Index of /Spinozisme en Vrijdenken/2000 De Spinozisten/Hoofdstuk 8

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
Hoofdstuk 8.pdf   26.01.2004 163kB -

HOOFDSTUK 8

'ZIEN DOOR DE BRIL DIE SPINOZA GESLEPEN HEEFT'.
WILLEM MEIJER EN DE LEERSTELLIGEN


" Eens zal er een tijd komen, dat men het opgeeft in zichzelf naar een fundament aller dingen te zoeken en dat men terugkeert tot de wiskundige methode, ook in de wijsbegeerte. Wie het niet waagt zichzelf als 't Een en 't Al te beschouwen, moet zichzelf als een deel van 't Aleene beschouwen. Een derde is er niet".

(Willem Meijer, Tijdschrift voor Wijsbegeerte, 1907)


8.1 Aanhangers en ijverige discipelen

Met het verschijnen van Gorters vertaling van de Ethica wordt in Nederland eindelijk de mogelijkheid geopend het spinozisme integraal te bestuderen als een systematische wijsbegeerte. Kort daarop wordt nog een Nederlandse vertaling van Willem Meijer op de markt wordt gebracht. Beide vertalingen zijn de eerste sinds 1677. Na twee eeuwen kunnen nu ook Nederlanders die het Duits of Latijn niet beheersen zich weer verdiepen in Spinoza's geestesroerselen. Staat de periode 1855-1895 vooral in het teken van de filosofische ontmoeting en kennismaking met het spinozisme - waarbij de protagonisten zich inspannen de actualiteit van dit denken in grove lijnen onder de aandacht van weldenkende burgers te brengen - nu, vlak voor de eeuwwisseling, kan Spinoza aan een veel groter gehoor worden gepresenteerd.
Als de classicus, theoloog en hervormd predikant Hubert Was (1838-1911) in 1897 beide vertalingen bespreekt voor De Nederlandsche Spectator, staat de relevantie van Spinoza voor de wijsbegeerte en de cultuur inmiddels buiten kijf. Net als zijn voorgangers twijfelt Was aan de waarde van de geometrische methode maar huldigt hij 'Nederland's doorluchtigsten wijsgeer' als de ziener, als de peetvader van de moderne wetenschappen. Voor de theoloog Was is het geen probleem dat Spinoza geen empirische bewijzen leverde voor onbewijsbare zaken, want de wijsgeer beschouwde de wereld niet als een maaksel van God. Spinoza ontwierp 'de diepzinnigste en verhevenste wereldtheorie die ooit door een denker ontvouwd werd': een theorie die aantoont dat de wereld in God begrepen is. Vooral de theoloog die zoekt naar een verjonging van het geloof mag zich gelukkig prijzen met Spinoza's inzicht in 'de eenige causa sui', "[...] de eenige substantie, den eenigen God, wien lief te hebben met intellectueele, eeuwige liefde, gelukzaligheid, en buiten wien begrijpen een hersenschim is". Spinoza zag weliswaar vooruit op onze dagen, vervolgt Was, maar hij zou zich niet verblijden over dit tijdvak. Hedendaagse wetenschappers beseffen wel de onverbrekelijke samenhang der dingen in de natuur, maar het visioen van de enige substantie of God ontbreekt in hun arbeid. Ook hier blijft Was volkomen trouw aan de Spinoza-interpretaties zoals die in Nederland sinds 1855 opgang maken: spinozisme beoogt het doorbreken van de vervreemding door het verzoenen van de resultaten van de wetenschappen in een hogere eenheidsband, in God of de Natuur.
Lange tijd echter bleek het voor velen schier onmogelijk de Ethica intensief te bestuderen, omdat de geometrische structuur en het Latijn de lezer zouden doen verdwalen in 'een donker syllogistisch woud'. Toch blijft ook het lezen van een Nederlandstalige Ethica 'een doornige taak', meent Was, omdat de vertalers consequent weigeren een begrippenindex aan hun werken toe te voegen. Desondanks juicht hij het verschijnen van de vertalingen van harte toe, omdat eindelijk ernst kan worden gemaakt met het verbreiden en populariseren van Spinoza's eenheidsleer - sinds 1860 een terugkerend thema in de kolommen van De Nederlandsche Spectator.
Al in 1887 maakte de jonggestorven jurist en wijsgeer Hendrik du Marchie van Voorthuysen (1852-1885) postuum gewag van het feit dat de periode van spinozistische sensibiliteit uitmondde in twee categorieën van spinozisten: 'aanhangers' en 'ijverige discipelen'. De eersten verdedigen Spinoza door dik en dun en menen dat de meester in besliste termen het laatste woord der waarheid heeft gesproken. De laatsten onderschrijven weliswaar Spinoza's definities, axioma's en stellingen, maar beweren dat van onfeilbaarheid geen sprake kan zijn. Ieder filosofisch systeem bevat immers leemtes, en het is de taak van de wijsgeer zo'n systeem 'van de fouten te zuiveren die het aankleven'. Volgens de auteur geldt die tweedeling ook voor de antispinozisten: sommige auteurs verwerpen Spinoza's premissen en menen met Kant dat Spinoza de transcendentale geldigheid van het causaliteitsbeginsel te zeer op de voorgrond heeft gesteld. Andere denkers - waartoe Du Marchie van Voorthuysen zichzelf rekent - stellen dat het spinozisme de suggestie van een afgerond en consistent stelsel wekt, maar dat het in de alledaagse praktijk 'niet zulk een volkomen consequent doorgevoerd geheel vormt'.
Du Marchie van Voorthuysens op het eerste gezicht simplistische onderscheid tussen aanhangers en discipelen lijkt karakteristiek voor de Nederlandse situatie. Gedurende de negentiende eeuw is er van fundamenteel en wetenschappelijk Spinoza-onderzoek nauwelijks sprake en slagen Nederlandse filosofen er niet in door te dringen tot het internationale onderzoek. Veeleer is er een wijsgerige inhaalrace aan de gang, die culmineert in de befaamde Van Vloten-Land-editie van 1882-1883 - een project dat de nationale en pseudo-wetenschappelijke context eindelijk overstijgt. Blikken we terug op de negentiende eeuw, dan springen vooral de 'ijverige discipelen' in het oog. Spinozisten, van Bernard Nieuhoff tot Johannes van Vloten, hebben steeds gestreefd naar een 'loutering' van het spinozisme, dat wil zeggen een kneden van Spinoza's leer naar persoonlijke overtuigingen en maatschappelijke ontwikkelingen. Zij zijn daarmee de discipelen die Du Marchie van Voorthuysen op het oog had.
Maar hoe zit het met de aanhangers? Indien we bovenstaande definities loslaten op de Nederlandse Spinoza-receptie vinden we van aanhangers geen enkel spoor: het verwerpen van de geometrische methode en het verlangen naar 'loutering' vormen immers de rode draad van het Nederlandse spinozisme in de negentiende eeuw. Een breuk met die traditie wordt pas geforceerd als Willem Meijer in het midden van de jaren negentig zijn vertalingen van Spinoza's werken aan het Nederlandse publiek presenteert. In de inleiding van zijn in 1896 gepubliceerde vertaling van de Ethica schrijft hij dat dichterlijke gevoelens en persoonlijke overtuigingen niets met spinozisme hebben te maken. Spinozisme is een zuivere begrippenleer waarbij de lezer zich, net als in de wiskunde, louter moet afvragen of de stellingen op een juiste wijze zijn afgeleid. In een lezing voor de Vereniging Het Spinozahuis in 1906 herhaalt de aanhanger en dogmaticus Meijer die visie als de enige juiste:

"Spinoza's denken is leerstellig (dogmatisch). Dogma (bulle) is allereerst de uitspraak van een gezaghebbend meester, een leerstelling, door zijne leerlingen als waarheid aangenomen. Zoo vindt men het bij Cicero en Seneca omschreven en gebruikt. Bij de Christenen was Christus de Meester, en werd dus hetgeen door hem en door zijn geest die in de kerk leefde als waarheid verkondigd was, door alle Christenen altijd en overal geloofd. Na Kant wordt een elk die iets durft beweren of meent te weten omtrent het buiten ons bestaande, een dogmaticus genaamd. [...] Welnu Spinoza geloofde aan de Rede als het licht op zijn pad, het lumen naturale. [...] Wat juist gedacht of adequaat is, is waar. Een juiste redeneering kan ons niet bedriegen, is onfeilbaar, zegt Spinoza" [cursivering van Meijer].

Het dogmatische of leerstellige karakter van Spinoza's wijsbegeerte wordt door Meijer nog eens beklemtoond in zijn bijlage - een grote, uitvouwbare plattegrond van het spinozisme waarin de substantie, denken en uitgebreidheid, en de talloze modi systematisch in kaart worden gebracht. Ook Meijers Ethica krijgt geen index, omdat die de lezer alleen maar zou aanmoedigen Spinoza's inzichten eclectisch tot zich te nemen. Meijers Ethica vindt zijn voltooiing in Het Grote Plan: de enige weg naar authenticiteit en eeuwig heil, of in Meijers termen naar 'Het Oorspronkelijke'.
Is het onderscheid tussen aanhangers en discipelen dat Du Marchie van Voorthuysen in 1887 maakt wellicht nog voorbarig, voor de periode omstreeks de eeuwwisseling schijnt zijn typering recht te doen aan de tweevoudige receptie en beleving van het spinozisme in Nederland. De twee meest uitgesproken spinozisten van het fin de siècle - Willem Meijer en Johannes Diderik Bierens de Haan - mogen respectievelijk als aanhanger en ijverige discipel worden gekarakteriseerd. De studies van beide denkers kenmerken zich niet langer door een spinozistische sensibiliteit, maar geven juist uitdrukking aan een expliciet, zuiver wijsgerig spinozisme. Eerst bij Meijer en Bierens de Haan wordt spinozisme een echte filosofische school of stroming waarin een verdere professionalisering van het Spinoza-onderzoek pas goed op gang kan geraken. Bovendien zijn beiden betrokken bij de oprichting in 1907 van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte - het zichtbare bewijs dat de wijsbegeerte in Nederland haar puberteit is ontgroeid. Tenslotte hebben ze een hoofdrol gespeeld in de popularisering van het spinozisme en zijn ze verantwoordelijk voor het doorsijpelen van Spinoza's denkbeelden naar steeds bredere delen van de Nederlandse bevolking. Beide tijdgenoten, hun specifieke context en hun achterban verdienen dan ook een afzonderlijk hoofdstuk in deze studie.


8.2 'Een eenigszins ouderwetsche persoonlijkheid'

Een intellectuele biografie van Willem Meijer (1842-1926) kan met vier grote penseelstreken worden neergezet: zijn ontwikkeling tot theoloog (1862-1868); zijn korte loopbaan als entrepreneur in de landbouw (1868-1880); zijn schreden op het gebied van de journalistiek (1880-1890) en zijn roeping als vrijdenker en spinozist (1890-1926).
Willem Meijer wordt geboren op 18 november 1842 aan de Amsterdamse Heerengracht als zoon van een rentenierende ondernemer die in zijn werkzame leven goede zaken heeft gedaan met de import en verkoop van stoommachines. Nadat zijn vader overlijdt als hij pas twaalf jaar oud is, komt de opvoeding geheel in handen van zijn moeder, een godvrezende vrouw die haar zoon en twee dochters de beginselen van de Evangelisch-Lutherse geloofsleer bijbrengt. Willem Meijer krijgt particulier onderwijs en wordt voorbereid op het toelatingsexamen voor de universiteit. Hij slaagt voor dat examen en schrijft zich in 1862 in Leiden in waar de theologische studie op hem wacht. Hier ontpopt hij zich als een levenslustig student: hij blijkt een uitstekend danser en een moedig ruiter - verdiensten die hem de bijnaam 'de Majoor' bezorgen. Studeren doet hij met grote ernst en toewijding: in 1866 slaagt hij summa cum laude. Het predikantenambt ligt voor hem in het verschiet, maar Meijer raakt in de greep van de twijfel.
De moderne theologie maakt immers opgang en onder druk van de argumenten van Allard Pierson, Conrad Busken Huet en David Friedrich Strauss ziet de van huis uit rechtzinnige Meijer zich voor een lastige keuze geplaatst: moet hij zich bekennen tot de vrijzinnigen die de kerk weliswaar zijn ontgroeid, maar zich er toch aan vastklampen omdat zij gemeenschap waarborgt? Of moet hij de kerk verlaten, omdat ze nog louter een administratief fossiel is waar de bijbel bovendien impressionistisch en allegorisch wordt geinterpreteerd? Na een heftige innerlijke strijd kiest hij uiteindelijk voor de laatste optie: de moderne theologische denkbeelden zijn onverenigbaar met de christelijke idee. Zijn voorkeur voor orthodoxie en dogmatiek, zijn verlangen naar 'waarachtige vroomheid', staan hem niet toe een verwaterd godsgeloof en een even verwaterde eredienst serieus te nemen.
Worstelend met deze problematiek reist hij af naar Heidelberg, naar de bakermat van de moderne theologie, in de hoop zijn gewetensnood te verlichten. Hij studeeert daar een semester bij in die tijd spraakmakende theologen als Richard Rothe, maar raakt geïrriteerd door de hypocrisie van zijn docenten. Tijdens werkdagen zouden zij in de collegebanken de meest radicale standpunten verkondigen, maar 's zondags zingen zij even fanatiek vrome liederen onder de kansel. Teleurgesteld wendt hij zich af van de theologie en besluit, weer terug in Leiden, geschiedenis te gaan studeren. Die studie bevalt hem echter nog minder. Hij treft een 'gedachtewereld' aan 'die slechts verbijzondert': grote vragen worden niet gesteld, voor grote syntheses ontbreekt het de historici de moed, religieuze en wijsgerige problemen worden genegeerd, anecdotes en detailstudies hebben de overhand, Latijn en Grieks zijn ingekrompen tot woordkunde. Bovendien sluiten de ideeën van ontwikkeling en historiciteit niet aan op Meijers orthodoxe, op het eeuwige gerichte wijze van denken. Hij wijkt daarop uit naar Groningen waar hij een poging doet wiskunde en fysica onder de knie te krijgen. Twee jaar later bevindt hij zich echter weer in Amsterdam, want zijn moeder is overleden. Na het afwikkelen van de nalatenschap hangt hij zijn studieboeken in de wilgen.
In oktober 1868 huwt Meijer de predikantendochter Johanna Hesse. Het paar, dat zeven kinderen zal voortbrengen, verhuist naar een zojuist aangekochte hofstede in Bennebroek die hij De Meijerij doopt. Het zijn de jaren van de beroerde omstandigheden in de landbouw: Amerikaans graan wordt tegen dumpprijzen op de Nederlandse markt afgezet wat verderfelijke gevolgen heeft voor de vaderlandse economie. Meijer besluit zijn diensten aan de landbouw aan te bieden. Hoewel een volstrekte leek op dit terrein, biedt zijn bankrekening hem alle mogelijkheden vrijelijk te experimenteren met het ondernemerschap. De voormalige theoloog koopt en verkoopt vee, landerijen en boerderijen. Het bedrijf blijkt nauwelijks lonend, maar toch weet hij zijn werkzaamheden uit te breiden. Hij vestigt zich nu in Hillegom, maar kort daarop verhuist hij weer naar Haarlem omdat de stad goed onderwijs voor zijn kinderen heeft te bieden. Te Haarlem trekt hij zich terug uit het boerenbedrijf, maar behoudt zijn boerderijen die inmiddels aan 'bedrijfsboeren' zijn verhuurd. Dagelijks trekt hij te paard of per 'velocipede' - hij is een van de eerste fietsers in Nederland - langs zijn bezittingen.
Hoewel Meijer niet voor zijn dagelijks brood hoeft te werken, verlangt hij toch naar zinvolle bezigheden. Dat valt niet mee: een vak heeft hij nooit geleerd, het predikantschap is hij ontgroeid, het ontbreken van een doctorstitel frustreert een academische loopbaan, en zijn poging verslaggever te worden van het Haarlemsch Dagblad loopt op een mislukking uit omdat de krant ter ziele gaat. Wel sticht hij een eigen periodiek, De Plattelander, dat al spoedig ten onder gaat bij gebrek aan abonnees. Vermelding verdient verder de oprichting van een radicale kiesvereniging in Haarlem, Volksbelang, waarbij Meijer prominent betrokken is. Hij breekt openlijk met de liberale partij en pleit met Volksbelang tegen het gewraakte liberale beginsel van 'laissez faire, laissez passer', dat volgens Meijer debet is aan de crisis in de landbouw. De politieke opvattingen van Volksbelang zouden vooruitlopen op de latere vrijzinnig-democratische partij van Arnold Kerdijk.
In 1890 vestigt de dan bijna vijftigjarige Meijer zich in Den Haag. De residentiestad is al sinds de jaren zestig ('Jong Den Haag') een bolwerk van heterodoxie en vrijzinnigheid. Sinds hij de kerk verliet heeft hij zichzelf steeds als een vrijdenker geprofileerd:

"Wat is vrijdenker? Vrijheid is taalkundig gesproken niets anders dan losbandigheid, ongebondenheid, maar een dergelijke vrijheid is eenvoudig niet te bereiken. Geheel en al vrij, absoluut onafhankelijk, is geen mensch. De mensch is deel van het geheel en kan niet op zichzelf bestaan. Spinoza heeft gezegd: ieder, die vrij wil leven moet volgens zijn eigen natuur leven en handelen. [...] Elk mensch moet een levens- en wereldbeschouwing hebben, slechts daardoor wordt hij volkomen mensch. [...] Gelukkig kan in onzen tijd ieder zich op de hoogte stellen van de denkbeelden van de groote denkers der eeuwen. De wijsbegeerte of philosophie moet de theologie vervangen, het redelijke of vrije denken het kerkelijke".

Meijer ziet vrijdenken als een positieve wijsbegeerte, dat wil zeggen: hij wijst een louter afbrekende kritiek op ieder godsgeloof af als onvruchtbaar en keert zich tegelijk tegen de pretentieuze pogingen alle religies in een enkel vrijzinnig stelsel met elkaar te verzoenen. In die positieve waardering neemt hij niet alleen stelling tegen radicale materialisten, maar ook tegen het streven van vrijmetselaars naar een 'ideologie der coëxistentie van ideologieen'. Meijer vindt die positieve wijsbegeerte in het spinozisme, de 'vera philosophia' - de enige wijsbegeerte die de werkelijk vrije mens past.
Meijers kennismaking met het spinozisme dateert al van zijn studietijd. In Leiden volgde hij de colleges van Scholten, die calvinisme en spinozisme met elkaar trachtte te verzoenen. In Groningen toonde Opzoomers leerling Van der Wijck enige belangstelling voor Spinoza. Gaandeweg aanvaardt en formuleert Meijer een eigen variant van dat spinozisme: een volkomen rationalistische interpretatie waarin voor calvinisme, mystiek, sentimenten en poëzie geen plaats meer is. Spinoza, stelt Meijer, biedt bij uitstek een tijdloze levens en wereldbeschouwing voor vrijdenkers. Hij acht het daarom onnodig en zelfs zinloos Spinoza in te passen in de geschiedenis van de wijsbegeerte om zijn werk vervolgens te beschouwen vanuit een zeventiende-eeuwse context. Ook mogen psychologische en biografische facetten van Spinoza's leven niet worden gebruikt om elementen van zijn wijsbegeerte te verklaren. Spinozisme is zuiver denken, vrijdenken. Tevens wijst hij de gedachte van de ontwikkeling af. De evolutie van de menselijke geest die Hegel veronderstelde acht hij bespottelijk en gevaarlijk: "De mensch wordt hierdoor van een leven van rustige gezonde inspanning verleid tot het jagen naar een Übermensch-ideaal, dat als iedere andere sport hem ten verderve voert". Even fanatiek neemt hij stelling tegen het binnensmokkelen van een ontwikkelingsleer in het spinozisme, zoals geschiedt bij zijn wel door Hegel beïnvloede collega Bierens de Haan. En met evenveel ijver ageert hij tegen de ontwikkelingsgedachte van het lichaam, tegen de sportbeoefening, die elke eendracht dwarsboomt en de strijd van allen tegen allen bevordert.
De kerkverlater Meijer besluit zich te Den Haag volledig op vrijdenken en spinozisme te storten. Hij stelt zich vier doelen: de bevordering van het vrije denken; het stimuleren van de beoefening van de wijsbegeerte; het verbreiden van Spinoza's leer; het toepassen van de vruchten van dit denken in het huisgezin en de samenleving. Achtereenvolgens vertaalt en publiceert Meijer Spinoza's Godgeleerd Staatkundig Vertoog (1895); de Ethica (1896); de Brieven (1896); de Korte Verhandeling (1899); en het Staatkundig Vertoog (1901). Werken als de Principia Cartesiana en de Cogita Metaphysica laat hij onvertaald omdat ze niets met Spinoza's eigen denkbeelden van doen zouden hebben. Deze studies zijn, merkt Meijer desgevraagd op, 'niets meer dan een dictaat', uitgegeven door vrienden die Johan de Witt op het bestaan van de Amsterdamse filosoof wilden wijzen. Bovendien zou Spinoza herhaaldelijk hebben beweerd dat hij de geventileerde denkbeelden in de Principia en de Cogita niet voor zijn verantwoording wilde nemen.
In 1904 start Meijer een cursus over Spinoza voor Amsterdamse onderwijzers die hem daartoe hebben verzocht. Die cursus blijkt zo'n succes, dat de toehoorders een Spinoza Studie Club oprichten - een club die de fundamenten legt van de Verenigingen voor Wijsbegeerte in Amsterdam en Den Haag (1906). Ook zet hij de bevordering van het vrije denken rusteloos voort. Aanvankelijk is hij een gedreven lidmaat van De Dageraad, spreekt voor plaatselijke afdelingen, schrijft in het periodiek De Vrije Gedachte, en wordt voor lezingen en cursussen uitgenodigd door socialisten en anarchisten. Onder zijn hoede wordt in deze kringen de Vereeniging tot bevordering van de studie der wijsbegeerte opgericht. In het ontstaan van het netwerk van wijsgerige verenigingen heeft Meijer een cruciale rol gespeeld. In een tijdsbestek van nog geen tien jaar bloeien wijsgerige verenigingen op in Amsterdam, Den Haag, Groningen, Leiden en Utrecht. Ook de al genoemde oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte (1907), waaraan Meijer zich onmiddellijk verbindt als redacteur, schijnt het logische gevolg van de groei van dit netwerk. Meijer beseft de noodzaak van zijn onderneming en herhaalt zijn standpunt in De Vrije Gedachte:

"Zoo moet de wijsgeerige vereeniging aan ontwikkelde menschen, die geen tijd hebben dag in dag uit te studeeren gelegenheid geven zich met de hoogste vraagstukken des levens verkond te maken".

De misschien wel belangrijkste filosofische vereniging komt enkele jaren eerder al van de grond. Aangespoord door zijn internationale contacten neemt Meijer in 1897 het initiatief tot de stichting van de Vereniging Het Spinozahuis, tot op de dag van vandaag de grootste filosofische vereniging in Nederland. De prille vereniging heeft als doel de aankoop van Spinoza's huisje te Rijnsburg, het aanleggen van een bibliotheek en het publiceren van studies over Spinoza's leven en werk - een wens die pas in 1934 in vervulling gaat met de nog altijd bestaande reeks Mededelingen vanwege het Spinozahuis. Meijer wordt de eerste secretaris van de vereniging, een functie die hij tot op hoge leeftijd zal blijven bekleden. Overal licht hij zijn project desgewenst toe. In 1897 schrijft hij aan de redactie van De Nederlandsche Spectator dat het behoud van het Spinozahuisje noodzakelijk is, omdat

"[...] er zeker weinig historische huizen zijn, die zoo volkomen aan hun doel beantwoorden om de persoonlijkheid van een beroemden landgenoot te verlevendigen, als juist dit huis waar al de geestelijke goederen bijeengebracht worden, die Spinoza in zoo ruime mate bezat, en lichtelijk zal men zich daarbij het gemis getroosten van de luttele stoffelijke goederen, die hij eenmaal zijn eigendom mocht noemen".

Ondertussen heeft hij in De Dageraad een stapje terug gedaan. Onder invloed van pertinente atheïsten en vrije socialisten als Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Bernard Damme overheerst daar de afbrekende kritiek waar Meijer zo'n hekel aan heeft. Socialisme is hem altijd een gruwel geweest. Meijer verfoeit de klassenstrijd en ziet louter heil in persoonlijke verlichting.
Maar het vrije denken - dat wil bij Meijer steeds zeggen: het spinozisme - dient tevens te worden toegepast in huisgezin en samenleving. Hij verricht werkzaamheden in het kader van de armenzorg en de reclassering, is lid van de lokale Voogdijraad en richt zelf de vereniging Zedelijke Opvoeding op, die zich ten doel stelt aan de ouderlijke macht onttrokken kinderen niet godsdienstig, maar toch zedelijk op te voeden. Al te vaak, vindt Meijer, worden onderwijs en opvoeding met elkaar verward. Hoe goed de bedoelingen van een school doorgaans ook mogen zijn, kinderen worden vooral buiten de school - in het gezin en de vriendenkring - opgevoed. Zijn vereniging wil kritisch staan ten opzichte van het streven naar schoonheidszin en godsdienstzin en bepleit wijsbegeerte en plichtsbesef als de peilers van een goede opvoeding. Indien kinderen geen inzicht en discipline wordt bijgebracht, zal het 'bete humaine' in de mens opstaan en de beschaving vernietigen. In dit streven naar verlichting en plichtsbetrachting speelt het spinozisme een doorslaggevende rol en moeten vrijdenkers het voortouw nemen.
Zijn verdiensten voor de vaderlandse wijsbegeerte in het algemeen en het spinozisme in het bijzonder leveren hem in 1906 een eredoctoraat op, dat te Utrecht wordt uitgereikt door Bernard van der Wijck. Tenslotte, en niet op de laatste plaats van groot belang voor een verdere professionalisering van het Spinoza-onderzoek in en buiten Nederland, legt Meijer in 1920 de basis van een internationaal forum - Societas Spinozana - dat twee jaar later ook met een eigen periodiek naar buiten treedt: het jaarboek Chronicon Spinozanum.
Meijers krachten zijn dan al tanende. Een slopende ziekte teistert zijn fysieke gestel en maakt geestelijke inspanningen steeds moeilijker. Vroeg in de morgen van zondag 3 januari 1926 overlijdt Willem Meijer in zijn woonplaats Den Haag op drieëntachtigjarige leeftijd. Zijn vrouw en vier van zijn kinderen zijn hem al voorgegaan. Met Meijer is een 'eenigszins ouderwetsche persoonlijkheid' gestorven, zo schrijft de nieuwe secretaris van de Vereniging Het Spinozahuis, Willem Gerard van der Tak (1885-1958), in een levensbericht. Maar met hem is tevens 'de meest ware spinozist sinds Spinoza' heengegaan, vervolgt Van der Tak, die daarmee Meijers status bevestigt als zou hij de enige aanhanger zijn geweest. Een andere commentator stemt daarmee in:

"Hij is een der weinigen die zijn leven, zijn huisgezin, geheel volgens het door hem als eenig juist en waar aanvaardde stelsel heeft ingericht. Hij is in handel en wandel, in merg en ziel de spinozist".

Wat ons tenslotte overblijft, verzucht in een ander in memoriam Carl Gebhardt - de Duitse Spinoza-kenner en een persoonlijke vriend van Meijer - is zijn wijsgerige oeuvre. Vandaag echter moeten we constateren dat zelfs dat oeuvre de tijd niet heeft doorstaan: hij heeft geen biografie gekregen en er is geen enkele studie aan zijn spinozisme gewijd. Tekenend is het feit dat zelfs de kleine biografie van Meijer in het Spinoza-nummer van Bzzlletin (1984) een bewerking is van Van der Taks levensbericht uit 1926.
In het vervolg van dit hoofdstuk worden Meijers motieven onderzocht, zijn spinozisme gesitueerd en zijn politieke denkbeelden in kaart gebracht.


8.3 Spinozisme als speurtocht naar oorspronkelijkheid in een vluchtige wereld

Alhoewel zijn loopbaan als vrijdenker wellicht anders doet vermoeden, is Willem Meijer een door en door religieuze figuur gebleven, die zijn gehele leven naarstig heeft gezocht naar authenticiteit, of in zijn eigen woorden 'waarachtige vroomheid'. In een bijdrage aan de eerste jaargang van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte, getiteld 'Over Spinoza en den godsdienst' (1907), blijkt de idee van 'echte vroomheid' opnieuw zijn ijkpunt en referentiekader. Elders spreekt hij van 'hooge levensernst', 'eeuwige waarheid', 'hoogste zaligheid' - dit zijn nu niet direct begrippen die we associëren met het vocabulaire van de vrijdenker. Voor Meijer is echte vroomheid het inzicht, verkregen dankzij de rede, dat ons leert dat alles wat werkelijk is als volmaakt moet worden beschouwd. Het is een rationeel bewustzijn van levenseenheid, een bewustzijn dat louter en alleen kan worden verkregen dankzij Spinoza's wijsbegeerte waarvan de 'scientia intuitiva' of 'geestelijke aanschouwing' (zie het vijfde boek van de Ethica) immers het doel is. De godsdiensten spelen niet langer een rol van betekenis, want hun betekenis is in deze tijd volledig teloorgegaan: begrippen als christendom, vroomheid, godsdienst, religie, enzovoorts, worden zo willekeurig gebruikt, dat er van uitholling sprake is. Echte vroomheid biedt ook geen plaats aan een antropocentrisch wereldbeeld. Immers, het bewustzijn van levenseenheid overstijgt niet alleen iedere sterfelijke persoonlijkheid, maar ook onze 'wereldgeschiedenis' die van een tijdelijke aard moet worden geacht.
Hoewel de dichter, de religieuze en de wijsgeer allen zoeken naar een verklaring voor het geheel der dingen, laat alleen de laatste zich leiden door de rede. Dichters en gelovigen - of het nu godsvruchtigen of natuuraanbidders zijn doet voor Meijer niet ter zake - baseren zich op 'inblazingen' en inspiraties'. Daarom wijst hij zowel alle vormen van natuurverering af (zoals geschiedde bij de eerste generatie vrijdenkers), als elk eerbetoon aan de kunsten en de poëzie (zoals bepleit werd door de Specatatormannen en Tachtigers). Godsdienst, natuur en kunst zijn illusoire bemiddelaars tussen het leven en de eeuwige zaligheid. Louter Spinoza's redelijke inzicht in de natuur der dingen, concludeert Meijer, sluit alle godsdienst en poëzie uit en kan daarom met recht de enige en ware wijsbegeerte worden genoemd. Toch is het spinozisme geen atheïstische, maar een vrome wijsbegeerte, want de Ethica biedt inzicht in het wezen van God zonder godsdienst. Hij hekelt voorgangers als Van Vloten, die zelfs het begrip God niet langer wilden handhaven en looft een theoloog als Johan Herman Gunning die Spinoza treffend zou hebben getypeerd in zijn Spinoza en de idee der persoonlijkheid (1876) - al acht Meijer het verbinden van de idee van 'persoonlijkheid' met spinozisme een dwaling van Gunning.
Meijers exclusieve eerbetoon aan Spinoza's filosofie als de enige ware wijsbegeerte doet vandaag wellicht arrogant aan, maar past uitstekend in de negentiende-eeuwse postgodsdienstige context, waarin naarstig wordt gezocht naar het grote goddelijke plan - het equilibrium - dat schuil moet gaan achter de chaotische verschijningsvormen waarin de wereld zich aandient. Want wijsbegeerte, zo zal Bierens de Haan opmerken in het eerste nummer van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte, is toch een poging om achter het 'konkrete, verdeelde, bizondere en veelvormige [...] de diepzinnige waarheid van het Eene en Algemeene te achterhalen'. Ook voor Meijer is het spinozisme de sleutel tot het wereldraadsel en tevens een speurtocht naar waarachtig of authentiek bestaan.
Meijer heeft geen boeken geschreven waarin hij zijn specifieke interpretatie van het spinozisme minutieus uitwerkt, maar wel een groot aantal artikelen gepubliceerd, alsmede inleidingen op de vertalingen, waarin zijn spinozisme onder de aandacht van de Nederlandse lezer wordt gebracht. Hij prefereert immers voordrachten, cursussen en leesgroepen, zodat de toehoorders hem, indien noodzakelijk, om toelichting en explicatie kunnen verzoeken. Voor menige leek schijnt Meijer dan ook de vleesgeworden spinozist: niet voor niets wordt hij in de wandelgangen 'Meijer-Spinoza' genoemd. De meester en de boodschapper worden in Meijers optreden met elkaar geïdentificeerd.
Een geschikte samenvatting van zijn denkbeelden vinden we in een voordracht uit 1906 voor de jaarvergadering van de Vereniging Het Spinozahuis, waarin hij 'De kenmerkende eigenschappen van de leer van Spinoza' geduldig uiteenzet. Hij opent zijn betoog met een persoonlijke noot, waarin hij aan zijn eigen verlichting refereert:

"Als men mij vraagt van welken kant ik de wereld bezie, dan heb ik daarop kortelijks dit antwoord: van boven af en van de zonzij. En vraagt men hoe mij dat mogelijk is geworden, dan antwoord ik, omdat ik heb leeren zien door de brillen die Spinoza geslepen heeft, want: 'in het slijpen van die glase, was hij een overgroote base'".

Spinozist worden, suggereert Meijer, is het verkrijgen van een telescopisch of goddelijk perspectief ('van boven af'), zodat de wereld zich klaar en helder aan de denker presenteert. Bovendien is het een optimistische, levenslustige leer ('van de zonzij'). Spinozisme is de meest pregnante uitdrukking van wat Dirk Volckertsz. Coornhert 'wellevensconste' noemde. Direct neemt Meijer stelling tegen mogelijke verwijten van anachronisme en kiest hij de aanval door de denkbeelden van historiciteit en ontwikkeling te ondermijnen: de menselijke geest is van nature altijd dezelfde geweest, 'een modus van de zich zelf altijd gelijkblijvende denking'. De mensen, gedragingen en denkbeelden die worden beschreven door Homerus, Aristoteles en Spinoza, zijn dezelfde mensen, gedragingen en denkbeelden die we vandaag de dag aantreffen. Ontwikkelingsdenkers als Darwin (evolutie) en Nietzsche (de Übermensch) kunnen nauwelijks serieus worden genomen, omdat zij hoofdzakelijk spreken over voorhistorische- (Darwin) en nahistorische tijdvakken (Nietzsche). Kortom, het bestuderen van Spinoza is uiterst relevant voor de hedendaagse lezer.
Iedere wijsgeer, ook Spinoza, brengt zijn denkbeelden onder in een methode of gedachtegang. De methode van Spinoza is een complexe waarin verschillende aspecten moeten worden onderscheiden. Allereerst is daar de ontkennende wijze van zijn filosoferen: vrij denken, dat is 'onbevangen, vrij van vooroordeel, zonder omzien, ongeloovig, paganistisch, onchristelijk'. Zo'n onafhankelijke wijze van filosoferen kan nooit een dienstbare wijsbegeerte zijn, een wijsbegeerte die zich verbindt aan theologische dogma's en instituties. Zelfs Descartes, hoont Meijer, ging ter bedevaart naar Onze Lieve Vrouw van Lorette en zond zijn geschriften ter goedkeuring aan een pater. Aan filosofen als Bacon, Erasmus, Newton en Leibniz wil hij al helemaal geen woorden vuil maken, omdat ze zich schaamteloos verbonden aan prelaten en keurvorsten. Tot aan het midden van de negentiende eeuw bleek elke wijsbegeerte een 'dienstbare wijsbegeerte' ('ancilla theologiae'). Slechts enkele Arabische wijsgeren, Giordano Bruno en Spinoza braken met die dienstbaarheid.
Een tweede kenmerk van Spinoza's methode is haar leerstelligheid of haar dogmatische karakter. Dit beginsel leunt op de zekerheid die mathematische denkbeelden en berekeningen bieden. Vooral in de zeventiende eeuw - gevoed door Descartes' 'geometrie concrete' - drong de gedachte door dat wiskundige beginselen ook konden worden toegepast op de natuur, zodat vervolgens met absolute zekerheid stellingen over die natuur konden worden geponeerd. Helaas, stelt Meijer, durfde Descartes die methode niet toe te passen op de mens, omdat zijn religieuze aard dat verhinderde. Spinoza had daar geen moeite mee, want in de Ethica beschouwt hij ook het menselijke zielenleven met al zijn raadselen en mysteries even geometrisch verklaarbaar als andere natuurverschijnselen in de wereld. Aandoeningen en verlangens zijn voor hem lijnen, vlakken en lichamen geworden.
Een derde eigenschap van de spinozistische methode ligt in haar theologische gedachtegang: het spinozisme is niet in de ervaring of in de psychologie gefundeerd, maar in inzicht. Zo zijn een cirkel en een veelhoek niet uit zichzelf te verklaren, maar louter vanuit een inzicht in de ruimte. Spinoza vertrekt in zijn denken dan ook nooit vanuit het eindige of het begrensde (zoals de empirici doen), maar begint steeds met 'het Oneindige', dat wellicht niet bewijsbaar is maar wel als leerstellig vertrekpunt, als dogma, kan worden aanvaard. Wie start met de ervaring beschouwt de mens als begrensd, als 'iets afgescheidens van de wereldtoedracht':

"Maar zoodra men heeft leeren inzien, wat toch bij eenig nadenken van zelf duidelijk wordt, hoe eng wij met de geheele natuur verbonden zijn, is daarentegen niets anders mogelijk dan ons anthropocentrisch standpunt op te geven en ons zelf uit het Al te verklaren. Anders komen we evenals Kant, nie aus uns selbst heraus".

Na Spinoza's denkwijze uiteen te hebben gezet behandelt Meijer de inhoud van het spinozisme. Voorop staat dat spinozisme een 'Al-eenheidsleer' (pantheisme) is: er is slechts een enkele werkelijkheid die zich op oneindig vele wijzen openbaart, en waarvan ons slechts twee wijzen bekend zijn: denken en uitgebreidheid. Beide zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden, doceert Meijer, maar er is geen sprake van parallellisme, zoals Heymans in zijn Groningse colleges zou beweren. Denken en uitgebreidheid voeden en beïnvloeden elkaar en het is de taak van de spinozist mensen op dat verband te wijzen. Sommige mensen zeggen immers te doen wat ze niet willen, anderen menen dingen te zien die er niet zijn. Met behulp van de rede tracht Spinoza deze vormen van inbeelding of imaginatie uit te bannen.
Een ander inhoudelijk kenmerk van Spinoza's leer is de 'uitsluitende redelijkheid van de ziel': willen en verlangen zijn soorten van denken, maar geen vermogens van de ziel, zoals minnaars, dichters en theologen ons vaak willen doen geloven. De wil is geen drift of onafhankelijk vermogen (Nietzsche), maar een decretum, een wilsbesluit van het denken. Zelfs de blinde begeerte is een natuurverschijnsel dat onder het begrip van het natuurlijke of lichamelijke valt. Zo ook het gevoel: het gevoel is een bewustzijn van kracht en onmacht, van lust en onlust. Zelfs pijn, beweert de rationalist Meijer, is een ideële denkhandeling, want een martelaar aan wie het bewustzijn is ontnomen kan juichend de vuurdood ondergaan zonder dat hij pijn voelt. Gevoel is een 'idea confusa' - er is niets anders dan denken - dat, eenmaal tot inzicht gekomen, een 'affectus idea' wordt.
Ten derde wijst Meijer op de inherente blijmoedigheid van Spinoza's wijsbegeerte. Dat optimisme spruit voort uit Spinoza's ontkenning van een zedelijke wereldorde. Er is louter sprake van een natuurlijke en redelijke orde, want zou er een zedelijke orde schuil gaan achter de wereldverschijnselen, dan zouden overtredingen van die orde onmogelijk zijn. En indien er geen zedelijke orde is, vervolgt Meijer, dan is ook het geweten een verdichting en moet Kants categorisch imperatief naar het rijk der fabelen worden verwezen. Uitsluitend ons eigenbelang drijft ons tot handelen, zegt Spinoza. Daar waar Kant met 'een grimmige blik zijne plichten vervult', wil Spinoza dat mensen zich blijmoedig en opgewekt van hun taken kwijten. Vooral 'wel doen' wekt blijdschap op, zo leert het eigenbelang. Droefheid en grimmigheid oefenen een fnuikende werking uit op de gemoedsrust en dienen daarom te worden vermeden. Wie erin slaagt blijmoedig te leven zal zien dat de blijdschap overgaat in een waarachtige gemoedsrust, door Spinoza 'beatitudo' genoemd. Dit is de hoogste ontwikkeling van ons denken, juicht Meijer, dit is waarachtige vroomheid: "De Spinozist beziet de wereld van boven af en van de zonzij".
Het is dit spinozisme dat Meijers ijkpunt vormt in zijn vertaling van de Ethica, die in 1905 en 1923 nog tot heruitgaven komt. Volgens Steenbakkers blijft Meijer tot aan zijn dood rusteloos schaven aan de vertaling van Spinoza's levensleer - een vertaling die overigens onbevredigend blijft:

"Meijers probleem lijkt me dat hij zo zwaar tilt aan zijn door zichzelf opgelegde taak om Spinoza's leer voor een groot publiek te ontsluiten, dat zijn vertaling elke spontaniteit en directheid ontbeert. Hij wil zowel de rijkdom van Spinoza's systeem volledig tot zijn recht laten komen, als de lezer gerieven die aan het boek begint zonder voorkennis, en dus bij elke term en wending bij de hand moet worden genomen. Het resultaat is een verwarrende stortvloed van synoniemen, toevoegingen, parafrasen en varianten".

Steenbakkers deelt die kritiek met de vroegere commentator Hubert Was. Was meent in zijn beoordeling van Meijers vertaling van Ethica voor De Nederlandsche Spectator dat diens spinozisme en streven naar volksopvoeding onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De tekortkomingen van de vertaling komen niet uit naijver voort, maar zijn het gevolg van Meijers 'zucht om de wijsbegeerte van Spinoza voor een groot publiek toegankelijk te maken'. Diens grootste verdienste is dan ook, besluit Was, dat de wijsheid van Spinoza nu vervat is 'in een burgerlijk, onaanzienlijk boekje in afleveringen, verkrijgbaar gesteld voor een uiterst geringen prijs'. Meijers vertaling mag overigens een heus succes worden genoemd, want Sassen vermeldt dat Spinoza's Ethica gedurende het eerste decennium van deze eeuw in duizenden exemplaren over de toonbank ging.


8.4 Wetenschapskritiek en ressentiment: het belang van Spinoza's politicologie

Bovenstaand overzicht van Meijers spinozisme getuigt al van een geringe belangstelling voor de wetenschappelijke en culturele merites van de negentiende eeuw. Het empirisme in de wetenschap moet het ontgelden, psychologie is een illusie, de idee van historiciteit wordt verworpen, en bijna alle filosofen - inclusief Kant, Hegel en Nietzsche - worden gehoond. In een brochure uit 1900, De wetenschap van Dr. G. Jelgersma en de wijsbegeerte van Benedictus de Spinoza, neemt Meijer alle vrijheid zijn weerstand tegen de verdiensten van de moderne samenleving aan het papier toe te vertrouwen. In vijftig pagina's kritiseert hij op een weinig coherente wijze de uitgangspunten van de moderne wetenschappen, met name de psychologie en psychiatrie.
Bij Kant gaat het eerst goed mis. Door te beweren dat 'de weg der onmiddellijke waarneming' onwetenschappelijk is en dus afkeurenswaardig, heeft Kant de deuren geopend voor onheil en rampspoed. Dankzij Kant is de wijsbegeerte - 'de goddelijke rede' - in verval geraakt, om nog slechts te mogen figureren in de republiek der letteren. De wetenschappen verdorren in een hoog tempo: godgeleerdheid is gereduceerd tot de geschiedenis van godsdiensten; rechtsgeleerdheid tot kennis der wet; letterkunde tot spraakleer; wijsbegeerte tot 'schematisme'. De moderne mens van de negentiende eeuw kenmerkt zich daarom door 'levensmoeheid en moedeloosheid'. Het geloof is verdwenen, oprechte vroomheid uitgestorven, en een algehele krankzinnigheid neemt hand over hand toe waardoor de toekomst is aan de psychopathologie. Met andere woorden: de mensheid is volslagen gek geworden.

"De mensch der 19de eeuw is Koning Midas gelijk, badende in het goud maar met ezelsooren. Alles kan hij genieten wat hij wil, maar het walgt hem; want wat baat het den mensch zoo hij alle schatten dezer aarde mocht verwerven en daarbij schade leed aan zijne ziel.[...] Om kort te gaan, nooit is het menschdom rijker aan stoffelijke goederen en tevens armer aan geestelijk welzijn geweest dan op den huidigen dag en aan de natuurwetenschap heeft men het eerste te danken, het tweede te wijten".

De natuurwetenschappelijke methode van de ervaring en het experiment staan in Meijers dagen ook model voor de geesteswetenschappen en de psychologie. Meijer blijkt in zijn wiek geschoten door de oratie van Gerbrandus Jelgersma (1859-1942), die een jaar eerder werd benoemd tot hoogleraar in de psychiatrie te Leiden. De gewraakte stellingen luiden dat de psychologie een natuurwetenschap is, en dat de natuurwetenschap de wijsbegeerte van Spinoza volstrekt overbodig maakt. Het spinozisme wordt door Jelgersma getypeerd als 'onnuttig, ongegrond en ijdel'. Meijer reageert furieus en meent dat de kersverse hoogleraar niet het recht heeft 'op het stelsel van Spinoza neer te zien' omdat 'veel van hetgeen hij zelf beweert door Spinoza reeds voor twee eeuwen bewezen is'.
Jelgersma behoort volgens Meijer tot de huidige generatie van 'dieven van de wetenschap'. Zij verduisteren hun wetenschappelijke vertogen door gebruik te maken van een mengelmoes van vreemde woorden, ontleend aan het Grieks, het Latijn en het vocabulaire van andere wetenschappelijke disciplines. Van Spinoza leren we dat de wetenschapper een heldere taal moet spreken, het liefst de Nederlandse, omdat een vreemde taal nooit zulke duidelijke voorstellingen bij ons oproept als de eigen taal. Meijer looft vaderlandse wijsgeren als Opzoomer, Pierson en Land, die 'zeer geleerd en toch goed Hollandsch kunnen schrijven'. Het gebruiken van een vreemde taal is wellicht geschikt voor dichters, romanschrijvers, minnaars, soldaten en kooplui, maar niet voor wetenschappers en wijsgeren.
Ten tweede ontkent hij dat de psychologie een natuurwetenschap is. Volgens Meijer is psychologie niets meer en niets minder dan het verkrijgen van kennis omtrent de menselijke geest. Jelgersma's uitstapjes naar het psychologie van het dier getuigen voor Meijer dan ook van een onzinnige onderneming: de mens is immers een geestelijk wezen dat zich onderscheidt van alle andere wezens. Meijer wil in zijn definities terug naar de klassieke oudheid, waar de natuur werd opgevat als het heelal en de natuurwetenschap als wijsbegeerte. De klassieke filosofen spraken in dit verband van 'eerste filosofie' (of metafysica). Onder 'tweede filosofie' verstonden zij de kennis van al datgene wat voor zintuiglijke waarneming vatbaar was. Hedendaagse natuurwetenschappers beperken zich zuiver tot de tweede filosofie. Bovendien vooronderstelt Jelgersma een scheiding tussen de buitenwereld en de menselijke geest, terwijl Spinoza juist liet zien dat in elke waarneming iets van onszelf en iets van de wereld ligt besloten (Ethica, deel II, stelling 39). Wie een scheiding aanbrengt sluit zichzelf 'noodlottig' en 'ongelukkig' op 'in de kring van zijn eigen bestaan' waardoor het wereldraadsel voorgoed verborgen blijft. Hierop volgt een uiteenzetting van Spinoza's kenmerkende opvattingen waarna Meijer concludeert dat de psychologie als onderdeel van de metafysica moet worden beschouwd.
Ook de experimentele of empirische methode moet het ontgelden. Het experiment is een hulpmiddel dat nooit mag worden gelijk gesteld met het wezenlijke van de wetenschap:

"Maar toch hoe arm van inhoud zou dan ons weten zijn, moesten wij ons bepalen bij hetgeen ons zintuiglijk kon worden waargemaakt. De stof die eeuwig blijft heeft niemand ooit gewogen, de kracht die nooit vergaat heeft niemand ooit gezien. Een geheel museum van atomen, moleculen, functies en latente energieën is nergens anders voorhanden dan in de ziel der natuurkundigen en hoevele waarheden waaraan het publiek als onomstootelijk gelooft, b.v. het draaien van de dwaalster waarop wij ons bevinden, den afstand van ons tot de vaste sterren, het overgaan der soorten, het bestaan van metalen in de zon, de scheikundige verwantschap, het toekomstige ijstijdperk, de leer der ontwikkeling, de vermakelijke struggle for life enz. zijn doodeenvoudig alleen door afleiding uit algemeene oordeelen en denkwetten, of wel door onderstelde verwerkelijking van begrippen tot stand gekomen. Al kunnen wij de proefneming vooral in de natuurwetenschap niet missen, geen wetenschap kan en mag bij dat experiment blijven staan". [...] "Met proeven alleen komt men er niet: bij elken amanuensis behoort een professor en bij elke handgreep een leidende gedachte niet alleen, maar ook een scherpzinnige opmerkingsgave (of divinatio). [...] Dat de natuurwetenschap een andere groep van verschijnselen onderzoekt dan de wetenschap van den menschelijken geest, en dat bij de eerste meer zintuiglijke (d.i. zeer bedrieglijke) waarneming te pas komt dan bij de laatste is buiten kijf; het maakt dat men hare uitspraken niet dan behoedzaam kan aanvaarden, maar het raakt niet het wezen der zaak". [cursiveringen van Meijer]

Meijer heeft veel pagina's nodig om zijn weerstand tegen de moderne wetenschappen te ventileren en zijn polemiek is argumentatief opvallend zwak van karakter. Jelgersma zal geen nacht wakker hebben gelegen van de kritiek en zal zeker niet zijn overtuigd door Meijers citaten uit de Ethica. Meijer is geen vlotte auteur en geen vechtersbaas. Kon Johannes van Vloten in zijn polemische verdediging van Spinoza zijn schrijftalenten juist uitmuntend etaleren, Meijer blijkt in die arena niet de juiste man. Hij komt het best tot zijn recht als docent, als exegeet, als propagandist, als organisator. Zijn polemiek ademt op alle fronten een diep ressentiment, een diepe afkeer van de moderne wetenschap en cultuur. Alhoewel hij geen 'betweterij' zegt te beogen, maar een 'terechtwijzende beoordeeling', overheerst de bittere aversie tegen de moderne wereld en levensbeschouwing 'die ontzaggelijk veel kwaad heeft gesticht'. Na vijftig pagina's komt het hoge woord er uit: een ieder die Meijers inzicht deelt, heeft de plicht op te komen tegen 'de natuurwetenschappelijke, naturalistische, positivistische, evolutionistische, empirische, experimenteele, objectieve levens- en wereldbeschouwing'.
Meijers wetenschaps en cultuurkritiek illustreert dat zijn spinozisme zich in geen enkel ideologisch opzicht onderscheidt van het spinozisme zoals dat in Nederland gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw wordt beleden. Junghuhns pleidooi voor een 'telescopische' natuurkunde, Moleschotts huldiging van het primaat van de 'eenheid des levens' in elke tak van de wetenschap, en Meijers terugkeer naar de 'eerste filosofie' van de Griekse filosofen bevestigen de continuiteit van het spinozisme in Nederland als een wetenschaps en cultuurkritiek. Ondanks interne spinozistische schijngevechten als naturalisme versus idealisme, rationalisme versus mystiek, atheisme versus vrome wijsbegeerte, enzovoorts, blijken alle spinozisten 'nazaten van Rousseau', zoals Bierens de Haan in 1907 in het openingsartikel van het eerste nummer van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte opmerkt.
Deze nazaten staan allen kritisch tegenover de merites van de moderne, op het 'Dieszeitige' gerichte samenleving; ze ageren tegen vervreemding en het verlies van authenticiteit of oorspronkelijkheid, en verwijten de moderne wetenschappen, sinds Kant, dat zij de idee van het onmiddellijke inzicht als ongegrond en ijdel hebben gediskwalificeerd. De resultaten van de wetenschappen moeten worden opgenomen in een hogere eenheidsband. Ook Meijers cartografie van het spinozisme, vervat in zijn vertaling van de Ethica, laat daarover geen twijfel bestaan: Spinoza's hiërarchie van de soorten van kennis (zinnelijke waarneming, kennis der eigenschappen en het inzicht in het wezen der dingen) wordt door Meijer gelijkgesteld aan ervaring, wetenschap en wijsbegeerte. De natuurwetenschap - en in haar kielzog andere terreinen van de samenleving - komt niet veel verder dan een kennis van de eigenschappen (Spinoza's tweede soort van kennis) waardoor het inzicht in het wezen en de samenhang der dingen duister blijft. Wie eenheid en verband zoekt, concludeert Meijer, dient Spinoza's Ethica ter hand te nemen. Eerst dan kunnen de nieuwe wetenschappen op hun waarde worden geschat.
Spinozisme is voor Meijer een voertuig van cultuurpessimisme en wetenschapskritiek, maar kent ook een verlossend en oplossend karakter. Zijn eerste vertaling in 1895 betreft de Tractatus Theologico-Politicus of het Godgeleerd Staatkundig Vertoog: Spinoza's politicologie, volgens Meijer de studie die elke prille spinozist als eerste ter hand moet nemen. Hij is daarmee een van de eerste Nederlandse spinozisten die Spinoza's politieke filosofie als uitgangspunt neemt. Alleen de Groningse en later Utrechtse hoogleraar Bernard van der Wijck brak in 1877 al een lans voor een spinozistisch gekleurd liberalisme dat het oude, vastgelopen 'laisser faire-liberalisme' van nieuwe impulsen zou moeten voorzien. Het is ook deze Van der Wijck die Meijer in 1906 een eredoctoraat aanbiedt.
Zoals we zagen ontwikkelt Meijers politiek bewustzijn zich tijdens zijn periode als landbouwer in Noord-Holland. De crisis vergruist zijn vertrouwen in het oude liberalisme, waarna hij zijn toevlucht zoekt in Spinoza's politieke denkbeelden. Het Godgeleerd Staatkundig Vertoog, zo schrijft Meijer in een toelichting voor het Tijdschrift voor Wijsbegeerte (1916), is in Nederland onbegrepen gebleven. Onvoldoende kennis van Spinoza's filosofie is zeker een oorzaak van dat onbegrip, maar er zijn meer redenen aanwijsbaar. Zo is er de gedachte dat het tractaat louter vanuit een zeventiende-eeuwse context kan worden begrepen. Ook bestond er lange tijd vrees over dit 'demonisch schotschrift', dat aanleiding zou hebben gegeven tot jodenhaat en jodenvervolgingen. Onzin, zegt Meijer, want wie de TTP goed leest vindt vier wezenlijke gedachten die niets met die thematiek hebben te maken:

1. Vrijheid van denken en spreken is een natuurrecht dat door de staat moet worden toegestaan en gegarandeerd;

2. Vroomheid of oorspronkelijkheid moet blijken uit een zedelijke levenswijze en heeft niets te maken met godsdienstige plechtigheden of dogma's;

3. Godsdienst en wijsbegeerte zijn gescheiden, onafhankelijke terreinen;

4. Men kan God liefhebben, maar niet dienen.

Kortom, zo constateert Meijer, de TTP leert ons of liberaal te zijn of klerikaal - er is geen derde weg. Maar hij beseft dat zijn opmerkingen geen rol zullen spelen voor hen die menen 'aan het Kantiaansche standpunt genoeg te hebben'.
Enkele jaren eerder heeft hij zijn achterliggende motieven al expliciet aan de orde gesteld. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog overtuigt hem van het gelijk van zijn cultuurkritiek. In de brochure Wat is de staat? (Naar Spinoza) (1914) zet hij zijn door Spinoza's bril bekeken neoliberale overwegingen haarscherp uiteen. De malcontent Meijer start zijn betoog met een grof en schematisch pessimisme dat ons al vertrouwd in de oren klinkt. Met het vorderen der jaren neemt zijn geweeklaag toe. De wereld is het toneel van onrust, twisten, oorlogen en elkaar bestrijdende mogendheden. Vrede wordt niet bereikt omdat voor vrede 'engelen' nodig zijn: 'Laat ons dus pogen de menschen tot engelen te maken', schrijft Meijer. Maar waar te beginnen?
Gedurende de negentiende eeuw is de voogdij van het algemeen gezag volledig uitgehold. Men is zich massaal gaan richten op ondernemingen, op politieke bewegingen, op vakbonden en andere substituten. De staat speelt geen enkele rol van betekenis meer en wordt nog louter beschouwd als een administratieve eenheid die zich vooral bezig houdt met het innen van belastingen. Op het 'wegredeneeren' van de staat volgde de ontbinding van het huwelijk: "Ook dit moest afgeschaft. Hoog en laag werd er mede gespot. En de idealisten, voornamelijk vrouwen, deden mede. Hoe dwaas dit is kan alleen een man begrijpen!" Overal verslapt de tucht en overal heerst 'anarchie'. Vrouwen willen onafhankelijk van mannen deel nemen aan het economische en politieke leven, sinds het ouderlijk gezag naar de achtergrond is gedrongen doen kinderen waar ze zin in hebben, en overspel neemt hand over hand toe:

"De man verplicht zich niet langer voor vrouw en kinderen te zorgen en kan ieder oogenblik een andere vrouw nemen zonder dat iemand er iets mee te maken heeft. Zij willen vrij zijn. Zij willen geen verplichtingen hebben. Kortom, men vermeidde zich in wanorde en tuchteloosheid (anarchie)".

Het uitbreken van de oorlog heeft de staatsidee echter weer doen terugkeren. Verheugd schrijft hij: "Toen werd men wakker en wreef zich de oogen uit. Toen kreeg men weer 't begrip van Staatseenheid". Na een historisch overzicht van de wording van de staat te hebben geschetst - alsmede van Rousseaus opvattingen over het 'sociale contract' - behandelt hij de limieten van staatsrecht en staatsmacht. Hier roept hij Spinoza's TTP in herinnering. De staat heeft het recht op alles, zegt Meijer Spinoza na. De natuurstaat of de wildernis hebben we achter ons gelaten, alleen 'zigeunerbenden' en 'natuur-monumenten' herinneren nog aan 'dien verwilderden toestand'. De natuur is wellicht 'een paradijs voor trekvogels en kunstdweepers, maar ongenietbaar en onbruikbaar voor beschaafde menschen'. In de natuurstaat heerst het recht van de sterksten, in de beschaafde staat zegeviert rechtvaardigheid. Daartoe dienen de enkelingen wel afstand te doen van hun rechten. Die inperking van rechten kent echter grenzen: tast de staat de gewetensvrijheid van de burgers aan, dan brengt de overheid zichzelf in gevaar. Ook als de staat schandelijke zaken gebiedt, vermindert zijn gezag. Wie tegen de uitgangspunten van de eenheidsstaat protest aantekent, moet volgens Meijer elders zijn heil zoeken. Zo behoren anarchisten dus niet tot de staat en mogen zij niet genieten van de voordelen van de gemeenschap ("Die niet mee wil dieken, die moet wieken"). De burger mag denken, zeggen en schrijven wat hij wil zolang hij zijn kritiek niet richt op de staatsinstelling zelf. Maar dit betekent nog niet dat hij mag doen wat hij wil:

"Men mag volstrekt niet doen wat men wil. De Staat regelt ons handelen, ons gedrag. Wil iemand liever naakt loopen dan gekleed, dan wordt hij eenvoudig opgesloten. En wenscht hij het toch te doen, dan moet hij maar naar Afrika gaan, waar dit zede is. Maar wij dulden dit niet. Hoe inniger samenleving, hoe gebondener bestaan. Een wijs mensch gehoorzaamt aan de wet uit gemeenschapszin".

Meijer besluit zijn opstel met de verschillende regeringsvormen die Spinoza in het Staatkundig Vertoog onderkende: monarchie, aristocratie en democratie. De meeste mensen, aldus Meijer, maken ruzie over welke regeringsvorm de meest geschikte zou zijn. Wie tot inzicht is gekomen, beseft dat elke staatsvorm geschikt kan zijn. "'t hangt ten slotte van de wetten en de menschen af. Op de uitvoering komt het aan". Men leze Spinoza's TTP, adviseert Meijer, 'en ge zult een nuttig werk verrichten'.
Twee jaar eerder heeft Meijer al een lofrede op Bismarck geschreven, waarin hij de Duitse kanselier op een lijn plaatst met 'groote denkers' als Spinoza, Rousseau en Goethe. In Bismarcks 'Real-Politik' komen Spinoza's opvattingen over de staat het meest pregnant tot uitdrukking. Net als Spinoza zou Bismarck de liefde voor het vaderland en voor de staat boven alle andere belangen stellen, waaronder bijbelse voorschriften. Hoewel de rijkskanselier, in tegenstelling tot Spinoza, maar weinig oog heeft voor het vraagstuk van de volkssoevereiniteit, trekken beiden toch eenzelfde conclusie: overheidsegoïsme is de noodzakelijke grondslag van iedere zichzelf respecterende staat. Daar waar denkers als Gunning, Kuyper en Spruyt, maar ook spinozisten als Bierens de Haan zoals we nog zullen zien, Spinoza's staatsleer als Hobbesiaans, hopeloos absolutistisch en in strijd met de Nederlandse tolerantie beschouwen, lopen Meijer en zijn promotor Van der Wijck vooruit op de autoritaire eenheidsstaat die de spinozist Johan Herman Carp later in het nationaal-socialisme gerealiseerd zal zien.
Inderdaad, Willem Meijer was een wat ouderwetse en knorrige man die zich vastklampte aan een eenduidige heilsleer, die hij beschouwde als de enige weg naar 'oprechte vroomheid' in een door God verlaten wereld. Het primaat van wetenschap en economie is hem een doorn in het oog, omdat het ieder authentiek bestaan zou dwarsbomen en mensen tot slaven zou maken van geld, kennis, competitie en eerzucht. De emancipatie van arbeiders, vrouwen en jongeren, een verdere democratisering en nivellering van maatschappelijke verhoudingen, en de erosie van het huwelijk hebben de eenheidsstaat doen oplossen en sociale verdeeldheid gezaaid. In zijn kruistocht tegen die wereld heeft Meijer tot op hoge leeftijd en onbaatzuchtig een scala van activiteiten ontplooid die de Nederlandse Spinoza-verering en het Nederlandse Spinoza-onderzoek van een gedegen infrastructuur hebben voorzien. Hij was wellicht niet 'de senior van het moderne, Europese Spinoza-onderzoek', zoals Carl Gebhardt in zijn levensbericht beweerde, maar wel een typisch Nederlandse spinozist die buiten de academie, in de alledaagse samenleving, velen nader tot de wijsbegeerte in het algemeen en het spinozisme in het bijzonder heeft gebracht.
Als Van der Wijck in 1906 Meijer onderscheidt met een eredoctoraat, kritiseert hij weliswaar Meijers verouderde mechanistische wereldbeschouwing, maar eert hij de Haagse spinozist tegelijk als een geestverwant. Beide wijsgeren maken immers deel uit van een mokkende 'upper ten' (Sassen) en hebben als renteniers nooit financiële zorgen gekend. Dankzij deze achtergrond blijft Meijer een wat vreemde figuur in de redactie van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte, waar de hardwerkende, zelfgeschoolde filosoof de dienst uitmaakt. Volgens Willem Otterspeer domineren in de redactie 'vechtersnaturen' met een 'grote smoel'. Ook Meijer zou terstond zijn mond houden 'zoodra er maar even tegen hem gesnauwd wordt'. Tevens ontpoppen Meijer en Van der Wijck zich als de meest expliciete tegenstanders van de moderne, democratische samenleving waarbij ze zich steevast op Spinoza beroepen om hun ressentiment te rechtvaardigen. Meijers opvattingen over de verloedering van de maatschappij en zijn verlangen naar tucht en orde zijn een getrouwe kopie van het cultuurpessimisme dat Van der Wijck in 1900 al ventileert in zijn 'Spinoza-bespiegelingen', geschreven voor De Gids, waarin hij tekeer gaat tegen het 'toenemend bederf van het rotte Europa'. Maar hoe we Meijers spinozisme ook willen typeren en waarderen, zijn inspanningen hebben het Nederlandse filosofische landschap van een specifieke kleur en een specifiek karakter voorzien. Van der Wijck beseft dat en dankt Meijer namens de Nederlandse wijsgeren voor zijn tomeloze toewijding:

"Gij hebt jarenlang in stilte een werk verricht dat ook buiten onze grenzen waardering heeft gevonden. Gij hebt niet alleen Spinoza's werken opnieuw vertaald, gij hebt ze zoo vertaald dat het kernige Latijn van den 17den eeuwschen wijsgeer in even kernig en helder Nederlandsch is overgebracht. Daarbij hebt Gij gedreven door Uwe groote en belanglooze liefde tot Spinoza, geen moeite ontzien om zijne nagedachtenis door de Vereeniging 'Het Spinoza Huis' te doen herleven en bewonderen onder onze tijdgenooten en zijt Ge, sinds jaren, de volijverige secretaris, wien niets te veel is, waar het de roemrijke herdenking van Spinoza geldt. Bovendien zoo Uw ijver groot zij, de nauwgezetheid, waarmee Gij Uwe nasporingen en Uw wetenschappelijk onderzoek verricht, is dermate vertrouwbaar, dat Gij, onder de talrijke Spinozakenners, aan wien de Duitsche philosooph Freudenthal, in de voorrede tot zijn groot werk over Spinoza, hulde en dank betuigt, de eenige zijt die genoemd wordt".


8.5 De erfenis van Meijer: Koenraad Oege Meinsma en Bernard Damme

Zoals reeds eerder is opgemerkt heeft Willem Meijer geen wetenschappelijke biografie van Spinoza gepubliceerd. De nieuwe secretaris van Het Spinozahuis, Meijers opvolger Van der Tak, doet dat wel: Bento de Spinoza (1928). Ook de grote biografie van Vloemans, Spinoza, verschijnt pas in 1931. Meijer heeft wel enkele publicaties gewijd aan de historische context waarin Spinoza leefde en zijn denkbeelden vorm gaf, zoals een essay over de zeventiende-eeuwse Rozekruizers en het opstel 'Bijdrage tot de levensgeschiedenis van Baruch D'Espinoza', geschreven voor het letterkundige tijdschrift De XXe eeuw. Hij heeft niet alleen weinig affiniteit met het historische denken, maar hij wil bovendien verhinderen dat mensen delen van Spinoza's wijsbegeerte verklaren uit historische en psychologische factoren. Spinozisme is immers een zuivere begrippenleer, even autonoom en even onpersoonlijk als de wiskunde. In vrijdenkerskringen van De Dageraad echter, Meijers belangrijkste gehoor, staat de geschiedkunde hoog in het vaandel.
Een van die vrijdenkers is Koenraad Oege Meinsma (1865-1929), leraar Nederlands en geschiedenis aan het gymnasium van Zutphen en archivaris van de plaatselijke St.-Walburgkerk. Meinsma is tevens penningmeester en een van de redacteuren van het periodiek De Dageraad, waar hij onder het pseudoniem J. van den Ende - een speelse verwijzing naar Spinoza's Amsterdamse leermeester Franciscus van den Enden? - jarenlang de belangrijkste essays en vertalingen voor zijn rekening neemt. Hij verdedigt aanvankelijk het materialisme van Moleschott, dat hij 'geen systeem, geen samenstel van leerstukken waarin men gelooven moet' noemt, maar 'een methode van wetenschappelijk onderzoek'. Ook de geschiedschrijving verdient die materialistische en dus wetenschappelijke benadering. Meinsma raakt geobsedeerd door de lange, spinozistische onderstroom in de Europese cultuur en wijsbegeerte en hekelt het feit dat er zo weinig historisch onderzoek wordt verricht naar de periode waarin Spinoza zijn denkbeelden gestalte gaf.
Hoewel ook beïnvloed door Meijer wijst Meinsma de wiskundige methode die Spinoza hanteerde geheel af. Die methode heeft er immers toe bijgedragen dat mensen door de Ethica werden afgeschrikt, zodat 'een eeuw lang de mannetjes die Spinoza's wijsbegeerte begrepen en waardeerden, nauwelijks met een lantaarntje [waren] te vinden'. In 1896 publiceert hij in Berlijn als opmaat Die Unzulanglichkeit der bisherigen Biographien Spinoza's om kort daarop zijn magnum opus Spinoza en zijn kring. Historisch-kritische studien over Hollandsche vrijgeesten (1896) te bezorgen. Het belang van dit geschrift kan niet vaak genoeg worden onderstreept: het werk ontvangt verschillende Nederlandtalige drukken. Een voorlopig laatste in 1980. Een Duitse vertaling verschijnt in 1909 en in 1983 wordt Spinoza en zijn kring nog in het Frans vertaald. Volgens Piet Steenbakkers' onderzoek naar de publicaties van de Ethica is de 'klassieke studie' van Meinsma nog altijd 'onmisbaar voor ieder historisch onderzoek'.
Goed, Auerbach en Van Vloten hadden reeds biografische gegevens onder de aandacht van de lezer gebracht, maar in het presenteren van die gegevens was nog 'geen groote nauwkeurigheid te verwachten', schrijft Jan Land in De Nederlandsche Spectator naar aanleiding van het verschijnen van Meinsma's studie. Diens werk, vervolgt Land, is zo belangrijk dat 'wie hem niet gelezen heeft, eenvoudig niet kan meespreken over het leven en de bekenden van den denker'. Meinsma's schets van alle zeventiende-eeuwse sekten, groepen en stromingen die van de formele theologie en wijsbegeerte geen verwachting hadden, is een kader van waaruit Spinoza en het spinozisme kunnen worden begrepen. Eindelijk, verzucht Land, is Spinoza geen legende meer of een hoofdrolspeler uit een roman waarin feit en fictie elkaar afwisselen - zoals geschiedde in Auerbachs Het leven van een denker - maar 'wordt het uitzicht geopend op geschiedenis'.
Verdere aanwijsbare invloed van Meijer is - paradoxaal genoeg - zichtbaar in het geestesleven van de arbeidersbeweging, die haar monistische gezindheid omstreeks 1900 tracht te rechtvaardigen door een beroep te doen op de wijsbegeerte van Spinoza. Paradoxaal, want de religieuze antisocialist Meijer weet kennelijk antigodsdienstige socialisten enthousiast te krijgen voor het spinozisme. In zijn essay over de doorwerking van het spinozisme in de arbeidersbeweging schrijft Ger Harmsen dat van de Ethica 'tienduizenden exemplaren werden verkocht' en dat zich onder de kopers 'veel geletterde arbeiders' bevonden. Hij situeert de herleving van het spinozisme in de kring rondom Van Vloten, maar vergeet te vermelden dat vrijmetselaars en theologen evenredig aan die herleving bijdroegen. Zijn betoog richt zich, wat betreft de periode na de eeuwwende, voornamelijk op de belangstelling van sociaal-democratische zijde voor het denken van de monist Joseph Dietzgen, dat verwantschap met het spinozisme zou vertonen. Harmsen biedt interessante gegevens omtrent de scheikundeleraar Cornelis Hendrik Ketner die in 1919 bij Gerard Heymans promoveert op een onderzoek naar Dietzgen, waarin hij ook de verdiensten en tekortkomingen van Spinoza behandelt. Een jaar eerder heeft Ketner in De Socialistische Gids al over Spinoza gepubliceerd. De vroegste doorwerking van spinozisme in de arbeidersbeweging laat Harmsen echter buiten beschouwing: de vrij-socialistische beweging van Ferdinand Domela Nieuwenhuis.
Domela Nieuwenhuis (1846-1919) begint zijn loopbaan als Luthers predikant met een grote belangstelling voor maatschappelijke vraagstukken. Hij behoort tot de kerkverlaters van de jaren zeventig. Van predikant wordt hij de voorman van de Sociaal Democratische Bond. In 1897 scheidt hij zich af van de sociaal-democraten en omarmt met de oprichting van het periodiek De Vrije Socialist het anarchisme of vrije socialisme. De achterban van deze - sterk ethische - beweging is nauw verbonden met de vrijdenkers van De Dageraad en De Vrije Gedachte. De belangstelling voor filosofische, en vooral ethische vraagstukken is hier bovendien groot: een atheïstische wereld en levensbeschouwing dient immers te worden gerechtvaardigd. De ex-predikant Domela Nieuwenhuis ontpopt zich na zijn afscheid van de kerk in 1879 enige tijd als een bevlogen lid van De Dageraad - hij schrijft bijdragen onder het pseudoniem Criticus - en weet velen voor het vrijdenken te interesseren. Tussen 1880 en 1886 stijgt het ledental van de vereniging van 500 naar 4000 leden. Gedurende de laatste twintig jaar van de negentiende eeuw verkoopt de vereniging ruim 150.000 populair-wijsgerige en antigodsdienstige brochures en boeken, waaronder een essay over Voltaire (oplage: 18.000), de grondbeginselen van de evolutieleer: Mozes of Darwin? (6000), Ludwig Buchners magnum opus Kracht en Stof (7000), en het meest beruchte atheïstische traktaat uit die periode, Dominee, pastoor of Rabbi? (47.000). Het zijn werken die een spinozistische sensibiliteit ademen, werken die uitdrukking geven aan de anti-godsdienstige onderstroom in de Europese cultuur waarvan Multatuli in zijn Ideeën al een indruk gaf.
In de door Bert Altena bezorgde bloemlezing uit Domela's correspondentie duikt de naam van Spinoza op in een briefwisseling tussen Ferdinand en zijn broer Adriaan Domela Nieuwenhuis (1881). Enkele jaren eerder, in 1877 - ter gelegenheid van de herdenking van Spinoza's tweehonderdste sterfjaar - verzorgt Domela Nieuwenhuis, tijdens zijn laatste jaren als predikant, een voordracht over Spinoza voor een gehoor van geletterde arbeiders en 'kleine luyden'. De strekking van zijn lezing is overduidelijk:

"Spinoza huichelde niet en als waarheid een deugd is, dan mag het hem tot deugd worden aangerekend, dat hij zich niet anders voordeed dan hij was. Anderen mogen zich daarover bedroeven, geen eerlijk mensch kan verlangen dat hij anders gesproken en gehandeld zou hebben dan hij dacht".

Spinoza's levenswijze geldt als een voorbeeld voor deze ethische vrijdenkers voor wie waarheid, het inrichten van het leven volgens de waarheid, en de beteugeling van de hartstochten als de hoogste beginselen worden erkend. Ook Domela Nieuwenhuis leeft naar die beginselen: hij beschikt, zo schrijft Altena, over een 'bijna onvoorstelbare zelfbeheersing', waardoor hij 'onder alle omstandigheden kalm [blijft]' . Het grootste deel van Domela's betoog behandelt de dilemma's waarvoor Spinoza zich geplaatst zag: moet hij de godsdienst vaarwel zeggen? Zal hij hoogleraar worden in Heidelberg? Mag hij geld aannemen van zijn vrienden? Moet hij verdraagzaam zijn jegens andersdenkenden? Mag hij in het gezelschap van Fransgezinden verkeren? enzovoorts. Het zijn ethische dilemma's en gewetenskwesties die een ieder naar zijn eigen leven kan vertalen. Voor Domela Nieuwenhuis was Spinoza het prototype van de 'sociaal-politikus'.
Behoort Spinoza - en vooral de kennis van zijn deugdzame levenswijze - in deze jaren nog tot de algemene bagage van iedere zichzelf respecterende vrijdenker, omstreeks de eeuwwisseling krijgt Spinoza opnieuw een belangrijke rol toebedeeld wanneer het monisme doorbreekt als de antigodsdienstige wijsbegeerte bij uitstek. In die doorbraak kan het werk van Ernst Hackel niet ongenoemd blijven - de Duitse monist en apostel van het darwinisme met wie Domela Nieuwenhuis persoonlijke contacten onderhoudt. Meer nog dan Hackel krijgt in Nederland Spinoza de status van grondlegger van het monisme of de eenheidsleer. Het verbreiden van die gedachte lijkt weggelegd voor een Rotterdamse aanhanger van Domela Nieuwenhuis en tevens leerling van Willem Meijer: de spinozist Bernard Damme (1864-1953).
Deze 'werkman-filosoof', zoals hij wel wordt aangeduid, is werkzaam in het gemeentelijk havenbedrijf en treedt op als de filosoof van vrijdenkers en anarchisten in de eerste helft van deze eeuw. Hij publiceert een tiental populair-wijsgerige boekjes, antimilitaristische sprookjes, en zo'n vijfhonderd kleinere en grotere artikelen voor periodieken als Anarchist, De Vrijdenker, De Vrije Socialist en De Nieuwe Cultuur. In die werkdrift maakt hij arbeiders die zelfontwikkeling zoeken bekend met de opvattingen van Erasmus, Spinoza, Multatuli, Ibsen en Nietzsche. Damme is tot het vrije denken gebracht dankzij de wekelijkse voordrachten van de Rotterdamse Lutherse predikant Willem Meng (1843-1924). Nadat de 'ongeloovige' Meng door het kerkbestuur wordt ontslagen, evolueert hij eerst in anarchistische richting, om zich uiteindelijk tot de theosofie te bekennen. Ook zijn spinozistische inzichten ontleent Damme aan allerlei volkscursussen: zo blijkt hij een gedreven lid van de Vereeniging tot bevordering van de studie der wijsbegeerte, een vereniging die in 1904 wordt opgericht uit een fusie van de Spinoza-studieclub en de Filosofische Studentenvereeniging. In deze verenigingen heerst Willem Meijer als de onbetwiste tutor, die ook door Damme met 'Meijer-Spinoza' wordt aangesproken. In 1908 publiceert Damme zijn eerste proeve van spinozisme: B. de Spinoza. Populaire bijdrage over zijn leven en leer, een bescheiden boekwerk dat in de loop der jaren nog drie heruitgaven heeft ontvangen. Zo'n laagdrempelige kennismaking met Spinoza is noodzakelijk, meent Damme, want

"[...] er zijn in onze dagen zeer vele menschen, die in vele dingen hem naverwant zijn in den geest, die over een groot aantal zaken evenzoo denken als hij nu ruim twee en een halve eeuw geleden, die bijna dezelfde wereld- en levensbeschouwing hebben".

Hij vraagt zijn leermeester Meijer het voorwoord te schrijven. Deze zegt gaarne te willen voldoen aan het verzoek, omdat de kennis van Spinoza 'in buitengewone mate bevorderlijk is voor een gezond zieleleven'. Hij looft zijn pupil, die 'na jaren van geduldige en ingespannen studie' Spinoza eindelijk bekend maakt aan 'het volk van Nederland'. Meijer meent dat Damme Spinoza goed begrepen heeft, maar weigert in te stemmen met veel conclusies die de Rotterdammer trekt uit de Ethica en het Godgeleerd Staatkundig Vertoog. Meijer gaat verder niet in op Damme's interpretatie van het spinozisme, maar de hoofdlijnen van zijn kritiek zijn ons inmiddels duidelijk geworden: Damme verwerpt de geometrische methode als onbruikbaar en prefereert, geheel in lijn met de Nederlandse traditie, een eclectisch gebruik van de Ethica, voorzien van tal van alledaagse voorbeelden. Bovendien blijkt Damme een overtuigd atheist, wiens naturalistische wereldbeeld ver verwijderd is van Meijers religieuze referentiekaders waarin de idee van oprechte vroomheid domineert. Tenslotte zal Meijer niet hebben ingestemd met Damme's kritiek op Spinoza's staatsleer. De anarchist Damme meent dat de schoonheid van de Ethica niet overeenstemt met een Hobbesiaanse staatsleer waarin louter vrees voor de staat mensen tot loyale burgers moet smeden:

"Spinoza moet wel bittere ervaringen hebben opgedaan om de rede, waarvan hij alles verwacht wat het individu betreft, zoo ver ten achter te zetten in zijn Staatkunde en door vrees betere resultaten voor het samenleven verwacht. Mij dunkt, een verzameling van naar de rede levende menschen, behoeven niet door vrees bedwongen te worden. [...] Wij kunnen met zijne ideeen daaromtrent niet meegaan, noch er mee sympathiseeren. Twee en een halve eeuw geschiedenis der lotgevallen van de verschillende Staten, hebben ons doen zien dat het ideaal wat Spinoza zich op dit gebied voorstelde en wat dan de Democratische regeeringsvorm wezen zou, ons niet de waarborg geven zal en kan 'waarin de belangen van den Staat alsmede die van de vrijheid van het individu' het best met elkaar over een te brengen zijn. [...] Spinoza is een voorstander van gezag en schroomt niet hetzelve in toepassing te brengen".

Ook Spinoza's antifeminisme - dat door Meijer wordt gedeeld - vindt bij de schrijver geen weerklank. Volgens Damme verdient de vrouwenbeweging 'die juist in onzen tijd zulk een groote vlucht neemt' alle waardering. In zijn opvattingen over vrouwen - 'die [Spinoza] in eenen adem met dienstbaren en onmondigen [noemt]' - week Spinoza niet af van het standpunt dat in de zeventiende eeuw gangbaar was. 'Het nimmer gehuwd geweest zijn kan voor hem, in deze, minder dan voor elk ander geen reden van verschooning zijn', besluit Damme.
In hetzelfde jaar verschijnt, eveneens bij de anarchistische uitgeverij Bedeaux te Rotterdam, een door Damme verzorgde bloemlezing uit de werken van Nietzsche, Multatuli en Spinoza. Over deze bundel, Rijpe Halmen, merkt Steenbakkers op dat het als strijdschrift voor de vrije gedachte wellicht een interessante publicatie betreft, maar dat de geselecteerde citaten zo beperkt en fragmentarisch zijn, dat Spinoza's uitspraken er soms door verminkt raken. Bovendien zijn de fragmenten letterlijk overgenomen uit Meijers vertaling van de Ethica, zoals Damme overigens ook vermeldt.
De aanhanger Meijer brengt dus louter ijverige discipelen voort die eigen accenten leggen, de geometrische methode verwerpen, en elementen uit de Ethica vertalen naar een praktische, persoonlijke levensleer. Opnieuw ondervindt Spinoza's staatsleer veel kritiek en blijven Meijer en Van der Wijck vooralsnog eenzame propagandisten van een eenheidsstaat op spinozistische grondslag. Ook Meijers navolgers continueren een eigenzinnig spinozisme zoals dat gedurende de negentiende eeuw in Nederland gestalte heeft gekregen. Beschouwd vanuit deze context dient het optreden van Meijer als anomalisch te worden beschouwd. Sassen typeert Meijer als de laatste overlevende van de atheïstische generatie spinozisten. Die constatering is onjuist, want een spinozisme op atheïstische grondslag krijgt een vervolg in tal van publicaties van vrijdenkers als Damme en Anton Constandse, en marxistische dialectici als Gerrit Mannoury, Dirk Struik, Theun de Vries en Ger Harmsen. Dat ook deze spinozisten doorgaans de geometrische methode verwerpen, bevestigt wel de uitzonderlijke interpretatie van de systematicus Meijer, maar niet de teloorgang van een atheïstisch spinozisme.


info@siebethissen.net   - - -