| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1995 De wet der eeuwige slingering.pdf | 25.01.2004 | 103kB | - |
'de wet der eeuwige slingering'
nomadische kritiek op de rationaliteit in Nederland (1890-1920)
De constatering dat het woord zijn betekenis verloren heeft is meer dan slechts een literaire vondst van een nieuwe generatie Franse filosofen . Henry Rollins, het enfant terrible van de muziekindustrie, scoorde vorig jaar met "I'm a Liar (hahaha)" zelfs een hit in de top-40. Vergelijkbare radio-hits kwamen van Radiohead ("I am a Creep") en Beck ("I'm a loser baby, so why don't you kill me"). Het algehele verlies van betekenis doet de hedendaagse cultuur kraken in al haar voegen. Vandaag beroert de crisis van het subject, of liever de crisis van de rationaliteit, de gehele westerse civilisatie. Volgens Theodor Adorno, een vroege woordvoerder van de Frankfurter Schule, is de mens in plaats van een mondig subject - toch een streefdoel van de Verlichting - de slaaf geworden van zijn eigen rationaliseringsproces. Ieder beroep op diezelfde rationaliteit om iets aan deze nijpende situatie te veranderen draagt het gevaar in zich van een nog verder gaande onderwerping. Humanisme, socialisme, anarchisme, individualisme en andere -ismen konden in de slagschaduw van de rede tot grote bloei geraken maar schijnen nu opgedroogd en uitgeput. Wie heeft nog een consistente oriëntatie op de mens en zijn bestaan? Of zoals de Franse filosoof Jean Luc Nancy in 1989 concludeerde: "Er is iets verdwenen dat ons tot dan toe altijd een soort praktische zekerheid gegeven heeft, een horizon in de vorm van communisme, socialisme of christendom. Bij dat alles ging het om een of andere vorm van gemeenschappelijkheid. Daarvan is nu niets meer over". Ook een andere tijdgenoot, William McKibben, stelde de lezer in zijn boek The End of Nature (1991) een indringende vraag waarin het probleem van het rationalisme en de vooruitgang op treffende wijze werd verwoord: "Waarom zouden we voor een genetisch gemanipuleerd konijn meer respect of zelfs genegenheid tonen dan voor een colaflesje?"
Voor politieke en filosofische gedachten die lange tijd aanspraak maakten op absolute waarheid geldt vandaag een zelfde verhaal. Was Max Stirners filosofie in de negentiende eeuw nog tot een anarchistisch obscurantisme gedoemd; in de jaren negentig vinden we zijn radicale opvattingen ontdaan van iedere betekenis terug bij Pepsi-cola ('Live life to the max!') en de parfumindustrie ('Egoiste'). In de Amerikaanse stad Athens is sinds enige tijd de sportswearfirma Nietzsche Gym gevestigd. Haar logo - terug te vinden op shirts, broeken en sokken - bestaat uit een halterliftende Nietzsche, met daaronder diens aforisme: 'What doesn't kill me makes me stronger'. We wachten nog op een pittige zoutjesmix die 'anarchistjes' gedoopt zal worden. Met een vooruitziende blik noteerde Raoul Vaneigem in 1967: "Doordat we in steeds sneller tempo nieuwe illusies kiezen, lost de illusie dat verandering mogelijk is geleidelijk op".
Hedendaagse Franse differentiedenkers pogen uit deze impasse te geraken. Denkers als Foucault, Lyotard en Deleuze pogen juist de voortdurende verschuivingen en verschillen (differenties) in kaart te brengen zonder een eenduidige vooruitgang (van zich ontwikkelende identiteiten) in het proces van de geschiedenis te construeren. Deze aandacht voor het differente en het andere is een verleidelijk uitgangspunt voor anarchisten en het is dan ook niet verwonderlijk dat dit 'postmodernisme' - het benadrukken van kleine verhalen en verschillen - niet zonder meer door hen wordt verworpen. Een voorbeeld van deze kennismaking troffen we aan in de bundel Gebroken Wit. Politiek van de kleine verhalen (1992) waarin omzichtig gene zijde van de verlichting werd verkend en de eerste kanttekeningen bij het rationalisme werden geplaatst.
Postmoderne denksters als Luce Irigaray en in Nederland Rosi Braidotti hebben tevens benadrukt dat het rationalisme niet alleen een probleem is dat samenhangt met de verlichting, maar dat het tevens een onlosmakelijk bestanddeel vormt van de mannelijke subjectiviteit. Dankzij het rationalisme - "die heerlijke schepping Gods" - en de mogelijkheden tot studie wisten mannen een dominante manier te ontwikkelen om hun Ik te presenteren. Zij produceerden als het ware een eigen identiteit door voortdurend terug te blikken op hun eigen bestaan en zij deden daarvan konde in hun vertogen. Voor veel mannen is het Ik de koning van de schepping - "Ik denk dus Hij bestaat" parafraseerden de feministen van mijn jeugd.
Ook het anarchisme van de Lage Landen leek lange tijd op een handleiding voor een succesvolle productie van het Ik; niet voor niets vatte Anton Constandse zijn denkbeelden samen in het alleszeggende begrip 'Het soevereine Ik' (1983). Volgens Braidotti echter zou iedere willekeurige vrouw de gedachte aan het Ik als het centrum van de wereld een banale en triviale notie vinden: "Natuurlijk is het Ik niet de koning van de schepping. Natuurlijk is het geloof in de uniciteit van het zelf een vorm van transcendent narcisme die zo typerend is voor de mannelijke trots. Natuurlijk is het zelf een verzameling van beelden: fragmenten van hoop en begeerte, van geleefde en halfvergeten emoties. Het geheugen bestaat uit weglatingen; identiteit is een achterwaartse reis langs plaatsen waar we al geweest zijn".
De moderne mens construeert door middel van zijn vertoog achteraf een eigen Ik, een eigen identiteit, en meent daadwerkelijk dat hiermee een ijkpunt gecreëerd is waarmee hij de dolende zijn Jerusalem kan binnen loodsen. Onze identiteit is "een achterwaartse reis langs plaatsen waar we al geweest zijn"; onze Ik valt ten prooi aan "toekomstige herinneringen en gekluisterde ervaringen" (Vaneigem). Beide omschrijvingen geven uitdrukking aan de vicieuze cirkel van de sleur, de verveling en de roes die onze civilisatie in haar greep lijkt te hebben. Het schijnt een roes die zich volledig onttrekt aan een zuiver-rationalistische interpretatie.
We realiseren ons vandaag dat het Ik bestaat uit veel verschillende aspecten, facetten en ervaringsniveaus die door het geheugen bijeen worden gehouden. Tegenover de dogmatische productie van Ikken en identiteiten plaatst Braidotti - in navolging van de Franse filosoof Gilles Deleuze - het nomadische denken: het beschouwen van ideeen als mobiele en levendige entiteiten die zich verzetten tegen oppositionele denkpatronen die gebaseerd zijn op uitsluitende manieren van denken (goed/fout, mooi/lelijk, groot/klein, voor/tegen etc.). Vrouwen, die zelden recht op opleiding genoten, bleven vaak verstoken van de Ik-productie en werden gewoonlijk geconfronteerd met een "ronddrijvend denken" zonder absolute ijkpunten. Saaie huishoudelijke activiteiten als strijken en afwassen in een vaak al even saaie omgeving boden echter alle ruimte voor dat drijvende denken. Braidotti: "Het is in die momenten van half-bewustzijn dat het denken het scherpst is en het innerlijke geestelijke landschap het meest helder. Op zulke tijden is de geest onderweg tussen verschillende dingen; hij drijft rond, is net niet scherp gesteld en toch bijzonder levendig. Dit is een nomadische staat van onderbroken aanwezigheid".
Alhoewel het rationalisme van Constandse als een zwarte draad door het Nederlandse anarchisme loopt, werden er ook voortdurend klachten geuit over de rationalistische fixatie en lofrede op wetenschap en vooruitgang. Zo klaagden veel vrouwen omstreeks de eeuwwisseling over filosofische systemen als het kantianisme en hegelianisme. Men verdacht de heren filosofen van het feit zich te oefenen in "een stoer worstelspel van het gespierde intellect". Nomadisch denken daarentegen wil het denken weer vrijheid en bewegingsruimte bieden, los maken uit de autoritaire klauwen van de rationaliteit, gedurfder en oneerbiediger denken dan de gevestigde normen toestaan, het wil mensen de-identificeren van vastgeroeste concepten en zoekt naar een veelvormig verzet tegen dominante opinies. Bovendien wil het geen nieuw denksysteem introduceren maar eist het recht op een veelvoud en veelvormigheid aan verklaringsmodellen en denkwijzen (vertogen).
Toch was deze nomadische kritiek op de rationaliteit reeds in potentie aanwezig in het werk van vrouwelijke anarchisten in Nederland, zoals Gertruida Kapteyn-Muysken en Clara Wichmann. Hun affirmatieve benadering van het anarchisme biedt mogelijk aanknopingspunten voor een beter begrip van het huidige differentiedenken en diens betekenis voor het anarchisme.
affirmatie en overvloed
Dankzij de zegepraal van rationalisme en wetenschappelijk optimisme maakte menig intellectueel tijdens het fin de siècle de geboorte van de homo oeconomicus mee: de calculerende burger in wording. De positivistische wetenschap maakte gouden jaren door - ook in Nederland. Zo werden Nobelprijzen voor de natuurkunde uitgereikt aan H.A. Lorenz, P. Zeeman (1902) en J.D. van der Waals (1910); voor de scheikunde mocht J.H. van 't Hoff (1901) dezelfde prijs in ontvangst nemen; en op wiskundig gebied boekten wetenschappers als L.E.J. Brouwer, G. Mannoury en D. Struik internationale successen. Tegelijkertijd meenden critici dat de rede (de wetenschap) haar belofte een 'Hemel op Aarde' te vestigen niet had waargemaakt. Erger nog, de samenleving werd meer en meer het toneel van zakelijke en bureaucratische verhoudingen; urbanisatie en industrialisatie scheidden de mens van zijn natuurlijke omgeving; en 'de dood van God' maakte plaats voor een vacuüm waarin wetenschappers en politici alles wat niet gewogen of gemeten kon worden weghoonden en vervingen door rationalistische concepten. Na de terreur van de kerkelijke dogma's werd de samenleving overgeleverd aan de terreur van de mechanistische wereldbeschouwing, zo meenden de tegenstanders. In 1908 stelde de filosoof Arthur de Sopper vast dat alle relaties in toenemende mate "gemediatiseerd" werden. De moderne mens was niets meer dan een "verlengstuk van de machine", "een tand in een rad", geboren met slechts een enkel doel: economisch nuttig te zijn om daarna afgeleefd te sterven. De Sopper meende profetisch dat onze cultuur "een komedie [is] die wel eens op een vreselijke cultuurtragedie zou kunnen uitlopen".
Een nieuwe generatie van libertaire wetenschapscritici, waaronder Gertruida Kapteyn Muysken (1855-1920), schreef dat "de eenzijdig materialistisch-mechanistische duiding van het wereldgebeuren" gekeerd diende te worden. In deze duiding werd alle heil van de toekomst verwacht en voor het - primitieve - verleden bestond slechts grote minachting. Onze cultuur zou een armoedige en dualistische cultuur geworden zijn die nog slechts vooruitstrevenden en behoudzuchtigen onderscheidde. Beide antithetische richtingen - die kenmerkend voor het verlichtingsproject genoemd mogen worden - zouden het dagelijks leven opofferen aan "den algemeenen levensgang". Muysken pleitte voor een positieve levensfilosofie waarin de geestelijke energie hier en nu "zelfdoorleefd" (geaffirmeerd) zou worden. Uiteraard leende zij het begrip affirmatie van Friedrich Nietzsche, die zijn afkeer van het heersende "feit-alisme" in alle toonaarden had bezongen. De "feit-alist" werd een armoedige mens geacht en een tijdgenoot vergeleek deze mens met "de luisteraar die in een muziekstuk alleen maar geluidsgolven onderkent, en deze eventueel tot in de fijnste details onderzoekt, maar niets hoort en van de betekenis van het geheel geen flauw vermoeden heeft".
Muysken was getrouwd met een positivistische ingenieur. Ze woonde de laatste twee decennia van de vorige eeuw in Londen waar ze zich tot een gepassioneerd spreekster ontpopte in de politiek-culturele salons rondom Edward Carpenter, George Bernard Shaw en Peter Kropotkin - met allen was ze goed bevriend. In deze salons kritiseerde zij 'marxiden' en liberalen - als ongenuanceerde vooruitgangsadepten - en introduceerde ze het werk van de jong gestorven Franse dichter en wetenschapscriticus Jean Marie Guyau (1854-1888). Guyau had in zijn befaamde boek Schets van een moraal zonder sanctie noch verplichting (1885) fel uitgehaald naar de utilitaristen - waaronder Bentham en Stuart Mill - die beweerd hadden dat genot en nut de drijfveren van het leven zouden zijn. Volgens Guyau echter is het leven zelf de bron van iedere bewuste of onbewuste handeling. Niet nut of genot doen ons handelen, zo stelt hij, maar slechts de beschikbare energie die iemand heeft, zijn "voorraad van kracht". Het leven heeft geen enkel lokaas nodig (zoals nut of genot, maar ook beloning of straf) om in beweging te komen, het leven beweegt zichzelf voort, is eigen oorzaak en doel. Leven is verwerven, uitgeven en verteren: "ik kan dus ik moet", parafraseert Guyau dan ook in zijn antwoord aan Descartes. De mens is een "gezellig" wezen; hij stroomt over en deelt die overstroming mede aan zijn soortgenoten: "Wij hebben nu eenmaal meer tranen tot onze beschikking dan wij over ons eigen leed kunnen vergieten; wij bezitten een schat van blijdschap, die wij niet geheel door ons eigen geluk kunnen rechtvaardigen".
Essentieel voor de mens en zijn samenleving is de "overstromende levenskracht".
Als voorbeelden van deze krachtsstroom noemt Guyau onder meer liefde en kameraadschap,
kunst en poëzie, conversatie en spel. Niet het individu is het vertrekpunt
bij Guyau, maar diens stroom waarmee hij andere mensen samenbindt. We begrijpen
nu ook beter waarom verenigingen, salons, genootschappen en loges zo'n belangrijke
rol tijdens het fin de siecle speelden. Hier ontmoetten mensen elkaar van aangezicht-tot-aangezicht
(niet gemediatiseerd) en verloren zij zich als "vrije menschen" in
hun gemeenschap. Of het nu ging om discussie, gewoon lekker babbelen, eten,
drinken, declameren, zingen of dansen doet er in dit verband niet zoveel toe:
essentieel was het gegeven dat hier gemeenschap plaatsvond.
In Londen vertaalde Muysken het boek van Guyau in een Engelse vertaling en
wist zij met enig succes goedkope uitgaven onder Britse arbeiders te verspreiden.
Kropotkin nam haar bevindingen over in zijn The Ethical Need of Today (1899)
en sprak haar toe met de woorden: "U is anarchiste zonder het zelf te
weten!" Dankzij dergelijke inspanningen werd Guyau bestudeerd in Frankrijk,
Duitsland, Nederland en België en vertalingen verschenen in het Engels,
Spaans, Pools en Russisch.
Na haar Engelse avontuur vertoefde Muysken weer in Nederland waar zij haar opvattingen onder meer publiceerde in bundels met veelzeggende titels als Affirmatie (1908) en Revolutie en Wedergeboorte (1921). Naast wetenschappelijke feiten eiste Muysken een evenredige waardering voor ervaringen, indrukken, poëzie en de intuïtie. Het gegeven dat niet alle "vrije menschen" gelijkelijk begaafd waren indrukken en gevoelens te verwoorden, had echter wel een onvermijdelijke aristocratisering tot gevolg. Veel salons van het fin de siècle cirkelden om krachtige persoonlijkheden, de zogenaamde "moderne adel" - in Nederland werd onder meer Domela Nieuwenhuis een "modern edelman" genoemd. De bekoring ging hier vooral uit van de affirmerende levensstijl, niet zozeer van de politieke ideologie. Juist in deze salons was een aanzienlijke rol voor vrouwen weggelegd en zij formeerden door middel van hun netwerken het spiegelbeeld van de patriarchale arbeidersbeweging.
Ook bleek Muysken een veelgevraagd spreekster voor De Dageraad - bij gebrek aan salons - en doceerde ze aan de Internationale School voor Wijsbegeerte. Bovendien wist ze een libertaire intelligentsia bijeen te brengen - waaronder Domela Nieuwenhuis, Clara Wichmann, Bernard Reijndorp en Bart de Ligt - die het affirmatieve beginsel aanvaardde en het gedachtegoed van Guyau in het Nederlands anarchisme injecteerde. Ook Anton Constandse en Wim van Dooren zouden later nog regelmatig op Guyau en diens autonome moraal terugkomen.
Guyau en Muysken - en mogelijk ook Kropotkin en Domela - waren van mening dat de moderne bureaucratische samenleving een saaie en dorre samenleving was, zonder verrassingen, zonder gevaar, zonder persoonlijkheid en zonder een rijk gemeenschapsleven. De beschaving doet de behoefte aan redenering toenemen, betreurde Guyau, en meer redenering doodt maar al te vaak het spontane en het instinctieve: "Nu eist de dagelijks wederkerende plicht van de meeste mensen kleine en stille opofferingen, waarbij de bedwelming van gevaar en strijd niet genoten wordt... Deze inspanning is geen opwindende plichtsvervulling, welke gevoelen doet, hoe rijk het leven is".
De toegenomen 'saaiheid' werd niet alleen als armoedig beschouwd, maar tevens als gevaarlijk. Mensen zouden een surplus aan niet-verbruikte energie opbouwen dat in de zakelijke samenleving geen mogelijkheden tot ontlading meer aantrof. Stefan Zweig beschouwde dit probleem als de oorzaak van de vechtlust die de Europese bevolking in 1914 kenmerkte: "De enige verklaring voor deze geweldsgolf ligt in de enorme kracht van dit surplus; het is de tragische consequentie van een innerlijke dynamiek die de voortdurende accumulatie niet langer kon beheersen".
Nog intensiever dan Muysken heeft haar 'leerling' Clara Meijer Wichmann (1885-1922) zich met deze materie beziggehouden. Wichmann was de dochter van een positivistische hoogleraar in de geologie en mineralogie uit Utrecht - net als Muysken had zij het positivisme in de eigen familiekring aan den lijve leren kennen en samen met haar moeder studeerde ze filosofie. Wichmanns grondhouding is steeds affirmatief waardoor ze vooruitgang en reactie als keerzijden van dezelfde vergissing beschouwt: "De illusies der nieuwe richtingen zijn steeds uitermate eenzijdig; evenals het inzicht der behoudenden dit is. De behoudenden vrezen, dat al wat heilig was zal worden aangetast en te gronde gaan indien productiewijze, of huwelijk, of strafstelsel veranderen. En de vooruitstrevenden? Ze verwachten van diezelfde wijzigingen, om zo te zeggen, een hemel op aarde. Ook zij zien niet hoeveel schoons er ook buiten hun idealen leeft. Het verledene is voor hen minderwaardig. Nooit echter loopt de geschiedenis uit op de verwerkelijking van een partijprogram. Dus evenzeer als de eeuwige-vrede-zonder-meer een illusie is, evenzeer is de sceptische strijd van de eeuwige-strijd-zonder-meer een vergissing. De ware werkelijkheid is een werkelijkheid van voortdurend uiteen en ineen gaan, voortdurende strijd en verzoening".
Net als Muysken zette zij zich af tegen de eenzijdige homo oeconomicus die even eenzijdig zijn eigen ideologie samenstelde. Volgens Wichmann was de politieke en religieuze ideologie niet meer dan een "zelfgekochte overtuiging" waardoor de mens zich opsloot in een zelfgeconstrueerde kamer en hij het goede slechts in de eigen groep gelokaliseerd zag. In haar Mensch en Maatschappij (1923) noteerde ze dat we moeten leren te begrijpen "dat het beste op aarde niet afhankelijk is van een groep of een leer; dat het beste op aarde ligt in het erkennen van het wonderwerk van voortdurende zelfvervorming en zelfvernieuwing van het leven - waarbij dus ook aanvaard wordt, dat we zelf, eindig en betrekkelijk zijnde, na voleindiging van onze taak terug moeten treden".
Maar hoe komen we los van onze gesloten groep of leer? Hoe voorkomen we dat we anderen a priori uitsluiten van "het beste op aarde"? Volgens Wichmann ligt het grote probleem in de rationalistische mens die meent dat zelfbepaling en zelfdefiniëring cruciaal voor zijn bestaan zijn. In deze zelfbepaling zag zij een terugwaartse beweging waarbij de mens enkele deelbelangen monopoliseert en tot absolute proporties verheft. We moeten afstand nemen van "dit al-maar zichzelven zoeken", noteert Wichmann en ze vervolgt, "wie van zijn Ik-heid afstand doet, wie zijn leven verliest, zal zijn leven vinden".
Veel belangrijker dan de productie van het kloeke Ik acht zij het spel van "Bevrijding" en "Afstand". Het is een levenshouding die voortdurend rebelleert tegen alle vormen van "druk" (Bevrijding) en tegelijkertijd de neiging tegengaat deelbelangen tot statische entiteiten te reduceren (Afstand). Beide facetten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en geven ons denken en handelen meer bewegingsvrijheid. Spontaniteit en creativiteit krijgen op deze wijze alle ruimte. Zowel Muysken als Wichmann richtten zich in hun dagen op het syndicalisme omdat de spontaniteit, de daad en de intuitie hier volledig tot hun recht zouden komen. Constandse wees eerder op het feit dat de filosofie van Henri Bergson (1859-1941) een grote rol gespeeld had in de ontwikkeling van het syndicalisme hier te lande. Diens opvattingen over het elan vital - vergelijkbaar met Guyau's overvloed aan energie - sloten goed aan op deze libertaire denkbeelden.
De positivisten - waartoe Guyau ook gerekend werd - hebben een cruciale fout gemaakt, zo stelt Bergson in zijn Inleiding tot de metafysica (1903), door te veronderstellen dat indien het leven zijn vrije loop gelaten wordt het grote geluk binnen handbereik zal komen. Voor het denken acht hij de vrije ontplooiing niet bijster geschikt, want het intellect dat zijn natuurlijke gerichtheid volgt maakt naar zijn aard gebruik van vaste waarnemingen en vast omlijnde opvattingen. De geest maakt als het ware steeds momentopnamen van de eeuwig in beweging zijnde werkelijkheid en drukt die beweeglijkheid uit - bijvoorbeeld in de wetenschap - in onbeweeglijke begrippen en voorstellingen. Ons intellect, vervolgt Bergson, nestelt zich in pasklare begrippen en tracht daarin als in een net iets van de werkelijkheid te vangen. De meest populaire Franse filosoof van het begin van deze eeuw bepleitte dan ook een omkering van de gebruikelijke richting van denkarbeid: "Onze geest kan zich in de beweeglijke werkelijkheid nestelen, er de steeds veranderende richting van aannemen om haar tenslotte intuitief te vatten... Op die manier zal hij uitkomen bij vloeibare begrippen die in staat zijn de werkelijkheid in al haar kronkelbanen te volgen en de precieze beweging aan te nemen van het innerlijk leven der dingen".
Ook Wichmann trachtte op bergsonniaanse wijze de 'natuurlijke' loop van het denken te keren omdat het reflecterende denken de neiging vertoont zich op te sluiten in statische deelbelangen. Tevens introduceerde zij meer 'vloeibare' begrippen, zoals "Bevrijding" en "Afstand" om uitdrukking te geven aan de complexe en pluriforme werkelijkheid. Het werk van Wichmann, zoals Inleiding tot de philosophie der samenleving (1917), biedt een en al beweging: geboren worden en sterven, het komen en gaan van generaties, het verdringen van oude gewoontes door nieuwe, emigratie en kolonisatie, concentratie en versnippering van steden, opkomst en ondergang van families, rijken en beschavingen, verschuiving en verdringing, de tollende moleculen in ons lichaam, de gedachten die elkaar in ons hoofd opvolgen... Slechts beweging en verandering zijn de constante factoren van het leven en niet de periodieke ordening. De ordening is een constructie die achteraf plaatsvindt en mensen het idee geeft dat ze het moeten verwerpen of aanvaarden. De werkelijkheid is echter een ritmische beweging en juist deze ritmische beweging staat volgens Wichmann in een schril contrast met de eenzijdige en uitsluitende tendens van ons denken: "Dat we hier met een rythmische beweging, een beweging, als die van de slinger van een uurwerk, te maken hebben, moest ons al doen begrijpen, dat de denkende mensheid zich niet op een punt van deze slingering blind moest staren. Laten wij eens een ogenblik vergeten dat we zelf bij een ogenblik van de slinger horen... Welk recht hebben wij om van deze caleidoscoop-achtige werkelijkheid een bepaalde constellatie te willen vasthouden? Mogen we onze wil onttrekken aan de wet der eeuwige slingering?"
We vinden hier een omarming van de beweeglijke werkelijkheid met zijn verschillen en verschuivingen, gecombineerd met een grondige twijfel aan de vrije wil en een afkeer van ieder vasthouden aan bepaalde constellaties (zoals afkomst en traditie, ras en klasse, paradijs en utopia etc.). Het zijn gedachten die dit vergeten affirmatieve anarchisme deelt met het nomadische denken. Niet individu of gemeenschap krijgen een centrale plaats in het denken, maar beweging en ritme - 'vloeibare' en niet-uitsluitende verklaringsmodellen die de moderne civilisatie door zijn preoccupatie met het rationalisme niet meer kon of wilde herkennen. Bovendien maakte het afscheid van het ritme een breuk tussen de mens en de natuur verder zichtbaar. Han Ryner, de "filosoof van het ritme" - Constandse onderging onder meer diens invloed - ageerde fel tegen het "liefdeloze intellectualisme" dat de mens steeds verder van gemeenschap en natuur deed wegdrijven. Ryner accepteerde slechts "het ritme tussen Ik en de Ander"; immers, relaties met hun "offers aan het instinct" correleren beter met het ritme van het leven dan "relatieloze" fenomenen als intellectualisme en "Ik-verafgoding". Sommige critici streefden in hun speurtocht naar antwoorden zelfs naar aansluiting met de leefwereld van tribale samenlevingen, zoals de Pawnee of de Hopi, die hun afwerende houding ten opzichte van de Europese kolonisten illustreerden met de woorden: het leven kent wel een ritme, maar geen tijd of vooruitgang.
Na de Tweede Wereldoorlog keerde dit affirmatieve anarchisme niet meer terug. Fascisme en nationaal-socialisme hadden de affirmatie (Guyau en Nietzsche) en de intuïtie (Spinoza, Ryner en Bergson) tot op het bot gecorrumpeerd waardoor verwijzingen naar vooruitgangskritische auteurs als irrationeel gediskwalificeerd werden. Hierdoor 'vergaten' we onder meer dat Bergson's conceptie van de intuitie op wetenschappelijke gronden berustte en ver verwijderd was van ieder anti-intellectualisme - in 1928 ontving hij de Nobelprijs voor zijn wetenschappelijk werk. Tevens 'vergaten' we dat Nietzsche een generatie van anarchisten wist te beïnvloeden omdat hij vanuit verschillende perspectieven de krakende fundamenten van de moderne civilisatie blootlegde. Echter, de geschiedschrijving was niet het terrein van de anarchisten (wellicht poogden zij er juist aan te ontsnappen). In de nieuwe virtuele wereld werkten liberalen, christenen en socialisten als werkgevers en werknemers eendrachtig samen aan de opbouw van een meet- en weegcultuur waarin nog slechts plaats bestond voor marktgerichte consumenten (het primaat van de ruil). Radio en televisie maakten op hun beurt een eind aan de netwerken waarin mensen elkaar van aangezicht-tot-aangezicht ontmoetten waardoor "de overstromende energie van individu op individu" (het primaat van de gift) tot een archaisch fossiel werd gemaakt.
De hedendaagse spektakelmaatschappij is wellicht de meest macabere en onbeweeglijke constellatie die onze civilisatie heeft voortgebracht. We hebben niet langer het gevoel dat ons leven armer wordt - zoals men in de dagen van Guyau en Muysken nog meende; we herkennen ons dagelijks leven nog slechts binnen het kader van de geadverteerde werkelijkheid en plooien ons gewillig naar de weinig affirmatieve lifestyles die MTV, Oprah en reclame over ons uitstrooien: we zijn de toeschouwers van ons eigen leven geworden.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |