| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| Hoofdstuk 7.pdf | 26.01.2004 | 170kB | - |
DE ERFGENAMEN VAN FLANOR.
SPINOZISME EN WETENSCHAPSKRITIEK RONDOM DE NIEUWE GIDS
"
Idealisme en materialisme mogen die, de eene ter wille der andere, op zij trachten
te schuiven, hij, die door geen wijsgeerig jargon te vangen, noch tevreden
is met het hooren klapperen van den molen, zal moeten erkennen, dat wij het
in deze metaphysische kwestie nog geen streep verder hebben gebracht dan Spinoza's
hypothese van de eenheid van beiden".
(Marius Lotsy, De Nieuwe Gids, 1887)
7.1 'Tachtig' en het spinozisme
De Tachtigers, schrijft Herman Gorter in 1897, stonden nog te dicht bij Kant, die immers meende dat de wereld slechts bestaat als idee. Over hoe de wereld er 'werkelijk' uitziet kunnen we slechts gissen: daarom verlangde deze tijd dichters en zieners. Als Gorter zijn opstel 'Kritiek op de literaire beweging van 1880 in Holland' (1897-1898) schrijft, neemt hij afstand en afscheid van de literaire generatie die hem in zijn vroegste jaren heeft geïnspireerd en gevormd. 'Was het vroeger goed om een eenling te zijn, nu wordt het slecht om alleen te zijn', vervolgt Gorter, zich wendend naar de opkomende socialistische beweging die zich uitermate bewust toont van haar collectiefemancipatorische karakter: "Onze pogingen onbewust te zijn werden verpletterd door een opkomende klasse die bewust wordt". Twee jaar eerder publiceerde hij de eerste Nederlandse vertaling van de Ethica sinds 1677. Die publicatie luidt voor Gorter, paradoxaal genoeg, tevens het afscheid in van zijn fascinatie voor de wijsbegeerte van Spinoza. Gorter is nu in de ban geraakt van 'de bewuste klasse' - de socialistische arbeidersbeweging - en zweert zijn spinozisme af:
"Spinoza heeft, als intuitief gevonden, dat de mensch altijd zwakker moet zijn dan, altijd moet afhangen van de Natuur, dat hij dus altijd moet lijden en aan hartstochten onderworpen zijn die hem kwaad doen. Maar hoe werkt de Natuur, hoe maakt zij dat de mensch lijdt, dat bleef de grote vraag. Spinoza zag de Natuur als een onveranderlijke macht, onmiddellijk tegenover de mensch, de sociaal-democratie ziet hem in den zelfveranderlijken natuurvorm: de maatschappij".
Spinoza's statisch mens en wereldbeeld hoort thuis in een voorbije, burgerlijke
periode waarin het bevlogen individu, de spontaniteit, en de autonomie van
het gevoel hooglijk werd gewaardeerd. De natuur is geen statische, onveranderlijke
macht, vervolgt Gorter, maar een maakbaar en zelfveranderend geheel waarvan
de samenleving de eerste uitdrukking is. Wellicht zag Spinoza vooruit op een
liberale toekomst, maar recente ontwikkelingen in de samenleving - zoals de
opkomst van massabewegingen - maken dat de sociaal-democratie de idee van de
toekomst is. Maatschappelijke veranderingen worden niet bewerkstelligd door
een elite van dichters en denkers, maar wetenschap, godsdienst en kunst veranderen
voortdurend van gedaante door de stuwkracht van sociaal-economische tegenstellingen
en ontwikkelingen. Het is daarom zaak, besluit hij, 'een te zijn van een groote
klasse, een groote beweging' - 'de dichter van onzen tijd moet zich bij het
volk voegen'. Gorters breuk met Tachtig is dus tegelijk een breuk met Spinoza.
Tien jaar eerder dient zich met Gorter en de Tachtigers een jonge generatie
letterkundigen aan die rond 1860 wordt geboren. Als Willem Kloos, Willem Paap,
Frank van der Goes, Frederik van Eeden en Albert Verwey in 1885 het eerste
nummer van De Nieuwe Gids presenteren, bieden zij een platform voor vooruitstrevende
kunstenaars, letterkundigen en geleerden. Het koestert de wens 'het orgaan
te worden van het jongere geslacht in de Nederlandsche letterkundige, wetenschappelijke
en artistieke wereld', zoals de prospectus meldt. Dit 'jongere geslacht' hekelt
de heersende behoudzucht op genoemde terreinen en wil een radicale breuk forceren.
Van het 'oudere geslacht' - de generatie die geboren wordt omstreeks 1820 -
worden schrijvers als Multatuli en Vosmaer nog wel gewaardeerd, maar ook gekritiseerd
omdat zij geen zuivere poëzie hebben voortgebracht. Deze jongeren willen
juist de poëzie, het gevoel en de intuïtie voorop stellen, en niet,
zoals in het geval van de ouderen, de letterkunde tot hefboom maken van wijsgerige
of maatschappelijke inzichten. Of zoals Gorter terugblikkend schrijft, 'het
eenige wat zij allen begeerden was aangedaan te zijn, waar te nemen, te jubelen
of te weenen'.
Hoe heftig Tachtig zich ook verzet tegen de vorige generatie, er is ook sprake
van continuïteit. De belangstelling voor het spinozisme in deze kring,
onder anderen culminerend in Gorters vertaling van de Ethica, is een aanwijzing
dat het verlangen naar wijsgerige reflectie ook hier nog altijd hoog in het
vaandel staat. Net als in de tijdschriften en periodieken uit de periode 1855-1882,
van De Dageraad tot De Humanist, worden ook in een nieuwe golf van periodieken
kunst, wetenschap en wijsbegeerte bijeengebracht en levert spinozisme opnieuw
vaak het cement tussen de afzonderlijke gebieden: de eerste wijsgeer van De
Nieuwe Gids, Marius Lotsy, is een spinozist uit de school van Van Vloten. De
eerste geheel door Tachtig geschoolde huiswijsgeer, Bierens de Haan, ontpopt
zich tot de belangrijkste spinozist van het fin de siècle. Deze groep
letterkundigen geeft de tijdschriftencultuur een geweldige impuls. In een tijdsbestek
van twintig jaar zien periodieken als De Nieuwe Gids (1885), De Kroniek (1894),
Tweemaandelijksch Tijdschrift (1895), De Nieuwe Tijd (1896), Onze Eeuw (1901),
De Twintigste Eeuw (1902) en De Beweging (1905) het licht. Hier krijgt de wijsbegeerte,
en ook het spinozisme, opnieuw veel ruimte.
Die continuiteit werkt ook door in de privé-sfeer: de dochters van Van
Vloten - ookwel de 'club-zusters van de Tachtigers' genoemd - houden zich niet
alleen bezig met letterkunde en wijsbegeerte. Martha verlooft zich nog tijdens
het leven van haar vader met Frederik van Eeden en huwt hem in 1886; Kitty
trouwt vier jaar later met Albert Verwey; en Betsy vindt haar echtgenoot in
1893 in de dichter Willem Witsen. Alleen Kitty's huwelijk houdt overigens stand.
Een vroege aanwijzing van de doorwerking van die literair-wijsgerige traditie
vinden we al bij de oprichting van een vereniging die ten grondslag ligt aan
De Nieuwe Gids. Op 14 juni 1881 wordt in Amsterdam door een groep jongeren
de vereniging Flanor opgericht. In deze vereniging komen enkele progressieve
leraren, enkele acteurs, een architect, een zakenman en een groepje Amsterdamse
studenten samen. Onder de laatsten bevinden zich twee studenten in de letteren,
Willem Kloos en Willem Paap, een student in de scheikunde, Charles van Deventer,
en een student in de geneeskunde, Frederik van Eeden - jonge, burgerlijke 'rebellen'
die later het project van De Nieuwe Gids zullen gaan trekken. De beschrijving
van deze kring doet sterk denken aan Zimmermanns hiervoor al aangehaalde beschrijving
van de Spectatorredactie: 'studentikoze bengels' hangen nonchalant rond in
een 'slecht verlichte, met tabaksdamp bezwangerde zaal' aan het Spui, enkelen
leunen uit het venster en roken dikke sigaren en zelfgedraaide sigaretten,
anderen discussiëren over alles wat zich aandient en maken zich daarbij
soms zo nijdig dat zelfs de gordijnen aan flarden worden gescheurd. Het gezelschap
stelt zich op een 'kunst-om-de-kunst'-standpunt. De naam van de vereniging,
Flanor, levert veel discussie op. Een tegenstander merkt op dat 'we hiermee
te kennen geven het in alle opzichten met de richting van den Flanor uit De
Spectator eens te zijn', terwijl de jonge vereniging nog geen richting of doel
voor ogen staat. Na een lange avond vergaderen wordt de benaming toch gehandhaafd,
omdat Flanor veel meer is dan de persoon Carel Vosmaer. Flanor staat immers
model voor de jonge rebel, de rusteloze zoeker naar waarheid en gerechtigheid,
de mondige heraut die zegt wat hij denkt en leeft naar eigen inzicht.
Ook Multatuli vindt in deze kring enige bekoring. Zo treedt de Multatuliaan
en vrijdenker Hendrik Muller tot Flanor toe en bestaat het eerste plan van
het nieuwe genootschap uit het uitschrijven van een prijsvraag voor de beste
kritiek op de werken van Multatuli. Naast het bevorderen van de letterkunde
beoogt Flanor nog een doel: het ontwikkelen van een methode van kritiek. Immers,
ook de Flanor van De Nederlandsche Spectator ontziet niets of niemand. Beide
doelstellingen verlangen echter een podium, een tijdschrift. Aanvankelijk vindt
het voorstel tot het oprichten van een tijdschrift weinig bijval: Muller meent
dat er voldoende periodieken bestaan en twijfelt aan het bestaansrecht van
een nieuw tijdschrift; bovendien zijn de financiële risico's te groot.
Men beperkt zich aanvankelijk tot lezingen en ook hier schijnt er continuïteit
te zijn geweest met de vroegere wijsgerige beweging. Naast zuiver literaire
voordrachten zijn er voordrachten over schilderkunst, fotografie en beeldhouwen,
maar ook over de schrijfster en spinoziste George Eliot en over het belang
van de wijsbegeerte voor de huidige tijd. Het is een scala van cultuurfilosofische
en cultuurhistorische onderwerpen die ook Flanors 'Vlugmaren' bij uitstek karakteriseren.
Dit jeugdige intellectuele en artistieke enthousiasme krijgt een centrale plaats
in de kolommen van De Nieuwe Gids, waarvan in oktober 1885 het eerste nummer
verschijnt. Op filosofisch gebied hebben Flanor en de oudere vrijgeesten de
prille redactie geleerd zich niet terug te trekken in een systematisch wijsgerig
stelsel, maar een eigen overtuiging en geestesgesteldheid te ontwikkelen, afgestemd
op vrijheid, waarheid en autonomie. Hun voorgangers hebben gestreden om de
autonomie van de wetenschap en de wijsbegeerte; de jongeren voegen daar de
strijd om de autonomie van de kunst aan toe. Zij willen dat doen als onafhankelijke
dichters, als fiere woordkunstenaars, of zoals Gorter in zijn opstel uit 1897
schrijft: "Wij moesten in de eerste plaats individueel, persoonlijk zijn".
Geen objectieve betogen dus of wetenschappelijke tractaten, maar subjectieve
beschouwingen die recht doen aan ieders persoonlijke leef- en denkwereld. Daarom
is er zo'n waardering voor Multatuli: uit diens werken spreekt een persoonlijke
levenspraktijk waarin vrijheid, autonomie en waarheid naadloos in elkaar zijn
opgegaan.
Maar als Carel Vosmaer alias Flanor zich in de kolommen van De Nederlandsche
Spectator vernietigend uitlaat over het puur esthetische streven van de Amsterdamse
jongeren is het uit met de liefde voor Flanor. Flanor inspireerde weliswaar
De Nieuwe Gids, maar reeds in de eerste jaargang van het nieuwe tijdschrift
neemt Frederik van Eeden afscheid: "Vaarwel, Flanor!".
"Het benieuwt mij, hoe de recensenten weer zullen kakelen en er een
nieuw bewijs van ons geknoei en onzen clubgeest in zullen zien, dat wij u moedwillig
tot vijand hebben gemaakt. Reeds geniet gij de bedenkelijke eer, onder gejuich
bij de dagbladen te zijn ingehaald, als voorvechter tegen ons. Wel moge het
u bekomen! [...] Wees in allen gevalle verzekerd, dat wij den maatstaf van
ons oordeel over uw werk niet zullen veranderen. Vaarwel, Flanor!". [cursiveringen
van Van Eeden]
Geheel ongelijk heeft Flanor blijkbaar niet, want het extreme subjectivisme
van De Nieuwe Gidsbeweging geraakt al spoedig in een crisis. Want hoe subjectiever
de poezie, hoe geringer de weerklank bij anderen; hoe groter de idiosyncrasie
van de dichter, hoe groter zijn gevoelens van geestelijke eenzaamheid. Omstreeks
1890, schrijft Roger Henrard in zijn boek over de invloed van Spinoza op
de Nederlandse literatuur, ondervinden de Tachtigers de noodzaak van geestelijke
tucht. Ze zoeken hun toevlucht in de wijsbegeerte, in de hoop te ontsnappen
uit hun isolement. En wijsbegeerte betekent voor hen allereerst spinozisme:
"De aantrekkingskracht die van [Spinoza] uitgaat is hieraan te wijten, dat hij hun passiviteit niet afkeurt: wie zich door de verbeelding laat leiden, gehoorzaamt aan de natuurwetten evengoed als hij die een beroep doet op het verstandsvermogen om tot het wezen van de dingen door te dringen. Zij hoefden zich dus niet over hun vroegere bestaanswijze te schamen; van berouw en boete is bij Spinoza geen sprake. Bovendien bekrachtigt hij hun aangeboren optimisme en hun vertrouwen in de natuur; hij sluit het bestaan van een almachtige Schepper uit en ontzegt de Bijbel elk waarheidsgehalte. Hij houdt hun geen dogmatische waarheid voor, aangezien de waarheid voor het grijpen ligt; de natuur be-grijpen, ziedaar volgens hem de sleutel tot waarheid en gelukzaligheid, een sleutel die in ieders bereik ligt en niet aan Gods genade is te danken. Kortom, Spinoza eerbiedigt hun vrijheid".
Spinoza eerbiedigt hun burgerlijke vrijheden - precies hiertegen
zal Gorter enkele jaren later bezwaar aantekenen. Spinoza is de filosoof
van de gegoede
burgerij, die haar vrijheden koestert en voorrang verleent aan het mondige
individu dat zichzelf wil verlichten. Ook Gorter loopt stuk op het impressionisme
en sensitivisme van Tachtig: "Onze pogingen individueel te zijn zonder
kennis braken in stukken". Behalve dit geestelijk isolement oefent ook
het sociale vraagstuk in toenemende mate invloed uit op deze esthetische kring.
Het socialisme zorgt al sinds 1886 voor een scheiding der geesten in de kring
rondom De Nieuwe Gids. Willem Paap verlaat dan de redactie omdat hij zijn socialistische
sympathieën niet langer kan rijmen met het burgerlijke individualisme
van zijn collega's. De marxist Frank van der Goes raakt in conflict met Albert
Verwey, en zal in 1894 redacteur worden van het nieuwe socialistische periodiek
De Kroniek.
Henrard wijst erop dat De Nieuwe Gids zich twee wegen voorstelt waarlangs de
sociale kwestie kan worden benaderd: via de individuele verlichting van Spinoza,
en via collectieve emancipatie door middel van socialisme en klassenstrijd.
Zo treft hij in het werk van Van Eeden en Verwey tal van verwijzingen naar
Spinoza aan, maar bewijst hij tevens dat hun spinozisme eigenlijk flinterdun
is. Deze auteurs maken namelijk hartstochtelijk gebruik van alle denkbeelden
die hun verlangen naar 'vernieuwing' bevorderen. Opmerkelijk is dat Henrard
met geen woord rept over de letterkundige en filoloog Jan Hendrik Leopold,
die in 1893 zijn debuut maakt in De Nieuwe Gids en tussen 1900 en 1906 baanbrekend
werk verricht als Spinozakenner. Ook de spinozist Marius Lotsy, die in de eerste
jaargangen van De Nieuwe Gids wijsgerige reflecties en politieke commentaren
voor zijn rekening neemt, krijgt bij hem geen plaats in deze context. Daar
aan de meest invloedrijke spinozist van deze generatie - Bierens de Haan -
nog een afzonderlijk hoofdstuk wordt besteed, richten we ons hier op tijdgenoten
die zich expliciet in en rondom De Nieuwe Gids over Spinoza hebben uitgelaten:
Lotsy, Gorter en Leopold.
7.2 Marius Lotsy: de 'koele, objektieve onpartijdigheid' van Spinoza
In 1885 wordt de jurist en filosoof Marius Cornelis Leendert Lotsy (1845-1910)
door de redactie van De Nieuwe Gids aangetrokken als politiek medewerker, dat
wil zeggen, als auteur van wijsgerige reflecties op politiek en samenleving.
Het periodiek heeft in theorie dan wel gebroken met Flanor, maar niemand staat
dichter bij Vosmaers generatie dan 'den ouderen philosooph Lotsy', zoals Bierens
de Haan later terugblikkend zal opmerken. Voor esthetische bezieling en het
bewieroken van het eigen Ik bestaat in het denken van de positivist Lotsy geen
enkele ruimte. Maar Lotsy is allereerst een uitgesproken radicaal en een vrijdenker,
een spinozist die in de traditie staat van Van Vloten, maar dan op de uiterste
linkervleugel. Waar Van Vloten zich zoals gezegd huiverig toonde voor het socialisme
en zijn diensten aanbood aan conservatieve kiesverenigingen, daar ziet Lotsy
het socialisme als onontkoombaar, omdat zij als 'stemming' uitdrukking geeft
aan de wensen en verlangens van steeds grotere delen van de samenleving. Zijn
hartstochtelijke pleidooien voor een zo algemeen mogelijk kiesrecht, voor materiele
en zedelijke verheffing van 'den vierden stand', gecombineerd met een intense
afkeer van baantjesjagers en conservatieve politici, sluiten uitstekend aan
op het rebelse klimaat rondom De Nieuwe Gids. Het heeft er dan ook alle schijn
van dat het periodiek nog naarstig zoekt naar een eigen - onafhankelijke -
politieke koers en zich voorlopig verlaat op een door de wol geverfde radicaal,
die zich bereid toont het oude liberalisme op de vuilnisbelt van de wereldgeschiedenis
te storten. Bovendien - in weerwil van Henrards bovenstaande opmerking - laat
Lotsy zien dat spinozisme en socialisme elkaar niet noodzakelijkerwijs uitsluiten.
Marius Lotsy is daarmee de eerste en enige spinozist van de negentiende eeuw
die niet onwelwillend tegenover het socialisme - als 'stemming' - staat.
Het aantreden van Lotsy bevestigt ook dat er geen sprake is van een plotselinge
breuk met het verleden, maar eerder van de continuïteit van het spinozisme
als bevrijdingsleer. Sassen heeft opnieuw ongelijk als hij stelt dat met Van
Vloten een 'eerste phase van het herleefde Spinozisme' wordt afgesloten en
dat later 'de afgebroken draad' weer wordt opgepikt door Willem Meijer. In
de eerste jaargang van De Nieuwe Gids worden ruim 250 pagina's besteed aan
politieke reflecties, waarvan Lotsy met 134 pagina's het leeuwendeel voor zijn
rekening neemt. Tot op dat moment bestaat Lotsy's grootste wapenfeit uit de
publicatie van zijn studie Spinoza's wijsbegeerte (1878), een volstrekt unieke,
negentiende-eeuwse Spinoza-interpretatie waarin Spinoza wordt neergezet als
een empirische en objectieve natuurkundige - een gezichtspunt dat tot op de
dag van vandaag in Nederland wordt verdedigd door Wim Klever. Het is zinvol
hier zijn hoofdgedachten nader te expliciteren, want ook in zijn politieke
beschouwingen en wetenschapskritiek grijpt Lotsy steevast terug op zijn spinozisme:
uit natuurbeschouwing volgt immers ook maatschappijbeschouwing.
In Spinoza's wijsbegeerte haalt Lotsy Van Vloten links in, door van Spinoza
een harde naturalist te maken, wiens wijsbegeerte 'de meest empirische' moet
worden genoemd: spinozisme is geen humanisme maar natuurwetenschap. Spinoza's
godsbegrip is geen ontologisch vertrekpunt, maar een werkhypothese die volkomen
empirisch is. Dat godsbegrip moet worden opgevat als een finale conclusie:
de waarneming van natuurverschijnselen en empirische gevolgtrekkingen resulteren
in de hypothese dat de mens deel uitmaakt van de natuur, dat wil zeggen volstrekt
afhankelijk is van de noodzakelijke causale processen die we aanduiden met
de verzamelterm 'natuur'. God is natuurnoodzakelijkheid, een volstrekt determinisme
- de natuur is de uitdrukking van een enkel wezen of organisme dat de onbekende
grond is van de waarneembare wereld. De Ethica is een getrouwe afspiegeling
van die natuur, even koel en onpartijdig als de natuur zelf. Spinoza leert
ons dat het onderscheid tussen al wat leeft slechts gradueel is, maar niet
essentieel. Alles is bezield, alles maakt deel uit van dezelfde causale processen.
Zo is er bijvoorbeeld geen wezenlijk verschil tussen een mens die praat en
een hond die blaft: beide wezens delen zich immers mede. Ook Spinoza's attributen
- denken en uitgebreidheid, of geest en stof - zijn geen filosofische abstracties
maar zuiver empirische vaststellingen van het bestaan van een enkelvoudige
en onvergankelijke werkelijkheid.
Spinoza geeft geen filosofisch bewijs van de ene substantie, maar beweert gewoon
dat alles in de wereld uit geest en stof bestaat - een empirisch gezichtspunt.
Spinoza's wijsbegeerte is aldus een objectieve natuurkunde, en Spinoza's God
is niets meer dan de natuur zelf: een uiterst complex netwerk van oneindige
en noodzakelijke causale verbanden. Lotsy's optiek sluit aan bij de opvattingen
van Jacob Moleschott, die zich in zijn theorie van de kringloop van het leven
schatplichtig toont aan Spinoza en immers ook beweert dat natuurwetenschap
en wijsbegeerte een zijn. Daarom is een debat tussen materialisme en idealisme
onzinnig, zegt Lotsy, en blijft Spinoza's hypothese van de eenheid van beide
zeer relevant.
De aanwezigheid van maatschappelijke en geestelijke ellende in onze wereld,
zegt Lotsy, komt juist voort uit ons antropocentrisme, uit de weigering onszelf
te zien als natuurverschijnselen waardoor we zijn overgeleverd aan raadselachtige
concepten als 'beproeving', 'de vinger Gods', en 'de ondoorgrondelijke wegen
van het opperwezen'. Welnu, vervolgt Lotsy, Spinoza gaat precies andersom te
werk: hij vraagt niet naar het waarom van de ellende in de wereld en doet dus
geen pogingen die ellende te verklaren. Spinoza legt zich louter rekenschap
af van het feit van de ellende en reikt ons middelen aan 'die de natuur ons
gaf om [die ellende] te verminderen':
"Geluk en ongeluk - want Spinoza blijft altijd en overal trouw aan zijne objektieve natuurbeschouwing - zijn voor Spinoza begrippen als die van warmte en kou, zaken die men waarneemt, die men aanwendt, die men tracht te weren of te voorschijn te roepen, maar waarbij nog nooit iemand het in het hoofd heeft gekregen om over het raadselachtige te zeuren, of zich bij God daarover in het gebed te beklagen, dan wanneer zij de menschen in eenig opzicht kwaad deden. Spinoza vroeg zich dus niet af waarom er ellende is; men zou zich even goed kunnen afvragen waarom zon, maan en sterren zijn; waarom er dood en leven is. Hij nam ook hier de natuur zooals zij is, overtuigd van de onmogelijkheid om zotte vragen als "waarom zij zoo is?" ooit te kunnen beantwoorden. Vandaar dat hij op de menschelijke hartstochten [...] niet vloekte; dat hij ze niet voor ondeugden, maar voor eigenschappen hield van de menschelijke natuur [...]". [cursiveringen van Lotsy]
Louter 'objektiviteit' kenmerkt Spinoza's natuurkundige wijsbegeerte, concludeert
Lotsy. Daarom verdienen niet alleen de natuurwetenschappen, maar ook de geesteswetenschappen
en de staatsinrichting een zuiver objectieve benadering, waarin persoonlijke
opvattingen en idealen geheel terzijde moeten worden geschoven. Bovendien acht
Spinoza 'grote, zotte vragen' - metafysica - volstrekt onbelangrijk.
Lotsy zal drie jaargangen lang zijn 'objektieve' bijdragen leveren aan De Nieuwe
Gids. Als het tijdschrift vanaf 1888 de 'subjektieve' essays van Bolland gaat
publiceren - Lotsy's absolute antipool - wijkt Lotsy uit naar nieuwe periodieken,
waaronder Albert Verweys Tweemaandelijksch Tijdschrift (voor letteren, kunst,
wetenschap en politiek). Bovendien is hij in De Nieuwe Gids niet langer de
enige politieke commentator: ook de meer uitgesproken socialist Pieter Lodewijk
Tak vult steeds meer pagina's. Lotsy's artikelen zijn opvallend helder geschreven,
doorspekt van humor en ironie, en behoren zonder twijfel tot de aardigste reflecties
op het geestesleven van deze periode. Twee aspecten springen in het oog: een
pleidooi voor een objectieve politiek en een pleidooi voor een objectieve beoefening
van wijsbegeerte en wetenschap.
Het oude - ooit zo inspirerende - liberalisme van Thorbecke, betoogt Lotsy,
is helaas in de versukkeling geraakt en liberalen als Opzoomer zijn stuntelende
oudjes geworden die de weg geheel zijn kwijtgeraakt. Het oude liberalisme is
'even opwekkend en prikkelend als een afgeloopen speeldoos'. Geleidelijk wordt
ons land in het verderf gestort, omdat de 'impotentie van de liberale partij'
uitmondt in stuurloosheid en gebrek aan inzicht. Als 'wetenschappelijke kunst'
kan de wijsbegeerte een nuttige bijdrage leveren aan deze impasse. Dit lijkt
paradoxaal: allereerst dient de wijsgeer, net als de wetenschapper, een 'strengheid
van redeneeren' in acht te nemen omdat hij zich bewust weet van de 'noodzakelijkheid
van bewijs'. In die zoektocht moet hij moedig zijn en schroom overwinnen, zodat
wijsbegeerte en wetenschap slechts aanlokkelijk zijn voor weinigen. Anderzijds
is de wijsbegeerte ook een kunst: het bewijsmateriaal hoeft, net als in de
kunst, andersdenkenden niet noodzakelijk te overtuigen. Kunst heeft vervolgens
niets te maken met schroom, maar is 'brutaal' en kan daarom velen verleiden.
In de wijsbegeerte komen beide polen samen. Die verwevenheid wordt ook gereflecteerd
in het politieke denken in Nederland. Globaal onderscheidt Lotsy drie politiek-economische
richtingen: de 'oud-economisten', die zich op een 'laisser faire'-standpunt
plaatsen en overheidsbemoeienis zoveel mogelijk afwijzen; de socialisten die
streven naar een toekomstige socialistische ordening van het economische leven;
en tenslotte de 'katheder-' of 'zoetwater-socialisten' die de staat willen
gebruiken om de arbeidende klasse een beter bestaan te bieden. Lotsy wijst
deze varianten alle af, maar ziet de grootste bedreiging in de conservatieve
liberalen, die met hun achterhaalde politiek aansturen op een gewelddadige,
sociale revolutie.
In een groot essay, getiteld 'Laissez-aller' (1887), nuanceert hij bovenstaande
opmerkingen in De Nieuwe Gids. Het motto van zijn betoog is ontleend aan Herbert
Spencers adagium: "De samenleving is geen machine, maar een groeiproces".
Ook Spencer onderging de invloed van Spinoza en heeft in Engeland zelfs steun
gezocht voor het Spinoza-monument dat Van Vloten in Den Haag realiseerde. Hoewel
Lotsy Spencer rekent tot dezelfde 'impotente liberalen' als Opzoomer - die
zich louter zorgen maken om een mogelijke aantasting van het private eigendom
door de socialisten - acht hij diens gedachte dat de samenleving moet worden
opgevat als een permanent proces van groot belang voor het doorbreken van de
huidige politieke en economische impasses. Indien de samenleving een proces
is en geen machine, dan moeten alle beginselen, idealen en maatschappijconcepten
als 'doctrinaire domheden' worden beschouwd. Door van bovenaf 'richting' en
'inhoud' aan de staat te geven [cursiveringen van Lotsy], wat politici immers
beogen, worden de onvoorspelbare processen die de samenleving domineren ontkend
en miskend. Zoals de fysicus de causale processen in de natuur observeert en
die vervolgens wil leren kennen, zo dient ook een 'natuurkundige-politicus
[...] te willen leeren' van de maatschappij. Politiek is 'overgave' aan de
samenleving [cursivering van Lotsy], ofwel, 'het ware laissez-aller in hoogeren
zin'. Hieruit volgt dat staatsbemoeienis niet a priori kan worden geformuleerd,
maar wordt opgeroepen door vragen en problemen van alle dag. De natuurkundige-politicus
moet 'objektieve' beginselen ontlenen aan de eisen en behoeften van een samenleving,
en niet andersom zoals doorgaans gebeurt in de 'averechtsche politiek'. Begrippen
als 'staatsdoel' en 'staatsroeping' en alle politieke bespiegelingen die zich
beroepen op eeuwige beginselen moeten krachtig worden afgewezen. Liberalen
als Opzoomer en Spruyt menen bijvoorbeeld dat het private eigendom een eeuwig
en universeel beginsel is waaraan vastgehouden moet worden. 'Maar wie zegt
u dat [het private eigendom altijd hetzelfde zal blijven]?', vraagt Lotsy zich
af.
"Omdat er eenmaal overal communaal bezit was en de private grondeigendom zich daaruit ontwikkeld heeft? Is het daarom alleen reeds zeker dat terugkeer tot communaal bezit gelijk zou staan met het weer aantrekken der kinderschoenen? Dit acht ik doctrinair. Zoo is intensieve landbouw wel minder goed mogelijk met communaal bezit, maar daarom is privaat eigendom nog geen vereischte!"
Indien we met een objectieve blik naar de samenleving kijken, vervolgt Lotsy,
dan zien we dat de roep om 'gelijkheid in democratische richting' overal weerklinkt
[cursiveringen van Lotsy]. Eindelijk eist ook in Nederland 'de vierde stand'
politieke gelijkheid en vroeg of laat zal deze eis tot uitdrukking komen in
ons staatsbestel, zo schrijft Lotsy een jaar voordat de socialist Domela Nieuwenhuis
in de Tweede Kamer wordt gekozen. Hij heeft met veel belangstelling kennis
genomen van de voorstellen van de Amerikaanse econoom Henry George, wiens Progress
and Poverty (1879) ook in Nederland aanleiding geeft tot het ontstaan van een
nationalisatiebeweging die privaat grondbezit als de voornaamste oorzaak van
armoede beschouwt. Aangezien deze socialistische tendensen duidelijk en objectief
zichtbaar zijn, dient een regering rechten, bevoegdheden en kies en stemrecht
te verlenen in plaats van louter te debatteren vanuit 'het zoogenaamde staatsbelang'.
Zij die spreken over het staatsbelang vormen 'een eigen kliekje' dat zich wentelt
in de antidemocratische gedachte: 'l'etat c'est moi'. Het gaat er niet om te
oordelen over socialisme, maar om het aannemen van een 'andere houding' ten
opzichte van maatschappelijke processen. Alle beginselen die een helder zicht
op dergelijke processen belemmeren moeten worden weggenomen.
Lotsy zet de objectieve natuurbeschouwing van Spinoza om in een objectieve
beschouwing van de samenleving. Hij vraagt zich daarbij af of sociale maatregelen
gevoelens van geluk of droefheid bij de burger bezorgen. Zo neemt hij een ambivalente
houding aan ten opzichte van de bedeling. Het verstrekken van een uitkering
aan armen en werklozen zal het eergevoel van velen kwetsen en hen in een afhankelijke
positie plaatsen, waardoor demoralisering het gevolg zal zijn. Anderzijds wekken
giften gevoelens van blijdschap bij mensen op. Een regering zou zich kunnen
inspannen meer giften te bieden, zoals 'St. Nikolaaspretjes, gratis vacantie-tochten,
speeltuinen' en 'andere uitmuntende buitenkansjes'.
Concluderend merkt hij op dat socialisme alles behalve ongerijmd is en dat
een socialistische maatschappij zeker bestaansrecht heeft: "Juist om zijn
logische en zedelijke gedachte is het, meen ik, op den duur, van de overwinning
zeker". Niet als eeuwig en universeel programma, maar 'als eisch van ons
politiek organisme voor het oogenblik' [cursiveringen van Lotsy]. Mocht het
socialisme ooit een echt programma worden met vaste beginselen, dan zal het
volstrekt waardeloos blijken - even waardeloos als het 'impotente' liberalisme
vandaag de dag. Door eisen en verlangens van de samenleving objectief te bestuderen
en - tijdelijk - tot uitdrukking te brengen in politiek en bestuur, doet de
politicus niet alleen 'een dosis gemeenschapsgevoel' op, maar kan hij zich
tevens ontdoen van 'maatschappelijke vooroordeelen', aldus de pragmaticus Lotsy.
Het grootste politieke vooroordeel dat geslecht moet worden is de opvatting
van het natuurrecht. Er bestaat helemaal geen natuurrecht, geen oerrecht waarop
men zich steeds kan beroepen, want de natuur, zegt hij met Spinoza, kent geen
rechten, maar louter krachten. Ooit was het aframmelen van vrouwen een 'natuurrecht'
van mannen; mormomen vinden polygamie 'natuurlijker' dan ons huwelijk; de aanhangers
van Fourier vinden het burgerlijke huwelijk 'onnatuurlijk'; enzovoorts. Laten
we ons dus verre houden van dit soort doctrinaire domheden, zegt Lotsy, en
ons bekennen tot het dogma van de permanente dynamiek: de samenleving is geen
machine, maar een proces. Ook het socialisme is zo'n proces, een 'stemming'
die uitdrukking geeft aan een 'verhoogd gemeenschapsgevoel', en dus alle politieke
aandacht verdient. Hij waarschuwt de liberalen:
"Het mogelijke, het doenbare te weigeren op grond van een liberaal beginsel of wat dan ook, voert ons met een sneltreinvaart naar de sociale revolutie. En daar beware God de wereld voor".
Zijn denkbeelden over politiek en zedelijkheid legt hij ook
neer in zijn tweede boek, Het vraagstuk van den zedelijken vooruitgang (1885).
Hierin betoogt hij
op een spinozistische wijze dat niet nut of genot (John Stuart Mill) of een
categorisch imperatief (Kant) ons zedelijk handelen bepaalt, maar dat zedelijkheid
voortspruit uit een onbewust egoïsme waarin het eigen persoonlijk gevoel
naar de achtergrond verdwijnt, om plaats te maken voor een altruïsme:
een interpretatie van Spinoza's opvatting dat elk wezen ernaar streeft in zijn
bestaan te volharden. Het boek brengt hem in aanvaring met Spruyt - inmiddels
hoogleraar te Amsterdam - die een decennium eerder al alles uit de kast haalde
om Johannes van Vloten te ontmaskeren als pseudo-filosoof. En inderdaad, ook
Lotsy toont zich in zijn studie, in navolging van Van Vloten, een overtuigde
anti-kantiaan.
Hij verwijt Kant dat hij in zijn dualisme een veel te definitieve scheiding
heeft veroorzaakt tussen wetenschap en metafysica. Volgens Kant bestaat de
wereld immers uit een reeks verschijnselen die dankzij het denken tot waarnemingen,
begrippen en ervaringswetenschap leiden. Hiermee denkt Kant voor het eerst
de grondslagen voor de wetenschap te hebben vastgesteld. Maar deze waarnemingen
en de ervaringswetenschap zeggen niets over hoe de wereld werkelijk in elkaar
steekt: het ding-op-zichzelf blijft voor ons onbekend. Alle zaken die het gebied
van de ervaring te buiten gaan - God, wil, onsterfelijkheid, ziel, Ik, enzovoorts
- kunnen noch bewezen noch weerlegd worden. Hier gelden onze denkwetten immers
niet meer en begint het geloven. Naast deze kritiek van de zuivere rede kent
Kant echter ook een praktische rede - in Lotsy's termen: "Er spreekt in
den mensch eene stem die hem toeroept, gij moet zedelijk zijn" [cursivering
van Lotsy]. Het is precies dit 'onafdingbaar plichtsgebod' (in de vertaling
van Siffle) waaraan Lotsy zich vreselijk stoort. Hij acht de categorische imperatief
een 'broddelen en knoeijen' van de eerste orde die de naam filosofie niet waardig
is:
"Geheime stemmen, kategorische imperatieven, bijzondere openbaringen, ingevingen of ontvankelijkheden kunnen misschien nog vele die 'onder de wet' leven, gelukkig maken, of 'binnen de grenzen' houden. Maar als men zoo iets voor wijsbegeerte wil uitgeven, dan ben ik zoo vrij ronduit te zeggen, dat, naar mijne meening, zoo'n beschouwing onder de blunders behoort, die de wijsbegeerte in diskrediet brengen".
Het was Kant in zijn 'scholastieke hansworsterij' voldoende, vervolgt Lotsy,
aan te tonen dat alle voorstellingen afhankelijk zijn van ruimte en tijd. Aangezien
ruimte en tijd louter bestaan in de menselijke geest, zijn dus alle beschouwingen
over zaken die buiten ruimte en tijd liggen ijdel en ongegrond. Kant had alleen
de geldigheid van gedachten op het oog, maar hij had geen aandacht voor de
grond van het denken en onze voorstellingen. Fichte ging gelukkig verder waar
Kant een halt hield, door het bewustzijn uit te roepen als de grond van het
zijn: alles wat denkbaar is is in het Ik gesitueerd. Welnu, zo'n wijsbegeerte,
zegt Lotsy, is pas een kritische wijsbegeerte. Want waarom zouden we verschijnselen
die met de ziel te maken hebben niet wetenschappelijk mogen bestuderen? Waarom
zouden we geen wetenschappelijk onderzoek kunnen verrichten naar spiritistische
verschijnselen? Kan - in principe - niet alles aan een wetenschappelijk onderzoek
worden onderworpen?
Beschouwen wij de wereld, de natuur of de mens, dan worden we geconfronteerd
met causale processen, ketens van oorzaak en gevolg. Bij Kant is het echter
onmogelijk die processen vanuit een samenhang te begrijpen, omdat die samenhang
immers buiten de ervaring zou liggen. Maar een wijsbegeerte die niet streeft
naar kennis van het algemeen verband der dingen, is helemaal geen wijsbegeerte,
beweert Lotsy. Lotsy spreekt van kantianisme als 'beperkt dogmatisme'. De verschijning
en het ding-op-zichzelf zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, subject en
object zijn keerzijden van dezelfde medaille, geest en materie vormen een enkele
substantie, wetenschap en wijsbegeerte horen bij elkaar. Kant zag dat trouwens
ook, want met zijn 'geknoei' - de categorische imperatief - probeerde hij alsnog
een brug tussen de noumenale en fenomenale wereld te slaan. Gelukkig had Spinoza
dit probleem veel beter onder ogen gezien: men kan niet objectiever en dus
kritischer denken dan Spinoza heeft gedaan, schreef hij eerder al in Spinoza's
wijsbegeerte (1878).
Spruyt trekt als vanouds van leer tegen de interpretaties van Kant en Spinoza
die Lotsy in zijn geschriften ventileert. In De Gids bespreekt hij diens denkbeelden
onder de veelzeggende titel 'Wetenschap of phantasie?' (1886). Hij acht 'onze
geleerden landgenoot' een curieuze denker die de natuurwetenschappelijke methode
verenigt met 'de eigenaardigheden van den dwalenden en droomenden metaphysicus'.
Bovendien schuift hij Kant ter zijde en noemt Spinoza de meest empirische wijsgeer
die ooit heeft geleefd. Kortom, het is de hoogste tijd voor een terechtwijzing,
want
"Het is duidelijk dat de heer Lotsy met het oog op zijne geestelijke gezondheid de werken van Kant uit zijn huis moest verbannen; want zoodra hij ze opneemt, verliest hij zelfs het geduld en de kalmte van geest die noodig zijn om te lezen".
Spruyt suggereert dat Lotsy de Duitse taal onvoldoende machtig is en illustreert dat met originele citaten en vertalingen van Lotsy. Ook het teruggrijpen op Spinoza is zinloos, omdat de werkelijkheid, die we leren kennen dankzij de moderne wetenschappen, veel rijker en complexer is dan Spinoza zich kon voorstellen. Wat Lotsy vervolgens opmerkt over zedelijkheid is nonsens, zegt Spruyt. Indien zedelijkheid gesitueerd zou zijn in een 'onbewust egoïsme', dan zouden redelijke, tot bewustzijn gekomen mensen 'volslagen egoïsten van het allerlaagste soort' worden. Ethiek en wetenschap, vervolgt Spruyt op kantiaanse wijze, zijn verschillende zaken. Lotsy begrijpt het wezenlijke karakter van de wetenschap niet waarin, inderdaad, geen absolute waarheden bestaan die men kan liefhebben, en, inderdaad, geen dwalingen voorkomen die men kan verafschuwen. Met andere woorden: Lotsy weigert zich neer te leggen bij de wijze lessen van Kant en spreekt over zaken waarvan hij geen verstand heeft:
"Dat vrijmoedige lieden spreken over dingen, waarvan zij niets verstaan, dat beschouwt reeds Plato als een der eigenaardige kenmerken van de democratie, die in onze dagen zoo geestdriftvolle aanhangers vindt".
Het zal de lezer niet verwonderen dat Lotsy in De Nieuwe Gids furieus reageert
op de verwijten die hem treffen: hij wordt immers geafficheerd als een slecht
lezer, als een dwalende denker, en als een omhooggevallen parvenu die zich
dankzij democratische verworvenheden filosoof mag noemen. Hij verwijt Spruyt
'wetenschappelijke grootheidswaanzin', zoals zijn reactie dan ook is getiteld.
Spruyt zou zich het monopolie op de idee van wetenschappelijkheid aanmatigen
en zich louter bezighouden met het deconstrueren van denkers die niet blindelings
op Kant vertrouwen. Dit heeft een 'weerzinwekkend Kantiaansch phariseisme'
tot gevolg waarbij Kant louter wordt gebruikt als 'hobbelpaard'. Wat Spruyts
eigen filosofische standpunt is wordt niet duidelijk, klaagt Lotsy. Ook met
Spruyts Spinoza-kennis - 'orakeltaal' - is het al even 'beroerd gesteld'.
Lotsy meent dat Spinoza als 'door en door psycholoog' geen kans maakt bij de
kantianen, die immers elke wetenschappelijke zielkunde voor onmogelijk houden.
Zoals Spruyt Kants merites toelichtte, zo somt Lotsy Spinoza's verdiensten
nog eens op. Wat betreft het egoïsme en het zedelijkheidsvraagstuk hekelt
Lotsy het feit dat Spruyt zich nooit afvraagt wat zedelijkheid nu eigenlijk
is. Is Spruyt eigenlijk wel een filosoof, vraagt Lotsy zich af, of is hij iemand
die over filosofie spreekt. Zedelijkheid is geen natuurwet die onder alle omstandigheden
gelijk is, zegt hij opnieuw, maar verandert voortdurend van inhoud en karakter.
Zo zijn koelbloedigheid en mannelijkheid vandaag niet langer de zedelijke attitudes
die ze in de oudheid nog waren, maar kunnen we die houdingen wel zedelijk noemen
indien ze worden verbonden aan bijvoorbeeld vaderlandsliefde. Dan gaat egoïsme
over in een vorm van altruïsme waarbij men zichzelf vergeet.
De polemiek tussen Spruyt en Lotsy is een merkwaardige omdat een inhoudelijke
discussie bijna geheel ontbreekt. Beide auteurs blinken vooral uit in beledigingen
en verdachtmaking; hun papieren gevecht haalt het niet bij de boeiende polemiek
die Spruyt en Van Vloten tien jaar eerder voerden. Spruyt ziet in Lotsy een
woordvoerder van de jonge, democratische en antiwetenschappelijke generatie
die hij verfoeit. Lotsy op zijn beurt beschouwt Spruyt als een nerveuze woordvoerder
van 'de leiding van de menschelijke beschaving' die haar sociale en economische
privileges weigert af te staan aan 'de vierde stand' die aan haar deur klopt.
'Wetenschap of phantasie' versus 'wetenschappelijke grootheidswaanzin' is in
eerste instantie een staaltje van intellectuele klassenstrijd. Toch levert
de polemiek iets op: Spruyt gaat Spinoza intensiever bestuderen en zelfs doceren
aan de universiteit van Amsterdam. Lotsy oefent zich vervolgens in het definieren
van de verhouding tussen wijsbegeerte en wetenschap.
7.3 Wijsgeren en wetenschappers: hele mensen en halve mensen
Enkele jaren later presenteert Lotsy zijn essay 'Wat is filosofie?' (1895).
Het artikel verschijnt nu in de eerste jaargang van Verweys Tweemaandelijksch
Tijdschrift. In 1890 is Verwey al teruggetreden als redacteur van De Nieuwe
Gids, na bikkelharde kritiek van Willem Kloos en Lodewijk van Deyssel op zijn
geestelijke ontwikkeling en poezie. De krachten en ideeen raken versnipperd.
Verwey neemt een aantal medewerkers van De Nieuwe Gids mee naar zijn eigen
periodiek, waaronder Lotsy, waardoor de indruk wordt gewekt dat het Tweemaandelijksch
Tijdschrift een directe voortzetting van De Nieuwe Gids is. Het is zeer twijfelachtig
of Lotsy zich in dit gezelschap op zijn plaats voelt, want in zijn 'Wat is
filosofie?' zet hij zich niet alleen af tegen academische hoogleraren als Spruyt,
maar ook tegen de nieuwere filosofische beschouwingen van Bolland en Bierens
de Haan. Zijn essay kan worden aangemerkt als een laatste oprisping van een
'objektieve' wijsbegeerte, waarin nu voorzichtig wordt gezocht naar een bondgenootschap
met de psychologie. De inmiddels vijftigjarige Lotsy doet een laatste poging
de jonge filosofen te wijzen op het wezenlijke, dat is objectieve karakter
van de filosofie. Het lijkt een vruchteloze poging, want Lotsy verdwijnt na
zijn bijdrage geleidelijk van het toneel, soms in reacties nog furieus van
leer trekkend tegen de naar zijn smaak veel te subjectieve Spinoza-interpretatie
van Bierens de Haan.
De geschiedenis van de wijsbegeerte, zo begint hij zijn opstel, is een komisch
schouwspel waarin we worden geconfronteerd met 'het ontzaggelijk getob en de
kolossale dosis nonsens' van generaties van denkers. Wie zich met die geschiedenis
bezighoudt moet dan ook genieten en vaak onbedaarlijk lachen. Helaas schrikt
de bloedserieuze beoefening van de wijsbegeerte velen af. Zo verklaarde Spruyt
onlangs, in een lezing voor de academie van wetenschappen, dat 'den leeken
in de filosofenwereld' louter zoeken naar een levensbeschouwing en dat zij
elke wetenschappelijke distantie en kritiek ontberen. Lotsy acht die opmerking
volslagen 'ridikuul': immers, Socrates, Descartes, Spinoza, Hume en vele anderen
deden niets anders dan het ontwerpen een levensbeschouwing die toch mijlen
ver verwijderd is van de kritische distantie die Spruyt voorstaat.
Wat is de verhouding tussen wetenschap en wijsbegeerte? De grenzen van de wetenschap
verglijden voortdurend: de wetenschap van de psychologie behoorde vroeger bijvoorbeeld
tot het werkterrein van de filosoof. Juist door die voortdurend verschuivende
grenzen blijft de wijsbegeerte relevant, want, zo citeert Lotsy Moleschott
met instemming: "De wetenschappelijke ervaring gaat op in de filosofische
reflectie, en de reflectie vervolgens weer in de ervaring". Moleschott
en Lotsy betreuren beiden dat er zo veel geleerden zijn die wetenschap en wijsbegeerte
van elkaar scheiden. Anderzijds betekent dit ook dat de filosofie geen autonome
status heeft, niet 'iets specifieks' is. Filosofie is louter 'de bespiegelende
geest die de wetenschap verder brengt' [cursivering van Lotsy]. Dat vooral
academische filosofen de wijsbegeerte uitroepen tot de wetenschap der wetenschappen
getuigt dan ook van kwade trouw: zij eisen erkenning van hun wetenschappelijke
status 'om met allen geweld een werkkring te vinden, zooals men in het ancien
regime nonsens-baantjes schiep met een mooien titel, ter wille van een begunstigde
persoonlijkheid'. Dan zijn er nog de kantianen die louter de leer van het kenvermogen
tot de filosofie willen rekenen.
In zijn vroegere Spinoza-studie, bekent Lotsy, beschouwde hij filosofie nog
als de wetenschap van geestelijke verschijnselen, maar die stelling acht hij
niet langer houdbaar: zo heeft de psychologie die grens al overschreden. Hetgeen
wij filosofie noemen is een reflectief bewustzijn dat wortelt in ons gemoed
en dat gemoed verdient nadere aandacht. Helaas tonen filosofen doorgaans weinig
oog voor het gemoed, zodat reflecties op dat gemoed in handen zijn van 'de
jongste artistieke generatie'. Nu beschikt niet iedereen over zo'n reflectief
bewustzijn: wij worden immers 'niet gemaakt, maar geboren' [cursiveringen van
Lotsy]. Niet het recht van de sterksten maakt onze beschaving tot wat zij is,
maar erfelijkheid bepaalt grotendeels ons denken en handelen. Maar hoe ingewikkeld
het erfelijkheidsvraagstuk ook is, iedereen beseft nu dat biologische verschijnselen
niets geheimzinnigs hebben. Ons gemoed - 'een zee van voorstellingen en begrippen'
- maakt dat wij de dingen zien zoals wij ze zien. Begrippen en emoties hangen
ten nauwste samen en bepalen onze wil die eigenlijk helemaal geen (vrije) wil
is: want willen is leven, bestaan, zijn. Het hangt dus van de aard van voorstellingen
en omstandigheden af hoe men denkt en hoe men handelt.
Een filosoof komt 'in hoofdzaak kant en klaar ter wereld', zij zijn 'menschen
uit een stuk' [cursiveringen van Lotsy]. Zijn karakter kenmerkt zich door een
zeer eigenaardige gevoeligheid voor waarheid, meent Lotsy. Het is een gevoeligheid
die we niet mogen verwarren met een zucht naar kennis of een streven naar oprechtheid:
waarheidsliefde is hier waarheidsdrang. Welnu, die drang is maar al te vaak
afwezig bij vakfilosofen die boeken over filosofie schrijven. Een filosoof
die zich gedrongen voelt zich naar waarheid mee te delen, kan niet anders dan
een wereldbeschouwing ontwerpen. En juist hiertegen tekent de hoogleraar Spruyt
verzet aan. Opnieuw stelt Lotsy zich de vraag of Spruyt een filosoof moet worden
genoemd, of iemand die zich schuldig maakt aan 'scholastiek gevit'.
Hij expliciteert zijn gedachte door naar Spinoza en Spencer te verwijzen. Spinoza's
filosofie is 'vol gemoed'; Spencers denken is 'koud wetenschappelijk'. Spinoza's
Ethica is 'vol van God', Spencers God is 'the unknowable'. Hoe verschillend
beider systemen ook schijnen en hoe verschillend beiden God ook definiëren,
uiteindelijk is de afstand minimaal. Dit ziet wel een echte filosoof, maar
niet een historicus die beide systemen als afzonderlijke momenten in de geschiedenis
van het denken beschouwt.
"Er is niets ter wereld zoo vierkant in strijd met echte filosofie als scholastiek gevit. En wie dat beaamt zal inzien dat Spencer volmaakt hetzelfde Godsbegrip heeft als Spinoza had. Immers ontdaan van wat Spinoza tegenover het in zijn eeuw nog algemeen heerschend persoonlijk Godsbegrip wel moest bespreken, lettende op wat hij inderdaad aan de Godsgedachte verbindt, durf ik te vragen, of Spinoza ooit zich anders, of op een andere wijze als Spencer, tegenover God heeft gevoeld (gekend), wanneer de met geen woord over God sprekende Spencer toch uitdrukkelijk in een geschrift verklaart, dat hij zich gevoelt 'an agency through whom works the unknown cause'. Het eenig verschil bestaat hierin dat Spinoza met nadruk er op wijst en aantoont, dat de mensch in die rustige, onwispelturige, alle menschelijke kracht steunende Godsgedachte, als de waarheid bij uitnemendheid, ook zijn eigen kracht en zijn eigen troost moet leeren zien". [cursivering van Lotsy]
Een wetenschapper daarentegen kenmerkt zich door een individuele dorst naar
kennis: hij wil met zijn onderzoek onze kennis der natuurverschijnselen vergroten.
In feite heeft hij geen waarheidsliefde nodig en kan hij een scheiding aanbrengen
tussen zijn wetenschappelijke doelstellingen en de wijze waarop hij de samenleving
beschouwt. Daarom is hij geen filosoof. Wetenschappers, zegt Lotsy, 'zijn dus
maar halve of kwart-menschen en dikwijls nog minder'. De opkomst van de psychologie
stemt hem echter hoopvol, omdat hier weer een toenadering tussen wetenschap
en wijsbegeerte wordt gezocht. In 1890 is te Groningen Gerard Heymans (1857-1930)
benoemd als hoogleraar in de wijsbegeerte en de psychologie. Hoewel Lotsy niet
op Heymans ingaat, zijn dit ontwikkelingen die hij toejuicht. In deze drang
naar waarheidsliefde, ook in de wetenschap, ziet hij de belangrijkste taak
van de wijsbegeerte. Die drang mag zich op alle terreinen laten gelden: indien
bijvoorbeeld spiritisten beweren dat zij baanbrekend wetenschappelijk werk
verrichten, dan zal dit ook moeten blijken in publieke experimenten en publieke
geschriften. Nu is het spiritisme vooral een 'kliekgenot' voor een kleine groep
ingewijden. Anderzijds zal ook de wetenschap nieuwe verschijnselen, zoals spiritisme,
aan serieus onderzoek dienen te onderwerpen.
Vanuit dat wetenschappelijke standpunt veroordeelt hij ook het denken van Bierens
de Haan die zojuist in De Nieuwe Gids een eerste aanzet tot een subjectieve
levensleer heeft geschetst: 'De psychologie van het leven' (1894). Dat essay,
zegt Lotsy, 'lijkt als twee druppels water op echte filosofie'. De auteur bewierookt
het gemoed en looft de emotie als de meest wezenlijke levensuiting. Volgens
Lotsy heeft Bierens de Haan alle bewondering voor het schone (esthetica) en
het goede (ethiek), maar negeert hij het ware, omdat zijn afkeer van begrip
en wetenschap hem dat verhindert: "Wat voor een jezuieten-streek is dat
om de waarheid niet te noemen en te achten!" Zoals Spruyt elke wijsbegeerte
verwerpt die naar proza riekt, zo verwerpt Bierens de Haan alle denken dat
'verstandelijk' of 'wetenschappelijk' zou zijn: "Het is een gedraai waar
men wee van wordt". Helemaal bont maakt Bierens de Haan het als hij beweert
dat Spinoza een banale wetenschapper was die hartstochten noch emoties kende.
Lotsy beschouwt Bierens de Haan als een aanmatigende gelovige die zo verrukt
is over de werkingen van zijn eigen geest dat hij zichzelf buiten de natuur
plaatst:
"[Hier is sprake van] gebrek aan waarheidsliefde, het verroest zijn in onze ziel van den ouden egoïsten mensch, die eerst finaal moet verdwijnen, willen wij ons inderdaad niet meer dier behoeven te noemen. Vroeger noemde het kerkgeloof alles goddeloos wat daarboven uitstak. Tegenwoordig mag men zoo goddeloos zijn als men wil, maar niet materialistisch, zooals het heet". [cursiveringen van Lotsy]
Met 'Wat is filosofie?' (1895) besluit Lotsy zijn optreden als huiswijsgeer
van De Nieuwe Gids-beweging. Met zijn pleidooi voor een objectieve wijsbegeerte,
dat wil zeggen, een aan Spinoza en Moleschott ontleend ideaal van het verbond
tussen empirische wetenschap en filosofische reflectie, is hij een volstrekt
anachronistische figuur geworden in de kringen van Tachtig. Twee jaar later
zal zijn hoofdredacteur Verwey Bolland aanprijzen als de wijsgeer van de huidige
tijd. In De kroniek domineren dan de antiwetenschappelijke en pro-occulte reflecties
van Bierens de Haan. Een andere afsplitsing van De Nieuwe Gids, het socialistische
periodiek De Nieuwe Tijd, bekent zich tot Kant, Hegel en Marx en identificeert
het denken van Spinoza met dat van de gegoede burgerij. Lotsy's rol is uitgespeeld.
Enkele jaren na diens dood in 1910 merkt Bierens de Haan op dat hij mild genoeg
was om 'den ouderen philosooph Lotsy' te laten 'voortspinnen aan een denkbeeld
dat niet in mijn lijn lag'. Wat hij echter vergeet te vermelden is dat in zijn
latere definitie van wijsbegeerte - 'beschouwelijk temperament' - de echo's
naklinken van Lotsy's 'Wat is filosofie?'. Lotsy's ideaal van een objectieve
wijsbegeerte is ook het ideaal van Willem Meijer, al toont Meijer zich veel
haatdragender jegens de wetenschap. Maar daarover meer in het volgende hoofdstuk.
7.4 Herman Gorter: spinozisme als rationalistische zelftucht
Luttele weken nadat Lotsy met afgrijzen kennis heeft genomen van de gevolgtrekkingen
die Bierens de Haan uit het spinozisme trekt, verschijnt in het Tweemaandelijksch
Tijdschrift een voorpublicatie van fragmenten uit een Nederlandse vertaling
van de Ethica. Het betreft hier de eerste vertaling sinds Jan Hendrik Glazemaker
(1619-1682) ruim tweehonderd jaar eerder De Nagelate Schriften van Spinoza
'uit verscheidene Talen in het Nederlandsche' overzette (1677). De vertaling
is het werk van Herman Gorter, en de redactie van het Tweemaandelijksch Tijdschrift
deelt de lezers mede dat het boek weldra zal verschijnen bij de firma Loman
en Funke in Den Haag. Alhoewel Gorter zich slechts voor een korte periode tot
Spinoza bekent (1893-1896), verdient hij alle aandacht, omdat een Nederlandstalige
Ethica eindelijk binnen handbereik komt.
Herman Gorter (1864-1927) studeert tussen 1883 en 1889 klassieke filosofie
aan de universiteit van Amsterdam en promoveert daar op de interpretatie van
de metaforen bij Aischylos. Nog in hetzelfde jaar krijgt hij een betrekking
als leraar in de klassieke talen aan het gymnasium te Amersfoort, dezelfde
woonplaats waar Dionys Burger jr. eerder zijn spinozisme formuleerde. Vlak
daarvoor is zijn epische gedicht Mei (1889) gepubliceerd, nadat De Nieuwe Gids
in februari al de eerste zang had afgedrukt. Het onderwijs stelt hem echter
teleur en liever vertoeft hij in artistieke kringen, zoals die rondom De Nieuwe
Gids. Een van zijn boezemvrienden, de classicus en componist Alphons Diepenbrock
(1862-1921), is nauw verbonden aan het tijdschrift. Deze schrijft in 1893 het
essay 'Schemeringen', dat een grote indruk op Gorter maakt en hem in de armen
van Spinoza zal drijven. In dat jaar heeft Gorter afscheid genomen van het
onderwijs en voorziet hij als dichter en privaat-docent in zijn levensonderhoud.
In een zijn biografie van Herman Gorter - Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd
(1996) - heeft Herman de Liagre Bohl de korte spinozistische periode in het
leven van Gorter treffend gereconstrueerd. Hoe kwam Gorter tot de studie van
het spinozisme? In een briefwisseling met Diepenbrock looft Gorter de symbolistische
kunstopvattingen van zijn kompaan, maar raakt hij verstrikt in de opmerkingen
die Diepenbrock maakt over het dualisme van Kant. Kants opvatting dat de empirische
wereld ons slechts relatieve kennis oplevert, en dat kennis van de werkelijke
wereld, het absolute en het oneindige onmogelijk is valt bij Gorter in verkeerde
aarde. Als dichter bestaat zijn taak immers uit een poging door te dringen
tot waarheid en waarachtigheid, en nu leert Kant hem dat dit streven ijdel
is. Gorter verlangt echter 'onfeilbare waarheid', schrijft De Liagre Bohl,
en de dichter stort zich vervolgens op de hermetische wijsbegeerte van Spinoza.
Nu had hij al vluchtig kennis gemaakt met Spinoza, want in zijn proefschrift
is een stelling opgenomen over Spinoza's affectenleer. Zijn promotors, Allard
Pierson en Samuel Naber (1828-1913), behandelden Spinoza al in hun colleges.
Bovendien was Naber oprichter van het filologische tijdschrift Mnemosyne; een
periodiek dat eerder de Spinoza-kenners Siffle en Burger jr. al onder haar
medewerkers telde. Gorter studeert met grote toewijding en bericht Diepenbrock:
"Dat ik op het goede spoor ben, toont mij de rust en de kalmte die ik gevoel wanneer ik, al gelukt het mij kort, mijn gedachten kan onttrekken aan de afzonderlijke dingen en mijn aandacht vestigen op het eeuwige. Velen zouden als zij mij dit hoorden zeggen, denken dat het een nieuwe imaginatie was waaraan ik mij overgeef, maar de aard zelf van wat ik meen te zien is zuiver reëel, zoodat ik niet vrees."
Dit 'goede spoor' resulteert in december 1892 in zijn eerste spinozistische gedicht dat de titel Spinoza's leer krijgt. Gorter is gefascineerd door de idee van het oneindige en eeuwige en dicht met veel pathos:
God is eind'loos, en heeft zich zelf te danken
alles dat in hem is, dat's eindeloos.
Dus mint hij zich, zijn oorzaak, zonder wanken.
Hij is vol liefde, stil en sprakeloos.
Zijn natuur is, en niets anders, Volmaking
is dit de allerhoogste, schadeloos.
Spinoza's eeuwige substantie dicht hier het dualisme dat nog gaapte in zijn
vroegere werk, zoals Mei. Net als Kinker honderd jaar eerder deed, wordt Spinoza
aangeroepen om de werkelijke wereld en de kenbare wereld weer tot een eenheid
te maken. Maar behalve door deze overwinning van Kants dualisme wordt Gorter
ook gegrepen door Spinoza's rationalisme en diens vertrouwen in het vermogen
van de rede om zekere kennis te verschaffen. De Liagre Bohl beschouwt Gorters
worsteling met Spinoza als een oefening in 'discipline [...]: als een leertucht,
waarmee hij zijn emoties kon reguleren'. Gorter hoopt immers dat Spinoza hem
zal bevrijden van knagende onzekerheden en angsten. Die rationalistische, zakelijke
en objectieve kijk op Spinoza klinkt trouwens al jaren op in Lotsy's bijdragen
aan De Nieuwe Gids en het Tweemaandelijksch Tijdschrift.
De kring rondom De Nieuwe Gids reageert overigens ambivalent op Gorters fascinatie
voor Spinoza. Albert Verwey heeft geen waardering voor Gorters spinozistische
poëzie en ergert zich aan het gemak waarmee de dichter van Mei het woord
God voortdurend gebruikt. Verwey, die zijn kennis van Spinoza ontleent aan
de overgenomen bibliotheek en de inzichten van zijn overleden schoonvader Van
Vloten, spreekt liever van 'Leven'. Bovendien stelt hij zich op het kantiaanse
standpunt van de onverzoenlijkheid van het werkelijke en het kenbare en acht
hij Spinoza's dogmatische stelsel 'kleurloos'. Maar Gorter ontkent dat God
een persoon is en stelt dat God 'iets' is 'waarvan wij alleen eenige eigenschappen
kennen'. In zijn verdediging van Spinoza, constateert De Liagre Bohl, profileert
Gorter zich voor de eerste maal als een zelfstandig denker.
Die zelfstandigheid komt tot uitdrukking in Gorters vertaling van de Ethica,
waarvan dus in mei 1895 een voorpublikatie van enkele fragmenten verschijnt
in het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Dit blad wil zich, in tegenstelling tot
De Nieuwe Gids, niet louter tot schoonheid beperken, maar ook de liefde voor
waarheid uitdragen. Enkele pagina's verderop bespreekt Verwey de nieuwe vertaling.
In de eerste paragraaf geeft hij een korte samenvatting van de inhoud van de
Ethica en opent hij met de opmerking dat hij 'Deus sive Substantia' begrepen
wil zien als 'Leven', 'omdat het mij juist dat lijkt wat ik familjaar en heilig,
in dichterlijken droom of nuchterder betrachting, van kind af zoo heb genoemd'.
Verwey vervolgt in een tweede paragraaf dat een samenvatting van Spinoza's
denkbeelden eigenlijk ondoenlijk is omdat zo'n doorwrochte studie alleen kan
worden begrepen door een 'bepeinzenden geest van een liefdevol leerling'. Welnu,
Gorter is zo'n liefdevolle leerling, die in zijn vertaling getuigt van een
unieke verwerking van Spinoza's denkbeelden: Verwey hoort in die vertaling
zowel Spinoza's als Gorters 'geluid'. Gorters combinatie van 'letterlijkheid'
en 'eenvoudigheid' heeft van het boek een eenheid gemaakt die 'nauwelijks kunstig'
is. Gorter laat zien dat wie Spinoza's stemming wil vatten 'hem naderen moet'.
Gorter, om Deleuze te parafraseren, is in Spinoza's compositie getrokken, is
hem genaderd, en neemt de ervaring van die ontmoeting mee in zijn vertaling.
Daarom is Gorters Ethica 'een gift waar men voor danken moet':
"Ik schrijf hier zoo graag over, omdat ik zeer overtuigd ben, dat dit niet een vertaling is, zooals ook andere landen die rijk zijn [...]. Boven de kennis van een groot schrijver planeert in den geest van een vertaler een wolk van gemoedstemming, waarin hij leeft, waaruit hij schrijft, die als een rag van licht en nevel zich heeft losgewikkeld uit de verwoorde ziel van dien meester, en die een genotvolle essens is van zijn eigen ziel tegelijk. Die is het blijvendste dat de vereerde hem gegeven heeft. Die wordt van geest die ze is lichaam en daad, stem en schriftuur, het woord dat vleesch is van allebei. En als dan die vertaler een dichter is, waarvan de donzen zielewolken al-tijd wonderen zijn van teerheid en zinnigheid, dan is er reden te gelooven, dat de vertaling iets zeldzaams zal zijn. [...] En nu, deze vertaalde Spinoza, een geschenk waar zijn eigen land sints lang zeker recht op had, daar hij zelf, voor de wereld schrijvend, het zelf aan zijn volk niet gaf".
Zoals Verwey twee jaar later in Bollands oratie het 'gesprokene' en het 'geschrevene' in elkaar ziet vloeien, zo ziet hij in Gorters vertaling het poëtische en het mathematische innig met elkaar vervlochten. Reageert Verwey in lovende termen op de Nederlandstalige Ethica, Frederik van Eeden kraakt de vertaling als een 'failure'. De Liagre Bohl vermoedt een persoonlijke vete. Want in november 1894, tijdens de première van Van Eedens eenakter De Broeders, had Gorter de zaal halverwege demonstratief verlaten omdat hij het stuk 'ronduit slecht' vond. In zijn dagboek schrijft Van Eeden:
"Gister avond gesprek met Herman over zijn Spinoza-vertaling. Ik vind die een failure [...]. Hij moest liever verzen maken. Ik geloof dat hij 't land had, en het gaat me aan 't hart. Niet dat mijn oordeel voor hem zooveel betekent, - maar ik ken zoo goed dat op eens voor het voltooide werk staan, met het plotselinge inzicht: ze zullen het slecht vinden, het is misschien slecht, zeker het is slecht. Alleen door enkele aanwijzingen van stellige fouten, - door het bemerken van het geheel andere gezichtspunt van een ander. Maar hij is ook zoo eigengereid, waarom heeft hij er nooit anderen bijgehaald, eer hij drukken ging?"
Gorter voelt zich beledigd, maar zijn vertaling is zo beroerd nog niet, aldus
concludeert Piet Steenbakkers nog in 1997 in zijn beoordeling van de Nederlandse
vertalingen van de Ethica. Ook de vormgeving van het boek mag er zijn: een
prachtige uitgave, in groot octavo, en gedrukt op stevig papier met veel witruimte.
De Ethica verschijnt in een oplage van 500 exemplaren, waarvan de helft binnen
twee jaar wordt verkocht. De overige boeken blijven nog leverbaar tot 1924.
Over het karakter van de vertaling merkt Steenbakkers op dat Gorter eerder
als filoloog dan als filosoof heeft gewerkt. Maar voor een tekstkritische beoordeling
heeft Gorter merkwaardig genoeg geen belangstelling. De vertaling heeft geen
voorwoord, geen verantwoording en geeft summiere annotaties. Voor zijn vertaling
richtte Gorter zich tot de Van Vloten-Land-editie (1882), waarbij hij soms
naar toelichting zocht in de oude Bruder-editie (1843-1846) die voor het verschijnen
van de Nederlandse editie geraadpleegd werd. Uit bewaard gebleven potloodnotities
bij de vertaling maakt Steenbakkers op dat Gorter vooral door een 'therapeutische'
belangstelling voor het spinozisme werd gedreven, dat wil zeggen, door een
berusting in het ware op grond van een verkregen inzicht in de volstrekte noodzakelijkheid
van alle gebeuren.
Liet Verwey zich in lovende termen uit over de Nederlandstalige Ethica, Steenbakkers
nuanceert die hulde wel. In Gorters vertaling overheerst 'een koppige imitatie
van de Latijnse zinbouw', die door Verwey ten onrechte voor poëzie werd
aangezien. Volgens Steenbakkers zou een lezer die het Latijn niet machtig is
ook het Nederlands nauwelijks kunnen volgen. Het brengt hem tot de conclusie
dat de vertaling louter was bedoeld voor Gorter zelf. In zijn verlangen naar
discipline en tucht is hij zo dicht mogelijk bij de tekst gebleven, waardoor
Spinoza's denkbeelden niet altijd even goed tot hun recht komen:
"De Ethica van Gorter is een monument, een getuigenis van een bijzondere ontmoeting tussen een dichter en een denker. Lezers die het om een toegang tot de wijsbegeerte van Spinoza te doen is, doen er wellicht beter aan zich discreet van dit tete-a-tete te verwijderen".
Als dichter blijft Gorter spinozist tot halverwege 1896. In
drieëneenhalf
jaar tijd schrijft hij zevenendertig verzen. Pas in 1897, na zijn afscheid
van Spinoza, worden de spinozistische gedichten integraal gepubliceerd in De
School der Poëzie. Een jaar na het verschijnen van Gorters Ethica richt
de marxist Frank van der Goes het zuiver-socialistische periodiek De Nieuwe
Tijd op. Al in de tweede jaargang maakt Gorter zijn afscheid van Spinoza openbaar
in het eerder genoemde opstel 'Kritiek op de literaire beweging van 1880 in
Holland'. Want in de zomer van 1896 heeft hij zich Das Kapital van Karl Marx
eigen gemaakt en realiseert hij zich een socialist te zijn. Hij beschouwt zijn
spinozistische periode nu als een dwaling: "Wij leefden in de kleine Hollandsche
burgerij [...]. Wij verbeeldden ons [...] individueel te kunnen zijn, aan persoonlijk
gevoel, zonder wetenschap, genoeg te kunnen hebben".
Gorter acht dit naïeve individualisme en estheticisme een tijdverdrijf
van de gegoede burgerij. Het is de hoogste tijd deze achterhaalde meningen
en voorstellingen los te laten en ons te bekennen tot de 'dorschvlegels van
het wetenschappelijk socialisme'. De moderne dichter moet de waarheid niet
langer in zichzelf zoeken, maar zich wenden naar de eisen en verlangens van
het volk. De dichter moet socialist worden:
"Welk een schoone leer is dit, de onze, de sociaal-democratische. Hoe natuurlijk en gemakkelijk geeft zij den samenhang van mensch tot mensch, van mensch tot maatschappij, van maatschappij tot wereld, van den gevoelsmensch, den kunstenaar, van de poezie tot de wereld!"
Dogmatisch is Gorter echter nog altijd: de strenge wetten van Spinoza worden ingeruild voor de strenge wetten van de maatschappij, de 'meesteres die den mensch dwingt op een bepaalde wijze te zijn'. Voor Spinoza bestaat in een socialistische maatschappij geen plaats meer. Spinoza bood wel inzicht in het gevoelsleven van de individuele mens, maar kon geen verklaringen geven voor de sociaal-economische ellende in de wereld. Nieuwe denkers als Marx, Engels, Kautsky, Mehring en Plechanov laten juist zien, vervolgt Gorter, dat wetenschap, godsdienst en kunst niet geworteld zijn in het persoonlijke gemoed, niet autonoom zijn, maar steeds van aard en richting veranderen door de economische veranderingen die de samenleving doormaakt. De Tachtigers zorgden louter voor zichzelf - 'ten koste van anderen' - en vergaten de samenleving. Gorter bekent dat hij in het spinozisme een soort substituut-religie aantrof waarin hij verlossing hoopte te vinden:
"Wij kwamen bij die schaar van zoekende geesten, die overal in Europa de burgerlijke maatschappij uittrekken, om in zich zelf of in het Verleden, of in den Godsdienst zekerheid te vinden".
Het woord is niet langer aan Spinoza maar aan de 'proletarische beweging', besluit Gorter, een beweging die ons vrijer laat ademen en onze standpunten in vaster aarde laat wortelen. Vonden Verwey en Van Eeden al dat Gorter zijn poëzie verkwanselde onder invloed van het spinozisme, Roger Henrard merkt bijna honderd jaar later op dat diens poëzie ook nauwelijks weerklank vond in de arbeidersbeweging. Zijn gehele leven zou zich kenmerken door een chronische gespletenheid: 'poëtische behoudzucht' versus 'levensbeschouwelijke vooruitstrevendheid'.
7.5 Jan Hendrik Leopold: een pleidooi voor kritische tekstedities van Spinoza's
werken
Met Lotsy en Gorter hebben we de belangrijkste spinozisten uit de eerste periode
van De Nieuwe Gids-beweging de revue laten passeren. Tot slot dienen nog enkele
alinea's te worden gewijd aan de filologische activiteiten van de in 's-Hertogenbosch
geboren classicus, dichter en leraar Jan Hendrik Leopold (1865-1925). Leopold
debuteert in 1893 in De Nieuwe Gids en publiceert tussen 1902 en 1906 een viertal
tekstkritische beoordelingen van Spinoza's werken. Naast Land heeft ook Leopold
zich hoofdzakelijk beziggehouden met filologisch onderzoek naar de teksten
en vertalingen van Spinoza's werken. Zijn inzichten hebben weliswaar geen grote
rol gespeeld in het wel en wee van de wijsgerige beweging in Nederland, maar
ze mogen niet ongenoemd blijven, omdat hij nieuwe eisen heeft geformuleerd
waaraan kritische tekstedities moeten voldoen. Ik volsta daarom met een korte
samenvatting.
Na klassieke letteren te hebben gestudeerd in Leiden promoveert Leopold in
1892 op een studie over het werk van de vroegere Leidse hoogleraar Petrus Hofman
Peerlkamp. Twee jaar voordat hij zijn eerste gedicht in De Nieuwe Gids publiceert,
heeft hij als leraar Grieks en Latijn een betrekking aanvaard aan het Erasmiaans
Gymnasium te Rotterdam - de school waar Johannes van Vloten eerder kortstondig
doceerde.
In haar proefschrift J.H. Leopold als filoloog (1995) gaat Han Meijers uitvoerig
in op Leopolds 'Spinozana 1902-1906'. In 1902 publiceert Leopold te Den Haag
het boek Ad Spinozae opera posthuma - het resultaat van een jarenlange intellectuele
worsteling met de denkbeelden van Spinoza. Een voormalige studiegenoot herinnert
zich:
"In de 5de en 6de klas [...] werden zijn gesprekken meer en meer door zijn philosophische neigingen getint. Omstreeks 1900 was Spinoza de alleenheerscher die over zijn geest regeerde. [...] Hij was, zoo zeide hij eens, begonnen aan een vertaling van de Tractatus de Intellectus Emendatione, en hij aarzelde die al of niet met een commentaar uit te geven".
Als zijn in het Latijn geschreven boek in 1902 wordt uitgebracht, blijkt hij
met grote zorg Spinoza's 'latiniteit' te hebben bestudeerd. In navolging van
Land stelt ook Leopold dat Spinoza's kennis van de Latijnse taal vaak gebrekkig
oogt en dat hij in zijn schrijven slordig te werk ging. Maar anders dan Land,
die meende dat Spinoza's kennis van het Latijn niet bijster groot was, bespeurt
Leopold eerder nonchalance. Spinoza schreef niet beter of slechter dan zijn
tijdgenoten. Ook zoekt Leopold naar het specifieke van Spinoza's Latijn en
constateert - als eerste, volgens Meijers - dat Spinoza een grondige kennis
had van de werken van Terentius en Tacitus, wier taalgebruik en citaten veelvuldig
terugkeren in de Ethica. Spinoza's biograaf Freudenthal had in Die Lebensgeschichte
Spinoza's in Quellenschriften, Urkunden und nichtamtlichen Nachrichten (1899)
weliswaar een overzicht gegeven van Spinoza's bibliotheek, maar Terentius Comoediae
ontbrak in die inventarisatie. Volgens Leopold - die tal van citaten uit het
blijspel opspoort - bewijst dit feit dat Spinoza's belezenheid enorm was en
dat zijn algemene culturele bagage niet onderschat mag worden. Dat Spinoza
gebukt zou gaan onder een gebrek aan kennis van het Latijn is dus onzin.
In het tweede deel van zijn studie gaat Leopold verder op de teksten in. Hij
constateert dat de eerste Nederlandse vertaling uit 1677 toevoegingen kent
die in de Latijnse versie ontbreken. In een nieuwe editie van Spinoza's werken
(1925) - de eerste na de Van Vloten-Land-editie - toont samensteller Carl Gebhardt
zich schatplichtig aan Leopolds ontdekkingen en correcties.
Kort na het verschijnen van zijn boek bezorgt Willem Meijer de bibliofiele
uitgave Nachbildung der im Jahre 1902 noch erhaltenen eigenhandige Briefe des
Benedictus Despinoza (1903). Het betreft hier een facsimile-uitgave, voorzien
van commentaar, een transcriptie en een Nederlandse, Duitse en Engelse vertaling
van de twaalf opgenomen handschriften. Volgens Han Meijers bood de uitgave
Leopold een unieke kans zijn zojuist gepubliceerde kanttekeningen bij Spinoza's
Latijn te toetsen aan de originele autografen. Dat doet hij dan ook in De Nederlandsche
Spectator. Een bespreking van de brieven geeft hij niet, maar beperkt zich
louter tot de constatering dat de brieven belangrijk zijn voor het controleren
van Spinoza's uit het Latijn afgeleide vertalingen. Drie jaar later doet hij
hetzelfde met een nieuwe druk van de Van Vloten-Land-editie, maar nu voor het
tijdschrift van classici, Museum. Leopold hekelt drukfoutjes en slordigheden,
zoals gebreken in het notenapparaat, en formuleert basiseisen waaraan nieuwe
tekstedities in de toekomst toch zouden moeten voldoen, zoals: betere annotaties
en een uitgebreidere bibliografie, een behoorlijke index van geleende citaten,
en een goede index met de belangrijkste wijsgerige begrippen uit Spinoza's
wijsbegeerte.
Voor De Nederlandsche Spectator wijdt Leopold nog een opstel aan Spinoza, getiteld
'Spinoza en de Stoa' (1905), dat bij nader inzien een bespreking van een essay
van de Duitse filosoof Wilhelm Dilthey behelst. Dilthey heeft namelijk opgemerkt
dat Spinoza's denken alleen maar valt te begrijpen vanuit de context van de
stoici. Leopold behandelt de internationale literatuur die deze verwantschap
tot thematiek heeft gekozen en constateert uiteindelijk dat de stoïsche
ideeën bijzonder populair waren bij de Hollandse intellectuelen van de
zeventiende eeuw. Aangezien Spinoza midden in het intellectuele leven van zijn
tijd stond is die stoïsche invloed minder opzienbarend dan zij op het
eerste oog schijnt.
Leopold heeft met zijn filologische studies een wezenlijke bijdrage geleverd
aan een verdere professionalisering van het Spinoza-onderzoek - in en buiten
Nederland. Zo geeft Meijers een overzicht van - vooral Duitse - literatuur
waarin verwezen wordt naar Leopolds studie uit 1902. Opmerkelijk vinden deze
commentatoren het gegeven dat er na een jarenlange stortvloed van kritiek op
Spinoza's slordig gebruik van de Latijnse taal nu eindelijk een lans wordt
gebroken voor een alledaagse latiniteit die overal in Europa in zwang was.
Ook beseft men dat een kritische bezorging van Spinoza's teksten een eerste
vereiste is, wil een meer serieuze studie van het spinozisme op gang komen.
Fokke Akkerman merkt in zijn proefschrift Studies in the posthumous works of
Spinoza (1980) nog op dat Leopold als eerste een programma van eisen opstelde
waaraan tekstbezorgers zich voortaan dienen te houden. Een hedendaagse filoloog
als Piet Steenbakkers kwijt zich dan ook met veel elan van die taak. Dat zijn
oordeel in De Nederlandse vertalingen van Spinoza's Ethica (1997) vaak zo negatief
uitvalt, mag dan ook met terugwerkende kracht op het conto worden geschreven
van de wetenschappelijke strengheid waarmee Leopold tekstedities en vertalingen
becommentarieerde.
Anders dan de esthetica van De Nieuwe Gids wellicht doet vermoeden, heeft het
periodiek met de 'objektieve' Lotsy, de zelftuchtige Gorter en de filologische
scherpslijper Leopold het spinozisme een systematische en wetenschappelijke
basis gegeven die in de twintigste eeuw tot volle ontplooiing kon komen. Maar
dit proces van verwetenschappelijking geschiedt dan niet langer in de periodieken
van de Nieuwe-Gids-beweging waar een jonge filosoof, Jan Diderik Bierens de
Haan, een subjectieve levensleer naar de beginselen van Spinoza zal ontwerpen.
Die objectieve benadering vindt een vervolg in het werk van de vrijdenker Willem
Meijer. Beide verschijningsvormen van het spinozisme omstreeks de eeuwwisseling
komen in de volgende hoofdstukken aan de orde.
| info@siebethissen.net | - | - | - |