Index of /Wijsbegeerte in Nederland/1992 Matieu Schoenmaekers

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1992 Matieu Schoenmaekers.pdf   25.01.2004 66kB -

1992

‘want zie, daar waren ook heiligen’
MATIEU SCHOENMAEKERS EN DE MYSTIEK
(1875-1944)

In 1902 schreef de kersverse priester Mathieu Schoenmaekers het boekje 'Waarom gelooft gij?' waarin hij het traditionele rooms-katholieke geloof in een onfeilbare en almachtige God verdedigde. Enkele maanden later bracht hij een gedenkwaardige kerstvakantie door in verschillende Franse kloosters. Hier kwam hij tot het inzicht dat hij niet langer een volgzame gelovige kon blijven en niet lang daarna bevrijdde de toenmalige rector van het Duitse meisjespensionaat te Bunde zich van alle officiële banden met de katholieke kerk. Schoenmaekers werd vrijdenker, flirtte met het christenanarchisme en bekeerde zich uiteindelijk tot de theosofie. Zijn wijsgerige denkbeelden sloegen bovendien aan onder kunstenaars en met name schrijvers als Verweij, Van Eeden en Marsman, schilders als Mondriaan, Doesburg en Van der Leck, en musici als Van Domselaer stonden uiterst positief tegenover zijn 'beeldende denken'.

We worden vandaag de dag geconfronteerd met een opleving van allerlei religieuze en spirituele stromingen die meestal onder de noemer 'Nieuwe Tijdsdenken' (new age) worden samengevat. Toch zijn er veel paralellen te ontdekken met de spirituele vernieuwing van het geestelijke leven omstreeks de eeuwwisseling, het zogenaamde 'fin de siècle'. Sinds het einde van de vorige eeuw ageerde menig kunstenaar en intellectueel met grote felheid tegen het materialisme dat zich stevig verankerd had in de wetenschap en in het politieke leven van die tijd. De materialisten vertrouwden slechts op de Rede en de empirie en zij verwezen alle zaken die niet gewogen of gemeten konden worden naar het rijk der fantasie. Technologische vooruitgang werd door de materialisten vereenzelvigd met cultuurbloei en het leven zelf werd door hen als enige waarheid aanvaard. Voor mystieke vervoering en voor de muzen resteerde slechts een grondig wantrouwen. De bekendste Nederlandse materialist was zonder meer de biochemicus en filosoof Jacob Moleschott die met zijn credo "Ohne Phosphor kein Gedanke" overal in Europa grote indruk wist te maken. Volgens de katholieke historicus L.J. Rogier vertegenwoordigden de materialisten de negentiende eeuw op haar bekrompenst en zou 'het tijdvak van Moleschott' de algehele inleiding zijn tot het cultuurpessimisme van onze eeuw. Het positivisme en het materialisme zouden de humor hebben gedood, de religie verdacht verklaard, en de wijsbegeerte gedegradeerd tot slavin van de techniek.

De felle kritiek op het 'platte' materialisme, maar ook op het orthodoxe katholicisme, was een belangrijk bestanddeel van het denken van een nieuwe generatie katholieke priesters. In het eerste decennium van deze eeuw traden een tiental priesters op demonstratieve wijze uit hun kerk. Onder hen bevonden zich onder meer de Bredase seculier Jan van den Brink en de capucijn H.J. van der Vorst (pater Coelestinus) - de beide latere SDAP-propagandisten - en de Roermondse seculier Mathieu Schoenmaekers. Deze nieuwe generatie kritiseerde het autoritaire en conservatieve beleid aan de Nederlandse seminaries waar het ontslag van modernistische docenten met grote regelmaat bewerkstelligd werd. Iedere vorm van modernisme werd door de bisschoppen de kop ingedrukt maar desondanks bleven "des courants d'air modernes" onder de clerus rondwaren. Enkelen van hen, zoals P.J. Raeskin maar ook Schoenmaekers, schreven esoterische romans waarin de persoonlijke twijfel nadrukkelijk gestalte kreeg. Over deze uiterst interessante episode uit de geschiedenis van het Nederlandse katholicisme is slechts weinig bekend. Het is dan ook een verrassing dat uitgeverij AMBO en de stichting ECHO de tijd rijp achtten voor een kleine biografie over het leven en werk van de meest uitgesproken modernist onder deze 'afvalligen', Mathieu Schoenmaekers (1875-1944).

Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers had zijn wieg in Maastricht waar zijn vader een handel had in drogerijen en chemicaliën. Hij werd stijf en orthodox opgevoed en sinds zijn prille jeugd werd hem het priesterschap in het vooruitzicht gesteld. Inderdaad volgde hij de theologische studie te Rolduc waar hij uitblonk in de letterkunde en de bespiegelende wijsbegeerte, en na zijn studie bekwaamde hij zich verder in de wijsbegeerte. De bisschop van Roermond stuurde de talentvolle jonge geestelijke in 1896 naar Rome voor een verdieping van zijn theologische inzichten. Tevens begon hij vijf jaar later aan een studie Nederlandse Letteren te Amsterdam die hij echter niet afmaakte. Ondanks zijn propagandistische boekje 'Waarom gelooft gij?' uit 1902 maakte een algehele twijfel zich meester van Schoenmaekers. De Maastrichtenaar had veel moeite met de kloof die gaapte tussen het bureaucratische en zakelijke priesterambt en de 'priester-uit-roeping' die hij wilde zijn. De alomvattende en harmonieuze kerk waarvan hij gedroomd had bleek in de praktijk een strak, statisch en autoritair instituut dat geen ruimte reserveerde voor passie, hartstocht en eigen opvattingen. Hij ervoer zijn kerkelijke loopbaan als een psychische gevangenschap.

In de loop van 1903 verbrak hij alle banden met zijn kerk en richtte in Amsterdam het maandelijkse tijdschrift 'Levensrecht' op waarin hij verkondigde dat de christelijkheid zoals Jezus die definieerde en voorleefde in wezen anarchistisch was. Immers, Jezus verzette zich tegen statische zedelijke wetten en spoorde de mensen aan te leven naar eigen idealen. Een ideaal, zo betoogde Schoenmaekers, 'woont niet in een gezag-buiten-ons, maar diep in ons zelf, het is een levend ideaal dat niet aan eene formule, aan een letter, aan een wet gebonden worden kan'. Voor zijn maandschrift 'ter verspreiding van vooruitstrevende ideeen' trok hij libertaire medewerkers aan als F. Domela Nieuwenhuis en Frederik van Eeden, maar ook syndicalisten als Bymholt en Cornelissen. Schoenmaekers steunde het opkomende socialisme en anarchisme, vond aansluiting bij de vrijdenkersbeweging en werd een veelgevraagd spreker voor de vrijdenkers van De Dageraad.

Zoals zoveel vrijdenkers en anarchisten van rond de eeuwwisseling ontdekte Schoenmaekers de theosofie. Bekende ex-anarchisten als W.F. Meng, J. Sterringa, Frederik van Eeden en H.J. van Steenis waren hem al voor gegaan. Deze voormalige atheïsten konden zich niet meer in hun oude denkbeelden vinden en zij zochten naar een moderne levensvisie waarin opnieuw aandacht bestond voor het spirituele, het metafysische en het psychologische. Zij wensten allen meer aandacht voor het geestelijke zonder terug te vallen in de oude godsdiensten. Mystieke inspiratoren als Helene Blavatsky, Annie Besant, Rudolf Steiner en later ook Krishnamurti speelden een belangrijke rol in deze ontwikkeling. Zo kreeg het grote conflict in de Britse vrijdenkersbeweging ook in Nederland zijn vervolg. In 1889 verbrak de uiterst populaire schrijfster Annie Besant alle banden met haar voornaamste medewerker Charles Bradlaugh. Bradlaugh was sinds jaar en dag de spreekbuis van de Britse atheisten en als baanbrekend materialist was hij in Nederland al vereerd met het erelidmaatschap van De Dageraad. Besant meende dat het moderne atheïsme en materialisme schraal en armoedig was en nauwelijks antwoorden gaf op vragen van psychologische aard. Het atheïsme verklaarde bijvoorbeeld niet waarom wij allen anders reageren op kleur, geluid en beeld; waarom de werkelijkheid is zoals zij is en niet anders; waarom wij allen anders om gaan met erotische en romantische gevoelens... Bradlaugh reageerde furieus op het uiteenvallen van de vrijdenkerij en hij betoogde dat er geen 'middleground' zou bestaan tussen atheïsme en theïsme. In Nederland zouden rond de eeuwwisseling soortgelijke discussies gevoerd worden waarbij velen de ommekeer van Besant volgden.

De theosofie - net zoals de antroposofie overigens - bleek in toenemende mate ex-katholieken aan te trekken die hier een alternatief voor hun orthodoxe en roomse spiritualiteit meenden te vinden. Schoenmaekers was in 1905 de mening toegedaan dat onder alle stelsels van godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap uiteindelijk een universele waarheid verborgen ligt. Zijn opvattingen sloten dus goed aan bij die van madame Blavatsky die de universele religie propageerde, een religie bevrijd van bijgeloof, leugens en klerikalisme. Haar gedachten fundeerde ze op de kennis van de menselijke natuur en op de bovenzinnelijkheid van de ziel. In 1907 zette Schoenmaekers zijn denkbeelden uiteen in 'Het geloof van den Nieuwen Mensch'. Hierin betoogt hij dat geloof en kennis in wezen een zijn, als twee keerzijden van het 'Al-leven'. Kracht en stof zijn geen gescheiden elementen maar moeten juist begrepen worden als een universeel principe, als 'heelalkracht' of God. Christus is God en mens in een persoonlijk leven samengebald, zo definieert Schoenmaekers zijn mystiek, en hij vervolgt: 'Mystiek is het frissche, het altijd nieuwe in elke religie'. Van een afkeer van de wetenschap is bij Schoenmaekers dan ook geen sprake en de eenheid van wetenschap en religie noemt hij dan ook een 'positieve mystiek'.

In zijn persoonlijke moraalleer en zijn strijd tegen de geïnstitutionaliseerde religies grijpt hij regelrecht terug op het werk van Friedrich Nietzsche. Dat was ook niet verwonderlijk. Immers, het waren de vrijdenkers die Nietzsche in Nederland introduceerden en in menig spreekbeurt stond de Duitse filosoof centraal. Maar het waren juist de antichristelijke opvattingen van Nietzsche waardoor de vrijdenkers zich aangesproken voelden. Schoenmaekers meende echter dat de meeste vrijdenkers Nietzsche slecht begrepen zouden hebben. Hij typeerde Nietzsche als een bij uitstek religieuze natuur "vol eerbied voor het eeuwige Leven dat in hem dacht en dichtte". De nieuwe ideaalmens - belichaamd in Nietzsche's Zarathoestra - gaat naarstig op zoek naar een nieuw leven, een nieuwe zedelijkheid en een nieuw geloof. Door het eerherstel dat de mystiek aan het begin van de eeuw doormaakte meende Schoenmaekers dat de Nieuwe Mens daadwerkelijk in aankomst was. Hij herhaalde de motieven als mystiek, eenzaamheid, noodlotsgeloof, waarheidsliefde en de ontroeringgedaagde in latere werken als 'Christosophie' (1911) en 'Esoterisch katholicisme' (1923). De historicus Rogier meende dat Schoenmaekers aan de basis stond van katholieke secten zoals de vrij-katholieke kerk die in 1916 gesticht werd door de Britse theosofen Wedgwood en Leadbeater.

Schoenmaeker en diens geestverwanten kunnen daarom beschouwd worden als de katholieke tegenhangers van de Vrije Gemeenten die in Nederland grote bekendheid hadden. De Vrije Gemeenten werden naar Duits voorbeeld in 1878 te Amsterdam opgericht onder leiding van de bezielende gebroeders Hugenholtz die veel uitgetreden vrijzinnig hervormden wisten te organiseren. De bekendste van hen, Petrus Hermannus Hugenholtz, was bovendien een ijverig publicist die veel schreef en sprak over het pantheisme. Ook Schoenmaekers stond zeer sympathiek tegenover de mystieke opvattingen van Hugenholtz en hij publiceerde dan ook regelmatig in het blad 'Stemmen uit de Vrije Gemeente'. Maar anders dan Hugenholtz - die onder meer het antisemitisme van Wagners schoonzoon Houston Stewart Chamerlain propageerde - beperkte Schoenmaekers zich gewoonlijk tot onderwerpen van zuiver mystieke of zedelijke aard. Wel nam hij het mystieke spinozisme van Hugenholtz over al meende hij dat het pantheisme van Spinoza wel erg abstract was.

Behalve de theosofie erkende Schoenmaekers Hegel als zijn voornaamste inspiratiebron. Voor de Limburgse mysticus was het denken altijd 'een denken in verhouding' en in zijn vele brieven legde hij steeds rekenschap af van zijn verhouding tot Hegel. Zonder de hegeliaanse filosofie zou hij zijn denkbeelden nooit vorm hebben kunnen geven, zo schreef hij. Net als zoveel hegelianen en bollandianen van zijn tijd meende hij dat de filosofie geen zuiver academische aangelegenheid mocht zijn. Hij keerde zich fel tegen 'het stoere worstelspel van het gespierd intellect'. De filosofie is een levenswijsheid waarbij de denker het mysterie van het leven niet slechts probeert te verklaren, maar juist tracht te begrijpen. Het bedrijven van filosofie was voor hem dan ook een zelfoefening in het denken. Een wijsgerige verklaring is altijd een zelfverklaring, zo hield de christosoof zijn gehoor voor. Om zich te onderscheiden van de academische wijsbegeerte bestempelde hij zijn eigen denken als 'gewijde wijsbegeerte' dat niets anders zou zijn dan tot begrippelijke helderheid gesublimeerde mystiek. In zijn optiek was de academische wijsbegeerte eigenlijk helemaal geen wijsbegeerte. Immers, de filosofie dient religieus van aard te zijn. Toch bestreed hij alle tendensen om van de wijsbegeerte een gesloten systeem te maken. De wijsbegeerte mocht niet meer zijn dan een methode, een weg.

Schoenmaekers vond zijn rust in Laren. In de periode rondom de Eerste Wereldoorlog stond het stadje bekend als kunstenaarskolonie waar schilders, schrijvers, wiskundigen, theosofen, christenanarchisten en andere utopisten veelvuldig met elkaar van gedachten wisselden over kunstzinnige en filosofische onderwerpen. Of zoals Herman Hana de lokale bevolking typeerde: 'Want zie, daar waren ook heiligen. En er waren profeten, genieën, proffen, erudieten, en autodidacten van formaat. Er waren ook eersteklas kunstanaars van elke stiel, mahatma's, geestenkloppers en helderzienden'. Bovendien waren er in de directe nabijheid nog andere kolonies te vinden zoals Frederik van Eedens Walden (Bussum) en de Tolstojaanse Internationale Broederschap te Blaricum. Een tijdgenoot noemde de kolonies zelfs in een adem toen hij de Gooise dorpjes aanduidde met Larenblaricum. Alhier werd de gehele wereldproblematiek besproken, men filosofeerde over Freud en over de libido, en over de voor- en nadelen van het huwelijk. Ook Schoenmaekers ging geheel op in het intellectuele en spirituele leven van Larenblaricum. Hij bemoeide zich tevens met het sexualiteitsvraagstuk. In tegenstelling tot veel christen-anarchisten die een 'Rein Leven-houding' aanvaardden propageerde Schoenmaekers de vrije lustbeleving. Al spoedig na zijn uittreding protesteerde hij in 1904 in de brochure 'Liefde en Huwelijk' tegen de rooms-katholieke aanvallen op de geslachtsgemeenschap. Tevens verdedigde hij de homosexualiteit en alternatieve samelevingsvormen. Hij beschouwde de erotiek als een kosmisch liefdesfeest dat een centrale rol speelde in het leven van de mens. De mens dient ernaar te streven zijn vrees voor het erotische uit te schakelen omdat het 'de zeldzame feesturen van het schaamtevrije liefdesspel' in gevaar kan brengen.

Schoenmaekers bewoonde een klein huisje aan de rand van de hei, samen met zijn vrouw en zoon. Hij ontving uiteenlopende mensen, organiseerde cursussen en wist menigeen te beinvloeden. Zo schreef de dadaïst Van Doesburg aan zijn vriend Antony Kok: 'Over het algemeen heb ik de indruk gekregen dat Van Domselaer en Mondriaan geheel beheerst worden door de begrippen van dr. Schoenmaekers'. Schoenmaekers was dan ook - zij het op de achtergrond - betrokken bij de oprichting van De Stijl en bij de Leusdense Internationale School voor wijsbegeerte. Ook zou de filosofische Signifische Kring zijn voortgekomen uit dit milieu. Schoenmaekers zou over de gave beschikken het 'ongrijpbare' te verwoorden. Albert Verwey sprak ongetwijfeld namens velen toen hij in 'De Beweging' schreef: 'Zeer velen van ons begrijpen hem, volgen hem, hebben het besef dat hij tot ordelijke rede ontbindt en samenbrengt wat als kluwen in hen aanwezig was'.

Behalve een drietal originele teksten van Schoenmaekers biedt het boekje 'Het beeldende denken; leven en werk van Mathieu Schoenmaekers' een biografisch portret en een inleiding tot zijn wijsbegeerte. Helaas is de biografie wat klein en mager uitgevallen en wordt teveel ruimte gereserveerd voor een beschrijving van zijn filosofische en mystieke denkbeelden. Zijn wijsgerige opvattingen zijn niet bijster origineel te noemen maar blijken vooral varianten van het mystieke denken zoals die sinds de eeuwwisseling veelvuldig onder de aandacht werden gebracht. Het boekje wekt daarom de indruk dat Schoenmaekers een geïsoleerde en merkwaardige figuur is geweest. Toch zijn er meer voorbeelden te geven van mystici die hun eigen weg gingen en een vergelijkbare ontwikkeling doormaakten. We kunnen dan denken aan de gewezen predikant Willen Frederik Meng die aan de basis van de theosofie in Nederland stond, maar ook aan hegelianen als Jan Borger die tot in de jaren zestig een groot gehoor vonden. En ook onder katholieken treffen we opvallende afvalligen aan. We wezen al eerder op Jan van den Brink en pater Coelestinus, maar ook iemand als de ex-monnik David de Kok baarde opzien. De Kok was onder meer medewerker van het atheistische tijdschrift 'De Nieuwe Cultuur' - geredigeerd door de vrijdenker Anton Constandse - en keerde later terug naar het klooster. Hij schreef toen opzienbarende en onthullende artikelen over zijn verblijf onder de heidenen. Internationale bekendheid kreeg de Franse ex-priester en filosoof Peter Maurin die naar de Verenigde Staten emigreerde en met de anarchistische journaliste Dorothy Day in 1933 het mystieke tijdschrift 'Catholic Worker' oprichtte dat nog altijd in een maandelijkse oplage van 100.000 exemplaren bestaat. Het is daarom jammer dat 'Het beeldende denken' zo weinig aandacht besteed aan deze interessante historische context. Desondanks maken de bijdragen duidelijk dat de geschiedenis van het denken in Nederland de moeite van historisch onderzoek meer dan waard is.


* Henk de Jager, Hendrik G. Matthes, Het beeldende denken. Leven en werk van Mathieu Schoenmaekers (AMBO Baarn 1992), 160 p. ISBN 90.263.1151.6


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -