| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1995 Italiaanse eenwording.pdf | 25.01.2004 | 84kB | - |
Italiaanse eenwording en de bekoring van het hegelianisme
In 1948 merkte Isaiah Berlin op dat de grote wijsgeer Hegel vooral 'filosofische verwarring' geoogst heeft. Slechts weinig filosofen slaagden erin zo nadrukkelijk hun stempel te drukken op de Europese cultuur als Hegel dat deed. Hij bracht gedachten op gang die ons vandaag de dag zo algemeen en vertrouwd aandoen dat we bijna vergeten zijn hoe recent hun herkomst is. Hegels opvatting dat de geschiedenis van het denken als een samenhangend en voortschrijdend proces bestudeerd kan worden is immers een inherent besef van de westerse cultuur geworden. Als geen ander systematiseerde hij zwermen van denkbeelden die een maatschappij doordringen, onderzocht hij de invloed van denkbeelden op andere denkbeelden, en wees hij op de innige banden tussen gevoelens, sentimenten, denkbeelden, godsdiensten en wetenschappelijke wetmatigheden. Hegel staat aan de basis van de ideologie, van de gedachte dat een rationele en samenhangende filosofie in staat is symmetrie te ontdekken in de onregelmatige gang der menselijke geschiedenis. In zijn voetspoor ontwierpen uiteenlopende denkers als Comte, Marx, Spengler en Toynbee hun grote ideologische denksystemen. Het moge dan ook geen verwondering wekken dat het hegelianisme in al zijn kleuren en verschijningsvormen een dwingende rol wist te spelen in het proces van staats- en natievorming in de negentiende en twintigste eeuw. Alhoewel het hegelianisme na 1848 in Duitsland aan glans verloor, kon het in andere landen opnieuw een revolutionaire rol vervullen, bijvoorbeeld in Italië.
Sinds de eerste interpretaties van de leer van Hegel heeft er steeds een spanning bestaan tussen facties die Hegels opvattingen letterlijk wensten te nemen, en facties die streefden naar een actualisering en aanpassing van Hegels denken. Grofweg zouden we hier ook kunnen spreken van een strijd tussen rechts en linkshegelianen. Dit spanningsveld vinden we bijvoorbeeld terug in het debat over de logica: dient Hegels logica descriptief (beschrijvend) geïnterpreteerd te worden of juist prescriptief (voorschrijvend)? Maar ook op de terreinen van de natuurwetenschap, de politiek en de religie droeg deze dualistische interpretatie bij aan de 'filosofische verwarring' die Berlin signaleerde. In deze bijdrage richten we ons in het bijzonder op de jaren rondom de Italiaanse eenwording (1871), op de rol van het hegelianisme in dit historische proces, en op het spanningsveld tussen rechts en linkshegeliaanse interpretaties.
Augusto Vera en de Hegel-renaissance
Na de dood van Hegel in 1831 geraakten de leerlingen van de meester al spoedig
in een diepe controverse over de plaats en de rol van Hegels natuurfilosofie.
Had Hegels speculatieve en metafysische interpretatie van de natuur nu eigenlijk
wel een relevantie voor de moderne natuurwetenschap die slechts vooruitgang
boekte dankzij de ervaring en het experiment? Nee, zo repliceerden de strijdbare
links of jonghegelianen, wij hebben niet langer behoefte aan een deductieve
metafysica, we moeten het positivisme omarmen en trachten de wetmatigheden
in de natuur op empirische wijze in kaart te brengen. Linkshegelianen als
Feuerbach, Marx, Engels en ook de Nederlandse biochemicus en antropoloog
Jacob Moleschott keerden zich met enthousiasme naar de natuurwetenschap en
stelden zich op het standpunt dat het positivisme Hegels natuurfilosofie
zou dienen te vervangen. Eigenlijk was Hegel een achttiende eeuwse romanticus
uit de idealistische traditie van Schelling gebleven, zo meenden zij.
Uit onverwachte hoek, uit Italië, ontstond echter een reactie op dergelijke positivistische denkbeelden. Omstreeks 1840 was in Italie sprake van een opmerkelijke Hegel-renaissance die aangevoerd werd door de publicaties van de filosofen Augusto Vera en Giambattista Paserini. Vera keerde als eerste terug naar de oorspronkelijke natuurfilosofie van Hegel en wist een romantisch holisme te formuleren dat zelfs Duitse hegelianen wist te bekoren. Onder invloed van Vera zou ook Rosenkranz, de spreekbuis van de rechtshegelianen, terugkeren naar Hegel en krachtig stelling nemen tegen het positivisme. Bovendien luidden de publicaties van Vera en Paserini de prelude in van een golf van neohegelianisme die het politieke en culturele leven in Italie zou domineren tot aan de Tweede Wereldoorlog. Het werk van de gebroeders Spaventa, de actualisten Croce en Gentile, en de marxist Gramsci kan niet begrepen worden zonder Vera's lokroep 'terug naar Hegel'.
politiek en hegelianisme bij de gebroeders Spaventa
Dat het hegelianisme politieke consequenties had werd door Hegel zelf reeds
bevestigd. Hij was onder meer betrokken bij de de reorganisatie van de Pruisische
staat en propageerde een federatie van regionale parlementen die door een
krachtig en efficient ambtenarenapparaat bijeen zouden worden gehouden. In
zijn kielzog begrepen hegelianen dat een radikale omvorming van staat en
samenleving niet alleen mogelijk maar ook gewenst was. Uiteenlopende Europese
hegelianen als Feuerbach en Marx (Duitsland), Stankevitsj en Belinski (Rusland),
de gebroeders Spaventa (Italië) en Snelman (Finland) combineerden allen
hun hegelianisme met een krachtige politieke stellingname; zij speelden een
rol in de revolutie van 1848 en droegen bij aan de constructie van de nationale
identiteit van hun vaderland. In Nederland was dat niet anders. De hegeliaan
Piet van Ghert had colleges bij Hegel gevolgd en bleef ook daarna nog lange
tijd met de filosoof in contact. Hij was als katholiek intellectueel verbonden
aan het 'Departement voor de R.K. Eredienst' maar hield zijn katholicisme
angstvallig geheim voor Hegel die immers dacht dat Van Ghert zich - net als
Hegel zelf - inspande voor een protestantse eenheidsnatie. Hegelianisme en
politieke strijd vormden een hecht koppel in de negentiende eeuw. Uiterst
expliciet treedt dit koppel op de voorgrond rondom de wording van de Italiaanse
eenheidsstaat.
Dankzij de inspanningen van Augusto Vera kon in Italië een levendig wijsgerig en politiek klimaat ontstaan dat in de jaren zestig en zeventig gedomineerd werd door twee broers, Silvio en Bertrando Spaventa. De Spaventa's worden door de literatuur gewoonlijk als linkshegelianen opgevoerd, maar hun activiteiten tonen aan dat dergelijke labels problematisch zijn. Silvio was allereerst een pragmatisch politicus die opereerde op de politieke rechtervleugel. Aan de vooravond van de eenwording werd het politieke klimaat beheerst door een felle strijd tussen links en rechts waarbij de filosofische legitimeringen elkaar overigens niet zoveel ontliepen. Globaal kunnen we stellen dat rechts de bestuurders leverde en dat links tot oppositie gedwongen was. Silvio Spaventa trad op als spreekbuis van een kleine rechtse factie die zich op hegeliaanse uitgangspunten baseerde. Spaventa beschouwde zich als een 'aanbidder van de Staat' en meende met Hegel dat een sterke bureaucratische staat op directe wijze uitdrukking gaf aan het bewustzijn van een natie. Een sterke staat vormt geen bedreiging voor het individuele welzijn van de burger, zo betoogde hij, de staat waarborgt juist de ontplooiing van dat welzijn. Vanuit deze optiek slaagde hij erin een sociale wetgeving te construeren en de postkantoren en spoorwegen onder overheidsbeheer te brengen. Zijn doel was ieder 'financieel feodalisme' uit te schakelen om kapitalistische speculatie door binnen en buitenlandse ondernemers te voorkomen. De huidige strijd in Italië tegen de maffia en de noordelijke economische overheersing kent aldus een lange traditie. Maar vanwege het pleidooi voor een sterke overheid kregen Spaventa en de hegelianen veel tegenstand van de rechtse hoofdstroom die weigerde het klassieke 'laisser faire-beleid' op te geven. Toen Spaventa als minister van Openbare Werken in 1870 het staatsbeheer over de spoorwegen doorvoerde werd zijn regering door de in aller haast gemobiliseerde rechtse en linkse tegenkrachten tot aftreden gedwongen.
Als politicus en filosoof oefende Spaventa een grote invloed uit op een jonge generatie denkers. Zo bracht Benedetto Croce - de latere actualist en fascist - enkele jaren in Rome door bij de hegeliaanse politicus nadat zijn ouders bij een aardbeving waren omgekomen. Zowel Croce als Giovanni Gentile - de latere minister onder Mussolini - dienen als leerlingen van Spaventa beschouwd te worden. Silvio was geen orthodoxe linkshegeliaan, maar ook geen orthodox-rechts politicus. Zijn hegeliaanse fascinatie voor de staat kwam vooral voort uit zijn afkeer van het economisch feodalisme - net als vandaag een bron van spanningen tussen het noorden en het zuiden - dat iedere eenwording in de weg stond.
Zijn broer Bernardo Spaventa was veel meer filosoof dan politicus. Hij was achtereenvolgens hoogleraar in Modena, Bologna en Napels, sinds de vroege jaren zestig de voornaamste woordvoerder van het neo-hegelianisme, en hij schreef enkele waardevolle studies, waaronder Le prime categorie della Logica di Hegel (1864), Principii di filosofia (1867) en Saggi di critica filosofica, politica e religiosa (1867). Het werk van Bertrando Spaventa is de meest pregnante uitdrukking van de herleving van het hegelianisme buiten Duitsland na 1848. De teleurstellingen van 1848 had de Duitse democratische beweging ineen doen schrompelen en teleurgestelde hegelianen als Rosenkranz zochten, volgens Rudolf Haym, hun heil in melancholie en "Innere Imigration". Voor Spaventa echter was 1848 slechts een doorgang in een dialectisch proces dat uiteindelijk een sociale revolutie in Italië zou bewerkstelligen: "De revolutie van 1789 vernietigde de standen, de klassen en de gilden en proclameerde het principe van de gelijkheid. De aankomende revolutie zal echter een einde maken aan iedere sociale ongelijkheid, waardoor de edelman, burger, boer en proletariër plaats zullen ruimen voor de Mens". Vanuit zijn hegeliaanse dialectiek voorspelde hij het ontstaan van een nieuwe broederschap onder de hoede van een ethische en verantwoordelijke staat.
Cruciaal in Spaventa's hegelianisme is zijn nadruk op het holisme dat Hegels werk zou kenmerken. Dit holisme of monisme - de opvatting van de ene en ondeelbare wereldgeest of Idee die uiteindelijk schuil gaat achter de complexe en chaotische werkelijkheid - legitimeerde Spaventa's opvatting dat politieke en culturele verschijnselen samenhang vertonen waardoor juist de interacties tussen maatschappelijke processen en structuren studie verdienen. Dit holisme floreerde vooral in landen waar driftig gezocht werd naar een nationale identiteit. Alhoewel het hegelianisme in Italië een warm onthaal vond onder liberalen, fungeerde Spaventa's holisme toch vooral als een antiliberale wijsbegeerte. Immers, het pact dat liberalisme en 'laisser faire' gesloten hadden bood weinig speelruimte voor de Spaventa's die de staat als het middel bij uitek beschouwden om een einde te maken aan de sociale en economische ongelijkheid, de grootste barricade in het proces van natievorming.
Spaventa zag voor intellectuelen een grote taak weggelegd. De filosoof Paul Piccone meende dat Spaventa streefde naar een 'ethische bourgeoisstaat' die in tegenstelling tot de de 'klassieke' liberale nachtwakersstaat niet in een abstract individualisme geworteld zou zijn, maar juist de uitdrukking zou zijn van 'een genesis van sociale individualiteit'. Het waren de Italiaanse hegelianen die politici wezen op het belang van deze 'ethische staat'. Terwijl vroege hegelianen als Vera teruggrepen op Hegel, verwoordde Bertrando Spaventa juist een eigenzinnig hegelianisme dat later evolueerde tot het neo-hegeliaanse marxisme van bijvoorbeeld Antonio Gramsci en Herbert Marcuse. Steeds wanneer het probleem van de nationale identiteit de kop weer opstak keerde ook Spaventa's holisme weer terug.
hegelianisme en anti-klerikalisme
Behalve in de vakgebieden van de logica, de natuurfilosofie en de politiek
kwam de spanning tussen hegelianen ook tot uitdrukking in het vraagstuk van
de religie. Zo werd Hegel in Duitsland als de held van de hoogkerkelijke
beweging gehuldigd omdat zijn drie-eenheidleer wonderwel in overeenstemming
met de theologie kon worden gebracht. Van Ghert kon in Nederland zijn hegelianisme
zelfs combineren met de katholieke restauratie. De Duitse linkshegelianen
trokken echter wezenlijk andere conclusies. Omdat de wijsbegeerte hoger in
de hegeliaanse hiërarchie stond dan de godsdienst diende een hegeliaanse
wijsbegeerte allereerst atheïstisch te zijn. Feuerbach, Marx, Belinski,
Herzen, Bakoenin, de Spaventa's en Moleschott waren dan ook felle anti-klerikalen
die de godsdienst geen rol meer toebedeelden in het maatschappelijke en culturele
leven. Jacob Moleschott bijvoorbeeld combineerde zijn hegelianisme - hij
was te Heidelberg onder meer privaatdocent - met een natuurwetenschappelijk
materialisme en een romantisch spinozisme. Deze combinatie maakte van hem
een radicale vrijdenker en zijn World Union of Freethinkers (1880) was een
regelrechte provocatie jegens de georganiseerde godsdiensten in Europa. Italie
was het land bij uitstek waar linkse politieke groeperingen gekenmerkt werden
door dit antiklerikalisme. De strijd tegen het Vaticaan die Garibaldi en
Mazzini zo lang hadden aangevoerd vinden we ook terug bij de Spaventa's.
Moleschott genoot van de opwindende politieke en filosofische atmosfeer in Italië. Al in 1847 had hij Nederland verlaten omdat zijn denkbeelden hier geen gehoor vonden. Zo durfde geen uitgever het aan zijn vertalingen van het werk van David Friedrich Strauss te publiceren. Na zijn ontlag als hoogleraar te Heidelberg - veroorzaakt door zijn uitgesproken atheïsme - trok hij naar Zurich om zijn Europese reis uiteindelijk in Italië te beëindigen als hoogleraar in achtereenvolgens Turijn (1861) en Rome (1879). Hier vond hij zijn tweede vaderland, liet zich naturaliseren en werd in Rome zelfs tot senator gekozen. In deze functie voerde hij de antigodsdienstige stromingen aan, verdedigde hij Spaventa's 'ethische staat' en pleitte hij voor vrouwenkiesrecht. Zijn beruchtste wapenfeit was de realisering van het standbeeld voor Giordano Bruno aan het Romeinse Campo dei Fiori (1889). De Nederlandse katholieke kranten hekelden hem als de grootste anti-christ die Europa had voortgebracht en nog in 1953 noemde de katholieke historicus L.J. Rogier 'de periode van Moleschott' de bakermat van de 'geestelijke armoede van de twintigste eeuw'. Ook voor Moleschott gaven hegelianisme, politiek enthousiasme en antiklerikalisme uitdrukking aan zijn holistische interpretatie van de werkelijkheid, aan, zoals hij het zelf noemde, 'de eenheid des levens'.
richtinggevend Italiaans idealisme na 1900
Omstreeks 1900 vond opnieuw een opleving van het hegelianisme plaats en dit
maal speelde een Nederlandse filosoof daarin een rol. De civilisatiecriticus
en filosoof Geradus Bolland ving met de uitgave van Nederlandse vertalingen
van het werk van Hegel aan en zijn inspanningen werden ook in andere Europese
landen voortgezet. Dat het hegelianisme in Italië op een lange traditie
kon bogen was Bolland niet ontgaan. Terwijl Moleschott als linkshegeliaan
dicht bij het 'bourgeois socialisme' van Spaventa bleef, naderde de rechtshegeliaan
Bolland het actualisme van Gentile en Croce. Tijdens het onlangs in Rotterdam
gehouden Konvent fur Europaische Philosophie- und Ideengeschichte (1-3 december
1994) maakte Rik Peters bekend dat Bolland een uitvoerige correspondentie
met de Italiaanse actualisten onderhield. Echter, de beide wijsgeren raakten
behoorlijk geprikkeld door Bollands eigenwijze correcties van hun denkbeelden
waardoor zij hun uiterste best deden de Nederlandse hegeliaan te negeren.
Toch bleef het Italiaanse idealisme hegelianen in Nederland bekoren. Vooral
na Bollands dood in 1922 werd het Italiaanse actualisme richtinggevend voor
menig rechtshegeliaan. Zo publiceerde de filosofe Sibilla Sypkens Kylstra drie
lange uiteenzettingen over het denken van Gentile en Croce en verrichtte Herman
Lodewijk Vernhout vergelijkende studies naar de Italiaanse filosofie en de
'Hollandsch-Bollandsche Hegelarij'. Zoals de Italiaanse wijsgeren Croce en
Gentile een belangrijke inspiratie voor het fascisme vormden, zo bleken ook
Bolland en menig rechtshegeliaan hier te lande bronnen van inspiratie voor
antidemocratische denkers en bewegingen. Zo waren hegelianen betrokken bij
de eerste fascistische organisatie in Nederland, het Verbond van Actualisten
(1923), en hebben neoidealistische denkers als Verviers, Poortman, Van Lunteren,
Wigersma, Hessing, Carp en Goedewaagen voor langere of kortere tijd een actieve
bijdrage geleverd aan de proclamatie van de autoritaire staat zoals Hitler
of Mussolini die voorstonden.
Ondanks het gebrek aan eensgezindheid in het hegeliaanse kamp en de voortdurende spanningen tussen rechts en linkshegelianen, heeft het hegelianisme als beweging de Europese geschiedenis tussen 1848 en 1940 diepgaand beïnvloed. Socialisme, marxisme, fascisme en andere ideologieën hebben hun wortels in de kraamkamer van Hegel - de eerste denker uit 'een lange en fatale reeks van kosmische historici', zoals Berlin terecht opmerkte. Indien we het hegelianisme beschouwen vanuit de huidige crisis van de rationaliteit en de maakbaarheid ('de ondergang der ideologieën') dan schijnt Berlins 'fatale conclusie' weer uiterst actueel.
bronnen:
* R. Haym, Hegel und seine Zeit (Berlijn 1857).
* C. Sypkens Kylstra, Hegelianisme in Italie, De Idee (1926, 1928); Hegel en
Croce, De Idee (1926).
* H.L. Vernhout, Italiaansche philosophie en Hollandsch-Bollandsche Hegelarij,
De Idee (1928, 1930, 1931).
* Isaiah Berlin, De Duitse Romantiek, Russische Denkers (Londen 1948).
* D. Losurdo, La catastrofe della Germania e l'immagine di Hegel (Milaan 1987);
Gramsci, Gentile, Marx e le filosofie della prassi, B. Muscatello (red.), Gramsci
e il marxismo contemporaneo (Rome 1990); Hegel e la liberta dei moderni (Rome
1992); La rivoluzione del '48 e l'immagine di Hegel in Italia e in Germania
(nog ongepubliceerd, Urbino 1994).
* Paul Piccone, From Spaventa to Gramsci, Telos (31, 1977).
* Siebe Thissen, 'Het Hooge Lied van het Materialisme'. Jacob Moleschotts metafysica,
Michiel Wielema (red.), Jacob Moleschott: monist of materialist? (Rotterdam
1993).
* Dominico Losurdo, Hegelianismus in Italien im neunzehnten Jahrhundert. Voordracht
gehouden tijdens het Konvent fur Europaische Philosophie- und Ideengeschichte
te Rotterdam op 2 december 1994.
* Rik Peters, Idealism in Europe around 1900. Voordracht gehouden tijdens het
Konvent op 3 december 1994. Peters werkt momenteel aan een proefschrift waarin
het actualistische denken van Gentile en Croce uitgebreid aan de orde komt.
* Siebe Thissen, Dutch Hegelianism: 'the cement of social life'. Voordracht
gehouden tijdens het Konvent op 3 december 1994.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |