| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1996 De hand waarmee ik schrijf.pdf | 25.01.2004 | 198kB | - |
'De hand waarmee ik schrijf is niet mijn buurmans hand'
een wijsgerige polemiek tussen Bierens de Haan en Pannekoek
in De Kroniek (1901)
In het jaar 1901 werden de kolommen van het weekblad De Kroniek gebruikt voor
een polemiek tussen de filosoof Johannes Diederik Bierens de Haan en de sterrenkundige
Antonie Pannekoek. De inzet van het debat - bestaande uit zeven bijdragen -
betrof de houdbaarheid of onhoudbaarheid van het historisch materialisme; een
filosofie die het wetenschappelijk socialisme pretendeerde te rechtvaardigen.
Om meerdere redenen is een nadere bestudering van deze controverse de moeite
waard. Allereerst kende het Nederlandse geestesleven geen zuiver-filosofisch
tijdschrift en vonden controverses vooral plaats in tijdschriften van een meer
algemeen-culturele aard - we kunnen hier denken aan De Gids (opgericht in 1837),
De Dageraad (1855), De Nederlandsche Spectator (1860), De Levensbode (1866)
en De Humanist (1882), maar ook aan de nieuwe media die zich sinds de jaren
tachtig aan het publiek presenteerden, waaronder De Nieuwe Gids (1885), De
Kroniek (1894), Tweemaandelijksch Tijdschrift (1895), De Nieuwe Tijd (1896),
Onze Eeuw (1901) en De Beweging (1905). De Kroniek-controverse tussen Bierens
de Haan en Pannekoek mag exemplarisch worden geacht voor een wijze waarop in
Nederland werd gefilosofeerd. Bovendien is ook dit periodiek representatief
voor het culturele en sociale leven van die dagen; De Kroniek werd in 1894
opgericht door de socialist Pieter Lodewijk Tak die na zijn breuk met Willem
kloos de redactie van De Nieuwe Gids had verlaten.
Op de tweede plaats vertegenwoordigen de deelnemers aan deze controverse twee
expliciete attitudes of richtingen die kenmerkend mogen worden geacht voor
het wijsgerig leven tijdens het fin de siecle. Bierens de Haan was de spreekbuis
bij uitstek van de zogenaamde 'wijsgerige beweging'; een vooral buiten-academische
traditie die omstreeks 1900 uitgroeide tot een geduchte 'concurrent' van de
gevestigde, academische filosofie. Deze 'beweging' van filosofen en parafilosofen
wilde de teloorgang van het filosofische denken - veroorzaakt door de toenemende
exclusiviteit van de exacte wetenschappen - een halt toe brengen en beschouwde
de wijsgerige bespiegeling van groot belang voor de doorgronding van de mechanistische,
verzakelijkte en 'dieszeitige' samenleving. Pannekoek daarentegen maakte deel
uit van een nieuwe en succesvolle generatie natuurwetenschappers die ook Europese
en zelfs mondiale faam wist te verwerven. Sinds 1900 boekten vaderlandse scheikundigen
(Van 't Hoff), natuurkundigen (Lorenz, Zeeman, Van der Waals) en wiskundigen
(Brouwer) grote wetenschappelijke successen. Maar deze exacte wetenschappers
waren beslist niet de anti-filosofen, waar Bierens de Haan en andere cultuurcritici
hen soms voor aanzagen. Voor de wetenschapper-wijsgeer bestond de taak van
de filosofie vooral uit een bezinning op de grondslagen der afzonderlijke vakwetenschappen
en het is niet verwonderlijk dat het criticisme en Kant hier floreerden. Ieder
post-kantiaans idealisme werd strijdig geacht met de beginselen van het wetenschappelijk
onderzoek, met de grondslagen van de ervaring, waardoor idealistische bespiegelingen
als anachronistisch werden gediskwalificeerd. Omstreeks 1895 meende Gerard
Heijmans, psycholoog en filosoof te Groningen, dat het geslacht dat nog in
een post-kantiaans idealisme geloofde volledig was uitgestorven. Het bleek
een voorbarige conclusie - Bolland stond immers voor de deur - maar zijn opmerking
verwees wel degelijk naar de filosofische atmosfeer aan de academies. Wilde
een filosoof nog speculeren, zo opperde Antonie Pannekoek enkele jaren later,
dan kon hij beter psychologie gaan studeren - een vakgebied dat Heijmans dan
ook uitstekend beheerste.
Op de derde plaats is de controverse de moeite waard omdat in deze periode
de polemiek het intellectuele instrument bij uitstek was dat door velen werd
gekoesterd. De polemiek bood een gelegenheid de eigen opvattingen helder te
formuleren; debatteren maakte de sfeer van een blad meer levendig; en na afloop
konden geinteresseerde lezers zelf hun standpunten bepalen - de belangstelling
voor een 'wereldbeschouwing' of 'levensleer' was immers groot tijdens het fin
de siecle. Zo debatteerde Bierens de Haan ook onder meer met de natuurkundige
Van der Waals jr. en de psycholoog Jelgersma.
Ten slotte geeft de polemiek blijk van de pluriformiteit van het socialisme
tijdens de eeuwwisseling; het socialisme scheen een grote paraplu waaronder
een veelvoud aan collectivistische en individualistische opvattingen en varianten
schuil ging. Pannekoeks 'wetenschappelijk socialisme' en Bierens de Haans 'transcendentaal
socialisme' stonden op de achtergrond van deze polemiek lijnrecht tegenover
elkaar en bleken onoverbrugbaar.
1. De actoren
Zowel Bierens de Haan (1866-1943) als Pannekoek (1873-1960) hebben een belangrijke
rol gespeeld in het wijsgerige en culturele leven van de eerste helft van
de twintigste eeuw. Beiden groeiden zij op aan het einde van de vorige eeuw
en waren zij actief betrokken bij de mentale, culturele en politieke controverses
van hun dagen. Pannekoek maakte als overtuigd marxist deel uit van de socialistische
intelligentia en verdedigde met Herman Gorter en Henriette Roland Holst een
onafhankelijk marxisme - tevens was Pannekoek als medewerker verbonden aan
het in 1894 opgerichte tijdschrift De Kroniek. In dit weekblad zwaaide de
socialistische theoreticus Frank van der Goes de scepter en hier werd een
eerste poging gedaan een Nederlands theoretisch marxisme te formuleren. Van
der Goes was in 1899 de eerste Nederlandse marxist die benoemd werd aan de
universiteit van Amsterdam. Bierens de Haan was ook verbonden aan De Kroniek
maar bleef, in tegenstelling tot Van der Goes, de esthetici van Tachtig trouw
en wierp zich op als de filosoof van de kunst en het occulte. Hij keerde
zich tegen de merites van de moderne samenleving (arbeidsdeling, industrialisatie,
verstedelijking, consumentisme en natuurvernietiging) en zocht om die reden
naar een filosofische rechtvaardiging van zijn denken - een rechtvaardiging
die hij vooral vond in het werk van Spinoza. Bovendien was hij de stuwende
kracht achter de oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte in 1907,
het eerste filosofische periodiek sinds ruim honderd jaar en het zichtbare
bewijs van de toegenomen aandacht voor de filosofie in de meer algemeen-culturele
tijdschriften. Kortom, zowel in de redactie als in de kolommen De Kroniek
van 1901 stonden modernisten en anti-modernisten tegenover elkaar.
Het is verder opvallend dat beide denkers ook vandaag weer in de belangstelling
staan van historici. Bierens de Haan was onlangs onderwerp van discussie in
het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte (ANTW) alwaar Frans Jacobs
een voorlopige studie presenteerde naar het beleid van dit tijdschrift aan
de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Bierens de Haan was niet alleen de
oprichter van het in 1907 gestichte filosofische tijdschrift, tot aan zijn
dood bleef hij bovendien, in de hoedanigheid van voorzitter, de onbetwiste
leidsman van dit blad. In 1936 ontving hij uit de handen van H.J. Pos een ere-doctoraat
voor zijn activiteiten ter bevordering van het wijsgerige denken. De kring
rondom 'zijn' tijdschrift leverde niet alleen overtuigde nationaal-socialisten,
zoals de hegeliaan Tobie Goedewaagen en de spinozist Johan Herman Carp maar
zuiverde tevens de redactie van zijn joodse medewerkers. Herman Wolf en Leo
Polak, twee bekende filosofen uit het interbellum, werden hiervan het slachtoffer.
De rol van Bierens de Haan betrof wellicht, suggereert Jacobs, meer dan enkel
een figurantenrol.
Als zijn absolute tegenpool kan de 'anti-fascist' Antonie Pannekoek worden
opgevoerd. Sinds de ondergang van het staatssocialisme, gesymboliseerd door
de val van de Berlijnse Muur, schijnt de belangstelling voor utopieen en minder
dogmatische varianten van het socialisme weer teruggekeerd. Het filosofisch
tijdschrift Krisis publiceerde onlangs een nummer over de herleving van de
utopieen en ook Pannekoek lijkt te profiteren van een hernieuwde kennismaking
met het socialistische erfgoed. Zo promoveerde Jasper Schaaf vorig jaar te
Groningen op een biografie van Jozeph Dietzgen, de 'filosoof van het proletariaat',
zoals Marx hem noemde. Pannekoeks dialectisch-materialisme was grotendeels
gebaseerd op dat van Dietzgen. Ook verschenen reprints van oude werken en werd
in een recente Duitse bloemlezing, Marxistischer Anti-Leninismus, veel ruimte
gereserveerd voor Pannekoeks conceptie van het zogenaamde radencommunisme.
In Duitsland is Pannekoek geen onbekende: hij was immers jarenlang als docent
verbonden aan de Duitse sociaal-democratische partijschool. Ook oefende hij
enige intellectuele invloed uit op Lenin (maar brak hij in de jaren twintig
met het communisme). Maar Pannekoek was niet louter een politiek theoreticus
- zijn invloed liet zich ook op het terrein van de sterrenkunde gelden: we
kennen hem vandaag als de grondlegger van de theorie van de sterspectra en
de steratmosfeer. Van 1924 tot 1943 was hij bovendien als hoogleraar verbonden
aan de Universiteit van Amsterdam en aldaar tevens directeur van het Astronomisch
Instituut. Hij rekende de astrofysica, de bouw van het melkwegstelsel en de
geschiedenis van de sterrenkunde tot zijn persoonlijke aandachtsgebieden.
In de onderhavige polemiek profileert Pannekoek zich niet als een orthodoxe
marxist, maar eerder als een Dietzgeniaan. Het lezen van Karl Marx acht hij
niet noodzakelijk omdat Dietzgen als 'een onzer voortreffelijkste voorgangers
[...] de hoofdtrekken deze filosofie in systematischer samenhang in verschillende
geschriften [heeft] ontwikkeld'.
Maar in 1901, bij de aanvang van hun controverse, stonden beide denkers nog
aan het begin van een lange intellectuele loopbaan. Bierens de Haan verdedigde
als Kroniek-medewerker tegenover het materialisme en positivisme een wat warrige
en eclectische idealistische filosofie, terwijl zijn collega Pannekoek de geschiedenis
van de filosofie en het denken van Kant een centrale rol in zijn wereldbeschouwing
toedichtte.
2. Een esthetische stellingname tegen 'die verfoeilijke productiewijze'
Zoals gezegd, Bierens de Haan was een typische vertegenwoordiger van de 'wijsgerige
beweging', dat kon ook moeilijk anders, want hij bedacht die term in 1907
in feite zelf. Ter gelegenheid van de presentatie van het eerste nummer van
het Tijdschrift voor Wijsbegeerte schreef hij: "Doch de reden zijner
oprichting zij gaarne vermeld. Deze is: het bestaan eener wijsgeerige beweging
in Nederland. Vanwege deze wijsgeerige beweging is de oprichting van het
tijdschrift nodig geworden; en zoo het tijdschrift voor Wijsbegeerte een
orgaan kan heeten, is het een orgaan dezer beweging, in welke verschillende
geestes-stroomen te zamen loopen". En inderdaad, verschillende richtingen
en onverzoenlijke filosofische stellingnames mochten van Bierens de Haan
in het blad naast elkaar bestaan. "Het is merkwaardig te zien, hoe geheel
wijsgeerig Nederland in zijn bontste schakeering zich gewillig heeft geschaard
rondom deze leider. Geen ander zou in een dergelijke onderneming zoo goed
hebben kunnen slagen. De goedgeloovige Kohnstamm stond naast den apostel
der vrijdenkerij W. Meyer op het titelblad. Zeldzame antipoden treffen wij
onder de medewerkers aan: Bolland-Heymans, de Hartog-Ovink, Mannoury-Pit.
Maar de zaak is, dank zij de wijsheid en geziene figuur van den hoofdredacteur
geslaagd". Toch heerste er ook een optimistisch gevoel van eenheid in
deze kring, het gevoel dat de filosofie opnieuw als 'wellevensconste' (Coornhert)
antwoorden zou kunnen bieden op vragen die voortvloeiden uit de problemen
van de moderne samenleving. De 'moderne tijd' zou in toenemende mate 'dieszeitig'
zijn geworden waardoor ons 'het Eeuwige [...] als een onbereikbaar Jenseits'
uit de handen glipt. Deze ernstige constatering rechtvaardigde volgens Bierens
de Haan het nieuwe tijdschrift - dit werd dan ook geen 'vakblad', maar juist
een 'kultuurblad'. Als boosdoeners noemde hij: een onmogelijkheid om achter
het 'konkrete, verdeelde, bizondere en veelvormige [...] de diepzinnige waarheid
van het Eene en Algemeene' te achterhalen; 'de voortgezette verdeeling van
allen arbeid'; 'een onnoembaar vermeerderde produktie van voorwerpen voor
nutsgebruik en genot'; en, voorlopig ten slotte, 'de volmaking van het industriewezen
en der verkeersmiddelen'. Het is een cultuur- en civilisatiekritisch programma
dat ons doet denken aan Britse esthetici als John Ruskin en William Morris,
maar ook aan Duitse en Franse wetenschapscritici als Nietzsche en Guyau die
allen stelling namen tegen de merites van de moderne maar 'kultuurlooze'
samenleving. Met andere woorden, inhoudelijk-filosofisch waren de wijsgeren
sterk verdeeld, maar programmatisch stemden zij overeen in hun kritische
houding ten opzichte van een 'dieszeitige' samenleving die de filosofie had
gedegradeerd tot de slavin van de vakwetenschappen.
Alhoewel nog niet altijd programmatisch gearticuleerd was die atmosfeer reeds
duidelijk voel- en tastbaar in periodieken als De Nieuwe Gids en De Kroniek.
Volgens de filosoof Arthur de Sopper werd de periode omstreeks de eeuwwisseling
beheerst door een behoefte aan 'philosophigheid en diepdoenerij'. Filosofie
was zeker ook een modieus verschijnsel en geestelijk onthechte en buitenkerkelijke
Nederlanders meenden in de wijsbegeerte antwoorden te vinden op de meest uiteenlopende
vragen die de moderne samenleving betroffen. Volgens De Sopper hadden veel
mensen het gevoel dat ze in de greep van 'het exacte' waren geraakt. De moderne
mens dacht nog louter 'oeconomisch' en zou geleidelijk verworden tot 'een verlengstuk
van de machine [...] afhankelijk van het machinale raderwerk'. Wetenschap en
positivisme hadden hem verlaagd 'tot eene zaak, tot een rad'. Als alternatief
kozen velen voor een filosofie die 'geaffirmeerd' diende te worden, voor een
levensleer die ervaren en doorleefd kon worden. Dit denken mocht niet afhankelijk
zijn van een doel ver in de toekomst - zoals het socialistische Utopia of het
christelijke Paradijs - maar diende onmiddellijk in het hier en nu te worden
geaffirmeerd. Aan het einde van de eeuw was een bont landschap ontstaan van
bladenredacties, loges, genootschappen, wijsgerige verenigingen, volksgebouwen,
salonbibliotheken en kolonies dat uitdrukking gaf aan een bloeiend buiten-academisch
wijsgerig leven.
De beweging telde vooral leken die tot voor kort nog in volstrekte onschuld
verkeerden wat betreft de wijsbegeerte. Vrijmetselaars, spiritisten, naturalisten,
determinsten, theosofen, Rozenkruizers, anarchisten, kunstenaars, kolonisten
en ethische socialisten gaven expressie aan een schier 'verborgen' cultuur
die zijn weerga in Europa niet kende. Zo telde de theoloog Pieter Daniel Chantepie
de la Saussaye in 1914 ruim vijfhonderd actieve theosofen in Nederland, evenveel
als in het zo occult geachte Frankrijk, en ruim het vijfvoudige van de aanhang
in Duitsland. In 1896 werd Gerardus Bolland in Leiden tot hoogleraar benoemd.
Bolland had charisma, was even cultuurpessimistisch als zijn gehoor, en bracht
eenheid in de versnipperde wijsgerige beweging. Naar aanleiding van zijn oratie
loofde Bierens de Haan in De Kroniek het feit dat de filosofie eindelijk haar
ware vorm hervonden had: die van een levensleer.
Maar deze gedachte werd niet bijster verzoenlijk geacht met de idee van het
wetenschappelijk socialisme dat immers werd meegevoerd op de golven van de
vorderingen der wetenschap. Als wetenschapscriticus en medewerker van het socialistische
tijdschrift De Kroniek diende Bierens de Haan in ieder geval wel stelling te
nemen in het socialisme-debat. Dat deed hij dan ook. In 1898 schreef hij een
lange verhandeling over 'Individualiteit en Gemeenschap' waarin hij zich op
een ethisch-pantheistisch en individueel-aristocratisch standpunt stelde: "[Het
individu] is een geheel, [...] een complete schepping, [...] veel completer
en mysterieuzer dan honderd menschen". De individuele mens vormt een eenheid,
is 'kenner' en 'het gekende' tegelijkertijd, en in tegenstelling tot de 'kuddemens'
richt hij zich tot het eeuwige en het oneindige. Tot de laatste grootheden
rekende hij de kunst, de filosofie, de schoonheid en het geloof. Menselijke
contacten zijn niet meer dan 'oppervlakkige verbindingen', maar 'een mensch
heeft een oneindige diepte'. Ieder individu is een potentieel genie, maar de
moderne samenleving hindert de ontplooiing van de vrije individualiteit: "De
moderne mens vecht en drijft handel, maar hij heeft geen oog voor de schoonheid
van de zee, de hemel, de sterren, het woud en het sneeuwgebergte". Daarom,
zo stelt hij archaisch-optimistisch, heeft onze tijd behoefte aan 'zieners,
dichters, kunstenaars, priesters, geloovigen, wetenden en bewusten'.
De grote vergissing van de socialisten, schrijft hij enkele jaren voor zijn
controverse met Pannekoek, bestaat uit hun poging een gemeenschap te vormen
op basis van 'belangen'. Belangen als economische verhoudingen, klasse, afkomst,
en de plaats die men inneemt in het produktieproces, zijn alle geconstrueerde
belangen zonder feitelijke waarde. Het zijn gedachtenconstructies die nog geen
waarborg zijn voor gemeenschapsvorming. Denken over gemeenschap vanuit economische
inzichten is volgens Bierens de Haan niet meer dan 'een schamel surrogaat bij
de loochening van de ware gemeenschap'. Het lijkt een echo van de bijna vergeten
utopist Charles Fourier die immers streefde naar op passie(s) gebaseerde gemeenschappen
(de zogenaamde 'Phalanx'). Na zijn constatering dat wetenschappelijke socialisten
een 'schamel surrogaat' bepleiten vervolgt Bierens de Haan: "Nu kunnen
wij hevig wenschen deze heele machinerie, die de maatschappij heet, anders
en beter in elkaar te zetten; wij kunnen tegen het bestaande stelsel vloeken
en de produktiewijze van nu verfoeien (en wie zou zulks niet?). Maar als wij
daarna onze aangezichten keeren tot de zee en de woestijn, het sneeuwgebergte
en het woud, blijkt ons weder dat het voor den mensch toch een zeer belangrijke,
maar niet boven alles belangrijke zaak is hoe hij de maatschappij heeft ingericht
of wenscht in te richten. Wanneer wij in den trein zittende uitzien over een
glansrijke meerwijdte, dan is het niet boven alles belangrijk of wij in een
eerste klas, dan wel in een goederenwagon zitten, en of het soms een D-trein
is". Desondanks verwerpt hij het socialisme niet als idee en definieert
hij een eigen variant, het 'transcendentaal socialisme', waarbij hij aanknoopt
bij het denken van Plato, Spinoza en Kant. Dit idealistisch socialisme kent
twee fundamenten. Allereerst is daar het primaat van de individualiteit: de
mens streeft ernaar genie te worden - onder genie verstond de filosoof 'een
volwassen individualiteit'. Op de tweede plaats onderstreept hij in zijn socialisme
de niet-stoffelijke grondslagen. Transcendentaal socialisme is dan ook geen
'maatschappijleer', maar een 'levensleer' die zich pal tegenover het wetenschappelijk
socialisme plaatst . Ook in een eerder artikel, 'Levensleer en Spinozisme'
, maakte hij reeds een schematisch onderscheid tussen beide leren. Deze bijdragen
geven treffend weer welke aspecten Bierens de Haan kenmerkend achtte voor respectievelijk
een levensleer en een maatschappijleer:
| levensleer: autonomie van de geest aanvaarding van het mysterie esthetisch-individualistisch subjectivisme primaat van de innerlijke ervaring kwalitatief spontaniteit schoonheid versus lelijkheid |
maatschappijleer: geest is deel van 'kausale reeksen' aanvaarding van het tastbare ethisch-naturalistisch objectivisme empirisme/positivisme kwantitatief overbewustheid goed versus kwaad |
Dit, weliswaar gecharcheerde schema maakt duidelijk hoezeer Bierens de Haan
'de norm der waarheid' in zichzelf wenst te funderen - dat maakt van hem een
vertegenwoordiger van het fin de siecle bij uitstek. Het zijn dergelijke overwegingen
die hem er in 1901 toe brengen eens fel uit te halen naar de maatschappijleer
van het wetenschappelijk socialisme, want 'een mislukte toekomstmaatschappij
kan veel [weliswaar] beminnelijker zijn dan de mislukte maatschappij van heden,
maar zij zal evenmin een gemeenschap zijn als deze'. In zijn bijdrage voor
De Kroniek, getiteld 'Wat het historisch materialisme zegt over den geest'
, poogt hij zijn opvattingen over individualiteit en de autonomie van de geest
nogmaals, maar nu meer polemisch uiteen te zetten.
Centraal in zijn betoog staat de stelling dat de wetenschap in een 'gigantische
dwaling' verkeert daar zij meent dat wetmatige conclusies van toepassing zouden
zijn op alle bestaande wetenschappen, de filosofie incluis. Het historisch
materialisme is allereerst een maatschappijleer waarvan we de uitkomsten niet
zonder meer mogen los laten op 'het zielebestaan'. En juist dit 'zielebestaan'
rekent Bierens de Haan tot het vakgebied van de wijsgeer. Materialisten, en
in hun voetspoor historisch-materialisten, reduceren alles, inclusief het bewustzijn,
tot iets stoffelijks, iets concreets, iets materieels. Hier reduceert men,
om Bierens de Haans termen te gebruiken, 'de mensch tot een eigenschap van
de jas, de zee tot een eigenschap van de schepen'. Bovendien acht hij het begrip
'stof' niet meer dan een categorische rubriek, 'een dienst- of hulpmiddel waarvan
het koninklijke denken genadiglijk gebruik maakt'. De werkelijkheid echter,
en daartoe rekent de filosoof ook 'aardappels, stoofsla en tomaten', is niet
meer dan een voorstelling van ons denken, een produkt van onze autonome geest.
Wij verbinden slechts namen aan die voorstellingen, wij komen 'tot denkende
zelfbezinning'. Daarom vragen we ook niet aan een aardappel wat zijn eigen
wezen is - de doorgronding van het wezen is een werking van onze eigen geest.
Nu meent de historisch-materialist, vervolgt Bierens de Haan, dat de werkelijkheid
samenhang vertoont, onafhankelijk van de eigen, autonome aanleg van de geest,
want hij beperkt zich tot het zuiver stoffelijke. Daarbij ontkent hij de innerlijke
ervaring die aan de werkelijkheid vooraf gaat. Onze zintuigen doen rechtstreeks
innerlijke ervaringen op; hij dacht hierbij aan uiteenlopende ervaringen, veroorzaakt
door bijvoorbeeld zwart, geel, hard, zoet, bitter, scherp, nat, droog, warm,
ruig etc. Dan verwerken we die indrukken en komen we tot denkende bezinning.
Bierens de Haan concludeert dan ook dat niet de stof, maar juist de geest de
bron van iedere activiteit moet zijn. Innerlijke ervaringen, of 'zinnelijke
lustgevoelens' zijn directe activiteiten van de geest waardoor we in staat
worden gesteld een werkelijkheid te construeren 'naar den aanleg van onzen
geest'.
Uit dit primaat van de geest ('mind over matter') volgt een tweede hoofdpunt
van kritiek: de preoccupatie van materialisten met de geschiedenis van het
denken. Bierens de Haan acht het onmogelijk om 'inwerkingen op de geest' in
een historisch perspectief te plaatsen, immers, de geest en daarmee ook de
indruk, is een eeuwig en autonoom gebeuren: "Wat heden niet kan, kan ook
over millioen jaren niet. Wanneer wij zeer geleidelijk millioen jaren bezig
zijn met de verandering van twee maal twee in vijf, dan nog zijn we even ver
als op den dag dat we begonnen". Ook hier zien we de affirmerende of actualistische
tendens van zijn denken weerspiegeld - gericht als zij is op de aanvaarding
van het oneindige en eeuwige, of liever het 'jenseitige': "De geest heeft
de bron der aktie in zichzelf [...], een omgeving scheppen wij naar den aanleg
van onzen geest [...], lustgevoel is een akte der geest [...] Het is toch duidelijk
dat ingeval de bewuste geest een eigen wezen heeft, van waaruit werking gaat,
het leven in de historie niet begrepen wordt door dat men zijn stoffelijke
voorwaarden uitvorscht tot in zooveel minimalen bizonder [...] Laat ons dan
de materialistischen grondbeschouwing loslaten [...]".
3. Dit is 'Bourgeois Filosofie'!
Een uitvoerige aanval op de roerselen van Bierens de Haan kon niet uitblijven
- zeker niet in de kolommen van een tijdschrift dat zich gaarne als socialistisch
profileerde. Het was de achtentwintig jarige Antonie Pannekoek die de handschoen
opnam. Pannekoek stak met kop en schouders uit boven de Nederlandse socialistische
theoretici van zijn dagen en zou omstreeks 1913, met de filosofie van Mach
en Dietzgen in het achterhoofd, een origineel epistomologisch en fenomenologisch
monisme omarmen. Frank Kalshoven heeft onlangs in zijn onderzoek naar de
grondslagen van het Nederlands marxisme uitstekend werk verricht wat betreft
een typering van Pannekoeks monisme. In hetzelfde jaar dat zijn polemiek
met Bierens de Haan plaatsvond, had Pannekoek in De Nieuwe Tijd van Herman
Gorter en Henriette Roland Holst al een verhandeling gepubliceerd over de
verhouding tussen de wijsbegeerte van Kant en het historisch-materialisme.
Het is zinvol - net als in het geval van Bierens de Haan - de voor ons relevante
hoofdlijnen van zijn betoog hier kort te resumeren, want zij sturen onder
meer de controverse in De Kroniek. Bovendien bewijst Pannekoeks bijdrage
dat Bierens de Haan - maar ook andere anti-positivisten als Bolland - vooral
op spoken jaagde: de nieuwe generatie wetenschappers en socialisten was al
ver verwijderd van het orthodoxe negentiende eeuwse materialisme en positivisme
- het vijandsbeeld dat Bierens de Haan in 1901 zo militant onder vuur nam.
In De Nieuwe Tijd stelt Pannekoek dat het voor de marxist mogelijk noch wenselijk
is terug te keren naar Kant. Kant sprak immers over de gehele mensheid, terwijl
Marx meende dat contexten, en dus ook normen en waarden, altijd klasse-gebonden
zijn. Bovendien heeft de toepassing van de methode der natuurwetenschap op
de geesteswetenschap, oppert Pannekoek, de opvattingen van Kant terug verwezen
naar de geschiedenis van de filosofie. Sinds Newton beseffen we dat vooruitgang
slechts geboekt kan worden indien we ons rekenschap geven van de causale processen
- het denken in termen van 'verklaring' en 'oorzaak' - die aan de natuur, de
werkelijkheid en ook aan de samenleving ten grondslag liggen. Het historisch
materialisme aanvaardt deze gedachte en brengt de veelheid aan natuurlijke
en sociale fenomenen onder het eenvoudige principe van de causale omstandigheden
waaronder mensen in hun levensonderhoud moeten voorzien. Een dergelijke analyse
tilt het marxisme op het niveau van de natuurwetenschap en overstijgt daarmee
Kants denken: Kant dacht universeel, Marx context-gebonden, Kant deduceerde
zijn zedelijkheidsopvattingen uit de transcendente wereld, Marx uit de materiele
wereld. Kalshoven onderscheidde in Pannekoeks ontologisch monisme drie grondstellingen:
de natuur is allesomvattend, fenomenologisch en dialectisch. Wat betekent deze
ontologie voor de sociale wetenschappen? Allereerst het gegeven dat de werking
van de geest verklaart dient te worden uit causale factoren, en niet vanuit
metafysische of transcendente vooronderstellingen. Ondanks zijn monisme stelt
hij dat de menslijke geest fysiek gescheiden is van de omringende, materiele
wereld. Het denken wordt geconfronteerd met een overvloed aan indrukken en
poogt deze te ordenen door hen onder te brengen in algemene en abstracte begrippen.
Maar deze fysieke scheiding is slechts gradueel, er is geen sprake van een
absoluut verschil, maar eerder van een 'verschil-in-eenheid': "De menschelijke
geest is een deel van het geheel, dat tot taak heeft zich van dat geheel een
abstract beeld te vormen". Wetenschap is dus vooral het systematiseren
van de werkzaamheid van de geest. Een wetenschappelijke verklaring is dan ook
allereerst een juiste 'samenvatting' van een fenomeen in overtuigende begrippen,
en een 'juiste samenvatting' geldt altijd als 'waar'. Er zijn veel fenomenen,
dus vele waarheden. De notie van 'absolute waarheid' reserveert Pannekoek voor
de fenemenologische wereld: "Waar is, wat is, d.i. het zijn, de zinnelijkheid
is waarheid. De algemeene wereld is de absolute waarheid. Maar deze verschijnt
in hare deelen als gedeeltelijke betrekkelijke waarheden. Elk ding, hoe subjectief
en vluchtig, ook een droomvisioen of een hallucinatie is waar, is een stuk
waarheid. Elke schijn is waarheid, en elke bijzondere waarheid is een tijdelijk
verschijnsel, een voorbijgaanden schijn. Zoo is elken inhoud van den geest,
of ze weten, gelooven of fantasie heet, een zinnelijk verschijnsel en als zoodanig
volkomen waar". We zien hier hoe ver Pannekoek als wetenschapper verwijderd
is van het ontologisch materialisme dat Bierens de Haan hem zou verwijten.
Het betrof een oud en ongenuanceerd verwijt, een verwijt dat ook Jacob Moleschott
trof in de tweede helft van de negentiende eeuw. Moleschott was materialist
in wetenschappelijk en methodisch opzicht, maar bleek monist in ontologisch
opzicht. In tegenstelling tot Vogt, Czolbe en Buchner hield Moleschott zich
verre van ieder dualisme ('matter over mind') en bepleitte hij, net als Pannekoek
later, een 'verschil-in-eenheid'.
Het is verbazingwekkend te constateren hoe hardnekkig idealisten als Bierens
de Haan en Bolland wetenschappelijk materialisme en ontologisch materialisme
met elkaar verwarden. Het bevestigt mijn hypothese dat het idealisme van omstreeks
de eeuwwisseling vooral ideologisch van karakter was en een anti-modernisme
diende te rechtvaardigen. Van der Waals' opmerking dat deze filosofen de paranoide
indruk wekten 'vervolgd' te worden door een 'positivistische secte' was dan
ook niet geheel van waarheid gespeend. Het materialisme van Pannekoek was allereerst
een methode, gericht op het ontzenuwen van 'dwalingen': "Dwaling onderscheidt
zich hierin van de waarheid, dat ze voor een bepaalde daadzaak, waarvan ze
de uitdrukking is, eene ruimere geldigheid pretendeert, dan de ervaring leert".
We zullen in de controverse zien dat Pannekoek zich juist in dit aspect van
de speculatieve filosofie wilde onderscheiden.
De reactie van Pannekoek in De Kroniek droeg als veelzeggende titel 'Inlichting':
Bierens de Haan zou eenvoudigweg verkeerd ingelicht zijn: "Het historisch
materialisme heeft voor zijne aanhangers dit onaangename, dat het telkens aan
aanvallen bloot staat, zonder dat de aanvallers de moeite nemen zich eerst
op de hoogte te stellen met wat zijn inhoud is". Pannekoek opent vriendelijk
en stelt Bierens de Haan in het gelijk als hij meent dat 'de stof' een produkt
is van de geest. Maar, vervolgt hij, dan is 'de geest' ook een produkt van
het denken - immers, het denken categoriseert en benoemt, het denken benoemt
'de geest'. Daarom is er buiten ons denken dan ook geen 'stof' te vinden, en
kan Bierens de Haan met recht de aardappel een produkt van onze geest noemen.
De geest is immers een abstractie, 'een als eenheid genomen samenvatting van
alle soorten van geestesverschijnselen'. Ook stemt hij met de filosoof in dat
het denken inderdaad een 'koninklijk vermogen' is, maar acht het een ongerijmdheid
daaruit te concluderen dat diezelfde geest uit zichzelf een gehele buitenwereld
of werkelijkheid schept, want dan zou de geest 'koninklijker [zijn] dan de
Heere God zelve'. Het is dan ook onzinnig om stil te blijven staan bij de vraag
wat nu eigenlijk werkelijk is: "Onze schuld is het niet, dat drukinkt,
aardappels, en zandsteen niet denken kunnen, maar dat denken, gedachten vormen,
abstraheeren nu eenmaal het werk is, de taak is van onzen geest, zoals omgekeerd
Kroniekpapier zwart maken niet in zijn vermogen ligt, maar wel in dat van drukinkt".
Met andere woorden, er is weldegelijk sprake van een wisselwerking ('veelheid-in-verschil'),
maar onduidelijk is waar de eerste oorzaak moet worden gesitueerd. In ieder
geval kan onze geest fenomenen benoemen en categoriseren. Dat de idealisten
desondanks aan de geest een autonome werking toedichten verklaart Pannekoek
vanuit een historische optiek. Met Marx in het achterhoofd stelt hij dat filosofen
die de 'geheele buitenwereld der zinnelijke verschijnselen' beschouwen als
een gevolg van de scheppingskracht van de geest, in feite 'vertegenwoordigers
van de burgerlijke klasse' zijn. Deze opvatting is geen universele waarheid,
maar een waarheid gereserveerd voor een burgerlijke klasse: "Voor hen
is de geest een zelfstandig wezen, dat wel de goedheid wil hebben zich met
de wereld te bemoeien, maar er ook zonder kan, en ook uit zichzelf alleen waarheden,
denkbeelden vermag voort te brengen [...] Het is onze plicht, tegen deze aanmatiging
op te komen, en den menschelijken geest te doen kennen als en alledaagsch vermogen,
een arbeidsinstrument van denzelfden rang als andere vermogens en andere arbeidsinstrumenten".
Dit alledaagse instrument, de geest, heeft zowel een passieve zijde, en dat
is de kennisleer of het vermogen te denken en te abstraheren, als een actieve
zijde, en daaronder wil Pannekoek de wil verstaan. De wil van de historisch
materialist kiest voor het algemene en het noodzakelijk doelmatige, in tegenstelling
tot de 'bougeois-filosoof' die uit wil gaan van het bijzondere en het toevallig
doelmatige, aldus Pannekoek. Daar 'bourgeois-filosofen' niet beschikken over
historisch inzicht - een langs dialectische weg verkregen inzicht waarover
het proletariaat sinds Marx wel zou beschikken - beseffen zij niet dat hun
opvattingen over de autonomie van de geest historisch dienen te worden geduid.
Vanwege dit gebrek aan inzicht is er een nieuwe kaste ontstaan van 'priesters
van den geest [die] bewonderend knielen in aanbidding voor den menschelijken
geest'. Maar dit wil niet zeggen, vervolgt Pannekoek, dat we daarom in verachtelijke
termen over de geest dienen te praten. Hij besluit met een vriendelijk doch
dringend verzoek aan Bierens de Haan of hij zich eens de moeite wil getroosten
de filsofische grondslagen van het historisch materialisme nader te bestuderen.
4. Het vervolg
Het moge geen verwondering wekken dat Pannekoeks opponent uiterst geirriteerd
reageerde op de aantijgingen. Vooral diens egalitaire conclusie, dat de geest
evenzeer een arbeidsinstrument is als alle andere, viel bij Bierens de Haan
in slechte aarde. Ook hij verwijt Pannekoek 'onaannemelijk ingelicht' te
zijn en nonsens te verkopen over de zogenaamde 'bourgeois-filosofie'. Plato,
Spinoza en Kant - zijn wijsgerig triumveraat - mogen dan 'bourgeois-filosofen'
zijn geweest, het is een gezelschap waar het goed vertoeven is, stelt Bierens
de Haan, en waarvoor we ons niet behoeven te schamen. Opnieuw tracht de filosoof
zijn denkbeelden over de autonomie en het mysterie van de geest verder te
verhelderen.
Indien 'de geest' net als 'de stof' niet meer dan een abstractie zou zijn,
wat is dan het subject van het denken? vraagt Bierens de Haan. Een abstractie
is immers niet in staat begrippen te scheppen of categorieen aan te leggen.
Die 'scheppings-funktie' moet het resultaat zijn van een 'aktieve realiteit'.
En die realiteit is niets anders dan de geest, 'het subject van mijn denken',
antwoordt hij. De geest is daarom geen abstractie, maar een evidente en autonome
realiteit die we in het dagelijks leven aanduiden met 'Ik'. Het 'Ik' heeft
ook niets te maken met een verkeerd klassebewustzijn: "De geest is Ik.
Dit ontneemt ons het recht onzen geest in parallelie te denken met de verzamelnaam
'stof' [...] Maar meen niet dat de loochening van het subjekt een proletarisch
klasse-voorrecht is, waaraan gij vast moet houden dank den klasse-strijd; zij
is een kenmerk juist van de echte bourgeois-type Taine, en van heel het bourgeois-positivisme
der negentiende eeuwsche zichzelf verheerlijkende (doch den geest ontkennende)
wetenschappelijkheid". Het denken en de filosofie zijn verworden tot arbeidsinstrumenten
in de handen van de 'homo oeconomicus', suggereert Bierens de Haan. Niet de
idealistische filosofen zijn de huidige 'priesters van de geest', maar juist
de 'geest-ontkennende positivisten'. Zo lang Pannekoek er niet in slaagt aan
te geven wie nu eigenlijk het arbeidsinstrument bestuurt dat we de geest noemen,
deugt zijn 'schuitje' niet. En hij besluit: "Geachte Heer, uw schuitje
is op een inkompleete werf getimmerd".
Vanuit zijn 'inkompleete werf' klom ook Pannekoek nogmaals in de pen. Uit zijn
repliek blijkt dat hij Bierens de Haan niet langer kan of wil volgen en dat
hij diens argumentatie steeds vager acht. Het gaat zijn opponent niet langer
om kennisleer, meent Pannekoek, maar om psychologie. Vragen als 'waarom worden
alle indrukken door de geest in een 'eenheidsband' opgenomen?' behoren tot
het vakgebied van de psychologie. De psychologie moet immers onderzoeken uit
welke verschijnselen de menselijke geest is opgebouwd. En daar Bierens de Haan
geen psycholoog is heeft zijn bijdrage over de geest slechts het karakter van
een 'leekenuitstapje'. De eenheid van het subject, waar zijn opponent van spreekt,
is volgens Pannekoek niet meer dan een 'waarnemingsfeit'. De psychologie leert
ons bovendien dat veel mensen er 'twee ikken' op na houden, waardoor de absolute
aanspraak van Bierens de Haan niet rechtsgeldig kan worden genoemd. Al met
al bezondigt de subjectivist zich aan 'niets ter zake doende, en beperkte psychische
waarnemingsfeiten' waardoor een geslaagde polemiek onmogelijk blijkt, constateert
Pannekoek. Zijn slotbetoog is werkelijk vernietigend en ironiserend stelt hij
deze vorm van onpraktisch filosoferen aan de kaak: "Ja, hoe weten we eigenlijk,
dat die tak aan gindschen boom niet de tak van een anderen boom is, dat de
hand waarmee ik schrijf, niet mijn buurman hand is? Verslagen door zulk een
hoogte - of diepte - van filosofisch denken, moeten we deemoedig bekennen,
aan die mogelijkheid nog niet gedacht te hebben".
Het tekent de moed en het doorzettingsvermogen van Bierens de Haan dat hij
zich niet uit het veld liet slaan en zijn tegenstander opnieuw trachtte te
pareren. Opnieuw beklemtoont hij dat de geest over een eigen, ingebouwde 'denknoodwendigheid'
beschikt, een onafhankelijke kwaliteit die in zichzelf de tegenstelling subject/object
vervat weet: het subject is immers te denken als 'denkvoorwaarde', het object
als 'denkinhoud'. Daarom behoort het primaat van de geest niet louter toe aan
de psychologie, maar tevens aan de (idealistische) filosofie: "Doch al
namen wij waar een vertiendubbeld Ik, dit zou terzake niets beduiden, omdat
niet op het waargenomen bewustzijn van eenheid onze leer steunt. Niet op psychische
waarneming steunt zij, niet psychologisch is zij - maar zij steunt op de denknoodwendigheid
[...] Het denknoodwendige ontkennen is de waarde-ontkenning van het denken
zelf; en staak dan maar alle filosofeeren, idealistisch, positivistisch, dogmatisch,
kritisch of hoe ge wilt". Ook worstelt Bierens de Haan nog altijd met
Pannekoeks defintie van de geest als een 'alledaagsch arbeidsinstrument'. We
kunnen niet over een geest beschikken, we kunnen haar niet hebben, we zijn
de geest, de geest bepaaalt noodwendig ons mens- en ik-zijn. Dat de socialisten
deze autonomie in alle toonaarden ontkennen acht Bierens de Haan een teken
aan de wand; zij delen die opvatting immers met de liberaal-burgerlijke en
industriele elites van de negentiende eeuw - elites die het socialisme met
haar klassestrijd toch wilde bestrijden? "En laat mij voorts nogmaals
u verzekeren dat uw 'socialistische' filosofie niets anders is dan de overbekendsten
bourgeois-filosofie". Het was een koekje van eigen deeg tot besluit.
Verveeld en geirriteerd besluit de controverse Pannekoek met een zevende en
laatste bijdrage. Hoofdschuddend noteert hij dat zijn tegenstander 'praat over
dingen waar hij niets van af weet'. Hij acht het buitengewoon tragisch dat
Bierens de Haan steeds spreekt van 'onze filosofie' of 'de idealistische filosofie'
maar nauwelijks kennis neemt van de denkbeelden van Kant, Fichte en Hegel.
Pannekoek stelt dat hij de studie van genoemde filosofen nog uiterst zinvol
acht, maar dat hun denken niet simplistisch gereduceerd mag worden tot een
willekeurige verzameling van idealistische denkbeelden: "Nu staat het
u vrij om te zeggen dat ge het met Kant niet eens zijt. Maar het gaat toch
niet aan, de filosofische stelsels als een veld te beschouwen, waar iedereen
naar hartelust kan grasduinen om hier en daar wat gedachten van verschillende
denkers bij mekaar te garen. Ze vormen eene historische ontwikkelingsgang der
filosofie [...]". Hij herhaalt het standpunt dat eerder ook Abraham Kuyper
en Gerard Heijmans in hun eigen termen hadden verwoord: het post-kantiaans
idealisme is historisch gedateerd. Tegelijkertijd rekent Pannekoek af met wijsgerig
eclecticisme dat altijd een grote rol had gespeeld in het filosofisch leven
in Nederland. Filosofie dient actueel te zijn, dient gebruik te maken van recente
ontdekkingen en ontwikkelingen, en dat is vandaag vooral de methode van de
natuurwetenschap. Andere vormen van filosofie behoren tot het rijk der geschiedenis:
die geleidelijke 'ontworsteling van het menschelijke denken aan de hem door
de tegenstelling van subject en object opgedrongen tegenstrijdigheden en waanvoorstellingen,
waaraan de helderste koppen meegezwoegd en gezweet hebben'. Pannekoek raadt
Bierens de Haan aan eens goed studie te maken van Kants Kritik der reinen Vernunft
zodat hij verouderde denkbeelden niet langer behoeft op te rakelen. Ten slotte
ziet Pannekoek in de hardnekkigheid waarmee zijn opponent de autonomie van
de geest handhaaft een religieus fanatisme. Want, indien de mens geen geest
heeft, maar de geest is, dan betekent dit dat hij 'zuiver een diminutief van
Onze Lieve Heer [is, maar dan] zonder het stof der aarde [...] Wij vreezen,
geachte heer, dat gij aan dwang-denkbeelden lijdt [...] Dat gij onze filosofie
niet kent, is op zichzelf niet erg; dat gij uwe onkunde gewichtig genoeg vindt,
om ze openlijk bekend te maken, kan naiviteit zijn; nu gij, na beter onderricht
te zijn, toch hardnekkig aan uw waan blijft vasthouden, moeten wij verklaren
dat nog verder met u daarover debatteeren ons volmaakt onvruchtbaar toeschijnt".
5. Slotopmerkingen
Met deze woorden eindigde een aardige polemiek die bovendien ook onderhoudend
mag worden genoemd. De controverse maakt duidelijk hoe slecht het boterde
tussen vakwetenschappers en speculatieve filosofen uit de wijsgerige beweging.
Ook toont de discussie aan dat de 'positivisten' al lang geen 'Buchneriaanse
stofjesmannen' (Bolland) meer waren en grondig kennis hadden genomen van
de geschiedenis van de filosofie. Filosofen als Bierens de Haan waren slecht
op de hoogte van de vorderingen der natuur- en geesteswetenschappen en zochten
hun toevlucht tot een mystieke levensleer. Het weinig overtuigende weerwoord
van Bierens de Haan geeft eigenlijk al aan dat zijn afkeer van de moderne,
positivistische samenleving het voornaamste motief vormde van zijn filosofie.
Anderzijds worden we ook getroffen door de oprechtheid waarmee Bierens de Haan
zich te weer stelde tegen de merites van de vooruitgang. De door hem geplaatste
kanttekeningen bij moderne fenomenen als arbeidsdeling, industrialisatie, consumentisme,
verkeersdrukte en natuurvernietiging klinken vandaag minder achterhaald in
de oren dan dat ze dat deden in de periode omstreeks 1900. Ook zijn kritiek
op de filosofie van het marxisme - dat het de keerzijde vormt van de filosofie
van de industriele bougeoisie - wordt vandaag niet langer als aanstootgevend
beschouwd. In ieder geval dwongen critici als Pannekoek de idealisten meer
aandacht te schenken aan de consistentie van hun denken. De dagen van het eclecticisme
leken geteld; deze felle kritiek voorspoedigde enerzijds de opkomst van grote
hermetische systemen (denk aan de zuivere rede van Bolland) en anderzijds een
afkeer van het debat, gecombineerd met een verlangen naar verborgen ('occulte')
gelegenheden, alwaar zonder tegenwerking kon worden gefilosofeerd en kon worden
geexperimenteerd met allerlei eigenzinnige levensvisies. Het gegeven dat occulte
kringen floreerden gedurende het Nederlandse fin de siecle dient daarom niet
uitsluitend toe te worden geschreven aan een inherente tendens van dit idealisme,
maar zeker ook aan de vernietigende en onverzoenlijke houding van haar tegenstanders
die eveneens gedreven werden door een schier religieuze motivatie: de Vooruitgang.
Rotterdam 11 februari 1996.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |