| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| Hoofdstuk 9.pdf | 26.01.2004 | 165kB | - |
LEVENSLEER NAAR DE BEGINSELEN VAN SPINOZA.
BIERENS DE HAAN EN DE INDIVIDUALISTEN
"
Waar ligt het principe, van waaruit het bestaande te begrijpen is? Er zijn
op deze vraag twee antwoorden mogelijk: buiten den mensch, of in den mensch.
M.a.w. wij zoeken het buiten of in onze zelfbewustheid".
(J.D. Bierens de Haan, Spinoza als ethisch-wijsgeerig denker, 1904)
9.1 In en uit de schaduw van Bolland
'De eerste aanwijzing tot een nieuwe interpretatie van het Spinozisme in ons
land', schrijft Sassen in 1947, 'is uitgegaan van den classicus van het hedendaagsche
Nederlandsche wijsgeerig proza: J.D. Bierens de Haan'. Precies twintig jaar
eerder bestempelt Herman Wolf Bierens de Haan als 'een der meest belangwekkende
en invloedrijke figuren in de Nederlandsche wijsbegeerte van dezen tijd'. Zowel
op de eerste als de tweede conclusie valt het nodige af te dingen, zoals we
in het vervolg van dit hoofdstuk nog zullen zien. Niet alleen is de Levensleer
naar de beginselen van Spinoza (1900), Bierens de Haans opvatting van het spinozisme,
een nieuwe uiteenzetting van een religieus-wijsgerig spinozisme dat we in een
rudimentaire vorm al aantreffen bij verlichte maar religieuze denkers als Scheffer,
Siffle en Burger jr., maar ook staan zijn studie en optreden in de schaduw
van 'het klaterende intellect' van Bolland.
Ook het succes van de hegeliaan Gerardus Johannes Petrus Jacobus Bolland (1854-1922)
moet worden aangemerkt als een van de onbetwiste hoogtepunten van een wijsgerige
beweging die zo lang onlosmakelijk was verbonden met het spinozisme. Dit lijkt
paradoxaal: spinozisme vindt een afronding in het hegelianisme. Toch zijn beide
filosofische stelsels innig met elkaar verweven, zowel op het terrein van de
wijsbegeerte zelf, als in de context waarin hegelianisme en spinozisme gestalte
krijgen. Ik zal de lezer hier niet vermoeien met een levensschets van Bolland,
want Willem Otterspeer heeft ons recentelijk met Bolland. Een biografie (1995)
een ongeëvenaarde impressie van diens handel en wandel geschonken. Otterspeer
laat zien hoe Bollands 'stuwkracht en bergenverzettende energie' een unieke
bijdrage heeft geleverd aan de herleving van de filosofische belangstelling
in Nederland. De auteur wijst op Bollands charismatische positie in het netwerk
van filosofische verenigingen in Nederland, maar ook op diens belang voor de
oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte in 1907 - een hoofdrol die
doorgaans aan Bierens de Haan wordt toegeschreven.
Bolland krijgt in 1896 de vacante hoogleraarzetel in de wijsbegeerte te Leiden.
In december 1895 had Jan Land zijn ontslag aangeboden vanwege gezondheidsklachten.
Zijn opvolging laat echter enige tijd op zich wachten. Ondertussen circuleren
de namen van onder anderen Spruyt, Heymans, Was, Bolland zelf en Jelgersma
in het college van curatoren. Spruyt lijkt de meeste geschikte kandidaat, maar
hoge salariseisen verhinderen uiteindelijk zijn aanstelling. Bolland is dan
inmiddels al als eerste kandidaat naar voren geschoven: zo acht Land diens
wijsgerige essays 'indrukwekkend'. Land heeft zich, in tegenstelling tot Spruyt,
sinds 1877 steeds ontvankelijker getoond voor het wijsgerige leven buiten de
academie. Hij had Van Vloten geholpen in de totstandkoming van de Opera Omnia
(1882), zijn steun gegeven aan het Spinoza-monument, internationaal een lans
gebroken voor Nederlandse vrijdenkers en 'salon-wijsgeeren' als Van Vloten
en Van Limburg Brouwer, en nu trekt hij partij voor Bolland, de autodidact
en buitenacademische wijsgeer bij uitstek die aanvankelijk nog onder invloed
staat van het pessismisme van Von Hartmann. Bolland publiceert dan al, als
leraar in Nederlands-Indie, wijsgerige essays, die hij stuurt naar periodieken
als De Tijdspiegel en De Gids - artikelen die vooralsnog niet worden gepubliceerd,
omdat zijn 'bodemloos gepoog' niet voldoet aan de smaak van de redacties.
Vanaf 1888 toont De Nieuwe Gids wel belangstelling voor zijn essays. Heeft
Bolland aanvankelijk weinig vertrouwen in het periodiek - dat hij 'dat vieze
tijdschrift' noemt, maar al snel kiest hij eieren voor zijn geld omdat het
blad als enige bereid is zijn artikelen op te nemen. In de kolommen van De
Nieuwe Gids volgt hij de spinozist Marius Lotsy op als huiswijsgeer. Lotsy
ging daar zoals we hebben gezien al jaren tekeer tegen 'wetenschappelijke pretenties',
tegen 'maniakale Kantverafgoding', en tegen 'wetenschappelijke grootheidswaanzin'.
Ook zijn opvolger Bolland trekt ten strijde tegen wetenschappelijk positivisme,
tegen materialisme en tegen de merites van het 'moderne leven'. Naar aanleiding
van zijn oratie te Leiden over ruimte en tijd schrijft Albert Verwey in zijn
Tweemaandelijksch Tijdschrift een lofrede op deze 'uitmuntende redenaar', die
'niet in de eerste plaats een schrijver is' [cursivering van Verwey]. Verweys
eerbetoon aan de performer en kunstenaar die Bolland ook is, is illustratief
voor de hulde die Bolland in esthetische kringen ten deel valt:
"Wat zijn geschreven rede ook voor goeds heeft, het is de hartstocht van het brein, de virtuoziteit van de abstraktie soms, maar nog nooit heb ik zoo de onpersoonlijkheid van het geschrevene zien verdwijnen onder de persoonlijkheid van het gesproken woord. [Dit gesproken woord] is de hartstochtelijke beminnaar van zijn denkingen, die de eenzaamheid van zijn studeerkamer overbrengend op dien katheder, den ritus en de ceremonien van zijn geestelijke vereering voor u akteert. Akteert? Is het een woord met een schimp er aan? Neen toch; of is er niet al wat schoon is in dat half-bewustzijn waarin men eenerzijds nog bevangen genoeg blijft om den droom overteleven dien men gister zoo heerlijk ervaren heeft, anderzijds genoeg nuchter om het te doen tot een spel en een vreugd voor iedereen? Dit is de aard van alle kunst [...]".
In hetzelfde tijdschrift oordeelt ook de wijsgeer en oriëntalist Tjitze de Boer (1866-1942) positief over het eerste grote optreden van Bolland in Nederland, dat hij opvat als een vernietigende kritiek op het moderne wereldbeeld, maar ook als poëzie:
"Wij blikken maar aldoor staroogend op den voortwentelenden stroom en hebben geen oog voor de bloeiende oevers en de rijzende bergen. Dat is de vloek van het moderne leven, dat het geen rust kent. De omwenteling van werelden en het verloop der historie doorleven we in onze ziel. En het gevolg daarvan is wereldzatheid en levensmoeheid, een stemming, die zich wel laat uitzeggen in een gedicht, maar niet overleveren als een leer. Daarom beschouw ik Prof. Bollands intreerede liefst als een dichterlijke ontboezeming".
En inderdaad, Bolland ontpopt zich als een geweldig orator
en acteur, die al spoedig volle collegezalen trekt. En niet alleen in Leiden.
Ook in Amsterdam,
Rotterdam, Den Haag, Delft, Utrecht, Nijmegen, Groningen, en in België verzorgt
hij referaten. Als hij in 1898 met Hegel. Eene historische studie de Nederlandse
Hegel-herleving inluidt, dwingt hij het spinozisme naar het tweede plan. Bollands
bonte mengeling van hegeliaanse filosofie ('Hegelarij') en militante civilisatiekritiek,
gecombineerd met zijn markante verschijning, verschaffen zijn colleges bovendien
de nodige amusementswaarde. Hij brengt lijn en eenheid in de versnipperde wijsgerige
beweging voor wie het spinozisme lange tijd het bindmiddel vormde.
In 1899 wordt hem gevraagd Het Spinozahuis te Rijnsburg te openen dat zojuist
dankzij de inspanningen van Willem Meijer is aangekocht. Honderd jaar later
schrijft Willem Otterspeer in zijn opstel 'Het heilige huisje' (1999) dat Bolland
temidden van de spinozisten een vreemde eend in de bijt moet zijn geweest,
omdat Dageradianen als Meijer hem een gruwel waren en hij een Spinoza-propagandist
als Van der Wijck een 'nul in folio' achtte. Op 12 juni 1897 wordt hij weliswaar
tot voorzitter van de vereniging Het Spinozahuis gekozen, maar in 1901 is hij
alweer vertrokken, omdat hij geen vertrouwen heeft in een wijsgerige vereniging
'die zelfs in Duitschland is mislukt'. Dat hij zich toch kortstondig aan Het
Spinozahuis heeft verbonden verklaart Otterspeer uit Bollands - en Hegels -
positie ten opzichte van Spinoza. Want wanneer men begint te filosoferen, moet
men toch aanvankelijk spinozist zijn, zo luidde het adagium van Hegel.
Ook in zijn colleges, onder andere gepubliceerd in het tweedelige Collegium
Logicum (1905), herhaalt Bolland met klem dat Spinoza 'met pieteit' moet worden
gekritiseerd, omdat de zeventiende eeuwse wijsgeer, samen met Kant, onontbeerlijk
is gebleken voor de ontwikkeling van Hegel. Tevens wijst hij zijn academische
voorgangers terecht die het spinozisme zouden hebben veronachtzaamd:
"We doen geen goed werk wanneer we ze streng en onverbiddellijk kritizeeren zonder een glimlach van waardeering op de lippen". [...] Ik durf erbij zeggen, dat miserabile dictu voor mij nog nooit een Nederlandsch philosophieprofessor getoond heeft, de klassieke periode van de wijsbegeerte naar behooren te kennen en dus behoorlijk te weten wat hij in de allereerste plaats weten moest. Wie van hen laat zich zelfs nu op dat punt door mij gezeggen: wie van hen ziet zelfs sinds mijn optreden als Hegelaar het groote feit, dat de Spinozistische modus, de Spinozistische substantie en de Kantische apperceptie verondersteld zijn en tezamen zijn gekomen in het Hegelsche begrip? Ze zwijgen er althans over gelijk de graven!. [...] [Hegel] gewaagt wel niet van Spinoza en Kant, maar toch is zoo de zin van z'n woorden: 'het wezen, dat tot begrip komt, is het wezen waarin de substantie zich subjectivieert'". [cursivering van Bolland]
In zijn 'Hegelarij' subjectiveert Bolland, in het voetspoor van Hegel, de
objectieve substantie van Spinoza: de substantie kan alleen maar gedacht worden,
de substantie, schrijft Bolland, is een 'zuiver en helder begrip van zich zelf':
het is 'zuivere rede'. Hoewel Bolland niet tot de spinozisten kan worden gerekend,
oefent zijn 'Hegelen' een geweldige invloed uit op een nieuwe generatie spinozisten
die deze hegeliaanse wending in hun denken incorporeren om vervolgens Spinoza's
wijsbegeerte te ontdoen van zijn objectivistische, naturalistische signatuur:
het bewustzijn van de natuur wordt een zelfbewustzijn van het denken. De meest
pregnante uitdrukking van dit hegeliaans gekleurd spinozisme treffen we aan
in het werk van Johannes Diderik Bierens de Haan die zich na Bollands oratie
ten doel stelt het spinozisme te zuiveren van elke objectiviteit. Anders dan
Willem Meijer, die furieus ageert tegen Bolland en het hegelianisme, kan Bierens
de Haan niet om Bolland en Hegel heen.
Omstreeks 1900 treden daarom twee varianten van spinozisme nadrukkelijk op
de voorgrond: het objectivistisch, systematisch spinozisme van Meijer (een
algemene wereldbeschouwing) en het subjectivistisch, eclectisch 'neo-spinozisme'
van Bierens de Haan (een persoonlijke levensleer). Kan de 'aanhanger' Meijer
rekenen op een specifieke achterban van vrijdenkers, atheïsten en socialisten,
de 'ijverige discipel' Bierens de Haan vist in de vijver van Bolland waar hij
een systematisch spinozisme in een persoonlijke levensleer modificeert die
louter ruimte biedt aan subjectivistische beginselen. Meijer wordt spinozist
op latere leeftijd, voor Bierens de Haan luidt het spinozisme zijn loopbaan
als filosoof in. Ondanks hun leeftijdsverschillen spelen beiden een rol van
betekenis in het netwerk van filosofische verenigingen. Dit is ook de reden
van het feit dat ze worden uitgenodigd deel uit te maken van de redactie van
het Tijdschrift voor Wijsbegeerte in 1907. In levensberichten wordt Bierens
de Haan doorgaans als stichter van het periodiek aangemerkt, maar Otterspeer
laat zien dat leerlingen van Bolland het project aanvoerden. Zij nodigden Meijer
en Bierens de Haan vooral uit vanwege hun fikse achterban die het periodiek
van 'een groter draagvlak' zou voorzien. Van het spinozisme van Meijer, en
zijn achterban, hebben we inmiddels een beeld gekregen. Hieronder volgt een
korte levensschets van Bierens de Haan; daarna vragen we ons af welk karakter
zijn spinozisme heeft en welk doel hij beoogt met zijn specifieke interpretatie.
9.2 Middelpunt van een 'kolkende en zuigende sociale beweging'
Kenmerkt de biografie van Meijer zich door duidelijke fasen in zijn intellectuele
ontwikkeling, in het geval van Johannes Diderik Bierens de Haan (1866-1943)
is het veel lastiger verschillende fasen in zijn geestelijke ontwikkeling te
onderkennen. Veel eerder lijkt hier sprake van een geleidelijke loopbaan. Tussen
1887 en 1940 heeft hij een onophoudelijke stroom wijsgerige publicaties geproduceerd:
eerst als theoloog en predikant (1891-1906), later - na het verlaten van de
kerk - als docent, publicist en redacteur van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte.
Zijn spinozisme kent wel twee afzonderlijke momenten. Tussen 1895 en 1913 aanvaardt
hij een uiterst 'gelouterd' spinozisme, waarin Spinoza's wereldleer geheel
wordt geelimineerd. Sinds 1913 - met het verschijnen van Uren met Spinoza -
herstelt hij deze wereldleer, die nu bijna identiek is aan de door Hegel voorgestelde
ontwikkeling van het denken. Zelf typeert hij zijn eerste filosofische periode
als de 'psychologische', zijn latere als de 'cosmologische'. In dit hoofdstuk
beperken we ons vooral tot dat eerste spinozistische of psychologische moment
waarin nog niet de kosmos, maar het Ik een centrale plaats inneemt.
Bierens de Haan wordt geboren op 14 oktober 1866 te Amsterdam als zoon van
de koopman en kunstverzamelaar Jan Bierens de Haan. De familie is van Hervormde
huize. Jan Diderik krijgt een rechtzinnige opvoeding en wordt voorbereid op
een studie theologie. Nadat hij het gymnasium te Haarlem heeft verlaten studeert
hij theologie te Utrecht, om vervolgens in 1891 te promoveren bij de Groningse
theoloog Frederik Willem Bernard van Bell (1822-1896). Van Bell was een groot
kenner van het werk van de Duitse wijsgeer Hermann Lotze die het spiritualisme
van Leibniz verbond aan het monisme van Spinoza. Bierens de Haan promoveert
op De beteekenis van Shaftesbury in de Engelsche Ethiek. Zijn onderzoek wordt
hem ingegeven door het probleem waarmee de hedendaagse kerken zich geconfronteerd
weten: een teruglopende belangstelling. In de 'moral sense'-ethiek van graaf
Antony Shaftesbury herkent hij een ethiek die niet door kerkelijke voorschriften
en rituelen is bepaald. Bovendien vindt hij in de vroeg-achttiende-eeuwse denker
een criticus van Hobbes, die egoisme als de menselijke drijfveer bij uitstek
beschouwde. Ethiek betekent voor Shaftesbury 'feiten in beweging': gemeenschap
is niet het resultaat van nuttigheidsoverwegingen en redelijk overleg, maar
spruit voort uit een aangeboren, emotionele aanleg van mensen om gemeenschap
te stichten - Bierens de Haan spreekt van een 'eros' en later van 'autonomie'.
De mens is niet egoïstisch van aard, maar geneigd zichzelf geliefd te
maken bij anderen; hij verlangt naar vriendschap, hij zoekt harmonie en vindt
zijn motivatie in een ethisch handelen. In zijn studententijd leest Bierens
de Haan de Britse radicale romantici, citeert Shelley en Blake, en leest het
werk van Milton. Ook bestudeert hij de geschiedenis van de bouwkunst, is lid
van het leesmuseum en abonneert zich op De Nieuwe Gids.
Nog in het jaar van zijn promotie huwt hij mejuffrouw Bervoets met wie hij
zijn eerste pastorie in Ootmarsum betrekt. Vervolgens staat hij in Hoogland
(1895-1900) en tenslotte in Roosendaal (1900-1906). Deze kleine en rustige
gemeenschappen bieden hem alle ruimte tot studie, zoals blijkt uit een wassende
stroom van essays over wijsbegeerte, literatuur, beeldende kunst, poëzie,
sagen en Indische wijsheden. Zijn verblijf als predikant in een uithoek van
Twente confronteert hem met gevoelens van eenzaamheid, maar voedt ook zijn
verlangen naar natuurbeleving en wijsbegeerte:
" [...] die geheimzinnige eenzaamheid, met de eigenaardige flora, die ik nooit meer heb teruggezien, wekte een sterke eenheid met de natuur in mij op. Een streek - van moeras en heuvels - in groote eenzaamheid - ver van alle verkeer gelegen. Ik woonde er ook geheel als vreemdeling. En dit gaf mij die buitengewone bekoring van terug te duiken in het natuurleven, en dus heel sterk dien band te voelen met natuur en zinnen, die behoedt tegen louter abstract zijn, waartoe de wijsbegeerte zoo licht aanleiding kan geven".
Tijdens zijn predikantschap realiseert hij zich dat hij volledig is vervreemd
van de moderne Bijbelkritiek, van vraagstukken als de Verlossing of de Openbaring,
maar ook van het kerkelijke instituut zelf. Van Shaftesbury had hij al geleerd
dat schoonheid en goedheid voortkomen uit de persoonlijke eros, maar gaandeweg
beschouwt hij ook waarheid als 'autonoom': waarheid kan niet worden aangeleerd,
maar wordt voorgeschreven door de eigen aard en aanleg van ieder individu.
Ieder dogma, zo zal zijn stelling gaan luiden, moet in de individuele mens
zelf gezocht worden, en niet daarbuiten.
In 1895 verzoekt de redactie van het kersverse tijdschrift De Kroniek hem Willem
Meijers vertalingen van Spinoza's TTP en de Ethica te bespreken. Dat verzoek
komt hem goed uit, want Bierens de Haan heeft zich zojuist op de studie van
Spinoza geworpen. Hij huldigt het Godgeleerd Politiek Vertoog als een uitmuntend
staaltje van bijbelkritiek en vindt in de Ethica de denkwereld van een geestverwant
en bondgenoot: hij ontdekt dat ook Spinoza uitgaat van een innerlijke drang
om te worden wat men is. Maar de verpakking van dat inzicht - een objectivistische,
geometrische, mechanistische wereldleer waarin alles causaal bepaald is - stuit
hem tegen de borst. In de jaren 1896-1899 werkt hij zijn opvattingen over en
kritiek op Spinoza verder uit in hetzelfde tijdschrift, om in 1900 de resultaten
van zijn denkwerk in een boek openbaar te maken: Levensleer naar de beginselen
van Spinoza, een studie waarop we nog terug zullen komen. Een studie ook waarmee
zijn eerste spinozistische fase een voltooiing krijgt. Bierens de Haan is nu
een overtuigd spinozist en zal tot aan zijn dood in 1943 veelvuldig over Spinoza
blijven spreken en schrijven. In 1913 neemt hij het Spinoza-deel in de populaire
reeks Uren met... voor zijn rekening. In dit werk blijkt zijn spinozisme een
gedaantewisseling te hebben ondergaan: hij distantieert zich van zijn vroegere
opvattingen, waarin voor een wereldleer geen plaats bestond. Spinoza's statische
wereldbeschouwing krijgt bij Bierens de Haan een dynamisch karakter - het wordt
een ontwikkelingsleer op Hegeliaanse grondslag.
Het jaar 1906 is een bewogen jaar voor deze veelschrijver en spinozist: het
nieuws bereikt hem dat hij wordt voorgedragen als opvolger van Van der Wijck
in Utrecht. Een van Van der Wijcks laatste activiteiten is het uitreiken van
een eredoctoraat aan de spinozist Willem Meijer, die te oud voor een professoraat
wordt gevonden. Van der Wijck richt zijn aandacht nu op Bierens de Haan, in
de hoop alsnog een spinozist aan te stellen die bovendien kan rekenen op een
gehoor dat zich ook buiten de academie bevindt. Bierens de Haan is in zijn
nopjes en dient zijn ontslag in bij de Nederlands Hervormde Kerk - een moedige
stap, zo zal zijn leerling Gustaaf Adolf van den Bergh van Eysinga (1874-1957)
later schrijven, omdat hij daarmee een geregeld inkomen verloor. Maar op het
laatste moment blijkt de journalist en remonstrant Pierre Henri Ritter (1851-1912)
- hoofdredacteur van Het Nieuws van den Dag - die aanstelling te Utrecht te
krijgen. Bierens de Haan is diep teleurgesteld en wendt zich voorgoed af van
de universiteit.
Hij richt zijn aandacht nu op het netwerk van wijsgerige verenigingen, volksuniversiteiten,
beroepsopleidingen in het onderwijs, en later de Internationale School voor
Wijsbegeerte (opgericht in 1916). Het zijn activiteiten die hem van een behoorlijk
inkomen voorzien. Bovendien verbindt hij zich in 1922 als voorzitter aan de
Vereniging Het Spinozahuis, een eervolle functie die hij uitoefent tot aan
zijn dood. Zoals de docent Willem Meijer door middel van dit netwerk geestelijke
verheffing beoogt, zo beschouwt ook de docent Bierens de Haan het buitenacademische
onderwijs in de filosofie en cultuurgeschiedenis van het allergrootste belang.
Een leerlinge, in 1936 terugblikkend op de ervaringen met haar docent, drukt
het zo uit:
"Niet in de collegezaal, niet voornamelijk in besloten kring heeft Bierens de Haan zijn levens- en wereldbeschouwing ten beste gegeven. Op plaatsen voor een ieder toegankelijk, voor intellectueelen en wie een gebrekkig spraakgebruik daar niet toe rekent, heeft hij in kortere en langere cursussen zijn denkbeelden over geestelijke waarden en over 's menschen plaats in het Geheel ontvouwd".
De denkbeelden die Bierens de Haan over Spinoza ventileert dragen onmiskenbaar de sporen van Hegel en Bolland, zo merkt zijn vriend en geestverwant Van den Bergh van Eysinga in een levensschets op. Het spinozisme van Bierens de Haan kan louter worden begrepen tegen de achtergrond van de Hegelherleving in Nederland, vervolgt deze theoloog en aanhanger van Bolland, die een brugfunctie tussen deze lastige en onverenigbare karakters vervult:
"Contact tusschen Bolland en Bierens de Haan is er niet geweest. Ik heb hen beiden intiem genoeg gekend om te durven zeggen, dat hun persoonlijkheden dermate tegengesteld waren, dat er van nauwer contact geen sprake had kunnen zijn. [...] Maar ondanks alle verschil, ja, geweldige tegenstelling, zijn Bolland en Bierens de Haan beiden de onzelfzuchtige en waarheidslievende strijders geweest voor een herleving der wijsgeerige belangstelling in het vanouds weinig wijsgeerig Nederland, elk van beiden op zijn eigen wijze en in een tot elk hunner in het bijzonder zich aangetrokken gevoelenden kring".
Ook van de zijde van Bolland is van toenadering geen sprake. Bolland verfoeit Bierens de Haans wijze van filosoferen en noemt hem 'een hegelianiserende deus minor, wiens inzicht dogmatisch gezichtsbedrog' is. Met de leerlingen van Bolland kan Bierens de Haan het echter uitstekend vinden. Enkelen van hen, zoals de fysicus Jacob Clay, de psychiater Julius de Boer , de journalist Lodewijk Grondijs en de leraar Nederlands Klaas Pen, willen een filosofisch tijdschrift stichten naar letter en geest van Hegel: het Tijdschrift voor Wijsbegeerte. De oorsprong van het periodiek kent echter verschillende scenario's - dat wil zeggen: meerdere personen claimen het initiatief. Zo meldt Otterspeer dat de Vereeniging voor wijsbegeerte te Leiden een tijdschrift voor ogen staat dat gedragen wordt door plaatselijke Verenigingen voor wijsbegeerte. Voor de invulling van de redactie wordt gedacht aan Willem Meijer, inspirator van de Amsterdamse en Haagse Verenigingen voor wijsbegeerte, de fysicus en wijsgeer Philip Kohnstamm (1875-1951) - eveneens gewaardeerd in Amsterdam, aan De Boer en Pen namens Leiden, en Grondijs voor Utrecht. Volgens een andere leerling worden Meijer, Kohnstamm en Bierens de Haan aan de redactie toegevoegd omdat Bolland zou weigeren toe te treden. Genoemde drie filosofen, geliefd in het wijsgerige verenigingsleven, zouden ter compensatie voldoende abonnees kunnen leveren. Otterspeer suggereert dat Bolland niets voelt voor een tijdschrift dat niet zuiver hegeliaans-Bollandiaans van aard is, maar hij bespeurt onder Bollands leerlingen tevens een huiver voor de grillen van de meester:
"Vanaf het begin waren leerlingen als Clay ervan overtuigd dat er met Bolland op den duur geen samenwerking mogelijk was. Ook Grondijs meende dat hij pas nadat hij weg was onder de vleugels van Bolland, 'ernstige' filosofie was gaan studeren. Verschillende redacteuren hadden verschillende oogmerken met het blad, maar geen van hen wilde de filosofie doen verlopen in een poeltje, zoals Pen het omschreef, in 'het Bolland-moeras'".
Bevrijd van Bollands patronage kibbelen en ruziën deze
hegelianen lustig voort. Het heeft er inderdaad alle schijn van dat de spinozist
Meijer louter
is aangetrokken om abonnees te werven, want zijn aangeleverde bijdragen worden
door Grondijs 'prulstukken' van 'het oudje' genoemd. In dit chaotische en naijverige
klimaat blijkt de figuur van Bierens de Haan wat rust te brengen. Sinds zijn
aanstelling tot hoogleraar is gedwarsboomd heeft hij alle tijd zich met hart
en ziel op het tijdschrift te storten. Bovendien beschikt hij over tact en
neemt hij met zijn hegeliaans gekleurd spinozisme een veilige middenpositie
in tussen oudere spinozisten als Meijer en hegeliaanse jongeren als Clay. Van
den Bergh van Eysinga heeft geen ongelijk als hij opmerkt dat 'de zaak, dank
zij de wijsheid en geziene figuur van den hoofdredacteur geslaagd [is]'.
Het is dan ook dezelfde Bierens de Haan die het eerste nummer opent met een
manifest - 'Een wijsgeerige beweging in Nederland' - waarin op omzichtige wijze
het programma en de doelstellingen van het nieuwe periodiek aan het publiek
worden gepresenteerd. Het tijdschrift blijkt een succes en al snel kan men
zelfs honoraria gaan betalen. Bierens de Haan verhuist in 1909 met zijn gezin
naar de villa Duinhage te Aerdenhout, van waaruit hij zijn activiteiten tot
aan zijn dood zal coördineren.
Goed, fysieke contacten tussen Bolland en Bierens de Haan zijn er niet, maar
er is nog een reden waarom beiden lijnrecht tegenover elkaar staan. De eerste
stelt zich op een elitair standpunt en vindt dat wijsbegeerte een zaak van
weinigen is. De laatste huldigt een egalitair standpunt en meent dat een ieder
filosoof kan zijn, mits het - aangeboren - 'beschouwelijk temperament' in voldoende
mate aanwezig is. Daarom begroet hij met zoveel geestdrift instellingen als
volksuniversiteiten en de Internationale School voor Wijsbegeerte. Als midden
in de Eerste Wereldoorlog het initiatief wordt genomen tot de stichting van
die Internationale School voor Wijsbegeerte te Amersfoort, nodigt vice-voorzitter
Van den Bergh van Eysinga Bierens de Haan uit vanwege zijn vermogen verschillende
mensen, meningen en stromingen bij elkaar te brengen, maar ook om zijn aantrekkingskracht
op de steeds groter wordende schare van liefhebbers der wijsbegeerte. De idee
van een 'internationale wijsbegeerte' is ingegeven door de verschrikkingen
van de oorlog,
" [...] door het besef dat in een gruwelijken tijd meer dan ooit behoefte bestaat aan een centrum van geestelijke verdieping. Men ziet in de wijsbegeerte het middel om de menschen boven het brutale egoïsme van den dag te verheffen, dat op het groote wereldtooneel hoogtij viert".
Welnu, die verheffing boven de waan van alledag is precies de springveer van
Bierens de Haans wijsbegeerte. De radicale kritiek op de waan van de oorlog,
aangevoerd door docenten als de ethische anti-militaristen Clara Wichmann en
Bart de Ligt, bezorgt de School tevens de reputatie 'rood, communistisch, anarchistisch'
te zijn. Ook Bierens de Haan looft haar pacifistische en 'onschoolsche' karakter,
waar niet de starheid van de dogmatische formule overheerst, 'maar levende
wijsbegeerte: een stelselmatige bezinning van den menschelijken geest op zijn
waarheid, dat is, van het menschelijke denken op het goddelijke'.
Onderwijl publiceert Bierens de Haan vanuit Aerdenhout een stroom van filosofische
werken, die steeds mystieker van aard en zweveriger van toon worden. Otterspeer
merkt op dat zijn boeken geschreven lijken door 'een wat geëxalteerde
douairière'. Desondanks is Bierens de Haan sinds de dood van Bolland
en Meijer de onbetwiste mentor en tutor van de buiten-academische wijsbegeerte.
Op zijn zeventigste verjaardag in 1936 wordt hij drievoudig geeerd voor zijn
levenslange inspanningen. Hij wordt onderscheiden 'met den Nederlandschen Leeuw',
hij wordt benoemd tot officier in de Kroonorde van Belgie, en ontvangt uit
de handen van de Amsterdamse hoogleraar Hendrik Josephus Pos (1898-1955) een
eredoctoraat in de letteren. Pos eert hem als het middelpunt van een 'kolkende
en zuigende sociale beweging' die uitdrukking wil geven aan 'het nieuwe geloof
van de toekomst'. De echte academicus Pos hecht veel waarde aan een popularisator
als Bierens de Haan, die de wijsbegeerte effectiever weet te verbreiden dan
iemand die handelt vanuit een academische positie. In zijn rede zegt Pos:
"Gij moest voor de eenen te weinig positief, voor de anderen te individualistisch-burgerlijk zijn. Het midden, dat gij scheent te houden en dat voor rechtsch te linksch, voor linksch te rechtsch was, was geen midden, maar dieper dimensie. De menschwaarden waarom gij U bekommerdet zijn dezelfde als waaraan het geloof gelooft en waarvoor de toekomstbeweging strijdt. Maar de bezinning en de strijd gaan kwalijk in een man samen, en U was de bezinning - en in welke mate! - ten deel gevallen".
Biedt het geestelijke klimaat rondom de Eerste Wereldoorlog nog een uitstekende
voedingsbodem voor zijn denken, gedurende de Tweede Wereldoorlog loopt de oude
Bierens de Haan averij op en laat zijn tactgevoel hem in de steek. Met het
Tijdschrift voor Wijsbegeerte gaat het sinds het einde van de jaren twintig
bergafwaarts. Spinozisten en hegelianen beschikken inmiddels over eigen vakbladen
en een teruglopend abonneebestand noopt de redactie het werkterrein elders
uit te breiden. In 1933 verschijnt er geen enkel nummer en een jaar later wordt
het periodiek omgedoopt tot het Algemeen Nederlandsch Tijdschrift voor Wijsbegeerte
en Psychologie.
Tijdens de Duitse bezetting dringt zich de vraag op of het tijdschrift 'in
de inmiddels gewijzigde omstandigheden' kan blijven verschijnen. Besloten wordt
artikelen met een pro-Duitse strekking te vermijden en een afwachtende houding
aan te nemen. In het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte heeft
Frans Jacobs in 1993 uitvoerig kond gedaan van de lotgevallen van de redactie
in oorlogstijd. Bierens de Haan ontbreekt veelvuldig wegens ziekte op redactievergaderingen
en kan niet verhinderen dat collega's, zoals de nieuwe secretaris en classicus
Pieter Hendrik van der Gulden, het voorstel aannemen 'aangeboden kopij, den
nieuwen geest ademend' niet langer te weigeren. Hoewel Bierens de Haan vasthoudt
aan zijn standpunt geen banden aan te knopen met de Nationaal Socialistische
Beweging, waarvoor enkele redacteuren inmiddels zijn gewonnen, stelt Jacobs
dat het tijdschrift - en daarmee Bierens de Haan - geen principiële bezwaren
had tegen discussies met nationaal-socialisten: men wilde alleen de praktische
politiek vermijden.
Als in mei 1941 met het Journalistenbesluit het opnemen van door joden geschreven
artikelen en de aanwezigheid van joodse redactieleden wordt verboden, besluit
de redactie - Bierens de Haan incluis - de twee joodse medewerkers Leo Polak
(1880-1941) en Herman Wolf (1893-1942) te vragen 'hun mandaat neer te leggen
voorzoolang dit nodig is'. Mochten Wolf en Polak protesteren, waarschuwt Bierens
de Haan, 'dan moeten wij door de nood gedwongen, [hen] van de redactie losmaken'.
Het tijdschrift moet immers gered worden. Polak wordt op 15 februari 1941 gearresteerd
en sterft in het concentratiekamp Oranienburg. Wolf overlijdt een jaar later
als slachtoffer van het nazisme. Jacobs schrijft:
"Bierens de Haan was er oprecht van overtuigd dat hij onder dwang handelde en dat hem geen ruimte overbleef om Polak en Wolf te handhaven. [...] Zijn hele optreden getuigt ervan dat hij in de gegeven oorlogsomstandigheden, die nu eenmaal benard waren, in goed geweten meende te handelen. Hij ging daarom maar door met het enige dat hem te doen overbleef: het ANTW overeind houden. Dat had weinig of niets te maken met zijn concrete ethisch-filosofische overtuigingen; hij wilde uitdrukkelijk aan een algemeen filosofisch tijdschrift leiding geven, waarin alle filosofische strekkingen aan het woord konden komen". [cursivering van Jacobs]
Met veel onbeantwoorde vragen omtrent deze tragische kwestie wordt het laatste hoofdstuk van Bierens de Haans biografie voorlopig afgesloten. Hij overlijdt in 1943. Een kleine schare bewonderaars troont hem naar de begraafplaats van Bloemendaal, waar Van den Bergh van Eysinga een laatste lofrede uitspreekt en de meester typeert met verheven woorden, zoals 'verborgen harmonie' en 'zeldzame genade'.
9.3 Wijsbegeerte als levensleer: een andere omgang met de werkelijkheid
Voordat Bierens de Haan zich verbindt aan het Tijdschrift voor
Wijsbegeerte oefent hij zich in het schrijven van filosofische essays en
boekbesprekingen
voor het prille periodiek De Kroniek. In dit door Pieter Lodewijk Tak in 1894
opgerichte tijdschrift zwaait de marxistische theoreticus Frank van der Goes
de scepter en wordt een eerste poging gedaan een Nederlands theoretisch marxisme
te formuleren. Van der Goes is in 1899 de eerste Nederlandse marxist die benoemd
wordt aan een universiteit (Amsterdam). Als Van der Goes in oktober 1893 door
Willem Kloos aan de kant wordt geschoven als redacteur van De Nieuwe Gids besluiten
Tak en hij met een eigen weekblad voor de dag te komen. De Kroniek onderscheidt
zich van zijn literaire voorganger door zijn grote variatie aan politieke en
culturele thema's. Onder de medewerkers vinden we geëngageerde kunstenaars
als Hendrik Petrus Berlage, marxisten als Anton Pannekoek, commentatoren als
Jan Veth, maar ook de filosoof Bierens de Haan die bijna tien jaar lang voor
het blad zal schrijven.
Hoewel het estheticisme van De Nieuwe Gids ook nog doorwerkt in De Kroniek
verschilt het laatste weekblad aanzienlijk van het eerste, door zijn afwijzing
van de scheiding tussen kunst en samenleving: wie de beoefening der kunsten
wil bevorderen moet tegelijkertijd de samenleving ingrijpend veranderen. Zo
bestaat er in deze kring veel belangstelling voor de Engelse utopist, estheticus
en kunstenaar William Morris. Over de wijze waarop die samenleving dient te
veranderen bestaat echter geen overeenstemming. Berlage staat op het standpunt
van de 'gemeenschapskunst': kunst van en voor het volk; Pannekoek bepleit aansluiting
bij de socialistische beweging; Alphons Diepenbrock gelooft in de kracht van
het bevlogen individu; en Bierens de Haan zal zich uitspreken voor een 'transcendentaal
socialisme'. Maar alle medewerkers verwerpen het burgerlijk en liberaal nationalisme,
dat zo lang de kolommen van bladen als De Nederlandsche Spectator en De Nieuwe
Gids domineerde.
Ook Bierens de Haan heeft zich altijd verwant gevoeld met de generatie van
Tachtig, wier De Nieuwe Gids hij reeds leest sinds 1887, nog in zijn studententijd,
en waarvoor hij in 1894 een eerste bijdrage schrijft die karakteristiek voor
zijn latere wijsgerige oeuvre zal blijken: 'De psychologie van het leven'.
In de kring rondom De Nieuwe Gids ziet hij een beweging die 'volkomen en absolute
vrijmaking' beoogt:
"Het subject moest geheel zich zelf kunnen wezen en dus de banden, de zeden die tot nu toe waren vastgesteld, moesten losgemaakt worden. [...] Dat had ik voorvoeld bij het lezen van Milton en Shelley, maar omdat het geen Nederlanders waren, was toch nooit het besef van het levende woord zoo tot mij doorgedrongen als toen De Nieuwe Gids mij daarvan de openbaring gaf".
Omdat deze kring een consistente wijsbegeerte of levensleer ontbeert - en
zich zou kenmerken door 'Lyriek zonder Idee' - stelt hij zich ten doel die
wijsbegeerte te leveren. Hij vindt een geestverwant in Bolland, die sinds 1888
ook in De Nieuwe Gids publiceert. De oratie van Bolland te Leiden bewijst,
schrijft Bierens de Haan, dat de empiristen 'geen wijsgeerige partij meer zijn'.
Het te ver doorgevoerde rationalisme leidde tot geestelijke en culturele verarming
en verhief 'simpele redeneeringen' tot wijsbegeerte. Met het aantreden van
Bolland zijn metafysica en wetenschap ten einde gekomen. Nu de grenzen van
het wetenschappelijke denken zijn bereikt, kan 'de zelfbewustwording van den
ethische mensch' beginnen. De werkelijkheid is weer tot een mysterie geworden,
waardoor de toekomst is aan de mystiek. Bolland is allereerst een 'theologische
wijsgeer', die een nieuwe lans breekt voor de bespiegelende filosofie die sinds
Kant naar de achtergrond is gedrongen. Na een periode waarin de wijsgeer zich
louter bezighield met empirische grondslagen van de wetenschappen, worden nu
weer 'univerzeele problemen' aan de orde gesteld. De wijsbegeerte is weer tot
een levensleer geworden. Bovendien laat Bolland zien dat theorie en werkelijkheid
niet overeenstemmen, zoals positivisten beweren. De theorie is slechts een
conclusie van het verstand, de werkelijkheid zelf een raadsel. Bollands kritiek
op de wijsbegeerte is vierledig, constateert Bierens de Haan: hij kritiseert
de versnippering van de filosofie in stromingen en richtingen; hij kritiseert
het eenzijdige wetenschappelijke denken; hij kritiseert de analytische wijsbegeerte
door een synthetische levensleer te bepleiten; hij kritiseert het alvermogen
van de rede. De oratie van Bolland luidt een andere, gewijzigde omgang met
de werkelijkheid in.
Zelf treft hij zo'n andere omgang met de werkelijkheid aan in het spinozisme
en start een artikelenreeks voor De Kroniek, waarin hij die levensleer met
genoegen uiteenzet. Wat De Nieuwe Gids-beweging immers zo inspirerend maakt,
zegt Bierens de Haan, is de ontdekking van 'de hartstocht van de taal', de
'eigen verbeeldingswaarde', het 'muzikaal karakter der taal'. Een levensleer,
gebaseerd op die hartstocht, drijft hem naar het standpunt dat ook de wijsbegeerte
in eerste instantie hartstocht is. Geest is pure activiteit, geestelijke waarde
is een eigenschap van persoonlijke subjectiviteit: 'Ik stelde dus een parallel
tusschen denker en kunstenaar vast', concludeert hij. Zoals de kunstenaar zijn
zelfopenbaring in termen van schoonheid beschouwt, zo heeft de denker het recht
zijn denkarbeid als waarheid te erkennen. Dit inzicht werkt hij uit in de studie
De norm der waarheid is in onszelf (1897).
Desgevraagd heeft Bierens de Haan in een interview toegegeven dat dit type
denken een reactie is op een lange periode van positivisme, waarin het denken
en de geest louter werden opgevat als objectieve natuurprodukten. Ook de aartsvaders
van De Nieuwe Gids waren nog wat ouderwetse positivisten. Bierens de Haan wijst
op de invloed die aanvankelijk uitging van 'de oudere philosophen, zooals Van
Vloten en Lotsy', die nog een wereldbeschouwing ontwierpen: een objectieve,
buiten onszelf liggende theorie van de wereld die over de mens wordt geschoven.
Zo'n 'objectief-verstandelijke' beschouwing kan louter verklaren, maar niet
begrijpen, zo corrigeert hij de 'objektieve' Lotsy.
Zijn poging een nieuwe levensleer te formuleren komt zeker ook voort uit de
diepe onvrede die Bierens de Haan heeft met ontwikkelingen in de moderne samenleving.
Het 'Dieszeitige' en het 'Jenseitige', het menselijke en het goddelijke, raken
steeds verder van elkaar verwijderd. Ooit, ver weg in de menselijke geschiedenis,
waren beide 'sferen' nog innig met elkaar verbonden, en alleen in het herstel
van die eenheid ligt de mogelijkheid tot behoud van de mensheid. Bierens de
Haan wil een gezindheid kweken die de mens verheft, doet uitstijgen boven het
'Dieszeitige' van de gegeven werkelijkheid. In feite ontwerpt hij een idealistisch
maar ook aristocratisch anarchisme: hij wil met zijn wijsbegeerte de cultuur
van binnenuit hervormen. Een hervormingsproces dat wordt gedragen door persoonlijkheden
die over een fikse dosis 'Individualiteit' beschikken. Want hij gelooft niet
dat economische of politieke hervormingen de cultuur naar een hoger plan kunnen
tillen:
"De maatschappelijke rechtvaardigheid is een ondergeschikt denkbeeld van de cultuur, maar het is niet gezegd, dat maatschappelijke rechtvaardigheid een socialistisch stelsel van maatschappelijke vorming of hervorming meebrengt. In het algemeen lijkt het mij, alsof de wijsgeerig gezinde een zeker aversie heeft tegenover afgesloten meeningen over de inrichting van de maatschappij. [...] De wijsgeerig gezinde streeft er naar, het innerlijk te verhoogen en in zoo uitgestrekt mogelijke kringen werkzaam te zijn tot verheffing van zedelijk bewustzijn. Hij onthoudt zich allicht van de propaganda voor zuiver uitwendige maatschappelijke verbeteringen". [cursivering van Bierens de Haan]
Hoewel hij het woord anarchisme niet in de mond neemt - behoudens een enkele
maal het begrip 'anarchistische ethiek' - staat hij sympathiek tegenover het
'affirmatieve anarchisme' van Gertruida Kapteyn-Muysken (1855-1920), die lange
tijd in Londen woonde en bevriend is met de Russische anarchist en ethicus
Peter Kropotkin. Haar ethisch-anarchistische studie Affirmatie (1908) wordt
welwillend door Bierens de Haan besproken voor het Tijdschrift voor Wijsbegeerte.
Zoals Kropotkin Kapteyn-Muysken typeerde met de woorden: 'U is anarchiste zonder
het zelf te beseffen', zo kan Bierens de Haan wellicht ook worden getypeerd.
Bovendien toont zijn denken enige verwantschap met dat van de Franse dichter-wijsgeer
en wetenschapscriticus Jean Marie Guyau. In dit Franse anti-utilisme wordt
de gedachte dat louter nut en genot hefbomen van menselijk handelen zijn afgewezen
omdat het leven zichzelf immers voortbeweegt: handelen is afhankelijk van iemands
'voorraad van kracht', van 'overstromende levenskracht'. De ethiek van Guyau
wordt in Nederland gerecipieerd in ethisch-anarchistische kringen, in de Internationale
School voor Wijsbegeerte, maar ook door Van der Wijck, die Guyau al in 1885
middels een groot essay in De Gids aan het Nederlandse publiek heeft gepresenteerd.
Eerder heeft Bierens de Haan, als medewerker van het socialistische weekblad
De Kroniek, zijn eigen verhouding tot het socialisme al moeten rechtvaardigen.
In zijn eigen opvatting van socialisme - dat hij in 1898 'transcendentaal socialisme'
zal noemen - is een aantal elementen duidelijk herkenbaar. Voorop staat een
bittere afkeer van het positivisme in de wetenschap en politiek en een sympathie
voor het 'okkultisme', dat hij als een 'nieuwe wetenschap' beschouwt. De wetenschappen
hebben hun beloften niet kunnen inlossen en hebben mensen nog sterker doen
vervreemden van een wereld die maar geen eenheid wil worden. Nieuwe stromingen
en levensleren, zoals theosofie, boeddhisme en satanisme, onderzoeken het vermogen
van de geest, onafhankelijk van het materiele bestaan. Ook het spinozisme is
zo'n nieuwe wetenschap of levensleer. Louter de waarneming en het experiment,
klaagt Bierens de Haan, krijgen vandaag aandacht in de wetenschappen. Sinds
de Franse Revolutie wordt er gespot met intuitief verkregen kennis, maar gelukkig
dreef de Romantiek 'de spot met verstandelijkheid'. De eenzijdige voorkeur
voor het verstand heeft ons doen vervreemden van vroegere tijden. Zouden wij
dit eenmaal inzien, dan zouden we beseffen dat we dichter bij de 'verbeeldingsrijkdom'
van de Gothiek staan, dan bij de 'gevoels-dorheid' van de Renaissance. Rede
en zinnelijkheid zijn helemaal geen tegenstellingen, want de rede is niets
meer dan een ordening van zinnelijke aandoeningen. Wie beide sferen scheidt,
ziet niet dat achter de wereld een 'eeuwige orde' schuil gaat.
In 1898 schrijft hij een lange verhandeling over 'Individualiteit en Gemeenschap'
waarin hij zich op een individueel-aristocratisch standpunt stelt: '[Het individu]
is een geheel [...] een complete schepping [...] veel completer en mysterieuzer
dan honderd menschen'. De individuele mens vormt een eenheid, is 'kenner' en
het 'gekende' tegelijkertijd, en in tegenstelling tot de 'kuddemens' richt
hij zich op het eeuwige en het oneindige. Tot de laatste grootheden rekent
hij de kunst en de filosofie. Menselijke contacten zijn niet meer dan 'oppervlakkige
verbindingen', maar 'een mensch heeft een oneindige diepte'. Ieder individu
is een potentieel genie, maar de moderne samenleving hindert de vrije ontplooiing
van vrije individualiteit:
"De moderne mensch vecht en drijft handel, maar hij heeft geen oog voor de schoonheid van de zee, de hemel, de sterren, het woud en het sneeuwgebergte. [...] Nu kunnen wij hevig wenschen deze heele machinerie, die de maatschappij heet, anders en beter in elkaar te zetten; wij kunnen tegen het bestaande stelsel vloeken en de produktiewijze van nu verfoeien (en wie zou zulks niet?). Maar als wij daarna onze aangezichten keren tot de zee en de woestijn, het sneeuwgebergte en het woud, blijkt ons weder dat het voor den mensch toch een zeer belangrijke, maar niet boven alles belangrijke zaak is hoe hij de maatschappij heeft ingericht of wenscht in te richten. Wanneer wij in den trein zittende uitzien over een glansrijke meerwijdte, dan is het niet boven alles belangrijk of wij in een eerste klas, dan wel in een goederenwagon zitten, en of het soms een D-trein is".
Gemeenschap op basis van algemene belangen acht hij uitgesloten en daarom verwerpt hij iedere wereldbeschouwing die zich op economische, religieuze of socialistische belangen beroept. De norm der waarheid ligt immers niet in belangen, maar in onszelf. Zijn transcendentaal socialisme gaat uit van het primaat van de individualiteit, zijn levensleer wil mensen opvoeden tot 'volwassen individualiteit'. Hij onderstreept in zijn socialisme de niet-stoffelijke, geestelijke grondslagen. Transcendentaal socialisme is dan ook geen wereldbeschouwing, maar een levensleer waarin politieke onthouding wordt nagestreefd. In een eerder artikel heeft hij reeds een schematisch overzicht gegeven van de verschillen tussen een (politieke) wereldleer en een (gedepolitiseerde) levensleer :
levensleer wereldleer
aangeboren temperament aangeleerde beschouwing
autonomie van de geest geest is deel van 'kausale reeksen'
aanvaarding van het mysterie aanvaarding van het tastbare
esthetisch-individualistisch ethisch-naturalistisch
subjectief objectief
primaat van de innerlijke ervaring primaat van het empirisme
kwalitatief kwantitatief
spontaniteit overbewustheid
schoonheid versus lelijkheid goed versus kwaad
Deze stellingname doet hem het wetenschappelijk socialisme veroordelen, dat
hij reduceert tot 'een schamel surrogaat bij de loochening van ware gemeenschap'.
Want ook in een socialistische maatschappij zullen schoonheid en waarheid niet
worden ontleend aan het maatschappelijke of economische leven, maar aan het
innerlijk. Elke maatschappij ontleent haar waarde juist aan de geestdrift van
mensen. In feite hekelt hij elke vorm van politieke organisatie: zijn activisme
('denken is pure activiteit') kenmerkt zich door de weigering 'propaganda [te
maken] voor zuiver uitwendige maatschappelijke verbeteringen'. Transcendentaal
socialisme bepleit een depolitisering van 'de wereld' ten gunste van een politisering
van onszelf ('de norm der waarheid is in onszelf').
Bierens de Haans verwerping van objectieve beginselen ten gunste van een puur
subjectivisme stuit in de kolommen van De Kroniek onmiddellijk op tegenstand
van wetenschappers en socialisten, aangevoerd door de psychiater Jelgersma,
de fysicus Jan van der Waals jr. - de zoon van de Amsterdamse hoogleraar en
latere Nobel-prijswinnaar - en de sterrenkundige en marxist Anton Pannekoek.
Pannekoek, blijkens zijn polemiek uitstekend op de hoogte van de geschiedenis
van de filosofie sinds Kant, spreekt van een aanmatigende 'bourgeois-filosofie':
"Voor hen [Bierens de Haan en de zijnen] is de geest een zelfstandig wezen, dat wel de goedheid wil hebben zich met de wereld te bemoeien, maar er ook zonder kan, en ook uit zichzelf alleen waarheden, denkbeelden vermag voort te brengen [...] Het is onze plicht, tegen deze aanmatiging op te komen, en den menschelijken geest te doen kennen als een alledaagsch vermogen, een arbeidsinstrument van denzelfden rang als andere vermogens en andere arbeidsinstrumenten".
Van der Waals jr., die filosofie studeert bij de Amsterdamse
hoogleraar Spruyt - een onverbiddelijke tegenstander van elke 'wijsbegeerte
in proza' - schrijft
dat Bierens de Haan 'wartaal' uitkraamt en de paranoïde indruk wekt deel
uit te maken van 'een door positivisten vervolgde sekte'. Zijn hoogdravende
betoog zou 'onsamenhangend en weinig aannemelijk' zijn, waardoor het onmogelijk
is 'den draad ervan te volgen'. Dergelijke reacties uit de wetenschappelijke
hoek plaatsen Bierens de Haan - net als Bolland overigens - in een intellectueel
isolement, maar in de wijsgerige verenigingen die na 1900 van de grond komen
bestaat veel belangstelling voor maatschappijkritische colleges.
Na de periode van de Tachtigers, waarin een ongenuanceerde spontaniteit domineerde,
is nu de tijd aangebroken zich te bezinnen op 'het bewuste leven'. Bierens
de Haan zegt geen 'overbewustheid' na te streven - zoals Meijer en Bolland
dat met hun rationalistische filosofie beogen - maar een 'bewustheid' die geleidelijk
een eigen, persoonlijke levensleer zal worden. Een levensleer is dan een 'overdenkingsproces'
dat het resultaat is van de 'vereering van de spontaniteit', van een bewustheid
van de hartstocht van het denken, waardoor de pracht van de rede - het verbond
tussen verstand en intuitie - wordt blootgelegd. Wijsbegeerte is dan een 'vak
van voelend kennen'. Ter aankweking van die levensleer kan Spinoza's Ethica
hulp bieden. Al moet natuurlijk wel die verfoeide wereldleer uit het spinozisme
worden gebannen, want
"Spinoza's wijsbegeerte is langen tijd onbegrepen gebleven, doordat zij niet in het verband haars geheels werd doordacht. Men legde den nadruk op het Substantiebegrip in verband met het Cartesianisme, op het parallelisme der attributen in verband met de leer van lichaam en ziel, op de natuurleer in verband met de nieuwe mechanika, op het schijnbare naturalisme in verband met Hobbes, op de zedeleer als tegengestelde van het Calvinisme, enz. Bij al deze beschouwingswijzen ging de totaliteit van Spinoza's denken verloren, want al wat daarin valt te onderscheiden, kan als moment in een algemeenen samenhang worden beschouwd, zoodra het Spinozisme niet in statischen, maar in dynamischen zin wordt uitgelegd. In zijn totaliteit is Spinoza's leer een wijsgeerig-religieuze mystiek".
Met andere woorden: ook het spinozisme moet worden gedepolitiseerd.
9.4 Levensleer naar de beginselen van Spinoza
In 1895 wordt Bierens de Haan gevraagd Meijers vertalingen van de TTP en
de Ethica te bespreken voor De Kroniek. In beide korte besprekingen blijkt
hij kritisch te staan tegenover het spinozisme, maar verweert hij zich tegen
elk mogelijk verwijt van 'Spinoza-haat'. Hoofdschuddend moet hij constateren
dat Meijer een volstrekt rationalistische Spinoza heeft geconstrueerd waarin
van de mysticus die Spinoza toch ook was ieder spoor ontbreekt. Hij acht
deze rationalistische interpretatie, deze vorm van 'pozitivistische zelfbekrimping'
- dertig jaar geleden ingezet door Van Vloten - 'nu volstrekt uit den tijd'.
De centrale gedachte van de Ethica, merkt de recensent op, is immers de intellectuele
liefde, de 'amor dei intellectualis' die zich niet louter uit redelijke gronden
laat verklaren. Juist in een tijdvak waarin we met het mysterie van 'De Geest'
worden geconfronteerd en stromingen als materialisme, naturalisme en positivisme
achterhaald lijken, verdient een idealistische lezing van Spinoza de voorkeur.
Meijer mag dan wel beweren dat Spinoza een afgerond stelsel heeft geformuleerd
'waarin de uiterstgespannen poging gewaagd is tot verzoening van tegengestelden',
maar volgens Bierens de Haan was Spinoza nog lang niet klaar met zijn denkarbeid.
Wie Spinoza serieus wil nemen zal verder moeten gaan waar Spinoza een halt
hield.
Hij kwijt zichzelf van die taak en presenteert enkele maanden later een eerste
aanzet, getiteld 'Levensleer en Spinozisme' (1896) waarin hij de lezer verheugd
meedeelt dat hij geen enkel boek kent 'dat zo tot de bewustmaking van de eigen
gedachte meewerkt' als de Ethica. Toch weigert hij aanvankelijk zich spinozist
te noemen: 'Het Spinozisme wil wereldbeschouwing zijn; wij (niet-Spinozisten)
willen levensleer'. Bekent hij in de ban van de Ethica te zijn geraakt, het
Godgeleerd Staatkundig Vertoog acht hij een misser van de eerste orde die niet
valt te rijmen met Spinoza's zedenleer. In het korte opstel 'De oorlog en Spinoza'
(1900) sluit Bierens de Haan zich aan bij voorgangers als Abraham Kuyper, die
Spinoza's staatsleer onverbiddelijk verwierpen, en plaatst hij zich lijnrecht
tegenover Meijer, die immers beweert dat die staatsleer het hart van het spinozisme
vormt. De idee van 'survival of the fittest' floreert vandaag - helaas - overal,
stelt Bierens de Haan. In de maatschappij en in de politiek is recht niets
anders dan macht, en in de natuurwetenschappen wordt getracht de wereld definitief
te onderwerpen aan modellen, formules en protocollen. Bovendien presteert de
psychologie het om eenzijdige waarheden die voortspruiten uit wetenschappelijk
onderzoek om te zetten in een even eenzijdige zedenleer. Hij stelt Hobbes en
Darwin daarvoor verantwoordelijk en vraagt zich in De Kroniek af of ook Spinoza
zich niet schuldig maakte aan een dergelijk denken: 'Is Spinoza een Albionist?'
Onder Albionisten verstaat Bierens De Haan die denkers - vooral van Angelsaksische
huize - die het adagium 'macht is recht' huldigen en mensen als 'passiemensen'
beschouwen die in laatste instantie geen macht over zichzelf hebben. Het zijn
autoritaire denkers die uit 'nationalen hoogmoed' de burger redeloosheid en
zwakheid toeschrijven.
Na Spinoza te hebben vergeleken met Hobbes concludeert hij dat de staatsleer
van de eerste wel degelijk Hobbesiaans van aard is, omdat ook Spinoza uitgaat
van een 'vijandige gezindheid der individuen in een natuurstaat'. Maar, nuanceert
hij, Spinoza verkiest in ieder geval de republiek boven de monarchie en pleit
voor 'relatief gezag' in plaats van het 'absolute gezag' dat Hobbes voor ogen
stond. Toch achtten beiden de staat soeverein, en niet het individu. Daarom,
concludeert hij, valt Spinoza's staatsleer niet te verzoenen met zijn zedenleer
die immers een 'persoonlijke vrijmaking' behelst. Spinoza's levensleer is 'gemeend',
maar zijn staatsleer is 'gemaakt' en dus 'minderwaardig' ten opzichte van de
Ethica. Een grotere tegenstelling met de staatspropagandist Meijer is niet
denkbaar. Bierens de Haan toont zich hier een aristocratische anarchist die
waarschuwt tegen de nog immer uitdijende bureaucratie in Nederland. Het gevaar
van de staat ligt in zijn streven naar zelfbehoud, en staatsbehoud betekent
permanente machtsuitbreiding.
Zijn artikelen in De Kroniek hebben, vanwege de specifieke aard van het weekblad,
een politiek-cultureel karakter en bieden weinig ruimte aan langere, meer zuiver-wijsgerige
uiteenzettingen. De korte maar vernietigende kritiek op Spinoza's staatsleer
moet worden opgevat als een nawoord bij een lang, tweedelig essay dat hij schrijft
voor Albert Verweys Tweemaandelijksch Tijdschrift. In het ruim zestig pagina's
tellende essay 'De Wereld-leer in Spinoza's Ethica' (1897) stelt Bierens de
Haan zich tot doel een moderne levensleer op spinozistische grondslag te ontwerpen.
In de huidige tijd zoeken immers velen naar een levensleer die antwoorden geeft
op actuele vragen en problemen die voortspruiten uit een jachtige, moderne,
op consumentisme gerichte samenleving. Hij vindt de Ethica uitermate geschikt
in die speurtocht omdat het ons in staat stelt onze verlangens te 'reinigen'
en te leren wat we werkelijk zijn en willen. Het boek is geen onderdeel van
de geschiedenis van de filosofie, maar is autonoom, het is een boek 'voor alle
tijden'.
De auteur is niet echt origineel als hij opmerkt dat men pas tot een begrip
van Spinoza kan komen indien men zich losmaakt uit de Spinoza-traditie, die
hij volledig identificeert met naturalisten en vrijdenkers als Van Vloten en
Meijer. Uiteenlopende Nederlandse denkers als Kinker, Van Volkom, Scheffer,
Siffle, Burger jr. en Van Limburg Brouwer hadden eerder niet anders beweerd.
Bierens de Haans afkeer van de geometrische geslotenheid van het spinozisme,
dat immers leidt tot 'noodlottige harmonistiek', is juist een specifieke karaktertrek
van het spinozisme in Nederland. Richtten zijn voorgangers hun pijlen vooral
op de geometrische methode, Bierens de Haan hekelt de objectieve wereldbeschouwing,
waarin voor individualiteit en persoonlijkheid - 'het subjekt' - geen ruimte
is. Zijn visie en kritiek op Spinoza kunnen in enkele argumenten worden samengevat:
1. Het spinozisme is in feite dualistisch: de Hobbesiaanse wereldleer staat op gespannen voet met de persoonlijke levensleer, want in de Ethica wordt de geest afhankelijk gemaakt van 'de inrichting der geestlooze natuurorde'. Spinoza werpt de menselijke persoonlijkheid 'uit den Tempel'. De individuele geest is echter autonoom; alleen de geest kan de substantie denken; de geest heeft 'een eigen wezen' ten opzichte van de natuur en de wereld;
2. Spinoza leert dat naast het objectieve empirisme van de wetenschap er ook de mogelijkheid bestaat om subjectief kennis te nemen van de wereld, namelijk door 'induktie op basis van innerlijke analyse', waarbij het denken wordt geleid door wijsgerige inzichten. Naast de wetenschappen verdient dus ook de wijsbegeerte een belangrijke plaats in het maatschappelijke en culturele leven;
3. Pantheïsme en naturalisme moeten worden afgewezen, omdat ze moraal (deugd en waarheid) niet kunnen definiëren en esthetica (schoonheid en geluk) niet kunnen verklaren. Bovendien sluiten pantheïsme en naturalisme elkaar uit: naturalisme werkt 'scheidingmakend' en pantheïsme beoogt 'het Eene als wezen der wereld';
4. In Spinoza's naturalisme weerklinkt de gedachte 'leven is bestaan' - een objectieve, armoedige en ontnuchterende visie waarin ieder subject ontbreekt. Maar leven is 'liefhebben, genieten, lijden, gevoelen, denken'. Leven komt voort uit 'het Innerlijk'. Wie leven gelijkstelt aan bestaan minacht het leven.
In een vervolg op dit essay werkt hij die autonomie van de geest, van het
innerlijk, verder uit. Hij herhaalt dat de geest zowel 'gebeurende processen'
kan beschouwen (wat de wetenschap doet), maar dat diezelfde geest ook tot verbeelding
in staat is (zie de kunsten en de wijsbegeerte). Beide facetten krijgen in
het spinozisme aandacht, waardoor Spinoza als woordvoerder van 'een nieuwere
kultuurperiode' moet worden getypeerd. In de klassieke oudheid streefde men
naar geluk, in de Middeleeuwen naar heiligheid, en sinds de Renaissance is
vrijheid het streven van de mensheid geworden. Was het vrijheidsbegrip van
Spinoza nog te objectief en te naturalistisch, in het 'neo-spinozisme' van
Bierens de Haan betekent vrijheid 'de verwerkelijking van mijn wezenlijke zelf'.
Na deze vingeroefeningen - of 'hoofdstukken van neo-spinozistische ethiek'
- verschijnt in 1900 eindelijk een meer consistente uiteenzetting van dit sterk
gemodificeerde spinozisme: Levensleer naar de beginselen van Spinoza. Zijn
lezing van het spinozisme is volstrekt idealistisch: de substantie (of het
goddelijke, het absolute, of de Idee) openbaart zich in het zelfbewustzijn
van de individuele mens. De menselijke natuur heeft een dynamisch karakter:
de mens is de vleesgeworden 'activiteitsdrang' of 'conatus' bij Spinoza. Deze
drang is de 'Levensgrond' zelf - het spinozisme, als levensleer of zedenleer,
zoekt naar een versterking van die eigen activiteit, naar hogere individualiteit,
naar een verdere verwerkelijking van de Idee. Levensleer of Idee is voor Bierens
de Haan het zelfbewustzijn van het denkende denken. De Idee is niet alleen
de ware, diepere werkelijkheid, maar ook een 'transcendente realiteit': in
de Idee of Levensleer zijn existentie en essentie een geworden. Uiteraard herinnert
het begrip van de Idee aan Hegel, zegt ook een leerling van Bierens de Haan,
die daarmee Bollands visie op Spinoza adopteert:
"Bij Hegel zijn Zijn en niet-Zijn gelijkwaardig, zoodat zijn leer het
Worden als centrale gedachte heeft, terwijl bij Spinoza de nadruk op het Zijn
ligt. In den Spinozistischen gedachtengang wordt het eeuwig onveranderlijke
op den voorgrond gesteld; de wereld in haar verschijning aan ons is vol verandering
en wisseling, doch het wezenlijke zelf verandert nimmer. Het Zijn verwerkelijkt
zich in de verschijning, en het wereldproces is een zelfverwerkelijking van
dit Zijn. Spinoza heeft echter het verband tusschen Zijn en Worden onvoldoende
overwogen, ook al is hij niet blind voor het wordende en ook al slaat hij den
innerlijken voortgang des menschen zeer hoog aan".
In zijn studie Het Spinozisme van dr. J.D. Bierens de Haan (1970) merkt J.G.
van der Bend op dat Bierens de Haans 'Levensleer' bedoeld is voor de individuele
mens, voor de enkeling die op zichzelf bestaat en voor wie de samenleving
op de tweede plaats komt. Zijn 'transcendente realiteit' is geen metafysisch
gegeven (staat niet tegenover immanentie), maar een kentheoretisch principe
dat zich verzet tegen de opvatting van de mens als een empirisch kenbaar
wezen. Want het 'ik-in-zichzelf' gaat immers alle kennis te boven. Indien
wij uit ons eigen redebewustzijn handelen, leven wij zedelijk op een juiste
wijze, meent Bierens de Haan. Uiteindelijk is de rede niet primair logisch
of verstandelijk verstaanbaar, maar louter intuitief te vatten: de 'scientia
intuitiva' is de kroon op het verstandelijk denken: er is bij Bierens de
Haan, net als bij Spinoza, geen duidelijk onderscheid tussen 'ratio' en 'scientia
intuitiva'. Leven is dus een bewustzijnsproces. Om zover te geraken dient
Bierens de Haan de statische wereldleer in het spinozisme te ontmantelen.
Zijn opvatting van spinozisme als een bewustzijnsproces brengt hem in aanvaring
met Meijer die immers met klem ontkent dat er in het spinozisme sprake zou
zijn van een ontwikkelingsleer.
Nadat hij bijna tien jaar lang heeft gezwoegd op het verzoenen van zijn twee
wijsgerige uitgangspunten - de norm der waarheid is in onszelf en spinozisme
als een zelfbewustzijn van een andere (transcendente) werkelijkheid - maakt
Bierens de Haan in 'Spinoza als ethisch-wijsgeerig denker' (1904) een voorlopige
balans op. Er zijn twee wegen die ons in staat stellen om kennis over de mens
te verwerven: een theologische en een antropologische weg. De theologische
zienswijze zoekt buiten de mens naar een algemeen begrip van het wereldraadsel;
de antropologische zoekt vanuit het menselijk zelfbewustzijn naar dat begrip.
Spinoza combineerde in de Ethica beide: zijn begrip van God of de substantie
komt voort uit een theologisch denken, terwijl zijn leer van de affecten antropologisch
moet worden geduid. Het theologische substantiebegrip van Spinoza is echter
'leeg', zegt Bierens de Haan, want hij realiseerde zich niet dat inzicht in
de substantie toch het resultaat is van het denkende denken, van het zelfbewustzijn.
Daarom vernietigt Spinoza's substantiebegrip in laatste instantie de levende
mens, het subject:
"Het Spinozistische substantie-begrip beduidt dus geen hoogste werkelijkheid, maar een laagste werkelijkheid; zij beduidt het oer-homogene. Al haar praedikaten zijn niet voor de opperste bewustheid bedoeld, maar voor de onbewustheid van het oer-bestaan. [...] De aldus verheerlijkte substantie is pure objectiviteit, en alleen in het opzicht der verhouding tegenover de waarneembare wereld, nl. als vrije noodwendigheid, blijkt een subjectief karakter, dat echter in het Spinozistische substantie-begrip niet is verantwoord. [...] Deze uitspraak is het doodvonnis over het subjekt: de geest is opgeheven waar het Ding absoluut wordt". [cursivering van Bierens de Haan]
Gelukkig maakte Spinoza deze theologische misstap (in het eerste boek van de Ethica) goed in het vervolg van zijn zedenleer waar het antropologische gezichtspunt gaat domineren. Spinoza ontdekte hier zijn essentie als denker:
"Hij zocht en vond. De intuitieve rede vond de eenheid van ons wezen, de essentia, d.i. het transcendente punt; en zichzelf aldaar opstellend, en vandaar uit met immanent, d.i. zielsgebeurtenis na-scheppend (organisch rekonstrueerend, niet mechanisch van buiten af benaderend) denken, vermocht Spinoza zijne zielstoestanden van uit zijn essentieelen bestaansgrond te begrijpen. Het denken werd aktiviteit. De denker herkende zichzelf, d.i. zijn eigen essentia of eeuwig wezen, in zijn zielsstaten; zoo had hij den maatstaf der onderscheiding en des begrips: het ethisch-wijsgeerig denken was ingesteld. [cursiveringen van Bierens de Haan]
Door die gelukkige wending heeft Spinoza's wijsbegeerte geen
enkele verwantschap met het positivisme. Zijn ethisch-wijsgerige benadering
resulteert in een synthese
van het 'algemeen-menschelijke' en het 'bizonder persoonlijk Ik', een combinatie
die Bierens de Haan als 'metafysische individualiteit' bestempelt. Vanuit deze
synthese komt een nieuw type ethiek naar voren, waarin elk zedelijk oordeel
afhankelijk wordt van de vraag: "Hebt gij uw wezenlijk menschelijke individualiteit
bevorderd of gehinderd?"
Antwoorden op vragen van dit type blijken in Spinoza's filosofie vooral verpakt
in paradoxen. Dat is niet verwonderlijk, want 'de paradox is de taal der durvers'.
En Spinoza was zo'n durver, vervolgt Bierens de Haan. Een van diens paradoxen
is de uitspraak 'macht is zedelijkheid'. Op het eerste gezicht doemen hier
tal van schrikbeelden op: caesarisme, Nietzscheanisme, imperialisme, de macht
van het geld, enzovoorts. Maar Spinoza beschouwt macht als 'de inwendige sterkte
eener menschenziel'. Macht is 'zichzelf zijn', macht is 'inwendig evenwicht
en zelfbeheersching'. Dat Spinoza het lef had in paradoxen te denken, maakt
hem tot een autonoom ethisch-wijsgerig denker en niet tot een dienstbare theologische
denker.
In 1913 blijkt Bierens de Haan iets genuanceerder te denken over de vermeende
tegenstelling tussen de wereldleer en de levensleer in de Ethica. In zijn commentaar
bij de bloemlezing Uren met Spinoza geeft hij toe dat er tussen zijn Idee-begrip
en Spinoza's substantiebegrip eigenlijk nauwelijks onderscheid is. Dit standpunt
luidt de 'cosmologische' periode van Bierens de Haan in, die culmineert in
mystiek-wereldbeschouwelijke werken als Wereldorde en geestesleven (1922).
Werken waaraan Bierens de Haan zijn grootste faam gedurende het interbellum
heeft te danken.
Als Pos in 1936 het eredoctoraat in de wijsbegeerte uitreikt, looft hij de
'diepgaande introspectie' waarmee Bierens de Haan 'Spinoza's bevangenheid in
de wiskundige redeneertrant' heeft overtroffen. Hij 'verbeterde' immers het
spinozisme van Spinoza door de wiskundige methode en het naturalisme te overwinnen.
Het objectivistische en kosmische naturalisme van Spinoza wordt in zijn levensleer
vergeestelijkt tot de Idee, 'als grond van wereld en menschengeest'. Ten slotte
roemt Pos de 'vernederlandsching' van de wijsbegeerte die plaatsvindt in het
denken van Bierens de Haan. Ook in 1936 blijkt het filosoferen in de Nederlandse
taal een gedurfd experiment dat nog altijd tot volle wasdom moet geraken.
9.5 Een wijsgerige beweging in Nederland: een verlangen naar ware werkelijkheid
Voor de jonge Bierens de Haan is de wijsbegeerte allereerst een levensleer en is die levensleer allereerst spinozisme. De hierboven geschetste motieven van zijn spinozisme, zijn ook de motieven van de wijsbegeerte in het algemeen. Het eerste essay dat hij in 1907 publiceert in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte - 'Een wijsgeerige beweging in Nederland' - verschilt dan ook in geen enkel opzicht van de geestesroerselen over een levensleer en het spinozisme die hij eerder in De Kroniek en het Tweemaandelijksch Tijdschrift heeft geventileerd. Overheerste daar nog de 'lyriek zonder idee', het Tijdschrift voor Wijsbegeerte geeft juist uitdrukking aan de lyriek van de idee. Beide bewegingen - de 'Nieuwe-Gids-beweging' en de 'wijsgeerige beweging' - dienen volgens Bierens de Haan te worden opgevat als keerzijden van dezelfde medaille. In een vraaggesprek met de publicist D'Oliveira in 1913 merkt hij op:
"Ik meen dat de wijsgeerige beweging een afstammelinge is van de Nieuwe Gids-beweging. [...] Het lag in den aard der beweging van '80 dat uit haar een wijsgeerige behoefte ontwaakte. [...] Al meer ben ik toen ons geestesleven gaan opvatten als een bewustwording van ons innerlijke wezen en in die lijn is mijn geheele gedachteleven doorgegaan. [...] U ziet dus dat wij een heel andere richting zijn opgegaan dan de veel beperktere van den psychologischen roman".
Het schijnt alsof Bierens de Haan zichzelf hier met terugwerkende
kracht tot de Tachtigers rekent. De wijsgerige beweging zou een 'afstammelinge'
zijn van
de Nieuwe Gids-beweging. Terecht vraagt D'Oliveira nog even door en wijst zijn
gesprekspartner op de invloed die oudere, positivistische vrijdenkers als Van
Vloten en Lotsy toch uitoefenden op de kring rondom De Nieuwe Gids. Ook bespreekt
hij de enorme belangstelling voor Bolland en de zuivere rede in Nederland.
Zuchtend antwoordt Bierens de Haan dat het 'wijsgeerig aristocratisme' van
Bolland - een wijsbegeerte die 'alleen aan zichzelf denkt' - nauwelijks valt
te verbinden met de Nieuwe Gids-beweging. Want Bolland, die dichters en kunstenaars
verfoeit, behandelt de wijsbegeerte niet als een kunstvorm die verwant is aan
de poezie en de dramatiek. Ook acht Bierens de Haan de zuivere rede of de 'Hegelarij'
een feitelijke illusie, omdat een theorie of stelsel altijd een abstractie
van de werkelijkheid blijft. "In zijn naaktheid kan het stelsel een rechtstreeksche
zienswijze nooit vervangen". Hij ontkent dat het 'Hegelsche stelsel' de
'noodzakelijke uitingsvorm' is van Hegels gedachten. Hegel was een grote figuur,
een ziener, een mysticus voor wie de Idee de allesdoordringende levende kracht
was. Maar door een theoretisch stelsel te aanvaarden - wat Bolland immers doet
- wordt een illusoire werkelijkheid opgetrokken.
Voor Bierens de Haan is de wijsgerige beweging geen sociale beweging, zoals
Pos later zal beweren, maar hoofdzakelijk een esthetische waarin de filosoof
zijn verwantschap met de kunstenaar viert. Met die exclusiviteit doet hij de
wijsgerige beweging geweld aan. Vrijdenkers en socialisten, esthetici en letterkundigen,
Bollandianen en theosofen, ze hebben allen een evenredige rol gespeeld in de
vorming van een wijsgerige infrastructuur buiten de poorten van de universiteiten.
Dat hij in zijn gesprek met D'Oliveira met geen enkel woord rept over de betekenis
van Van der Wijck, Meijer, Bolland en Heymans voor de 'wijsgeerige beweging',
doet toch enige mythevorming vermoeden. Bovendien zijn, vanuit de wijsbegeerte
gezien, al te strakke grenzen tussen verschillende sociale groepen nauwelijks
te trekken: de radicale vrijdenker en Moleschott-adept Jan ten Bokkel eindigt
zijn intellectuele ontwikkeling in de collegebanken van Bolland; Bolland rekruteert
'Hegelaars' uit voormalige anarchisten en theosofen; een antisocialist als
Meijer kan niet verhinderen dat anarchisten met zijn Spinoza-interpretatie
aan de haal gaan; de socialist Cornelis Ketner bekent zich tot het mystieke
spinozisme van Bierens de Haan; enzovoorts. De eerder aangehaalde Van den Bergh
van Eysinga heeft zeker gelijk als hij stelt dat het spinozisme van Bierens
de Haan begrepen moet worden in het licht van de Hegel-herleving in Nederland,
maar anderzijds kan de Hegel-herleving niet los worden gezien van de Spinoza-herleving
gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw.
Dergelijke kritische kanttekeningen dienen we in ons achterhoofd te houden
bij het lezen van 'Een wijsgeerige beweging in Nederland'; deze beweging is
dan ook niet de filosofische pendant van de Nieuwe Gids-beweging, maar getuigt
eerder van een bewustwording - of emancipatie - van een veelkleurig heilsdenken
dat Gerlof Verwey treffend getypeerd heeft als 'seculiere soteriologie': het
visioen van een volmaakte eindtoestand (of equilibrium), die langs drie verschillende
wegen kan worden bereikt: via de wetenschap, de wijsbegeerte en de kunst. De
hoofdrolspelers in de wijsgerige beweging - vooral spinozisten en hegelianen
- menen inderdaad dat zij denkend kunnen doordringen tot de 'eeuwige orde'
die toch schuil moet gaan achter de chaotische verschijningsvormen waarin de
steeds complexere wereld zich aandient. Deze heilsleer of de gedeelde immanente
opvatting, dat God (of Natuur of Substantie of Idee) zowel als grond en telos
van het wereldproces moet worden verstaan, typeert Verwey in navolging van
de medicus en wijsgeer Willem Koster (1834-1907) als 'krypto-spinozisme'. Met
evenveel recht kan de wijsgerige beweging ook 'krypto-spinozistisch' worden
genoemd en wordt wellicht duidelijk waarom Spinoza zo'n belangrijke rol in
het Nederlandse geestesleven speelt.
Een bevestiging van dat heilsdenken vinden we in 'Een wijsgeerige beweging
in Nederland'. In de loop van de negentiende eeuw, schrijft Bierens de Haan,
zijn 'verschijningen' als een sluier over de werkelijkheid gelegd. Onze voorliefde
voor het 'voorstelbare en konkrete' - dat is voor door massaproductie verkregen
nutsartikelen en genotsmiddelen - maakt dat we de 'verschijning' aanzien voor
'werkelijkheid'. We geven 'delen' de 'titel van opperste waardij' en vergeten
dat slechts 'het geheel' die waardering verdient. Ons denken is daardoor in
een 'blinde steeg' terecht gekomen, waaruit 'het slechts door terugkeer kan
worden verlost' [cursivering van Bierens de Haan]. Daarom, vervolgt hij, zijn
wij filosofen 'allen nazaten van Rousseau'. Maar gelukkig bloeit in velen vandaag
de 'hartstocht der ware werkelijkheid'. Die bloei, die speurtocht naar 'ware
werkelijkheid' of authenticiteit, begint omstreeks het midden van de negentiende
eeuw. Toch weigert Bierens de Haan 'de oudere filosofie' tot de wijsgerige
beweging te rekenen, omdat hier 'geen wijsgeerige strekking' wordt aangetroffen,
maar theologie:
"Ook personen als Van Vloten behoorden in haar kader en werden in hun tegenstand [tegen de theologie] nog niet uit wijsgeerigen zin gedreven! Kon Van Vloten als type gelden van een andere fraktie van het negentiende-eeuwsche Nederlandsch intellekt: zoo was hij een theoloog in omgekeerden zin, een tegenstander der theologie, wiens denken dus door dezelfde anti-these werd bepaald; geen wijsgeer, maar [een strijder] die wapenen leende uit het wijsgeerig arsenaal van Spinoza, om den strijd tegen de theologie te voeren".
Tot de wijsgerige beweging wil hij louter hen rekenen die beseffen dat wijsbegeerte
'ook kunst is en wil zijn'. Dus wijst hij 'de litteratuur van '80' aan als
de opmaat tot de wijsgerige beweging.
Vanuit een cultuurhistorisch gezichtspunt echter is deze boedelscheiding niet
langer houdbaar: de hiervoor behandelde theologen, vrijdenkers, filosofen en
natuurwetenschappers meenden allen voldoende bewijsmateriaal verzameld te hebben
waarmee zij tot de 'eeuwige orde' of 'het Geheel' konden doordringen. Vaak
was Spinoza daarbij hun eerste gids, die hen binnentroonde in de tempel van
de wijsbegeerte. De oude 'teekenskunde' van Schroder, de telescopische onderzoeksmethode
van Junghuhn en Moleschott, het Krausianisme van Thorbecke, het humanisme van
Van Vloten, het monisme van Flanor en Van Limburg Brouwer, het psychisch monisme
van Heymans, het spinozisme van Meijer, de zuivere rede van Bolland en de eros
van Bierens de Haan getuigen alle van het verlangen de grenzen te slechten
tussen 'verschijning' en 'werkelijkheid'. Bovendien duikt de naam van Rousseau
steeds weer op in de werken van Van Vloten, Multatuli, D'Ablaing van Giessenburg,
Van der Wijck, Meijer en Bierens de Haan. Deze wijsgerige beweging bestaat
uit een wetenschapskritische en civilisatiekritische vertooggemeenschap waarin
thema's als vervreemding en authenticiteit de springveren vormen:
"Zoo is de natuurwetenschap steeds een verkeerde weg tot de waarheid; zij begint bij de menigvuldigheid, de konkreet-voorspelbare wereld, maar kan niet en bestreeft niet deze wereld te verstaan in haar Eenheid. Het Eene is de waarheid, en alleen het denken [...] denkt waarheid. [...] Het denken is niet met zichzelf in strijd: het berust in diepsten aanleg op een grondplan en wezenlijke harmonie [...]. Het geheel is de centrale Eenheid. Het denken dat alle intelletueelen arbeid uit zichzelven schept, is zelf het geheel, de centrale Eenheid van al zijn werk; het is: de centrale eenheid der verschijningswereld". [cursiveringen van Bierens de Haan]
Beter kan Bierens de Haan het Nederlands spinozisme niet typeren als hij hierboven
doet in zijn rechtvaardiging van een wijsgerig tijdschrift. Het feit dat mensen
kunnen reflecteren, dat er 'een denken van het denken mogelijk is' [cursivering
van Bierens de Haan], bevestigt voor deze Nederlandse filosofen de gedachte
dat het mogelijk is door de verschijningen heen te turen om vervolgens het
zicht te krijgen op de ware werkelijkheid. Of die ware werkelijkheid nu als
God, Natuur, Idee, Geest of Ik (alle met hoofdletters) bestempeld moet worden,
doet nauwelijks ter zake. Want, zo schrijft Bierens de Haan, 'het is de bedoeling
niet van redaktie en medewerkers om in een gesloten falanx voor een bepaalde
wijsbegeerte te strijden'. Het Tijdschrift voor Wijsbegeerte is een 'vrije
tribune' voor allen die 'ware werkelijkheid' zoeken - voor allen die willen
'zien door de bril die Spinoza geslepen heeft' (Meijer).
Met Bierens de Haan en de oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte
sluiten we een periode van een halve eeuw af waarin 'de spinozisten' niet alleen
in woord en geschrift van zich lieten horen, maar ook een eerste wijsgerige
infrastructuur creëerden die de fundamenten heeft gelegd voor een brede
ontplooiing van het wijsgerige denken in Nederland. Na deze kroniek is het
de hoogste tijd een balans op te maken: wat is Nederlands spinozisme?
| info@siebethissen.net | - | - | - |