederland treedt rond de eeuwwende dan ook voor het eerst een generatie filosofen op voor wie het lidmaatschap van een kerk niet langer vanzelfsprekend is. Dat wil niet zeggen dat de filosofen breken met het 'theologische vertoog'. Velen blijven christenen zonder kerk of maçons zonder schootsvel. Dit wordt onder meer zichtbaar in de groeiende aanhang van de zogenaamde 'petites religions', de theosofie, het spinozisme en andere modieuze filosofische trends, gecombineerd met een verlangen naar seculiere 'kloostergemeenschappen' als Walden of 'Larenblaricum'. Als resultaten van de schoolstrijd werden instituties als de staat en de school weliswaar volledig godsdienstig neutraal, maar het publieke vertoog bleef religieus van toon en vervuld van heilsverwachtingen. Het duidelijkst blijkt dit in de niet-academische filosofie. Een spreekbuis als Van Vloten werd door een criticus ervan beschuldigd niet het wijsgerige verlangen naar een 'helder hoofd' te hebben, maar een onverholen voorkeur te tonen voor de filosofie van 'het warm zwellend hart'. Spruyt zei over hem: "Men ziet, dat ook de heer Van Vloten tehuis behoort onder de wijsgeeren uit het begin deze eeuw, die hun catheder voor een kansel aanzagen. Wie kan zich toch een helder denkbeeld vormen van 'het oneindige leven aller dingen', 'de oneindig bezielde werkelijkheid' enz.? Aandoeningen kunnen zulke klanken wekken, maar begrepen kunnen ze niet worden".

Reeds in 1877 zag de filosoof en oriëntalist Land in deze filosofische opleving dan ook een soort proto-new-age-beweging alwaar 'de zelfingenomen eclecticus' en de 'kristen-wijsgeer' - de prototypes van de Nederlandse filosofie - naar de achtergrond verdwenen om plaats te maken voor 'salonvrijdenkers' en 'dichter-wijsgeeren'. We kunnen hier denken aan de groeiende invloed van denkers en dichters als Junghuhn, Van Vloten, Multatuli, Van Limburg Brouwer en Vosmaer, die allen een bijzondere belangstelling voor de Oosterse filosofie aan de dag legden. Ook werd hier een eerste basis gelegd van de theosofie in Nederland: een stroming die zou floreren gedurende het fin de siècle.

Terecht werd in deze bundel veel aandacht besteed aan de 'hegelarij' van G.J.P.J. Bolland, een typisch Nederlands product. Als ergens de juistheid van Laqueurs these blijkt dan hier: de vergelijking met Italië laat zien hoezeer elk land zijn eigen neo-idealisme gekend heeft. In zijn studie Hegel en onze tijd verklaarde A.J. de Sopper de herleefde belangstelling voor het hegelianisme uit het feit dat geestelijk en kerkelijk onthechte mensen naarstig zochten naar 'philosophigheid en diepdoenerij' om 'tegen den goedkoopsten prijs het nieuw aan de markt gebrachte wijsgerig besef' te kunnen consumeren. Doordat het christendom zijn vanzelfsprekendheid verloor ontstond tevens een vrije markt van wereldbeschouwingen. De levensovertuiging is niet langer een kwestie van traditie, maar van een bewuste keuze, waaraan een proces van 'bekering' vooraf gaat. Zinsneden in de biografie van Nordau als zijn 'ontwaken als jood' en zijn prediking van de zionistische 'boodschap van de opstanding van het volk aan heel Israel' zijn dan ook typerend voor het vertoog van het fin de siècle.

De versplintering van wereldbeschouwingen had echter op haar beurt een behoefte aan afgeronde stelsels tot gevolg, 'om met een breeden philosophischen armzwaai in een ommezien allerlei problemen op te lossen'. Immers: 'het cement van de samenleving laat los'. Filosofische stelsels van een hermetische aard (theosofie, spinozisme, zuivere rede, enzovoort) beroerden kortstondig velen en bepaalden de kleur van het wijsgerig leven in Nederland omstreeks de eeuwwisseling. Echter, zoals hierboven al werd opgemerkt, schoolvorming aan de academies bleef uit en filosofieën als het spinozisme of de hegelarij bleven eilanden die nauwelijks invloed hadden op de vakwetenschappen van hun dagen. Desondanks bloeide het wijsgerig leven in de rest van de samenleving, verscholen in verenigingen en volkshogescholen, en vaak onder de hoede van een charismatische filosoof die optrad als de herder van zijn kudde: "Wie de absolute waarheid heeft ontdekt of uitgevonden, en met een behoorlijke dosis zelfaffirmatie als leermeester der wijsheid optreedt om anderen in haar tempel binnen te leiden, is de man van den dag". Dat hier allereerst werd gedoeld op filosofen als Bolland, Bierens de Haan en Meijer moge voor zich spreken.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -