Index of /Wijsbegeerte in Nederland/1994 Nederlands Hegelianisme

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1994 Nederlands Hegelianisme.pdf   25.01.2004 84kB -

1994

Nederlands hegelianisme:
'HET CEMENT VAN DE SAMENLEVING'


In de jaren negentig wordt steeds vaker kritiek geuit op de opmars van de calculerende burger. De moderne mens kan nog louter economisch denken en zijn rationaliteit verhindert hem aandacht te besteden aan spirituele zaken. Zowel in de new age als in het postmodernisme staat de moderne mens ter discussie. Omstreeks 1900 was dat niet anders. Positivisme en wetenschappelijk optimisme hadden volgens critici de 'homo oeconomicus' mogelijk gemaakt, een armoedige mens, een verlengstuk van de machine. In Nederland werd deze kritiek wijsgerig gelegitimeerd door het hegelianisme.

In 1892 merkte Abraham Kuyper - de spreekbuis van de gereformeerde theologie - zonder schroom op dat "een hoogleraar, die thans nog het stelsel van Hegel als zoodanig bepleitte, zou niet op de hoogte van zijn tijd zijn". Ook de filosoof en psycholoog Gerardus Heymans, mogelijk de meest originele Nederlandse wijsgeer van deze periode, stelde dat het geslacht dat nog geloofde aan een post-kantiaans idealisme in de jaren negentig volledig uitgestorven was.
Ruim een decennium later echter maakte de filosoof Arthur Josephus de Sopper in Hegel en Onze Tijd (Leiden 1908) melding van een hegeliaanse wedergeboorte: allereerst was er sinds 1896 een hegeliaans hoogleraar (Gerardus Bolland), hij verzorgde de drukst bezochte colleges van alle faculteiten, daarnaast telde het geestesleven nu hegeliaanse literatoren, theologen, historici en juristen, in de politieke marge waren "Krypto-Hegelaars" actief, en ten slotte drong de filosofie nu ook tot vrouwen door ("Hegelaressen"). Deze onverwachte hegeliaanse hausse is zonder twijfel het meest spectaculaire element van deze episode uit de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland. Maar, hoe konden Kuyper en Heymans - toch niet de geringste Nederlandse intellectuelen - zich zo vergissen in de veerkracht van het hegelianisme?

De wortels van de Hegel-revival vinden we niet aan de universiteiten waar het neo-kantianisme domineerde maar juist in de samenleving. Sinds het midden van de vorige eeuw was onder invloed van seculiere vrijmetselaars en liberale vrijdenkers een wijsgerige infrastructuur van genootschappen en tijdschriften ontstaan waarin vooral leken - meestal gegoede burgers - met elkaar van gedachten wisselden over levens en wereldbeschouwingen. Maar aan de universiteiten werd de belangstelling voor idealistische en speculatieve denkbeelden steeds geringer. Wijsgeren als Opzoomer, Pierson, Bellaar Spruyt, Van der Wijck en Heymans waren allereerst empiristen die hun belangstelling voor grote speculatieve stelsels schier verloren hadden. Slechts het neo-kantianisme werd op wijsgerig gebied nog wetenschappelijk geacht omdat het gecombineerd kon worden met de ervaringswetenschap die nu in Nederland floreerde. De universiteiten leverden hoogwaardig onderzoek af en het positivisme bracht de vaderlandse wetenschap mondiale erkenning. Zo kreeg de scheikundige J.H. van 't Hoff in 1901 de Nobelprijs, een jaar later ontvingen de natuurkundigen H.A. Lorenz en P. Zeeman dezelfde prijs, en ook op wiskundig gebied - denk onder meer aan L.E.J. Brouwer, G. Mannoury en D. Struik - boekte de wetenschap grote internationale successen.

In het kielzog van deze ontwikkeling nam ook de kritiek op wetenschap en vooruitgang toe. Rationalisme, positivisme en wetenschappelijk optimisme hadden de geboorte van de 'homo oeconomicus' mogelijk gemaakt die slechts interesse toonde voor de 'Dieszeitige' samenleving waarin kwantitatieve aspecten als genot en gewin de ruggengraat vormden. De samenleving werd het toneel van zakelijke en bureaucratische verhoudingen; urbanisatie en industrialisatie scheidden de mens van zijn natuurlijke leefomgeving; en de dood van God maakte plaats voor een vacuum waarin wetenschappers en politici alles wat niet gewogen of gemeten kon worden weghoonden en vervingen door rationalistische concepten. Volgens De Sopper werden de jaren negentig beheerst door de "het agnosticisme, de grondtoon van het geestelijk leven, en gericht op het 'Dieszeitige', waarbij de bovenzinnelijke, geestelijke wereld steeds verder wegnevelde". De moderne mens was geheel in de greep van "het exacte" geraakt, hij dacht nog louter "oeconomisch" en critici meenden dat de mens in plaats van "wereldbeheerscher" nu "wereldslaaf" geworden was. Volgens De Sopper was de Nederlander van omstreeks de eeuwwisseling een "verlengstuk van de machine [en volledig] afhankelijk van het machinale raderwerk". De waarde van de mens wordt afgemeten aan de waarde die zijn arbeid oplevert: "Miljoenen mensen worden verlaagd tot eene zaak, hoogstens een rad".

De positivistische lofzang op de feiten had een wereld gecreëerd waarin alle relaties successievelijk "gemediatiseerd" werden, zoals De Sopper concludeerde. Het gevolg was een nerveuze samenleving die streeft naar financieel, economisch en wetenschappelijk gewin waarbij "nevenverschijnselen" - zoals het geestelijk leven" - ongebruikt gelaten worden. Deze eenzijdige samenleving bestempelde De Sopper in 1908 profetisch als een "komedie [...] die wel eens op 'n vreselijke cultuurtragedie zou kunnen uitloopen".

Deze cultuur- en civilisatiekritiek uitte zich in Nederland in twee buitenacademische kringen die elkaar overigens veelvuldig overlapten. Enerzijds was daar de culturele en politieke generatie van Tachtig en anderzijds het occulte logelandschap - een underground avant le lettre - van de spiritisten, theosofen en kolonisten. Vanaf het midden van de jaren negentig lijkt steeds meer sprake van een coherente groep die we kunnen aanduiden als "de wijsgerige beweging". Deze nieuwe generatie van lekenfilosofen wilde de beschikbare geestelijke energie hier en nu 'affirmeren' of 'doorleven' omdat het denken niet langer afhankelijk mocht zijn van een doel ver weg in de toekomst - zoals het socialistische Utopia of het kerkelijke Paradijs. Deze 'affirmatie' - een gedachte die vooral door Nietzsche gekoesterd werd - duidde op de voorkeur voor een praktische levensleer, een levensstijl waarin denken en handelen naadloos in elkaar opgegaan zijn.

In Nederland bestond opvallend veel animo voor deze affirmatieve richting. Theosofen, spiritisten, kunstenaars, anarchisten, kolonisten en andere buitenkerkelijken loofden de filosofie en gaven uitdrukking aan een culturele atmosfeer die zijn weerga in Europa niet kende. Zo telde in 1914 de theoloog Pieter Daniel Chantepie de la Saussaye in Nederland ruim 500 actieve theosofen - evenveel als in Frankrijk en ruim het vijfvoudige van de aanhang in Duitsland. Anton Constandse wees in 1980 nog op de omvang van de anarchistische beweging die slechts door Spanje overtroffen werd. Met andere woorden, de affirmatieve beweging was een bont amalgaam van critici van de moderne civilisatie die in de wijsbegeerte een reservoir van argumenten aantrof om het wezen van de samenleving te kritiseren. Bovendien wenste men hier en nu alvast te beginnen met de opbouw van een andere "Jenseitige" samenleving. De salon, de loge, de wijsgerige cursus, het volksgebouw en de kolonie gaven uitdrukking aan een "immediatistisch" (niet gemediatiseerd) leven. Hier ontmoette men elkaar van aangezicht tot aangezicht, hier stond de doorleefde levensstijl voorop en vervulde de filosofische conversatie een gemeenschapsstichtende rol: men trok zich terug uit de heersende main stream-cultuur om in kleine verbanden - als 'de Nieuwe Adel' - de zaden van een 'Nieuwe Tijd' te laten kiemen.

Een van de problemen die de praktische affirmatie met zich meebrengt is de samenhang tussen denken en doen. Met andere woorden, sterke persoonlijkheden met een kleurrijke levenswandel bleken van grote propagandistische en organisatorische waarde voor de losse en lokale structuur van de populair-wijsgerige genootschappen. Gewoonlijk werd iedere loge of vereniging wel gedomineerd door een sterke persoonlijkheid die dankzij zijn of haar geaffirmeerde levensstijl van grote waarde voor de bezoekers was. Hier gold niet het diploma of de gegoede afkomst, maar juist het charisma. In Amsterdam was de theosofe "Mevrouw de Neufville" een bijna mythische gestalte, de spinozist Willem Meijer werd door zijn leerlingen "Meijer-Spinoza" genoemd - waardoor boodschapper en profeet geïdentificeerd werden, Gertruida Kapteyn Muysken noemde haar inspirator Helene Mercier "een Heilige van den tegenwoordigen tijd" en de anarchist Domela Nieuwenhuis verscheen zelfs op affiches als het evenbeeld Jezus, schrijdend over de golven.

Het wijsgerig gehoor was uiterst bont van samenstelling. In de winter van 1901-1902 hield Frederik van Eeden een serie voordrachten in Amsterdam over het geestelijk leven van zijn dagen en onder zijn toehoorders trof hij "volslagen vrijdenkers of materialisten, theosofen, streng-geloovig katholieken, orthodox Gereformeerden (Calvinisten of anti-revolutionairen), modern-protestanten, vrijzinnig-katholieken en personen zonder bepaalde religieuze overtuiging, verder sociaal-democraten, vrije socialisten, revolutionair- en christen-anarchisten, vrijzinnig-democraten en liberale kapitalisten".

Dit levendige mentaal-culturele klimaat betekende een geweldige impuls voor de filosofie in Nederland. Er verschenen tijdens het fin de siecle meer boeken, brochures en polemieken dan ooit. Filosofie was in de mode. Vooral de tijdschriften die met Tachtig geassocieerd werden, zoals De Nieuwe Gids, De Kroniek en het Tweemaandelijks Tijdschrift, bleken de belangrijkste media voor wijsgerige discussies. De oprichting van het eerste zuiver-filosofische periodiek, Tijdschrift voor Wijsbegeerte (1907), was een direct gevolg van deze wijsgerige aandacht in het geestesleven. Volgens De Sopper waren de lezers naarstig op zoek naar de meest uiteenlopende denkbeelden en hij constateerde dat de tweede helft van de jaren negentig in het teken stond van "philosophigheid en diepdoenerij". Het nieuwe wijsgerige publiek bestond uit voormalige leken die "tot voor kort ten opzichte van den loop van het wijsgeerig denken nog volkomen in den staat der onschuld [verkeerden]". De breuk met de kerken en de afkeer van het positivistische "feit-alisme" had een algehele twijfel aan "vastigheden" tot gevolg. Of zoals De Sopper schreef: "Het cement der samenleving laat los". Het moge duidelijk zijn dat velen in de wijsbegeerte nieuw cement meenden aan te treffen.

In deze broeiende atmosfeer trad in 1896 Gerardus Bolland naar voren. Hij was aanvankelijk leraar Engels te Batavia maar raakte onder invloed van het vrijdenkerstijdschrift De Dageraad los van zijn kerk en kreeg steeds meer belangstelling voor wijsgerige vraagstukken die breed in de colommen van dit blad werden uitgemeten. Bolland was van eenvoudige katholieke afkomst, had zich door zelfstudie opgewerkt tot leraar, en solliciteerde in 1896 met succes naar de vrijgekomen hoogleraarzetel filosofie in Leiden. Twee jaar later publiceerde hij Hegel. Eene Historische Studie waarmee hij de Hegel-revival definitief inluidde. In 1899 begon hij met een heruitgave van Hegels werken. De wijze waarop hij zich Hegel eigen maakte is echter nog steeds verre van duidelijk. Volgens enkele tijdgenoten, zoals de merkwaardige idealist E. van Dieren, werd Bolland in een enkel weekeinde geheel gegrepen door Hegel - alsof hij een onmiddellijke en mystieke ervaring affirmeerde. In ieder geval werd Bolland even snel door Hegel gegrepen als zijn leerlingen.

Hegeliaans filosoferen bleek een echt Nederlands filosoferen. Woorden als "hegelen" en "hegelarij" waren al omstreeks de eeuwwisseling opgenomen in het Nederlandse begrippenapparaat. De affirmatieve beweging reageerde verheugd op deze professor die een nieuwe tijd inluidde. Immers, Bolland voldeed aan hun civilisatiekritiek en in zijn belangrijkste boek Zuivere Rede. Een boek voor vrienden der wijsheid (Leiden 1904) ging hij fel tekeer tegen de Vooruitgang, een waandenkbeeld dat "hooger gestegenen" naar beneden haalt en "de stijgkracht van het geheel verlamt". Hij was een geweldig orator, trok volle collegezalen en beperkte zijn voordrachten niet tot Leiden. Ook in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Delft, Groningen, Nijmegen en in België verzorgde hij colleges. Zijn bonte mengeling van hegelianisme en civilisatiekritiek en zijn opvallende verschijning verschaften de colleges bovendien van de nodige amusementswaarde. Bij Bolland was altijd wel iets te beleven. Ook studentenverenigingen spanden zich in studenten te mobiliseren voor het bezoeken van zijn colleges. Zo verwoordde de dichter Albert Verwey Bollands charismatische persoonlijkheid op treffende wijze: "...nog nooit heb ik zoo de onpersoonlijkheid van het geschrevene zien verdwijnen onder de persoonlijkheid van het gesproken woord [...] die hartstocht en die natuurlijkheid, die oprechtheid en die verzekerdheid waardoor hij een nieuwen tijd vertegenwoordigt aan een oude universiteit".

Voor de academische wetenschap en wijsbegeerte had Bolland geen goed woord over en deze minachtende houding vervreemde hem van zijn collegae. De filosoof zag, volgens zijn eigen zeggen, neer "op de botheid der gezamelijke philosophieprofessoren op heel het vasteland van Europa". Grote disputen met onder meer Jelgersma en Heymans liepen op fiasco's uit omdat Bollands dogmatiek geen debat mogelijk maakte (maar anderzijds bleken ook de kantiaanse empiristen vaak te zeer overtuigd van hun eigen gelijk en heeft hun diskwalificatie van de metafysica menig debat verstoord). In Bollands Zuivere Rede is de Rede zichzelf bewust geworden; het is de volstrekte uitdrukking van de waarheid die vorm heeft gekregen in overgeleverde vertogen zoals de Evangeliën. De Zuivere Rede heeft daarom een absoluut karakter, in tegenstelling tot de filosofische stromingen die slechts de waarde hebben van een enkele mening. Dit absolutisme ontsloeg hem van bezinning op andere denkbeelden. Volgens Bolland doen de meeste mensen slechts beweringen, maar in tegenstelling tot 'het grauw' beschikte hij over "de zekerheid van begrip".

De weg naar de Zuivere Rede leek sterk op een rite de passage, een inwijdingsproces in de tempel van Bolland. Daar meningsverschillen met de meester niet mogelijk waren onstond na 1910 een harde kern van doorwinterde Bollandadepten die een verering aan de dag legden die niet eerder in de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland was voorgekomen. Bolland werd een heroïsche gestalte. Hegelianen die met afschuw moesten toezien hoe Bolland Hegel verdrongen had verwijderden zich van zijn colleges maar braken niet met de hegeliaanse dialectiek. Deze Bolland-critici stonden aan de basis van het links-hegelianisme en zij vonden een spreekbuis in het weekblad De Nieuwe Amsterdammer.

Zij die Bolland trouw bleven begrepen dat de meester voor een kleine elite gesproken had. Immers, volgens Bolland zou de grote massa nooit toekomen aan de Zuivere Rede, de massa diende geregeerd en beheerst te worden door beelden (kunst, gestalten, emblemen, figuren, lichten en vlaggen) en door de zinnebeelden van de vurige godsdienst. Kunst en godsdienst waren in filosofische zin dan wel achterhaald, maar als 'cement van de samenleving' bleven zij onmisbaar. Na de dood van Bolland in 1922 vonden deze rechts-hegelianen elkaar terug in het Bolland-Genootschap en werd zijn erfenis voortgezet door de hegeliaanse denkers Jacob Hessing en Jannes Gerhardus Wattjes.

Bolland wist door zijn persoonlijke optreden meer eenheid te brengen in de diverse en versnipperde affirmatieve beweging. Vrijdenkers, socialisten, anarchisten, rozenkruisers en theosofen bekeerden zich tot het hegelianisme, of liever tot het Bollandisme. In de college-zalen werd zelfs de uitspraak "In Holland spreekt men Bollands" gehoord. Concurrerende stromingen, zoals de theosofie, dienden hun programma's aan te passen aan deze hausse. In 1907 en 1908 nodigde de Amsterdamse Theosofische Vereniging de Duitse filosoof Rudolf Steiner uit en men vroeg hem een cursus te verzorgen rondom het thema 'Theosofie & Hegel'.

De vatbaarheid van de toehoorders voor Bollands stoutmoedige wijsbegeerte moet verklaard worden uit het feit dat men niet dankzij de filosofie tot Hegel gekomen was, maar dat men dankzij Bolland en Hegel met de wijsbegeerte in aanraking kwam. Het hegeliaanse publiek werd, volgens De Sopper, gekenmerkt door een gebrek aan filosofische scholing waardoor grote omvattende systemen een aantrekkelijk alternatief voor de ex-gelovigen vormde. Het debat - ooit zeer populair onder vrijdenkers en socialisten - verloor aan glans. Er was altijd wel een voor en tegen, een goed of fout. Het fin de siecle werd dan ook gekenmerkt door een zoektocht naar de overbrugging van de dichotomie die zo kenmerkend voor het positivisme was. De Zuivere Rede was zo'n overbrugging. Voor velen was de Zuivere Rede het instrument "om met een breeden philosophischen armzwaai in een ommezien allerlei grote problemen op te lossen".

Bij de dood van Bolland in 1922 bleven veel leerlingen ontredderd achter, zo wil de overlevering. Toch is het onjuist te stellen dat zijn dood aanleiding gaf tot de splitsing tussen rechts- en linkshegelianen. Zoals ik hierboven liet zien had deze scheiding zich omstreeks 1910 al voltrokken. Zeer globaal kunnen we drie 'bollandistische richtingen' onderscheiden. Allereerst waren daar diegenen die het werk van de meester wilden voortzetten. Deze rechts-hegelianen vonden elkaar onder meer in het Bolland-genootschap, zetten zijn hoogleraarwerk voort (Hessing) en hebben de hegeliaanse filosofie verder ontwikkeld. Aan de andere kant waren daar de links-hegelianen - waaronder bijvoorbeeld Clara Wichmann en Bart de Ligt - die onder meer De Nieuwe Amsterdammer als spreekbuis hanteerden. Hun links-hegelianisme speelde een grote rol in de theorievorming van het pacifisme, de polemologie en de criminologie. Daarnaast was er nog een groep die vooral Bollands maatschappijkritiek deelde en veel minder in wijsbegeerte geïnteresseerd was. Onder hen komen we namen tegen als Hugues Sinclair de Rochemont en de katholieke antidemocraat Emile Verviers - zij stonden aan de basis van de eerste fascistische bewegingen in Nederland, zoals het Verbond van Actualisten. Maar ook vooraanstaande rechts-hegelianen bleven vaak verstokte antidemocraten en sommigen, zoals Hessing, S.A. van Lunteren en Balthus Wigersma, hebben een actieve rol gespeeld in de ideologisering van het fascisme tijdens het interbellum. Zo bemoeide een groep hegelianen rondom het tijdschrift De Waag zich actief met de grondbeginselen van de nationaal-socialistische leer en schreven zij de beruchte - en officiële - Brochure no. 3 die in januari 1933 verscheen met als titel Nationaal-Socialistische (fascistische) Staatsleer.

De unieke positie van Bolland in het filosofische leven was tegelijkertijd een hoogtepunt en dieptepunt. Nooit eerder wist de filosofie zo'n populariteit te verwerven. Voor velen bood de filosofie een houvast in een gemechaniseerde wereld. Echter, nooit eerder trivialiseerde de vaderlandse filosofie tot een ressentimenteel amalgaam dat gereduceerd kon worden tot een wijsgerige legitimering van antisemitische en antidemocratische denkbeelden en organisaties.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -