| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| Hoofdstuk 10.pdf | 26.01.2004 | 179kB | - |
WIJSGERIGE BEWEGING IN NEDERLAND.
DE SPINOZISTISCHE STEMMING VAN HET FIN DE SIECLE
"
Geen enkele voorafgaande beschaving heeft zo'n grote innerlijke noodzaak tot
een intellectuele omarming van de gehele wereld gevoeld; nooit werd eerder
zo'n kloeke en zelfs blasfemische verwerping van de eigen religieuze traditie
bewerkstelligd. In die speurtocht naar een open en rationalistische blik op
de wereld, in het vrijelijk en publiekelijk verkondigen van denkbeelden die
voorheen achter de sluier van initiatierituelen schuil gingen, wierp zij de
mensheid in de spirituele maalstroom die ons tot op de dag van vandaag nog
in haar greep houdt".
(Joscelyn Godwin, The Theosophical Enlightenment, 1994)
10.1 Spinoza-koorts: het anti-godsdienstige vertoog
Het begrip 'fin de siècle' wordt gebruikt ter aanduiding van een groot aantal veelsoortige verschijnselen in het Europese geestesleven van rond 1900, schrijft Walter Laqueur in zijn essay 'Fin-de-siècle. Once More with Feeling' (1996). In Frankrijk betekent het vooral 'modern', 'verfijnd', 'geraffineerd', en een gebrek aan ernst. Soms is de term een synoniem voor symbolisme, estheticisme, narcisme en de cultus van de verveling. De term wordt voor het eerst gehoord in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Laqueur geeft het voorbeeld van het toneelstuk Fin de siècle (1888) waarin een Turkse bankier tegen de Fransen zegt dat zij niets meer ernstig kunnen nemen: "Als Jezus Christus, Mohammed, Karel de Grote of Napoleon nu weer zouden leven, dan zou men niet langer dan een week belangstelling voor hen hebben". In Frankrijk staat het fin de siecle voor een wijd verspreid gevoel van malaise, dat een oorzaak vindt in het verlies van de oorlog tegen Pruisen. Frankrijk zou zowel op economisch, sociaal als cultureel gebied worden overvleugeld door Duitsland. Rond 1905 slaat dit geestelijke klimaat in Frankrijk om, zonder dat er directe oorzaken voor aan te wijzen zijn. In Engeland is, met de aanhouding en veroordeling van Oscar Wilde, het fin de siècle al een tiental jaren eerder ten einde gekomen. In Nederland schrijft iemand in 1891 in De Gids:
"Daar is misschien nooit een eeuw geweest, die zoo bewust ten einde
liep als de onze. Die eeuw is zoo van zichzelve vervuld dat zij, bij monde
van de geestigste harere zonen, de Franschen, den geduchten indruk, dien haar
eigen heengaan op haar maakt, in een nieuwe bijvoeglijke uitdrukking vertolkt.
Zij spreken aan de Seine van idees fin de siècle, moeurs fin de siecle,
ook de snit van uw rok of de knop van uw rotting kan fin de siècle zijn".
In Duitsland wordt in de discussie over de tijdgeest vooral aandacht besteed
aan de ziekelijke ontaarding van de moderne mens, de maatschappij en de cultuur.
In 1893 schrijft Max Nordau Entartung, een invloedrijke studie die in het
Nederlands, Italiaans, Frans, Zweeds, Engels, Japans, Grieks en Russisch
wordt vertaald:
"Hysterie en ontaardheid hebben altijd bestaan. Zij komen over het algemeen slechts zelden voor en hebben geen wezenlijke invloed op het geheel van het maatschappelijke leven. Slechts de volledige geestelijke uitputting van onze generatie, die door een vloed van ontdekkingen overspoeld werd, schiep de voorwaarden waaronder deze ziekte zich kon verspreiden en tot een bedreiging kon worden voor de beschaving".
De stemming van het fin de siècle is 'als de onmachtige wanhoop van
een stervende te midden van onbarmhartig bloeiende natuur. De afgunst van een
wellustige rijkaard die een paar jonge vitale geliefden in een bos begluurt'.
Kenmerkend voor de geest van zijn tijd acht Nordau de minachting voor traditionele
waarden en gebruiken, en een gebrek aan inzicht in wat waar en onwaar is. Een
decennium eerder schrijft hij zijn cultuurkritische studie Paradoxe der konventionellen
Lugen, waarvan eveneens honderdduizenden exemplaren over de toonbank gaan.
Hierin kritiseert hij zowel de grote overgeleverde wereldbeschouwingen - christendom
en socialisme - als 'de kunstenaars en schrijvers die zichzelf verheerlijken
als de scheppers van een nieuwe kunst en de boodschappers van een nieuw tijdperk'.
Daar boeken en kunstwerken een grote invloed uitoefenen op het zedelijke en
culturele leven, moet men dit verschijnsel zeer ernstig nemen. Nordau beschouwt
deze generatie van geëxalteerde nieuwlichters - waaronder Nietzsche en
Wagner - als gedegenereerden. We zouden hen niet alleen aantreffen onder 'misdadigers,
anarchisten en prostituees', maar ook onder filosofen en kunstenaars. Hoewel
Nordau het begrip 'ontaarding' centraal stelt in zijn karakterschets van de
cultuur omstreeks 1900, is hij geen pessimist. Hij gelooft en hoopt immers
dat de ontwikkelingen van de natuurwetenschappen zullen leiden tot een ontmaskering
van de traditionele wereldbeschouwingen - de 'grote verhalen'.
Laqueur meent dat van een werkelijke ondergangsstemming in het Europese fin
de siècle geen sprake is geweest. De jaren negentig vormen een tijd
van economische crisis, zowel in de Verenigde Staten als Duitsland, terwijl
Frankrijk door de Dreyfus-affaire op de rand van een burgeroorlog terecht komt.
In Nederland teistert een landbouwcrisis de vaderlandse economie. Toch wordt
de komst van de nieuwe eeuw in het algemeen optimistisch begroet - ook in Nederland.
De oude filosoof Bernard van der Wijck schrijft in 1901:
"Een betere periode is ons volk binnengetreden. De tijd der slapheid, waarin
men 'langs lijnen van geleidelijkheid' naar beneden gleed, schijnt te zijn verstreken.
Er waait een frisse wind over Nederland. Het is nog maar de dageraad, doch die
een schoonen dag belooft".
De enige uitzondering op dit optimisme is Rusland. Onder intellectuelen
en verlichte delen van de bevolking bestaat veel ontevredenheid. De Russische
filosoof Waldimir Soloview meent zelfs dat het einde van de wereld nabij is
en wijst op de populariteit van satanisme, ondergangsstemmingen, melancholie,
Schopenhaueriaans pessimisme en een breed gedeelde minachting voor de massa.
De belangrijkste conclusie die Laqueur uit zijn overzicht van de culturele
ontwikkelingen rond 1900 trekt, is dat het fin de siècle, al was het
een Europees verschijnsel, toch in de verschillende landen grote verschillen
vertoont, die even opvallend zijn als de overeenkomsten.
Waar situeren we, met bovenstaande opmerkingen in gedachten, het Nederlandse
fin de siècle? Wat betreft ontwikkelingen in de wijsbegeerte zijn afgrenzingen
in de tijd lastig vast te stellen. Kees Struyker Boudier situeert 'het einde
van de negentiende eeuw' rondom de Eerste Wereldoorlog, maar beschouwt 1885
ook als een breukpunt. De opkomst van nieuwe literaire stromingen, een proces
van politieke herverkaveling, de opmars van de vakbeweging en de doorbraak
van nieuwe communicatiemiddelen geven vorm aan 'een nieuwe lente, een nieuw
geluid' waarvan ook de wijsbegeerte profiteert. Rik Peters acht de opkomst
van het wijsgerig idealisme karakteristiek voor de periode omstreeks 1900 en
memoreert voor Nederland het optreden van Bolland en de populariteit van de
'Hegelarij'.
In tegenstelling tot het jaar 1848 valt 1900 veel minder goed te verdedigen
als een breukpunt. Vanaf 1848 weet het empirisme - 'de wijsbegeerte der ervaring'
- onder het bezielende enthousiasme van Cornelis Opzoomer in korte tijd het
wijsgerig klimaat aan de Nederlandse universiteiten te beheersen. In de jaren
zeventig raakt dit empirisme in de versukkeling en schuiven Opzoomers leerlingen,
onder wie Van der Wijck, steeds meer op naar een idealisme. In zijn inventarisatie
van de veranderingen die zich in de jaren zeventig in de academische filosofie
voltrekken, schrijft Henri Krop dat de kritiek op het empirisme in 1871 een
aanvang neemt. Tien jaar later klagen de laatste voorstanders over 'de afnemende
belangstelling van het beschaafde publiek voor onze prediking'. Het is opvallend
dat sinds de jaren zeventig geen enkele wijsgerige stroming in Nederland een
dominante positie weet te verwerven. Noch het idealisme van Bolland, noch het
psychisch monisme van Heymans, noch het kantianisme zijn omstreeks de eeuwwisseling
in staat een echte school te vormen en leerlingen te kweken die op leerstoelen
aan andere universiteiten dan de eigen thuisbasis worden benoemd. Hoewel de
academische filosofen - Land, Van der Wijck en Spruyt - in het laatste kwart
van de negentiende eeuw een interessante polemiek voeren over het begrip 'causaliteit',
wordt deze interne polemiek geheel overvleugeld door de doorbraak van een wijsgerige
cultuur buiten de universiteiten. Die beweging wordt in de jaren zeventig eerst
goed zichtbaar in de propaganda voor een Spinoza-monument dat in Den Haag moet
verrijzen.
Vanaf 1877 - de grote Spinoza-herdenking - buigen ook de academische filosofen
zich over Spinoza en vindt geleidelijk een toenadering plaats tussen de academische
en buitenacademische wijsbegeerte. Aangemoedigd door het enthousiasme van 'Spinoza's
familie' (Multatuli) - volgens Flanor bestaande uit 'modernen, pantheïsten,
atheïsten, deterministen en Dageraadsmannen, in een woord, alle antikerkelijk-rechtzinnigen'
- verschuiven ook de universiteiten hun aandacht van empirisme naar idealisme
en metafysica. En waarom ook niet? Voor het eerst in de eeuw is er immers sprake
van een ongekende belangstelling voor de wijsbegeerte. Het laatste kwart van
de negentiende eeuw kent weliswaar geen overheersende school of richting, maar
de aandacht voor de zeventiende eeuwse wijsgeer Spinoza is meer dan opmerkelijk.
Er is geen zichzelf respecterende publicist te vinden die zich in deze periode
niet over Spinoza heeft uitgelaten. Inderdaad, er heerst 'Spinoza-koorts' (Flanor)
in Nederland en het virus kan zich verspreiden door middel van enkele honderden
publicaties die tussen 1855 en 1907 aan Spinoza worden gewijd.
In de tweede helft van de negentiende eeuw neemt de belangstelling voor de
wijsbegeerte enorm toe. Sassens stellingen dat de wijsgerige productie gering
zou zijn en polemieken beperkt zouden blijven tot de 'upper ten', zijn niet
langer houdbaar. Deze nieuwe wijsgerige hausse neemt een aanvang met Licht-
en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java (1855) van Franz Junghuhn, dat
in een tijdsbestek van zo'n twintig jaar een zestal herdrukken beleeft en ook
in een Duitse uitgave op de markt verschijnt. De verkoop van de eerste twee
edities (circa duizend exemplaren) geschiedt geheel via de infrastructuur van
de Nederlandse vrijmetselaarsloges. Geconcludeerd mag worden dat er sprake
is van een georganiseerde verspreiding en studie. Aan de hand van Junghuhns
boek worden nieuwe, modieuze wereldbeschouwingen in georganiseerd verband bestudeerd
in Post Nubila Lux, een 'school voor bespiegelende wijsbegeerte'. Naar het
model van Post Nubila Lux worden omstreeks de eeuwwisseling tientallen filosofische
verenigingen ingericht. Nog in de twintigste eeuw zou een theosofische loge
zich tooien met de naam Post Nubila Lux. De publieke tak van de loge, de vrijdenkersvereniging
De Dageraad, telt in de eerste jaren van haar bestaan al meer dan driehonderd
leden, die in het gelijknamige verenigingsorgaan op de hoogte worden gehouden
van nieuwe ontwikkelingen in de wijsbegeerte.
Een huisfilosoof als Alexander Siffle heeft niet alleen Spinoza onder de aandacht
van de seculiere lezer gebracht, maar hem ook ingewijd in het denken van Kant
en vele andere wijsgeren. Zijn boekbesprekingen, reflecties op oraties en voordrachten,
en eigen 'kritisch-wijsgeerige beschouwingen' maken het tijdschrift De Dageraad
tot het eerste seculier-wijsgerige periodiek in de negentiende eeuw. Ook Spinoza.
Het leven van een denker (1856), de biografische roman van Berthold Auerbach,
wordt in de vertaling van Dionys Burger jr. direct uitverkocht en krijgt tussen
1856 en 1863 nog twee herdrukken. Van Vlotens Benedictus de Spinoza (1862)
wordt negen jaar later herdrukt en is nog leverbaar tijdens de Spinoza-herdenkingen
van 1877 en 1880. Bovendien roept zijn specifieke atheïstische interpretatie
een polemiek over Spinoza op die nog jaren na zijn dood nagalmt. Van de spinozistische
roman Akbar (1872) van Petrus van Limburg Brouwer gaan na 1900 nog tienduizenden
exemplaren over de toonbank - tot op de dag van vandaag is een editie uit 1984
nog leverbaar. Van tal van andere introducties tot Spinoza's wijsbegeerte,
waaronder die van Hendrik Betz (1877) en Marius Lotsy (1878), zien minimaal
twee edities het licht.
Naast deze publicatiegolf verschijnen vele dozijnen kleinere en grotere opstellen
over Spinoza en reflecties op het spinozisme in uiteenlopende tijdschriften
als Godgeleerde Bijdragen, De Dageraad, De Nederlandsche Spectator en tal van
kleinere vrijdenkersperiodieken, waaronder De Levensbode en De Tijdgenoot.
Ook worden voordrachten en cursussen georganiseerd: De Dageraad, het Zeeuws
Genootschap der Wetenschappen en De Nederlandsche Spectator hebben lezingen
over Spinoza georganiseerd en gewezen op zijn relevantie voor de huidige tijd.
De essays die Jan Land en Bernard van der Wijck aan Spinoza wijden zijn bewerkingen
van publieke referaten die in de grote steden worden gehouden. Het feit dat
de macon A.A. Galestin in De Broederketen (1932) hele passages uit de voordracht
van Land uit 1877 plagieert, illustreert dat de invloed van de 'Spinoza-koorts'
op het denken in Nederland nog tot in het interbellum doorwerkt.
Bijna zonder uitzondering wordt de opleving van spinozisme en het wijsgerige
denken gedragen door ontwikkelde burgers die blijkbaar over voldoende vrije
tijd beschikken. Zij houden zich vooral op in steden als Amsterdam, Leiden,
Den Haag, Middelburg, Utrecht en Amersfoort, waar de wijsbegeerte doorgaans
wordt beoefend naast andere dagelijkse werkzaamheden. Van Vloten, Multatuli
en D'Ablaing van Giessenburg hebben met wisselend succes getracht te leven
van hun publicistische arbeid en hebben daartoe eigen periodieken in het leven
geroepen. Het merendeel echter blijft afhankelijk van de 'gewone' arbeidsmarkt.
Wessel Scheffer is predikant, Burger jr. oefent een rectorschap van een middelbare
school uit, Siffle is werkzaam als notaris, Moleschott staat op de loonlijst
van medische faculteiten, Lotsy verdient de kost als advocaat, en Van Limburg
Brouwer blijft ambtenaar van het Rijksarchief te Den Haag. Enerzijds zijn de
mogelijkheden om een inkomen als filosoof te vergaren nihil, maar anderzijds
hebben de spinozisten andere goede redenen in hun dagelijkse beslommeringen
te volharden. Zij zijn namelijk uitgesproken politiek gemotiveerd en moedigen
maatschappelijke participatie hartstochtelijk aan. Het liberale engagement
van de 'van Spinozisme verdachte' Thorbecke staat buiten kijf, Van Vloten en
Siffle participeren in de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, Siffle en Van
Limburg Brouwer laten zich respectievelijk tot gemeenteraadslid en lid van
de Tweede Kamer kiezen, Moleschott richt de World Union of Freethinkers op
voordat hij te Rome tot senator wordt gekozen, en Flanor roept de lezers van
De Nederlandsche Spectator op zich te verenigen in een 'rumoermakende en vooruitstrevende'
politieke beweging.
Dat engagement - of 'loutering' in de woorden van Van Vloten - is onlosmakelijk
verbonden met het spinozisme, aldus Ronald Commers in zijn studie van het vrije
denken in de Europese cultuur. De gedachte domineert hier dat het fundament
van de menselijke vrijheid moet worden gelegd binnen de sociale organisatie
van het gemeenschapsleven. Goede maatschappelijke instellingen zijn uiteraard
belangrijk, maar nog belangrijker vinden deze zelfverlichters 'ons aller participatie
in die instellingen zodat ze niet onder het uitsluitend gezag vallen van een
persoon, groep of meerderheid'. In dat politieke gevecht met de heersende orde
wordt niet zozeer een ideologie geformuleerd, maar worden mondige mensen aangemoedigd
mee te denken, zich los te maken van het dominante vertoog van de theologie,
en zich politiek en maatschappelijk te engageren. Kenmerkend voor de spinozisten
is hun gedeelde afkeer van verwaterde ideologieën die in bureaucratisering
en 'impotentie' hebben geresulteerd, zoals het oude liberalisme van Thorbecke.
Maar ook massabewegingen, zoals de 'zwarte' en 'rode internationales', worden
met argwaan tegemoet getreden. Enkele uitzonderingen daargelaten, zoals Lotsy,
bekijken ze vergaande democratieseringen met argusogen, en verdienen sterke
individuen - die beschikken over 'persoonlijkheid' en 'zelfstandigheid' (Flanor)
- de voorkeur. Als vrije publicisten vormen de spinozisten 'lastig volk!',
schrijft Flanor, want 'gedresseerd, gereglementeerd, gedrild, in hokjes verdeeld,
kunnen ze maar niet worden'.
De tijdschriften en publicaties uit de periode 1855-1880 geven uitdrukking
aan een avontuurlijke, vrije markt van ideeën, die in omvang kan toenemen
door de crisis waarin het christendom verkeert. De verwetenschappelijking van
de theologie dringt het supranaturalisme naar de achtergrond. In de radicale
bijbelkritiek wordt de historische Jezus vervluchtigd tot een mythische gestalte
die elke band met de door de kerken beleden Christus heeft verloren. De vergelijkende
godsdienstwetenschap maakt vervolgens de claim van de liberale theologie ongeloofwaardig
dat het christendom de superieure vorm van godsdienst is. In die deconstructie
van het grote, christelijke verhaal hebben alle spinozisten een actieve bijdrage
geleverd. Zelfs een predikant als Wessel Scheffer acht de tendens naar onkerkelijkheid
acceptabel, zolang religieus enthousiasme maar kan worden gewaarborgd. In Spinoza
vindt hij zijn Prometheus voor een toekomstige, onkerkelijke samenleving. In
hun streven naar een deconstructie van het christendom maken spinozisten dankbaar
gebruik van tal van wetenschappelijke disciplines en wijsgerige inzichten.
In gedurfde kruisbestuivingen ventileren zij in hun essays 'een bonte reeks
van heterodoxe opvattingen' (Land) waarmee de basis wordt gelegd voor een vergelijkende
studie van inheemse volkeren, oosterse en westerse religies, en wijsgerige
en occulte denkbeelden. Het vrijelijk mengen van westerse en oosterse inzichten
- zo typerend voor de theosofie en de 'petites religions' van het fin de siècle
- breekt eerst goed door in de opstellen die Siffle en Van Limburg Brouwer
in de jaren vijftig en zestig publiceren. Zo maakt de eerste een onderscheid
tussen Sankhya- en Yoga-spinozisten als hij de Nederlandse Spinoza-aanhangers
wil typeren. Tot 'Spinozisten van de linkerzijde' (of 'Sankhya-leer') rekent
hij Van Vloten, tot 'de regterzijde' (of 'Yoga'-leer) rekent hij predikanten
als Scholten, maar ook zichzelf:
"Hetzij men volgens de Sankhya-leer ons bestaan in 't heelal eerst met
onze geboorte laat beginnen en met ons sterven eindigen; hetzij men het aanvankelijk
bestaan naar de Yoga-leer, een onbekend getal eeuwen te voren stelt en een
ontwikkeling aanneemt, b.v. van het infusiediertje tot aan de verschijning
in menschelijke gedaante, om dadelijk bij de vernietiging van dien levensvorm
weder tot volmaakter ons insgelijks onbekende levensvormen over te gaan tot
men, te gelijk met het bereiken der volmaaktheid zelve, een individueelen levensvorm
verwisselt met het onpersoonlijke alomvattende bestaan - dat oneindige, eeuwige,
ondeelbare zelfstandige en oorspronkelijke leven, blijft altijd in beide gevallen
de van eeuwigheid vloeiende bron [...]. Deze laatste voorstelling, de ziel
der Yoga-leer, is de opvatting van Spinoza".
De spinozisten hebben bovendien een hartstochtelijke liefde voor het vrije,
wijsgerige denken bevorderd: 'Spinozisme is de idee van den eeuwigen kringloop,
waarvan de Phoenix het zinnebeeld is', aldus Siffle. Die liefde voor de filosofische
literatuur, het denken, het debat, de polemiek - en uiteindelijk het visioen
van een hogere, ware en al-enige werkelijkheid - is voortdurend in hun werk
aanwezig. Het taalgebruik is maar al te vaak geëxalteerd, waarbij een
voorliefde voor nieuwe, modieuze begrippen en wereldbeschouwingen niet onder
stoelen of banken wordt geschoven. Alles wat nieuw is, is in principe interessant.
Spiritisme, akosmisme, deïsme, pantheïsme, panentheisme, materialisme,
saint-simonisme, fourierisme, humanisme, Sakhyisme, Yogaisme, atheïsme,
positivisme, theosofie, enzovoorts, worden alle gewogen, beoordeeld en doorgaans
weer verlaten. Niet voor niets ergert Land zich aanvankelijk aan de begrippelijke
onzuiverheid en het vrijblijvend mengen van wijsgerige beschouwingen die
hij buiten de academie aantreft. Spruyt meent dat hier helemaal geen sprake
is van wijsbegeerte, maar van 'lofzangen in proza' die louter tot doel hebben
een onkerkelijke levensbeschouwing te ontwerpen of te rechtvaardigen. In
de kolommen van De Dageraad noemt een criticus de nieuwe wijsgeren 'esoterici'.
Toch drukken de 'lofzangen in proza' een specifieke omgang met de wijsbegeerte
uit. De eenheid van wetenschap en wijsbegeerte, van ervaring en reflectie,
die spinozisten willen verdedigen, kan in proza worden bezongen. In proza en
fictie, in literaire ontboezemingen kan de intuïtieve kennis van de mens
en de wereld - immers de hoogste graad van kennis bij Spinoza - op een persoonlijke
wijze worden gevierd. De werken van Junghuhn, Moleschott, Van Vloten en Van
Limburg Brouwer kenmerken zich inderdaad door een prozaisch karakter. Objectiviteit
is niet hun doel. Hun doel is, schrijft de vrijdenker Jan ten Bokkel naar aanleiding
van Moleschotts Der Kreislauf des Lebens (1852), op een subjectieve wijze expressie
te geven aan 'een levens- en wereldbeschouwing, die zoo innig met den geheelen
mensch [is] saamgeweven, dat [men] hier en daar van de gewone conventioneele
taaluitdrukkingen afwijkt, om uiting te geven aan innerlijk voelen'. De nadruk
in deze periode op het vijfde boek van de Ethica - over de intellectuele liefde
tot God, tot de kringloop des levens - schijnt onlosmakelijk verbonden met
de keuze voor een prozaisch genre waarin het 'innerlijk voelen' als bindmiddel
tussen wetenschap en reflectie fungeert. Zoals Spinoza een keuze maakte voor
de geometrie als vorm van zijn wijsbegeerte, zo is hier het proza de vorm waarin
de 'Spinoza-koorts' wordt medegedeeld. Deze optiek plaatst de werken van Multatuli,
van met name de Ideeën (1862-1877) en Millioenenstudien (1872), in een
filosofisch daglicht. Niet de theologie is hier het medium van de filosofie,
maar de literatuur. Die literaire expressie van de wijsbegeerte waarborgt de
continuïteit van het spinozisme in de beweging van Tachtig.
De periode waarin de 'Spinoza-koorts' oprukt vindt een hoogtepunt in de herdenking
van Spinoza's tweehonderste sterfdag (1877) en de oprichting van het Spinoza-standbeeld
te Den Haag (1880). Hoe esoterisch en trendgevoelig het nieuwe wijsgerige publiek
ook mag zijn, hoe groot de postmaçonnieke invloed ook nog is, rondom
het Comite van Van Vloten blijken de spreekbuizen van verschillende antikerkelijke,
wijsgerige stromingen hun interne polemieken ondergeschikt te maken aan het
eerbetoon aan Spinoza. Tekenend is dan ook dat voorstanders van Spinoza's verdiensten
'op zuiver-wijsgeerig gebied' uiteindelijk afhaken. In Spinoza vindt het nieuwe
wijsgerige publiek een patroonheilige: een ziener, een mentor, een tutor, een
onafhankelijke geest, een doordenker, een fervente antiklerikaal en een politieke
radicaal. Het Spinoza-monument is een monument van en voor deze vrijdenkers
die nu met durf en met luide stem de 'taal van het kleine Nederland' verkondigen.
Met het standbeeld eren zij in de eerste plaats zichzelf: "Ik wenschte
dat onze taal in Europa verstaanbaar ware, opdat het vernam: zoo wordt er in
het kleine Nederland gedacht en zoo durft men er te spreken", aldus Flanor.
Eerder dan door een wijsgerige beweging, wordt het derde kwart van de negentiende
eeuw beheerst door wijsgerige beweging. Rusteloos en met veel enthousiasme
storten voormalige leken zich op de filosofische literatuur van hun tijd, in
de hoop ingrediënten te vinden voor nieuwe wereld en levensbeschouwingen.
De epidemie van 'Spinoza-koorts' breidt zich snel uit en opent wegen naar zelfstandig
denken, naar een gedurfd integreren van thema's en opvattingen uit verschillende
wetenschappelijke en wijsgerige disciplines en vertogen. De nieuwe culturele
tijdschriften bieden 'merkwaardige studies', 'bonte reeksen van heterodoxe
opvattingen', 'lofzangen in proza', en 'curiositeiten van allerlei aard'. In
die vrijheid van denken en spreken, van het combineren van wetenschap en pseudo-wetenschap,
van wijsbegeerte en oosterse denkbeelden, hebben velen een houvast gevonden
in het leven en werk van Spinoza, die 'blijde boodschapper van een mondige
mensheid', die 'verzoener van Oost en West'.
10.2 De wending naar Spinoza's wijsbegeerte: het antisciëntistische
vertoog
Het rumoer waarmee Van Vloten en de zijnen aandacht eisen voor
de betekenis en actualiteit van Spinoza voor de huidige, seculiere tijd wekt
de toorn van
de in het slop geraakte wijsgerige faculteiten. Cornelis Bellaar Spruyt, Jan
Land en Bernard van der Wijck besluiten als deskundigen - onafhankelijk van
elkaar - het publiek te waarschuwen voor de begripsverwarring en de simplistische
voorstellingen waarmee het debat over spinozisme wordt omgeven. Ten minste,
dat is de indruk die ze in hun epistels wekken. Maar de eerlijkheid gebiedt
te vertellen dat de wijsbegeerte der ervaring in een diep dal terecht is gekomen
en dat ook belangstelling voor het empirisme in de samenleving naar een nulpunt
is gedaald. Met name Land en Van der Wijck uiten steeds vaker hun teleurstelling
over de beloftes van de wetenschap en de daarop gebaseerde proefondervindelijke
wijsbegeerte. Wetenschappelijke vooruitgang brengt niet noodzakelijkerwijs
de zedelijke en maatschappelijke vooruitgang waarop de sciëntisten uit
Opzoomers school toch hebben gerekend. Aan de methode van wetenschappelijk
onderzoek wordt niet getwijfeld, maar wel aan mogelijke toepassingen op de
terreinen van de moraal, de religie en de maatschappij. Die onvrede wakkert
een nieuwe belangstelling aan voor metafysica. En juist die metafysica is uitermate
populair buiten de universiteiten. De wending naar Spinoza en de thema's van
de buitenacademische wijsbegeerte markeren een fase waarin het wel erg dor
geachte empirisme ten einde komt.
De uiteenzettingen van Spruyt, Land en Van der Wijck - waarin zij uitvoerig
ingaan op Spinoza's bronnen, zijn plaats in de geschiedenis van de wijsbegeerte,
de verhouding tussen cartesianisme en spinozisme, de structuur van de Ethica
zijn politieke denkbeelden in het Godgeleerd Staatkundig Vertoog - geven ook
elders aanleiding tot een meer serieuze en systematische studie van Spinoza's
denkbeelden. De hoogleraren verdienen een weerwoord. De populaire introducties
uit de voorafgaande periode, vaak impressionistische en welhaast hagiografische
portretten van 'Neerlands meest doorluchtigen wijsgeer', maken plaats voor
degelijke reflecties op het spinozisme, zoals Lotsy's Spinoza's wijsbegeerte
(1878), Betz' Spinoza en Kant (1883), en 'De grondbeginselen van Spinoza's
wijsbegeerte' (1887) van Hendrik du Marchie van Voorthuysen. Bovendien, zo
tonen de advertenties in De Nederlandsche Spectator in 1880, heeft de betere
stedelijke boekhandel nu een behoorlijk aanbod van internationale Spinozana
in zijn schappen. Maar een nieuw ongekend hoogtepunt vormt toch het verschijnen
van de Opera Omnia (1882-1883), die Van Vloten en Land samen redigeren: een
eerste Latijnse editio definitiva die de oude, in Duitsland vervaardigde editie
van Bruder uit de jaren veertig moet doen vergeten. De samenwerking tussen
de vrijdenker Van Vloten en de academicus Land is meer dan opmerkelijk, want
Van Vloten weigerde korte tijd eerder nog hoogleraren uit te nodigen voor de
Spinoza-herdenking omdat ze niet aan de herleving van het spinozisme zouden
hebben bijgedragen. Het tij is blijkbaar gekeerd. Moest Van Limburg Brouwer
in 1855 nog opmerken dat Spinoza zijn 'tweede vaderland' in Duitsland had gevonden,
eindelijk is van Spinoza weer een Nederlands denker gemaakt en eindelijk draagt
Nederland zijn steentjes bij aan de internationale Spinoza-receptie.
Enerzijds getuigen deze ontwikkelingen van een meer wijsgerige interesse in
Spinoza ten gevolge van de infectie met 'Spinoza-koorts', maar anderzijds weerspiegelen
ze ook de crisis van het empirisme. Want ook de eerste generatie spinozisten
staat nog ongekend optimistisch ten opzichte van het sciëntisme. Zij hopen
met behulp van de wetenschap te kunnen doordringen tot de geheimen van de menselijke
geest, de moraal, de religie en de samenleving, maar stuiten steeds vaker,
net als Opzoomers leerlingen, op de limieten van de wetenschap. Het wetenschapsideaal
van de vroegste spinozisten kent nog sporen van de oude fysicotheologie en
van Schroders 'teekenskunde', waarin authentieke Gods of Natuurervaringen als
motief en doel van de natuurwetenschap worden geviseerd ('Natuurlijke Godsdienst').
Ook de opkomst van de empirische psychologie - ooit als de 'wetenschap van
de geest' een filosofische, bespiegelende aangelegenheid - dwingt hen tot herziening
van oudere standpunten. Maar biedt eveneens mogelijkheden Spinoza als 'door
en door psycholoog' (Lotsy) aan een nieuw publiek te presenteren. Nog in 1938
worden de spinozisten in het Nederlandsch Tijdschrift voor Psychologie geroemd
als baanbrekers van de moderne psychologie in Nederland. Het 'failliet van
het integraal positivisme' infecteert ook de spinozisten, maar niet hun rigoureuze
kritiek op dominante vertogen. Na 1880 is in toenemende mate niet de theologie
onderwerp van kritiek en spot, maar wordt getracht de wetenschap zelf te ontmaskeren
als een ideologie die de mensheid opnieuw tot vervreemding en slavernij brengt.
Onkerkelijkheid en atheïsme zijn in de laatste twee decennia van de eeuw
geen verwerpelijke levensstijlen meer. Een atheïst behoeft niet langer
te bewijzen dat hij 'niet noodwendig een slecht mensch' is - het probleem waarmee
de spinozist Van Limburg Brouwer zich in 1855 nog geconfronteerd zag.
In zijn eerder aangehaalde studie beschrijft Commers de paradoxale verhouding
van vrijdenkers en spinozisten tot de wetenschap. De wetenschap van de spinozisten
is gebaseerd op een 'praktisch weten', dat wil zeggen een weten dat steeds
verbonden is met een 'juiste levenspraktijk', die op haar beurt weer gesitueerd
is in een context van maatschappelijk engagement. Het verrichten van wetenschappelijk
onderzoek staat altijd in relatie tot een levens of wereldbeschouwing - of
om Moleschott te parafraseren: de wetenschappelijke ervaring gaat op in de
filosofische reflectie, en de reflectie vervolgens weer in de ervaring. Dit
praktisch weten is ver verwijderd van wetenschappelijke kennis van een specifiek
deelgebied:
"Het is bovendien duidelijk dat wetenschappelijke kennis steeds fragmentair blijft en moet blijven, omdat het fragmenteren precies de essentie van het wetenschappelijk onderzoek uitmaakt, terwijl de juiste levenspraktijk daarentegen een totale aangelegenheid is. In die praktijk is de individuele mens betrokken op de gehele natuur, zowel op de natuur in zich als op de natuur om hem heen. [...] We kunnen hier spreken van een rationele intuïtie, die zelf groeit met de levenspraktijk en er dus ondergeschikt aan is, beter, in een voortdurende wisselwerking ermee blijft, waardoor dit weten zich nooit boven of voor die praktijk van het leven kan plaatsen".
Inderdaad is die kritiek op de 'menigvuldigende' (Van Volkom, Bierens de Haan)
werking van de wetenschappen een constante factor in het spinozisme in Nederland.
Niet voor niets wordt het dualisme van Kant gekritiseerd (Kinker, Siffle, Burger
jr., Bierens de Haan) of zelfs weggehoond (Van Vloten, Lotsy, Meijer). Als
Flanor in de jaren zeventig uitroept: 'Weest dus als wij Monist!', dan legt
hij een wezenlijke kern van het spinozisme bloot: wetenschap en de juiste levenspraktijk
vormen een 'totale aangelegenheid'. In de artikelen die de spinozist Lotsy
vanaf 1885 publiceert in De Nieuwe Gids en het Tweemaandelijksch Tijdschrift
heeft de onverzoenlijke houding ten opzichte van religieuze en kerkelijke dogma's
plaats gemaakt voor een aanval op de 'wetenschappelijke grootheidswaanzin'.
Met eenzelfde fanatisme waarmee eerder de theologie onder vuur werd genomen,
wordt nu getracht de wetenschap van haar troon te stoten. Werd de wetenschap
eerder als een bondgenoot in de strijd tegen supranaturalistische vooroordelen
beschouwd, nu moet Lotsy constateren dat wetenschappers alle 'waarheidsliefde'
hebben afgezworen. Want ze hebben een scheiding aangebracht tussen de wijze
waarop ze wetenschap beoefenen en de wijze waarop ze de wereld beschouwen.
Wetenschappers zijn daarom 'halve of kwart-menschen en dikwijls nog minder'.
Een filosoof is daarentegen een 'hele' mens die waarheidsdrang en waarheidsliefde
niet van elkaar kan scheiden.
Willem Meijer trekt even furieus van leer tegen de wetenschappers van zijn
dagen en ventileert een heimwee naar de 'eerste filosofie' (of metafysica)
van de oude Griekse filosofen, waarin natuurwetenschap en wijsbegeerte nog
een eenheid vormden. Onder 'tweede filosofie' verstonden zij alleen die kennis
die voor zintuiglijke waarneming vatbaar is. De huidige natuurwetenschap beperkt
zich tot de 'tweede filosofie', waardoor ze uitspraken slechts behoedzaam kan
aanvaarden, maar 'het wezen der zaak niet raakt'. Jan Diderik Bierens de Haan
wil helemaal niets weten van een empirisch gekleurd idealisme en luidt in zijn
koketteren met het 'okkultisme' de doodsklok voor de wetenschap. De wetenschappen
hebben de mens volledig doen vervreemden van het 'Jenseits' waardoor de 'eeuwige
orde' onzichtbaar is geworden en een schijnwereld haar plaats heeft ingenomen.
De norm der waarheid is in onszelf, zegt Bierens de Haan, waarmee hij de waarheidsaanspraken
van de wetenschap als aanmatigend verklaart. Ook Herman Gorter, tenslotte,
verbeeldt zich in zijn spinozistische periode 'individueel te zijn, aan persoonlijk
gevoel, zonder wetenschap, genoeg te hebben'. Lotsy, Meijer, Gorter en Bierens
de Haan treffen in het spinozisme juist een kritiek op het eenzijdige wetenschappelijke
vertoog aan, al verbinden zij verschillende oordelen en betekenissen aan die
kritiek.
Een laatste tendens die een meer systematische studie van Spinoza's werken
bevordert is de opkomst van politieke en sociale massabewegingen, zoals de
vakbeweging, het socialisme en het confessionalisme. Bijna zonder uitzondering
zijn de spinozisten huiverig voor deze ontwikkeling, omdat 'persoonlijke' en
'zelfstandige' verlichting bij hen voorop staat. Een vrije samenleving is immers
opgebouwd uit vrije persoonlijkheden die tot klaarheid van inzicht zijn gekomen
en daarop hun levenspraktijk hebben ingericht. Moedigde het spinozisme eerder
politieke en maatschappelijke participatie aan, nu bevat het spinozisme waarschuwingen
aan het democratische adres. Of anders: in de vroegste fase diende de staat
te worden bevrijd uit de greep van het theologische vertoog, nu moet de samenleving
en cultuur worden verdedigd tegen de dominantie van wetenschappelijke, economische
en democratische vertogen. In hun afwijzing van de 'kultuurlooze' moderne samenleving
blijven de spinozisten echter onverminderd geëngageerd: de grote politieke
bewegingen worden afgewezen ten gunste van individualisme, onafhankelijkheid
en een belangstelling voor kleine politieke verhalen. Na 1880 speelt het Godgeleerd
Staatkundig Vertoog een steeds grotere rol in de receptie van het spinozisme
in Nederland. Anti-individualisten als Van der Wijck en Meijer hekelen het
proces van maatschappelijke democratisering en nivellering en distilleren uit
Spinoza's politieke denkbeelden een autoritaire eenheidsstaat die haar burgers
grote beperkingen oplegt. Slechts een sterke staat, naar het model van Spinoza
en Bismarck, kan 'het toenemend bederf van het rotte Europa' (Van der Wijck)
een halt toe roepen.
Die specifieke autoritaire lezing stuit op veel verzet. Confessionelen als
Herman Gunning en Abraham Kuyper ageren tegen de 'niet-democratische' tendensen
van het aan Spinoza ontleende 'staatsabsolutisme' dat Meijer en de zijnen ventileren.
Ook individualisten en autonomen voelen zich ongemakkelijk bij de staatsopvattingen
van Spinoza. Bierens de Haan elimineert in zijn Levensleer naar de beginselen
van Spinoza (1900) de wereldleer en de Hobbesiaanse staatkunde uit het spinozisme.
Anarchisten volgen dat patroon, want zij 'kunnen met Spinoza's ideeën
daaromtrent niet meegaan, noch ermee sympathiseeren', zoals Bernard Damme opmerkt.
Bovenstaande ontwikkelingen - de toegenomen academische aandacht voor metafysica
en Spinoza, een verschuiving van antiklerikalisme naar antisciëntisme,
de teloorgang van de eenstemmigheid over het thema van politieke en sociale
participatie - stimuleren een nadere bestudering van Spinoza's werken. In 1895
publiceert Gorter de eerste Nederlandse vertaling van de Ethica sinds 1677,
kort daarop gevolgd door een vertaling van Meijer. De laatste brengt binnen
zes jaar ook vertalingen van het Godgeleerd Staatkundig Vertoog, de Brieven,
de Korte Verhandeling en het Staatkundig Vertoog op de markt. Opnieuw, zoals
destijds in Post Nubila Lux geschiedde rondom de publikatie van Licht- en schaduwbeelden,
schieten verenigingen uit de grond waar filosofische leken het werk van Spinoza
kunnen bestuderen, onder leiding van geoefende denkers als Meijer en Bierens
de Haan. De eerste verenigingen, zoals de Vereniging Het Spinozahuis (1897)
en de Spinoza Studie Club (1904), liggen in 1906 ten grondslag aan de Vereenigingen
voor Wijsbegeerte in Amsterdam en Den Haag. Als daarop ook elders verenigingen
worden opgericht, onder andere in Leiden, Utrecht en Arnhem, zijn de fundamenten
gelegd waarop het Tijdschrift voor Wijsbegeerte kan rusten, als het 'orgaan
dezer beweging'.
Opnieuw wordt deze golf van filosofische publicaties en activiteiten gedragen
door een reeks nieuwe culturele tijdschriften. Spinozisme duikt op in de periodieken
van de Tachtigers, zoals De Nieuwe Gids, De Kroniek en het Tweemaandelijksch
Tijdschrift. Het spinozisme kan hier wederom floreren, enerzijds omdat de literatuur
lange tijd het medium van de spinozisten bij uitstek was. Van Vloten, Multatuli,
Flanor en Van Limburg Brouwer worden in deze kringen hogelijk gewaardeerd als
literaire rebellen en als vroege bestrijders van de burgerlijke samenleving.
Bovendien staat spinozisme altijd garant voor een politiek radicalisme: het
aantreden van de weerbarstige spinozist Lotsy in De Nieuwe Gids geeft uitdrukking
aan het verlangen van de jonge Tachtigers niet louter de literatuur te kritiseren
en te vernieuwen, maar ook het politieke klimaat aan radicale reflecties te
onderwerpen.
Maar ook vrijdenkers en anarchisten vinden in Spinoza een inspiratiebron. Zij
wijden in tijdschriften als De Vrije Gedachte en De Vrije Socialist menig artikel
aan het leven en denken van deze zeventiende-eeuwse vrijgeest. In deze kringen
kan het oude spinozisme - als antiklerikaal en scientistisch vertoog - opnieuw
wortel schieten en maken de opvattingen van Junghuhn, Moleschott, Multatuli
en Van Vloten een opmerkelijke herleving door. In 1892 geeft De Dageraad een
bijna honderd pagina's omvattend 'Moleschott-nummer' uit ter gelegenheid van
Moleschotts zeventigste verjaardag. In de inleiding wordt nog eens duidelijk
gemaakt in welke mate 'Baruch Spinoza en Jacob Moleschott schitterende voorbeelden
zijn' van de 'ware monistische wereldbeschouwing'. Een hoogst actuele kijk
op de wereld waarin 'de innige doordringing [...] van natuurwetenschappelijke
waarneming met philosophisch nadenken' wordt gecombineerd. Schrijvend over
het geestesleven van de eerste twee decennia van de twintigste eeuw, merkt
een andere commentator op:
"Merkwaardig is het feit, dat in de bloeitijd van de materialistiese filosofie, toen in intellektuele kringen het radikalisme, dat alle godsdienst afwees, sterk om zich heen greep, de onkerkelikheid onder de grote massa veel geringer was dan heden ten dage, nu het materialisme als wijsgerig stelsel in intellektuele kringen niet meer zo op de voorgrond staat. Juist nu echter begint de materialistiese filosofie bij de massa goed door te dringen".
Inderdaad, de intellectuelen Meijer en Bierens de Haan stellen zich uiterst
gereserveerd op jegens de belangstelling voor Spinoza en het materialisme in
de kringen van de arbeidersbeweging. Maar hoe verschillend de interpretaties
in deze periode ook weer mogen zijn, alle auteurs vinden elkaar in gevoelens
van vervreemding en in het ventileren van een diepe onvrede met het verlies
van authenticiteit in een jachtige, op winst en nut gerichte samenleving.
Maar de spinozisten staan omstreeks de eeuwwisseling in hun onlustgevoelens
niet langer alleen: zij vormen nog slechts een factie in een veelkleurig landschap
van vervreemding en verlossingstheorieën, waarin - naast tal van varianten
van socialisme - de theosofie en 'de Hegelarij' de belangrijkste concurrenten
zijn geworden. In zijn boeiende studie The Theosophical Enlightenment (1994)
laat Joscelyn Godwin zien hoe de speurtocht naar 'een universeel perspectief
op geschiedenis, mythologie en de wereldgodsdiensten, onafhankelijk van het
bijbels fundamentalisme of de christelijke suprematie' geleidelijk terecht
komt in 'een web van toenemende complexiteit'. Het schijnt een kenschets van
de ontwikkeling die het spinozisme doormaakt, want ook dit raakt rond 1900
verstrikt in een web van complexiteit.
10.3 Tussen engagement en affirmatie
Niemand heeft de stemming van het fin de siècle in Nederland beter
beschreven dan Arthur Josephus de Sopper (1875-1960). In Hegel en onze tijd
(1908) tracht deze door Kant beïnvloedde hoogleraar - en latere opvolger
van Bolland te Leiden - in eerste instantie de belangstelling voor de 'Hegelarij'
te verklaren. Zijn karakterschets doet ons echter ook het streven van de spinozisten
beter verstaan. De maatschappij en cultuurkritiek die hij ventileert lijkt
als twee druppels water op die van Van der Wijck, Meijer en Bierens de Haan.
Hoe verhoudt De Soppers impressie zich tot de kenmerken die Laqueur aan het
fin de siècle toedicht?
De oorzaak van de opleving van het filosofische denken vindt De Sopper in de
inrichting van de moderne samenleving. In de loop van de negentiende eeuw is
de mens geheel afhankelijk geworden van het 'machinaal raderwerk'. Miljoenen
mensen worden dagelijks verlaagd 'tot een zaak, hoogstens een rad'. In plaats
van een 'wereldbeheerscher' is de moderne mens een 'wereldslaaf' geworden,
een 'verlengstuk van een machine' wiens waarde afhankelijk is van wat zijn
arbeid oplevert. Onder invloed van de intensivering van het arbeidsproces en
de toegenomen productie van goederen en genotmiddelen is een gerichtheid op
het 'Dieszeitige' ontstaan, 'waarbij de bovenzinnelijke geestelijke wereld
steeds verder wegnevelt'. De exacte wetenschappen ontrafelen en weven lustig
voort, maar de zin en het doel van dat proces ontgaat de wetenschap steeds
vaker. Het persoonlijke, authentieke leven wordt geheel opgeslorpt door staat,
gemeenschap, economie en wetenschap. Tussen ons en de werkelijke wereld wordt
een schijnwereld opgetrokken. De Sopper noemt dat 'mediatisering'. Dit heeft
gevoelens van vervreemding tot gevolg waardoor een algehele twijfel aan 'vastigheden'
optreedt; 'Het cement der samenleving laat los', zegt De Sopper.
Nu de kerken geen gemeenschap meer kunnen waarborgen, zijn velen overgeleverd
aan de filosofie waar men 'tegen den goedkoopsten prijs van het nieuw aan de
markt gebracht wijsgeerig besef' alsnog oorspronkelijkheid en verlossing hoopt
te vinden. Het nieuwe wijsgerige publiek bestaat uit leken die 'tot voor kort
ten opzichte van den loop van het wijsgeerig denken nog volkomen in den staat
van onschuld' verkeerden. De vele 'Hegelaars' zijn niet door de wijsbegeerte
tot Hegel, maar door Hegel tot de wijsbegeerte gekomen. Hegelianen, debiteert
De Sopper, zijn herkenbaar aan hun gebrek aan wijsgerige scholing en hun verlangen
naar 'philosophigheid en diepdoenerij'. Zij vinden in de zuivere rede, met
zijn eenheid van de tegendelen, een prachtig alternatief voor de veelheid der
meningen, want nu kunnen tal van levensbeschouwelijke problemen 'in een ommezien
met een breeden philosophischen armzwaai' simpel worden opgelost. Zijn argumenten
en overwegingen liggen ook ten grondslag aan de motieven van hen die zich tot
het spinozisme wenden.
Omstreeks 1900 is er in Nederland een bont landschap ontstaan van tijdschriftredacties,
loges, genootschappen, wijsgerige verenigingen, volksgebouwen, salonbibliotheken
en utopische kolonies waar uitdrukking wordt gegeven aan een bloeiend buitenacademisch
wijsgerig leven. Nog steeds wordt deze cultuur gedomineerd door wijsgerige
leken en autodidacten die aan de mediatisering van de samenleving willen ontsnappen:
spinozisten, vrijmetselaars, spiritisten, theosofen, anarchisten, kunstenaars,
utopische kolonisten en ethische socialisten geven expressie aan een schier
'verborgen' cultuur die zijn weerga in Europa niet kent. Zo telt de theoloog
en Leidse hoogleraar Pieter Daniel Chantepie de la Saussaye (1848-1920) in
1907 ruim vijfhonderd actieve theosofen in Nederland, evenveel als in het zo
occult geachte Frankrijk, en ruim het vijfvoudige van de aanhang in Duitsland.
Ook de aanhang van het anarchisme in Nederland wordt in West-Europa slechts
overtroffen door Spanje. De herleving van het neo-hegelianisme verloopt in
Nederland onder Bollands patronage zo stormachtig dat ook elders in Europa
een herleving wordt geactiveerd.
Net als eerder kan de wijsgerige beweging niet met een specifieke politieke
of culturele beweging worden geïdentificeerd: eerder is weer sprake van
wijsgerige beweging. De verschillende wijsgerige richtingen en levensbeschouwingen
zijn namelijk verwikkeld in een bikkelharde concurrentie en oefenen een aantrekkingskracht
uit op dolenden van diverse pluimage. Vrijdenken, spinozisme, anarchisme, theosofie
en 'Hegelarij' worden even gemakkelijk aanvaard als weer verworpen. Het proces
van spirituele en levensbeschouwelijke wedergeboorte en bekering schijnt een
essentieel bestanddeel van het Nederlandse fin de siècle. De levensloop
van de hegeliaan Jacob Hessing (1874-1944) is wellicht illustratief voor deze
consumptie van levensbeschouwingen. Aanvankelijk ondergaat hij als kunstenaar
de invloed van Tachtig - hij is als decoratief tekenaar verbonden aan de werkplaats
van Berlage. Na 1890 bekeert hij zich tot anarchist en levert bijdragen voor
het periodiek Licht en Waarheid, een aanvankelijk anarchistisch tijdschrift
dat geleidelijk in theosofische richting evolueert. De huisfilosoof van het
blad is de ex-predikant en vrijdenker Willem Meng (1843-1924), een van de eerste
theosofen in Nederland. Omstreeks 1900 verruilt Hessing onder invloed van Bolland
de theosofie voor de 'Hegelarij'. Na Bollands dood zal Hessing het hegelianisme
op diens grondslag voortzetten in het Bolland-Genootschap voor Zuivere Rede.
Voor de goede orde dient hier nog te worden opgemerkt dat het anarchisme in
Nederland twee gezichten heeft. Enerzijds is het een publieke, politieke beweging
die de non-etatistische tak van de socialistische arbeidersbeweging vertegenwoordigt:
het vrije socialisme van Domela Nieuwenhuis en Bernard Damme. Maar achter die
publieke verschijning gaat ook een meer gnostisch, sofistisch anarchisme schuil
dat grote waarde hecht aan genootschapen, vrijplaatsen en utopische gemeenschappen.
De 'Rein Leven-beweging', de tolstojanen, het christenanarchisme, utopische
kolonies als Walden en Laren-Blaricum, enzovoorts, kenmerken zich door dezelfde
spanning tussen engagement en affirmatie die zo typerend is voor bewegingen
als de theosofie, de 'Hegelarij' en het spinozisme. In zijn naslagwerk over
geheime genootschappen betrekt Georg Schuster het anarchisme dan ook in zijn
inventarisatie.
In dit woelige klimaat past de concurrentie programma's en thema's voortdurend
aan om aan de vraag van het publiek naar wijsbegeerte te kunnen voldoen. Zo
nodigt de Amsterdamse Theosofische Vereeniging in 1907 en 1908 de Duitse filosoof
Rudolf Steiner uit en vraagt men hem een curriculum te verzorgen over het thema
'Theosophie & Hegel'. Kon eerder in de negentiende eeuw Spinoza nog worden
aangeroepen om de nieuwere stromingen in de wijsbegeerte te integreren in de
'taal van het kleine Nederland', omstreeks 1900 brengt Bolland meer eenheid
in deze diffuse en diverse beweging, die veel minder eenduidig en zeker minder
politiek van aard is dan de beweging rondom het Spinoza-monument in 1880. Maar
ook Bolland is zich van die concurrentie bewust en doceert als een kind van
zijn tijd over de theosofie, over de vrijmetselarij en over de dialectiek van
de anarchist Proudhon.
De Sopper meent dat het politieke karakter van de 'Hegelaars' is gefundeerd
in een 'ironisch-irenische stemming'. Het geloof in de hervorming van maatschappelijke
en politieke instellingen, of moderner, het vertrouwen in een grote mars door
de instituties, is tot het nulpunt gedaald. De maatschappij heeft 'een slechte
oneindigheid', zegt Bolland. En iedere 'wijsgeerig gezinde', vervolgt Bierens
de Haan, dient zich te onthouden 'van de propaganda voor zuiver uitwendige
maatschappelijke verbeteringen'. In meer hedendaagse termen kunnen we stellen
dat een algehele twijfel aan de grote politieke verhalen overheerst: christendom
en socialisme hebben afgedaan en er wordt gezocht naar een andere omgang met
de werkelijkheid, zoals Bierens de Haan bepleit. Spinozisme en hegelianisme,
maar ook anarchisme, occultisme, theosofie, kleine religies en utopische kolonies
getuigen van zo'n geleefde en doorleefde andere omgang met de werkelijkheid:
het zijn de kleine verhalen of virtuele werkelijkheden die worden geaffirmeerd
in een veelheid van levensstijlen, levensleren en levenspraktijken. Wijsgerige
verenigingen, genootschappen, utopische gemeenschapjes, spiritistische kringen,
theosofische loges, enzovoorts, zijn vrijplaatsen - of 'tijdelijke autonome
zones' - waar in de schaduw van de 'konkreet-voorspelbare wereld' de 'hartstocht
der ware werkelijkheid' (Bierens de Haan) weer kan opklinken. Alleen hier kan
nog vrijelijk worden geademd en alleen hier kan een nieuwe samenleving tot
ontkieming komen. De Sopper schrijft:
"We staan verlegen met de leegte, de hulpelooze zwakheid en onvastheid van het samenhanglooze individu, en nog meer met het anarchisch aggregaat van zoodanige individuen. Onze beschaving mist alle 'Einheitlichkeit'. Er is geen gemeenschappelijke bodem, waarop de tijdgenoten elkaar kunnen ontmoeten. Alle groote grondslagen van het leven zijn losgewoeld en kwesties geworden, waarover men redetwist. We kunnen zoo goed als niets veronderstellen en moeten van onderen af opbouwen. Dat alles heeft ook een verblijdende zijde. Het geestelijk bezit kan er bewuster en meer persoonlijk door worden".
Het ontwerpen van grote eenheidssystemen - 'Hegelarij', theosofie, spinozisme - vindt De Sopper een typerend verschijnsel onder deze omstandigheden. Hij signaleert een vermoeidheid ten aanzien van het debat en de veelheid der meningen: "De menschen zijn het gedurige over en weer praten van voor en tegen moe geworden [...], zij begeeren weer een 'boekje'". Welnu, die 'boekjes' worden dan ook in groten getale aangeboden en overal treden leermeesters op de voorgrond die zich bereid tonen de dolenden in hun tempels te leiden:
"Wie de absolute waarheid heeft ontdekt of uitgevonden, en met een behoorlijke dosis zelfaffirmatie als leermeester der waarheid optreedt om anderen in haar tempel binnen te leiden, is de man van den dag".
Het fin de siècle telt dan ook vele mannen en vrouwen 'van den dag'
die tot inzicht zijn gekomen en velen inleiden tot een andere omgang met de
werkelijkheid. De Amsterdamse theosofie is onlosmakelijk verbonden met de spirituele
inzichten van het medium Madame Hermance de Neufville ; zonder het charismatische
optreden van Bolland is de 'Hegelarij' volstrekt ondenkbaar; Meijer wordt door
zijn leerlingen 'Meijer-Spinoza' genoemd; het vrije socialisme is geheel opgetrokken
rondom de bijna mythische figuur van 'us Verlosser' Domela Nieuwenhuis. Zij
vormen, in de termen van Bernard Damme, een 'moderne adel' die niet alleen
stelling neemt tegen het concrete en het tijdelijke (de voortschrijdende arbeidsdeling,
industrialisatie, consumentisme, verkeersdrukte en de aantasting van de natuur),
maar die ook door middel van de wijsbegeerte 'een harmonie met de instinkten'
wil bewerkstelligen. In zijn opstel 'Op zoek naar een Nederlands fin de siècle'
(1993) schrijft Remieg Aerts dat in de periode omstreeks de eeuwwende een preoccupatie
met de idee van een 'hooger leven' of 'schoon leven' meer dan opmerkelijk is: "Veel
werd in de jaren 1890 verwacht van voorbeeldige, verbindende en bezielende
persoonlijkheden: 'mannen in wien het volk zich zelf herkent'. Christus, Rembrandt,
de Dichter-Ziener". In dit rijtje hoort Spinoza ongetwijfeld ook thuis.
Deze, in feite neognostische terugtrekking in hermetische levensleren en beschutte
vrijplaatsen van 'hooger leven' (in de gnostische literatuur 'pleroma' genoemd)
bevordert bovendien gevoelens van paranoia en stimuleert complottheorieën
ten opzichte van de boze buitenwereld. De natuurwetenschapper Van der Waals
jr. meent dat Bierens de Haan en de zijnen voortdurend de indruk wekken te
worden vervolgd door een positivistische inquisitie. Ook van Bollands paranoia
en zijn antisemitische huiver voor een complot van plutocraten en positivisten
hebben we inmiddels een goede indruk gekregen dankzij de biografie van Willem
Otterspeer en een recent essay van Stef Severt. Meijer wijst zijn systematisch
spinozisme aan als de enige juiste weg - de 'vera philosophia' - naar heil
en oorspronkelijkheid: 'een andere is er niet'.
Ter rechtvaardiging van het eigen idealistische standpunt moet het de geschiedenis
van het denken uiteraard schematisch worden teruggebracht tot een strijd tussen
naturalisme en idealisme, die uiteindelijk in het voordeel van de laatste wordt
beslecht. Ongemeen fel wordt van leer getrokken tegen de verderfelijke werking
van naturalisme, materialisme, positivisme en empirisme. Zelfs respectabele
spinozistische voorgangers als Van Vloten, Moleschott en Lotsy moeten het in
die veldslag ontgelden. Er wordt voornamelijk op spoken gejaagd, want ook de
oude spinozisten waren idealist in hart en nieren. Zelfs de radicale vrijdenkers
van De Dageraad namen al stelling tegen de 'zigeuners in de zedenkunde' en
definieerden materialisme zuiver als een gewenste, empirische methode van wetenschappelijk
onderzoek. Ook de 'materialist' Moleschott hield zich verre van het vulgaire,
ontologische materialisme waarmee zijn Duitse collega's met bravoure de publieke
opinie bestookten. Bovendien kende ook de 'wijsbegeerte der ervaring' aan de
Nederlandse universiteiten maar een korte zomer. In De Nieuwe Gids merkt Lotsy
dan ook fijntjes op dat de discussie tussen idealisme en materialisme in feite
een non-discussie is. Hij wijst daarbij op Spinoza en de spinozisten die steeds,
vanuit idealistische motieven, de actuele hypothese van de eenheid van beide
hebben verdedigd.
Empirisme en positivisme verdwijnen niet plotseling van het Nederlandse toneel
vanwege een idealistische revolte, zo merkt Piet Blaas terecht op, maar herzien
zichzelf grondig. Deze herziening lijkt de idealisten van het fin de siècle
volstrekt te ontgaan en maakt de polemieken die zij initiëren veelal zinloos
en overbodig. In de vele polemieken - zoals die tussen de 'positivist' Pannekoek
en de 'idealist' Bierens de Haan, en tussen de 'wetenschapper' Jelgersma en
de 'wijsgeer' Meijer - wordt een positivisme bestreden dat nauwelijks in Nederland
werd beleden. Het antipositivisme heeft omstreeks de eeuwwisseling allereerst
een ideologisch karakter: het beoogt het sluiten der gelederen in de guerrilla
tegen een moderne wereld en levensbeschouwing 'die ontzaggelijk veel kwaad
heeft gesticht', aldus Meijer, waarmee hij het bestaansrecht van het Tijdschrift
voor Wijsbegeerte ook meteen rechtvaardigt. Tegenstanders, zoals de marxist
Pannekoek, spreken van 'aanmatiging' omdat hun filosofie 'wel de goedheid wil
hebben zich met de wereld te bemoeien, maar er ook zonder kan'. De liefde tot
de wereld is een problematische liefde geworden. Een 'Hemel op Aarde' laat
nog even op zich wachten.
10.4 Kenmerken van de Spinoza-receptie in Nederland
Hoewel het verleidelijk is twee spinozistische momenten te
onderscheiden - een antitheologisch (1855-1880) en een antiscientistisch
moment (1880-1907)
- wil ik de continuïteit van het spinozisme in de Nederlandse cultuur
beklemtonen als een permanente aansporing aan ontwikkelde burgers zich te ontdoen
van alle dominante vertogen die hun ware aard, roeping of natuur versluieren.
Spinozisme is een specifieke stemming, een bevrijdingsleer, zoekt naar juiste,
authentieke levenspraktijken, en bevat de belofte de ware werkelijkheid bloot
te leggen, die schuil gaat achter de wereld zoals die aan ons verschijnt. Spinozisme
is een tot inzicht komen, een rationele intuïtie ontwikkelen, een sleutel
tot het wereldraadsel vinden, een poging de mediatisering van de wereld een
halt toe te roepen. Omdat het spinozisme meer is dan alleen een wijsgerige
stroming, kent de receptie van Spinoza in Nederland een aantal specifieke kenmerken.
Vanuit bovenstaande optiek is het niet verwonderlijk dat het spinozisme als
systeem zelf het eerste slachtoffer van het spinozisme als stemming is. Reeds
in de interpretaties van Bernard Nieuhoff en Johannes van Vloten wordt gesproken
over het 'louteren' van Spinoza's wijsbegeerte: de strenge structuur van de
Ethica moet worden 'ontdaan van zijn mathematische schors' en de denkbeelden
dienen in overeenstemming te worden gebracht met actuele ontwikkelingen en
eisen. Louteren is engageren. Doel is immers het vinden van waarachtigheid
en oorspronkelijkheid. Maar in het ontwerpen van een filosofisch systeem schuilt
steeds het gevaar dat het systeem zelf voor werkelijkheid wordt aangezien.
Kinker verwerpt al rond 1800 alle systemen, want zodra verstandelijke stelselzucht
zijn handen uitstrekt naar het 'hoogere leven', stort de werkelijkheid als
een 'droomgevaarte' in de afgrond. Een commentator van De Dageraad hekelt de
stelselzucht van Hegel en pleit met Spinoza voor meer 'gezond verstand' in
de wijsbegeerte. Nog in 1913 zou Bierens de Haan de zuivere rede van Bolland
op dezelfde gronden verwerpen: Hegel was een visionair en een groot denker,
maar 'in zijn naaktheid kan het stelsel [van de zuivere rede] de rechtstreeksche
zienswijze nooit vervangen'.
Alle Nederlandse spinozisten - Willem Meijer uitgezonderd - hebben op eclectische
wijze gebruik gemaakt van de wijsbegeerte van Spinoza, waarbij ze zich hebben
laten leiden door de stemming of geest van het spinozisme. Soms werd aan de
geometrische methode nog enig didactisch (Burger jr.) of therapeutisch belang
(Gorter) gehecht, maar van een systematische, aan de wiskunde ontleende introductie
van Spinoza's denkbeelden is in Nederland geen sprake geweest. Het kortstondige
succes van Meijer - een 'man van den dag' wiens naam na zijn dood niet meer
genoemd werd - dient te worden verklaard uit het even kortstondige verlangen
naar 'een boekje' dat houvast zou moeten bieden in de crisis der waarden.
De meest militante tegenstander van ieder systeemdenken is zonder twijfel Multatuli
die zijn Ideeën en Millioenenstudien al stelling nam tegen het 'saamknoeien'
van de wereld in een enkel stelsel. In tegenstelling tot Spinoza, aldus Multatuli,
slaagde Van Vloten wel in zijn pogingen 'in de dagelykse spreektaal' niets
te zeggen 'wat niet ieder kan begrypen'. Niet in de geometrische methode, maar
in het proza van de alledaagse spreektaal horen wijsgerige inzichten door te
klinken. Junghuhn, Van Vloten, Moleschott en Van Limburg Brouwer hebben zich
in hun 'lofzangen in proza' met veel passie van die taak gekweten. In hun systeemkritiek
hebben spinozisten alle dominante vertogen onder vuur genomen: theologie, wetenschap,
liberalisme, socialisme, 'Hegelarij', enzovoorts. Zij tekenen permanent en
principieel verzet aan tegen alle 'doctrinaire domheden', zoals Lotsy opmerkt.
Louteren is engageren, maar ook het verdedigen van het eigen, vrije denken
en het gezond verstand tegenover alle koloniserende vertogen.
Een tweede aspect dat de continuïteit van het spinozisme aantoont, is
de permanente polemiek met het dualisme van Kant. Wie over Spinoza spreekt,
spreekt tevens over Kant. Beide wijsgeren worden voortdurend naast of tegenover
elkaar geplaatst. In 1903 legt Petrus Hugenholtz jr. - predikant van de Vrije
Gemeente te Amsterdam - uit waarom zijn kerkgenootschap Spinoza en Kant heeft
vereeuwigd in gebrandschilderde ruiten:
"Op een van de beschilderde vensters der Vrije Gemeente [...] prijkt naast de beeltenis van Spinoza die van Immanuel Kant. Tusschen beiden bestaat in menig opzicht een sterke overeenkomst. Beiden waren zwak naar 't lichaam: Spinoza de teringlijder [...] en Kant de kleine, ietwat mismaakte man [...]. Maar in beider nietig lichaam huisde een reuzengeest. Beiden zochten als diepe en scherpe denkers, elk langs zijn weg, de oplossing van het levens- en wereldraadsel. Beide waren diep religieuze persoonlijkheden, beiden zagen in de wereld der gedachten de hoogste werkelijkheid, in God den diepsten grond van 's menschen bestaan".
Maar verschillen zijn er ook: de scheiding die Kant in zijn kritiek der zuivere
rede aanbrengt tussen de kenbare wereld en de werkelijke wereld is voor spinozisten
onaanvaardbaar. Hun zorg bestaat immers uit het bijeenhouden van de werkelijkheid.
Dat wij louter zijn aangewezen op de kenbare verschijnselen in de wereld, leidt
tot fragmentering, 'menigvuldiging', 'atomisme' en uiteindelijk vervreemding:
het cement van de samenleving laat los. Belangrijke vragen als: Wat is ziel?
Wat is onsterfelijkheid? Wat is de wereld? Wat is God? Hoe hangen de natuurverschijnselen
samen? Hoe verhouden wij ons tot het Al? enzovoorts, reiken verder dan het
gebied van de ervaring en het experiment. Antwoorden op dergelijke vragen zijn
dus ijdel omdat de menselijke rede niet het vermogen heeft uit te stijgen boven
door tijd en ruimte begrensde verschijnselen.
Daar Kant zelf ook besefte dat mensen desondanks nu eenmaal worden gedreven
door een onweerstaanbare drang om voorbij de begrenzingen van het verstand
te treden, maakte hij alle ruimte voor het geloof: de rede kan het bestaan
van God, een ware werkelijkheid, een al-enige natuur, onsterfelijkheid, enzovoorts,
weliswaar niet bewijzen, maar ook niet weerleggen. Voor predikanten als van
Volkom en Scheffer, maar ook voor metafysische denkers als Kinker, Burger jr.,
Siffle en Bierens de Haan, ontslaat Kant hen van de behoefte hun metafysica
in overeenstemming te brengen met de dwingende feiten van de natuurwetenschap.
Het laat hen immers vrij een persoonlijke overtuiging te verwerven. Want, zo
schrijft Siffle, 'hoe zal ons de ervaring alleen verheffen tot erkenning van
het eeuwige en onbegrensde?' Ze vinden in Spinoza een bruggenbouwer die het
dualisme van Kant overwint en het zicht opent op 'de grenzelooze oceaan waar
alles uit ontwelt'.
Andere, doorgaans onverbloemd atheïstisch ingestelde, spinozisten zoals
Van Vloten, Lotsy, Gorter en Meijer, zoeken geen vernieuwd geloof maar eisen
objectieve en wetenschappelijke zekerheid. Kants 'scholastieke hansworsterij'
(Lotsy) wordt hier weggehoond, omdat hij geloof en bijgeloof opnieuw van een
rechtvaardiging voorziet. Deze harde rationalisten vatten Spinoza's enige substantie
op als een empirisch bewijs voor het bestaan van een 'eeuwig naturende natuur'
of het 'oorzakelijke verband der dingen'. In de opkomst van de psychologie
vinden ze bovendien steun voor hun opvatting van spinozisme als 'een wetenschap
van de geest': Spinoza was de eerste psycholoog. Zelfs empirisch onderzoek
naar het voortbestaan van de geest na de dood moet objectief en wetenschappelijk
mogelijk zijn, beweren Betz en Lotsy jaren nadat Polak, Siffle en Burger jr.
al over het spiritisme hadden gedebatteerd naar aanleiding van passages uit
de Ethica.
Is Kant voortdurend prominent aanwezig onder de spinozisten, ook Hegel laat
diepe sporen na in de receptie van Spinoza. Als wijsgeer van de geschiedenis
maakte hij een enorme indruk met zijn dynamische geschiedopvattingen: de geschiedenis
(van het denken) moet worden opgevat als een doorlopend proces waarin denkbeelden
nieuwe denkbeelden oproepen en waarin clusters van denkbeelden een tijd of
een samenleving geheel kunnen doordringen. Voor Hegel zijn mensen, volkeren
en tijdperken noodzakelijke doorgangsstadia in een mondiaal, suprapersoonlijk
historisch proces. De verschillende stadia zijn noodzakelijke stadia waarin
de wereldgeest en de mensheid zich schoksgewijs van minder volmaakt naar meer
volmaakt ontwikkelen. Zo volgt ook de ontwikkeling van de filosofie de rede
op weg naar haar uiteindelijke ontplooiing. Uiteraard was Hegel zelf onbescheiden
genoeg om zijn eigen wijsbegeerte te beschouwen als het slotakkoord van de
geschiedenis van het filosofische denken. Ook de Nederlandse spinozisten integreren
de ontwikkeling van de subjectiviteit (bewustzijnsfilosofie) in hun receptie
van Spinoza.
De gedachte van de noodzakelijk gang van de geschiedenis beheerst dan ook het
werk van de Nederlandse spinozisten omstreeks het midden van de eeuw. In een
ver verleden - de 'Gouden Eeuw' (Burger jr.) of 'het tijdperk van het onbevangen
menschdom' (Moleschott) - bestond er nog geen scheiding tussen natuur en cultuur,
tussen lichaam en geest, tussen de goddelijke en de menselijke sfeer (Bierens
de Haan). Het einde van dat tijdperk is nog in het duister gehuld, menen de
auteurs, maar hierop volgde een tijd waarin het lichamelijke en het zinnelijke
domineerden. Burger jr. spreekt van de tijd van het 'sensualisme', Moleschott
van het 'dichterstijdvak'. Dit tijdperk werd weer gevolgd door een periode
waarin de fixatie op het geestelijke leven de overhand kreeg: de tijd van het
'spiritualisme' of het 'monnikentijdvak'. Nu echter staan we op de drempel
van een nieuwe tijd die we kunnen aanduiden als de tijd van het 'humanisme'
of het 'monistische tijdvak'. In dit laatste stadium van de geschiedenis wordt
de spontane eenheidsbeleving van het onbevangen mensdom verbonden met de liefde
voor de wetenschap van het monnikentijdperk. Van Vloten vat die gedachtegang
bondig samen als hij opmerkt dat we niet langer 'Burger' of 'Kristen' zijn,
maar eindelijk 'Mensch' kunnen worden. Net zoals is geschied onder Duitse hegelianen
als Ludwig Feuerbach, Moses Hess en Kuno Fischer, wordt Spinoza hier geëerd
als ziener en visionair: hij zag als 'blijde boodschapper' vooruit op een nieuwe
tijd die nu pas aanbreekt. Spinoza belichaamde de noodzakelijkheid waarmee
de wereldgeest op humanisme en monisme afstormt. Hij staat model voor het einde
van de geschiedenis.
Omstreeks de eeuwwisseling menen velen - onder wie Moleschott, Lotsy en Gorter
- dat de dialectische ontwikkeling van de mensheid of wereldgeest afstevent
op een socialistische samenleving. In marxistische kringen ontstaat een nieuwe
bewondering voor Spinoza, in wie zij een vroege dialecticus bespeuren, zo lezen
we bij Ger Harmsen. In de Spinoza-interpretatie van de antisocialist Meijer
krijgt dit ontwikkelingsdenken echter geen enkele plaats, omdat het spinozisme
als zijnsleer niet te verbinden zou zijn met een ontwikkelingsleer als het
hegelianisme. De crux van het spinozisme is immers, zo houdt hij de ontwikkelingsdenkers
voor, dat elke historiciteit ontbreekt. De menselijke geest heeft zich nooit
naar een hoger plan ontwikkeld, want hij is 'een modus van de zich zelf altijd
gelijkblijvende denking'. Men kan tot inzicht geraken, of niet. Bovendien acht
Meijer discussies over voor en nahistorische tijden zinloos, omdat we daarover
alle kennis ontberen. Zijn spinozistische tegenvoeter Bierens de Haan, die
noch voor de wereldleer van Spinoza, noch voor die van Hegel belangstelling
heeft, modificeert zijn levensleer naar de beginselen van Spinoza wel tot een
ontwikkelingsleer op hegeliaanse grondslag. Daar de menselijke natuur zich
kenmerkt door 'activiteitsdrang', moet een levensleer gericht zijn op een versterking
van de eigen activiteit, op een trapsgewijze opklimming naar hogere individualiteit.
Bovendien heeft de idee van 'affirmatie', zo populair omstreeks de eeuwwende,
hegeliaanse trekken. Enerzijds verwijst affirmeren naar het bekrachtigen van
een levensleer door middel van het inrichten van een specifieke levensstijl
(theosofie, anarchisme, enzovoorts), maar tegelijkertijd behelst affirmeren
ook het berusten in de noodzakelijke loop van de geschiedenis, in de wereldgeest.
Als De Sopper spreekt van 'ironisch-irenisch', doelt hij op deze spanning tussen
fatalisme en utopisme: maatschappelijk engagement is tot een probleem geworden,
want de wereldgeest ontwikkelt zich immers onafhankelijk van ons ingrijpen
naar volmaaktheid (ironisch); in het affirmeren van een levensleer en een levensstijl
wordt getracht de wereldgeest alvast een handje te helpen door zelf ernst te
maken met de ontplooiing van de eigen individualiteit - en vervolgens de collectiviteiten
- naar een hoger plan (irenisch). Op weg naar dat hogere luidt de ethische
vraag die Bierens de Haan zijn gehoor steeds voorlegt: heeft u uw individualiteit
bevorderd?
Een vierde kenmerk van het spinozisme in Nederland betreft de specifieke wetenschapsopvatting
die ik eerder als 'telescopisch' heb gedefinieerd, en door Commers met 'praktisch
weten' wordt aangeduid. Nogmaals, het gaat de spinozisten niet om objectieve
kennis van een bepaald wetenschappelijk deelgebied, maar om kennis die betrokken
is op de gehele natuur, zowel op de natuur in de mens als op de natuur om hem
heen. In hun wetenschappelijke en wijsgerige arbeid worden natuurverschijnselen
als het ware voortdurend scherpgesteld, en vervolgens weer uitgelicht om die
verschijnselen vanuit een universeel en eeuwig perspectief te beschouwen. Dit
is, om de woorden van Meijer in herinnering te roepen, het zien door de lenzen
die Spinoza geslepen heeft, een zien 'van boven af en van de zonzij'. De kijktorens
en platforms die Franz Junghuhn hoog in de bomen en bergen van Java bouwde,
zijn wellicht de mooiste illustratie van dit telescopische verlangen.
Zonder uitzondering hebben alle spinozisten steeds gewezen op deze eenheid
van ervaring en reflectie. Het schijnt verleidelijk om in dit proces louter
geseculariseerde echo's te zien van de oude fysico-theologie en de vrijmetselarij
in hun verlangen naar authentieke Gods- of Natuurervaringen. Maar in de hedendaagse
milieufilosofie wordt spinozisme soms ook opgevat als een ecologisch denken.
Spinoza was weliswaar geen ecologisch filosoof, schrijft Kees Schuyt, maar
een oprechte eerbied voor de natuur beheerst zijn werk. Ook ecologen als Arne
Naess en in Nederland Marius de Geus beschouwen het spinozisme als een vroege
bondgenoot van de ecologie. De laatste pleit zelfs voor een 'telescopische
ecostaat': dat is een staat die net als een uitschuifbare telescoop zowel kan
'scherpstellen' (het opsporen van milieuproblemen) als 'meegeven' (het respecteren
van de individuele keuzevrijheid in het zoeken naar oplossingen) en 'uitschuiven'
(rekening houden met het lot van de gehele aarde en met toekomstige generaties).
Aan Spinoza ontlenen de hier genoemde auteurs vervolgens het belang van de
'levensstijl' of 'het goede leven'. Beide facetten, een telescopisch wetenschapsideaal
en de juiste levenspraktijk, zijn inderdaad onlosmakelijk verbonden met het
spinozisme. In de 'onlandige' Nederlandse context hebben zij allen hun liefde
voor de natuur bezongen en zijn ze ongemeen kritisch opgetreden tegen aantastingen
van het natuurlijke landschap door industrie en verkeer. De liefde voor de
natuur is niet zuiver esthetisch, maar ook noodzakelijk omdat de natuur het
wijsgerige temperament aanspreekt. Opnieuw is Meijer een uitzondering: hij
acht de natuur vooral een paradijs voor 'trekvogels en kunstdweepers' waar
'beschaafde menschen' geen heil zullen vinden. Het merendeel van de spinozisten
onderhoudt echter een liefdevolle relatie tot de natuur. Het werk van Moleschott
is zo goed leesbaar, schrijft Vincent Peeters, juist dankzij die liefde voor
de natuur: in zijn studies 'zien we de natuurmens Moleschott wandelen door
het ongerepte woud'. Voor anderen, zoals Bierens de Haan, biedt het platteland
een authentieke bevolking die dicht bij de natuur staat, waardoor filosofische
vermogens worden gevoed. Een tijdgenoot deelt dat triviale standpunt en merkt
in 1909 op:
"Wie veel met boerenmenschen heeft omgegaan, weet het, hoe oorspronkelijk
hun oordeel veeltijds is, hoe sommigen echte philosofen zijn, die goed en diep
hebben nagedacht over de gewichtigste vragen".
Toch is het een overweging waard het spinozisme te betrekken in een diepgravende
studie naar het denken over ecologie en milieufilosofie in Nederland. Ook
Schuyt typeert het spinozistische wetenschapsideaal als een 'loving or feeling
intellect', een 'in de geschiedenis onderdrukte kennisleer, die nog enkele
sporen heeft nagelaten in de Amerikaanse filosofie van Emerson, Thoreau,
Santayana en Dewey'. Ik deel die opvatting, maar signaleer die onderdrukte
kennisleer ook in het hedendaagse holisme van het Nieuwe Tijdsdenken, de
'diepe' ecologie van actiegroepen als Earth First! en Groen Front, de sociale
ecologie van groene politieke partijen, en in de ecosofie van Franse denkers
als Gilles Deleuze en Felix Guattari.
Een laatste constante in het spinozisme vinden we in de liefde voor de Nederlandse
taal als filosofische taal. Vanaf het begin van de eeuw wordt de Nederlandse
taal steeds belangrijker als de taal van de wijsbegeerte. Terwijl de universiteiten
zich pas in de tweede helft van de negentiende eeuw geleidelijk tot het Nederlands
wenden, geven de kantianen Kinker en Van Hemert omstreeks 1800 al een Nederlandstalig
filosofisch periodiek uit. Volgens Henri Krop is de relatie tussen filosofie
en literatuur in Nederland nooit hechter geweest dan rond 1800. Hij merkt het
kantianisme aan als de eerste wijsgerige stroming in Nederland die zich van
de landstaal bedient: "Zij hebben de wijsbegeerte in Nederland tot wijsbegeerte
in het Nederlands gemaakt". Het spinozisme, zoals we reeds zagen, is steeds
onlosmakelijk verbonden geweest met de opkomst van en de kritiek op het kantianisme.
In de negentiende eeuw heeft niet het kantianisme maar het spinozisme een verdere
bijdrage geleverd aan het openbreken van de Nederlandse taal als een filosofische
taal. Aanvankelijk hebben die vertalingen een puristisch karakter (Kinker,
Scheffer, Siffle, Burger jr.) er worden we geconfronteerd met begrippen als
'overnatuurkunde', 'onafdingbaar pligtsgebod', 'afgetrokken denken', 'bespiegelen',
enzovoorts. Maar in het werk van Moleschott en Opzoomer wordt voor het eerst
gebruik gemaakt van internationale technische termen als metafysica, categorische
imperatief, logica, speculatieve wijsbegeerte - een tendens die zich heeft
voortgezet tot in de huidige tijd.
De publicaties die aan Spinoza en het spinozisme worden gewijd, maar ook de
vertalingen van Spinoza's werken hebben over het algemeen een helder en dagelijks
taalgebruik. Auteurs als Van Vloten, Multatuli, Lotsy, Betz en Meijer hebben
voortdurend gehamerd op een begrijpelijk Nederlands, al zijn ze in hun vertalingen
van spinozistische definities en begrippen soms ver afgedreven van de oorspronkelijke
betekenissen, zoals Piet Steenbakkers in zijn commentaar op de Nederlandse
Ethica-vertalingen aantoont. Zoals in het werk van Kinker filosofie en literatuur
een hecht verbond hebben gesloten, zo hebben ook veel spinozisten uitdrukking
gegeven aan hun liefde voor de Nederlandse taal als een filosofische taal:
niet voor niets gaat hun wijsbegeerte schuil achter 'lofzangen in proza'.
Tevens hebben de spinozisten - Bierens de Haan uitgezonderd - protest aangetekend
tegen obscure taalpraktijken, zoals die van Bolland. In zijn drift aan te tonen
dat het Nederlands de taal is van de zuivere rede heeft deze een geheel nieuw
vocabulaire samengesteld, dat ook vandaag nog uitermate curieus moet worden
geacht. Ook Bierens de Haan is niet geheel vrij van de taalzuiveringen die
Bolland met 'een schitterende virtuositeit' introduceerde. Voor de esthetici
van Tachtig krijgt de wijsbegeerte daarmee echter juist een poëtische
glans: Albert Verwey ziet in Bollands taalgebruik voor het eerst 'de onpersoonlijkheid
van het geschrevene' verdwijnen in 'de persoonlijkheid van het gesproken woord'.
Tjitze de Boer spreekt na het horen van Bollands oratie van 'dichterlijke ontboezemingen'
en bespeurt in diens filosofische bespiegelingen 'een stemming die zich wel
laat uitzeggen in een gedicht, maar niet overleveren als een leer'.
Oudere spinozisten als Marius Lotsy en Hendrik Betz hebben zich zowel vermaakt
met als geërgerd aan het hocuspocusjargon waarvan deze filosofen zich
zouden bedienen. Het 'woordenspel', debiteert Bolland in zijn Collegium Logicum
(1905), 'is het hoogste - en diepste - waartoe een mensch kan komen'. De zuivere
rede is niet mogelijk 'zonder de listigheid van woordenspel'. De spinozist
Betz ziet in het woordenspel van Bolland en Bierens de Haan echter 'een dieventaal
ter misleiding der oningewijden'. Zijn collega Lotsy meent dat Bolland en Bierens
de Haan geen filosofie beoefenen, maar teksten produceren 'die als twee druppels
water op echte filosofie lijken'. Met Spinoza menen ze dat de taal waarvan
een filosoof zich bedient duidelijk moet zijn. Welnu, in die duidelijkheid
hebben spinozisten zich met graagte gewenteld: vooral in polemieken met theologen,
wetenschappers en politici wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de alledaagse
spreektaal en worden humor en ironie niet geschuwd. De buiten-academische wijsgerige
richtingen - kantianisme, spinozisme en hegelianisme - hebben op hun eigen
wijze geexperimenteerd met de Nederlandse taal als filosofische taal. Voor
de hedendaagse lezer klinkt die taal soms geexalteerd, soms gedateerd, en soms
ronduit komisch. Over dat experiment merkt een taalkundige op:
"In een tijd waarin men meende dat de natuurlijke taal in vele opzichten tekort schoot - Nederlandse Esperanto-verenigingen komen van de grond, de uitgangspunten van de latere signifische beweging krijgen vorm - zette Bolland voor het wetenschappelijk vertoog juist z'n kaarten op die natuurlijke taal en poneerde als taal-immanent optimum het Nederlands. Ik moet bekennen dat ik het als neerlandicus toch wel eens jammer vind, dat toen niet in brede kring Bolland op z'n woord is geloofd".
Al eerder, onder druk van deze 'vernederlandsing' van de filosofie, schafte de onderwijswet van 1876 de Latijnse taal definitief af als de verplichte academische taal waarin gefilosofeerd moest worden. De herleving van spinozisme en hegelianisme moet daarom ook worden opgevat als een groot experiment met de Nederlandse taal als filosofische taal.
10.5 Spinozisme: vormgever van heilsverwachtende oriëntaties in het fin
de siècle
Het Nederlandse fin de siècle wordt beheerst door een streven dat Gerlof
Verwey heeft gekenschetst als 'seculiere soteriologie': het uitdrukken van
existentiële ervaringen van de tragische gespletenheid en het conflict
tussen natuur en cultuur, authenticiteit en schijn, leven en geest, enzovoorts,
in een seculiere heilsleer. Het besef van dat tragische, gespleten, dualistische
wereldbeeld loopt als een rode draad door de spinozistische beschouwingen.
Met enige nostalgie wordt teruggeblikt naar het prehistorische tijdvak van
'het onbevangen mensdom' (Burger jr.) waar nog geen scheiding bestond tussen
'de twee sferen' (Bierens de Haan). Toch zijn de spinozisten optimistisch,
omdat de tegenstellingen uiteindelijk zullen worden verzoend op zowel individueel,
sociaal als kosmisch gebied. De wereld en de menselijke geest ontwikkelen zich
immers naar evenwicht, harmonie en sociaal-politieke gerechtigheid ('equilibrium').
In die verzoening heeft de wijsbegeerte een cruciale functie omdat ze 'over
een omweg heen, opnieuw het leven in harmonie met de instinkten [kan] brengen',
zoals een tijdgenoot opmerkte.
In die verwachting, schrijft Verwey, wordt de wetenschap gezien als een instrument
dat ons vooruit brengt, omdat zij ons deze wet, en daarmee het doel en de zin
van de wereldontwikkeling doet inzien. Dit verschijnsel van seculier-wetenschappelijke
heilsverwachtingen vinden we omstreeks 1900 in tal van gedaantes, waaronder
het psychisch-monisme van Gerard Heymans, maar ook het wetenschappelijk socialisme.
Samen met de irrationalistische 'petites religions' bepleiten die rationeel-verlossende
varianten 'een alternatief voor enerzijds het protestantisme en katholicisme
en anderzijds voor de kritische wetenschap en filosofie': 'Zij laten zich in
zekere zin verstaan als substituten in een wereld die leed onder de vloek van
spirituele verschraling en naar een 'zeitgemasse' vervanging zocht', aldus
Verwey. Indien deze elementen zich laten lezen als een karakterschets van het
fin de siècle, dan moeten we opnieuw vaststellen dat spinozisten vooruitlopen
op die stemming.
Dit geldt met name voor de antiklerikale fase van het spinozisme in Nederland,
dat wil zeggen voor de periode 1855-1880. De spinozisten verbinden hun seculiere
heilsleer met de natuurwetenschap die ons leert hoe de wereld in elkaar steekt
en hoe we vooruit kunnen geraken in de richting van harmonie en gerechtigheid:
een 'Paradijs op deze Aarde' is mogelijk, meent Van Vloten in 1855; de mensheid
nadert haar humanistische eindbestemming, schrijft Burger enkele jaren later;
het monistische tijdvak staat voor de deur, juicht Moleschott. De mensheid
nadert zijn ontknoping, en het is daarom zaak de hinderpalen weg te nemen die
de noodzakelijke gang van de geschiedenis blokkeren, zoals de kerken en de
theologie. Spinozisme is in die fase wel degelijk een alternatief voor het
christendom, maar ook voor de kritische filosofie van Kant die de gespletenheid
van de moderne beschaving juist bestendigt. Dat spinozisme een alternatief
vormt, wist ook Van Vloten: "Gewis, hun Hemel geven wij prijs, maar wij
zullen daarentegen trachten ons steeds meer een Hemel op Aarde te scheppen".
Ook Laqueur beschouwt de teloorgang van de grote religies van cruciaal belang
voor een goed begrip van het fin de siècle, maar voegt daar direct aan
toe dat de erosie van het christendom al eerder in de negentiende eeuw is begonnen.
In die afkalving van het christendom, in de pogingen 'de onhoudbaarheid te
bewijzen der daagsche opvattingen omtrent de menschelijke natuur en vanzelfsprekende
waarheid', zoals Jan Land terecht opmerkte, hebben spinozisten de eerste viool
gespeeld. Hun sloopwerk gaat vooraf aan het fin de siècle, schept de
voorwaarden van de stemming van het fin de siecle. Ook de merkwaardige hutspot
van nostalgie ('paradise lost') en vooruitgangsoptimisme ('paradise regained'),
die Laqueur kenmerkend acht voor de periode omstreeks de eewwisseling, vinden
we terug in de vele epistels van de Nederlandse spinozisten. Ze zagen zichzelf
niet als nihilisten of als 'zigeuners in de zedenkunde', maar als innovators
die impulsen wilden geven aan een stagnerende cultuur. Ook dit facet vindt
Laqueur een wezenlijk kenmerk van het fin de siecle.
Maar niet alleen de wetenschap biedt een weg waarlangs heil en verlossing dichterbij
kunnen worden gebracht. Verwey bespeurt omstreeks 1900 nog twee seculiere,
soteriologische orientaties: kunst en wijsbegeerte. Opmerkelijk is het gegeven
dat het spinozisme, na het loslaten van haar scientistische preoccupaties,
zich juist filosofisch weet te verdiepen. De verschuiving van een antitheologisch
vertoog naar een antiscientistisch vertoog die zich na 1880 binnen het spinozisme
voltrekt, wijst op een verandering van strategie: authenticiteit en harmonie
('Einheitlichkeit') staan nog altijd voorop, maar nu is het de wijsbegeerte
alleen die de weg moet wijzen naar het equilibrium. De natuurkunde wordt verlaten
ten gunste van een duik in de filosofische literatuur. Het gemis aan tekstedities
en vertalingen van Spinoza's werken wordt in deze periode dan ook danig gevoeld.
Omstreeks 1900 zijn Spinoza's filosofische geschriften alle in goedkope handelsedities
verkrijgbaar. Ook de opkomst van wijsgerige verenigingen illustreert de gedachte
dat het juist de filosofie is die biedt 'wat ieder vandaag weten moet', zoals
De Sopper in 1908 noteert.
Eenzelfde strategische verschuiving vinden we in de tijdschriften rondom De
Nieuwe Gids: oude literatoren als Multatuli, Van Limburg Brouwer en Vosmaer
stonden nog ongekend optimistisch ten opzichte van de wetenschappen. Voor de
Tachtigers echter zijn kunst en schoonheid autonome wegen naar het geviseerde
heil en wordt de wetenschap verbannen naar de mestvaalt van de geschiedenis.
In de poging het spinozisme te verbinden met het esthetische en antiwetenschappelijke
klimaat van een nieuwe radicale beweging, blijken drie opties mogelijk. De
eerste optie, verdedigd door Lotsy, is een poging tot het verzoenen van wetenschap
en kunst: wijsbegeerte is 'wetenschappelijke kunst'. De filosoof moet even
streng redeneren als de wetenschapper en weet dat hij bewijzen voor zijn stellingen
moet geven. Het staat hem echter vrij om dat materiaal, net als een kunstenaar,
te interpreteren naar eigen inzichten. Dat resultaat behoeft, net als in de
kunst, andersdenkenden niet noodzakelijkerwijs te overtuigen. In Spinoza's
wijsbegeerte komt die combinatie tot uitdrukking: Spinoza denkt objectief en
wetenschappelijk, en past de resultaten van zijn denken toe op velerlei terrein.
In zijn poging het scientistische en antiscientistische vertoog te combineren
boekt Lotsy echter weing succes. Na 1900 horen we nog maar weinig van hem.
Meer indruk maakt de optie van Bierens de Haan: wijsbegeerte is kunst. Denkbeelden
zijn net als kunstwerken uitingen van persoonlijke subjectiviteit. Het denken
is pure hartstocht, de geest is pure activiteit. De kunstenaar openbaart zichzelf
in termen van schoonheid, de denker openbaart zichzelf in termen van waarheid: "Ik
stelde dus een parallel tusschen denker en kunstenaar vast". Wijsbegeerte
is de hartstocht van de taal, geeft uitdrukking aan het muzikale karakter van
de taal. Spinozisme, of beter een levensleer naar de beginselen van Spinoza,
is het reflecteren op en het doorleven van hartstocht en spontaniteit - een
ode van het denken aan het denken. Willem Meijer wijst ten slotte zowel de
wetenschap als de kunst af als wegen waarlangs heil en oorspronkelijkheid kunnen
worden bereikt. Hij verwijt wetenschappers eenzijdigheid en kwade trouw, en
aan de 'kunstdweepers' van zijn dagen maakt hij helemaal geen woorden vuil.
Want alleen via de systematische wijsbegeerte van Spinoza kan men heil en betekenis
vinden als 'deel van 't Aleene'. In de opties van Lotsy, Bierens de Haan en
Meijer komen de drie verschillende sotoriologische varianten die het Nederlandse
fin de siecle kenmerken alle aan bod. Opnieuw wordt spinozisme niet eenduidig
gerecipieerd maar gelouterd, in overeenstemming gebracht met de vragen en problemen
des tijds. Opnieuw biedt spinozisme een spiegel waarin het Nederlandse geestesleven
zich reflecteert.
Toch kunnen de spinozisten omstreeks 1900, in tegenstelling tot twintig jaar
eerder, niet worden gerekend tot de grote 'kwartiermakers van het Nederlandse
geestesleven', zoals Verwey terecht heeft opgemerkt. Hij wijst Heymans, Verwey
en Bolland aan als de belangrijkste protagonisten van respectievelijk de wetenschappelijke,
de artistieke en de wijsgerige heilsverwachting. Optimistische oriëntaties,
die ver zijn verwijderd van het pessimisme en decadentisme die doorgaans aan
het fin de siècle worden toegeschreven:
"In deze positief-soteriologische oriëntatie lag een verbindend element tussen deze kwartiermakers van het Nederlandse geestesleven rond 1900; de wegen waarlangs zij het geviseerde heil dichterbij dachten te brengen waren echter verschillend, om niet te zeggen, incompatibel: wetenschap, speculatieve wijsbegeerte, kunst en sociaal-politieke hervorming. [...] De tragisch-vitalistisch-naturalistische visies die in Nietzsche en Freud enerzijds en in het Franse degenerationisme anderzijds representatief vertolkt werden, hebben, naar verhouding, in het Nederlandse fin de siècle geen grote echo gevonden [...]. Het lijkt me dan ook niet te gewaagd te stellen dat er in de context van de cultuur van het Europese fin de siècle niets is dat vergeleken kan worden met de opmerkelijke conjunctie van artistieke, wetenschappelijke, filosofische en quasi-religieuze ('spiritualistische') idealen, samen te vatten onder de parapluterm van 'Harmonie' of 'Equilibrium', zoals deze rond 1900 in Nederland bestond".
Die doorbraak van een equilibrium- of eenheidsdenken omstreeks 1900 - in de
literatuur ook wel omschreven als 'monisme' , 'krypto-spinozisme' , 'intermediatisme'
, 'immediatisme' , 'interconnectedness' - werd voorbereid door een opleving
van het wijsgerige denken, en met name van het spinozisme, in de tweede helft
van de negentiende eeuw. Dat het optreden van Heymans, Verwey en Bolland samenvalt
met de publicaties van Spinoza's werken in het Nederlands is meer dan een toevallige
samenloop van omstandigheden. In Groningen en Leiden dragen Van der Wijck en
Land hun professoraat over aan respectievelijk Heymans en Bolland waarmee het
monistische denken, dat zolang de buitenacademische filosofie in zijn greep
had, eindelijk een academische status verwerft. Die status wordt nog eens bevestigd
als Van der Wijck in 1906 een eredoctoraat uitreikt aan Willem Meijer. Heymans'
psychisch-monisme, waarin kantianisme en spinozisme met elkaar worden verbonden,
en Bollands zuivere rede, een overwinning van Kant en Spinoza door Hegel, zijn
schatplichtig aan een halve eeuw van Spinoza-koorts waarin het verlangen naar
authenticiteit en 'Einheitlichtkeit' het leidmotief vormde. Het spinozisme
heeft in dat streven steeds gefungeerd als een katalysator of aanjager van
het wijsgerige denken. Maar ook als katalysator van een wijsgerige infrastructuur
waarin verenigingen, tijdschriften en professioneel wijsgerig onderzoek tot
verdere bloei konden geraken.
Bierens de Haan ziet het juist als hij Spinoza aanmerkt als 'de aanspoorder
der filosofische gedachte', die samen met Hegel 'veler oogen opende voor filosofische
waarheid, die het exacte werk der vakkundige kennis te boven gaat'. Even juist
is zijn constatering dat de 'Spinozistische grondgedachte' niet los kan worden
gemaakt van 'een religieuze verheffing'. Het onderscheid dat hij vervolgens
aanbrengt tussen 'oud-Spinozisme' (het antiklerikale vertoog van Van Vloten
en de zijnen) en 'nieuw-Spinozisme' (het antiscientistische vertoog van zichzelf
en de idealisten) doet echter niets af aan de specifieke functie die het spinozisme
heeft gekend: de emancipatie van zichzelf (en vervolgens de samenleving), door
middel van het vrije filosofische denken, ten opzichte van alle vervreemdende
en koloniserende vertogen. Gedreven door levensbeschouwelijke, intermediatistische
en sotoriologische motieven, of hoe we ze ook willen noemen, kenmerkt het Nederlandse
fin de siècle zich bij uitstek door een spinozistisch karakter. Spinozisme
is inderdaad 'een veelkoppig monster', en men kan inderdaad, om Deleuze in
herinnering te roepen, spinozist zijn zonder het zelf te beseffen. Spinozisme
is wijsgerige beweging. Wellicht heeft Van der Wijck in zijn Spinoza-voordracht
van 1877 dan ook een juiste verklaring gegeven voor de doorbraak van het spinozisme
als cultuurkritiek in Nederland:
"Snoodheid, traagheid en domheid spannen voortdurend samen om de wereld naar beneden te trekken. De volksvooroordeelen moeten [dus] geprikkeld en geergerd, de tirannie van gewoonte en heersende meening moet gebroken worden, zal het leven der menschheid een gestadige verjonging en vernieuwing ondergaan: vrijheid van discussie, die den blik verruimt; wrijving van denkbeelden, die zaden van twijfel strooit".
Zo bezien is spinozisme veel meer dan louter de wijsbegeerte van Spinoza.
Tekenend is dan ook dat spinozisme en hegelianisme na 1900 in doctrinair opzicht
nauwelijks van elkaar verschillen, en dat achter de verschillende wijsgerige
richtingen een 'fundamentele consensus' schuil gaat. Die fundamentele consensus
vinden we niet alleen terug in 'Een wijsgeerige beweging in Nederland' (1907),
maar ook in de gedeelde opvatting van filosofie als levensleer. Later dan waar
ook in Europa krijgen een filosofisch leven en een filosofische infrastructuur
in Nederland omstreeks de eeuwwisseling gestalte. Met de stichting van het
Tijdschrift voor Wijsbegeerte in 1907 heeft de wijsbegeerte eindelijk haar
zwaar bevochten autonome status. Die erkenning volgt op een halve eeuw van
wijsgerige beweging en beroering waarin het spinozisme als katalysator, aanjager
en inspiratiebron kon worden gehuldigd.
Deze specifieke verwerking van de filosofie, als cultuurkritische levensleer,
heeft niet alleen grote consequenties gehad voor de grondstemming van het fin
de siècle, maar ook voor de ontwikkeling van het wijsgerige denken in
Nederland. Als Frits Staal in 1986 betoogt dat de Nederlandse filosofie het
absolute dieptepunt van 'onwereldsheid' vormt door haar religieuze, op verlossing
gerichte karakter, en haar gerichtheid op een andere wereld dan de werkelijke,
horen we de echo's van het spinozisme nog opklinken. Tegenstanders van die
opvatting, zoals Jan Willem Duyvendak, waarderen die rol. Hij beweert dat de
theologische preoccupaties van de Nederlandse wijsbegeerte inderdaad debet
zijn geweest aan de publieke en culturele rol die wijsgeren in Nederland tot
ver in de jaren zestig hebben gespeeld. Hij doelt hier op 'betrokken' of geëngageerde
vormen van filosofie die de 'totaliteit des levens' als uitgangspunt hebben.
Hij treft zulke 'totaliserende maatschappijcritici' aan in stromingen als het
existentialisme en het marxisme die opnieuw ook buiten de universiteiten veel
aandacht kregen. Ook Remieg Aerts bespeurt in het culturele leven omstreeks
1900 het transformeren van culturele onvrede 'in een moreel gebod tot meliorisme,
een merkwaardig verschijnsel dat ook kenmerkend is voor de Nederlandse cultuurkritiek
in de jaren dertig, veertig en vijftig'. Juist deze totaliserende maatschappijkritiek
lag ten grondslag aan de oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte,
en alleen in hun gedeelde soteriologische verlangens konden Nederlandse wijsgeren
eensgezind toetreden tot de redactie van dit 'kultuurblad'.
Tot op de dag van vandaag, schrijft de Britse filosoof Michael John Petry,
kenmerkt het wijsgerig leven in Nederland zich door de tweedeling tussen de
universitaire wijsbegeerte en de niet-professionele geschiedbeoefening. Ook
hedendaagse studiegroepen, vervolgt hij, 'doen me denken aan de loges en genootschappen
die gedurende de hele achttiende en negentiende eeuw in geheime bijeenkomsten
radicale denkbeelden koesterden en verspreidden'. De door velen bezongen bloei
van het wijsgerig leven in Nederland rond 1900, alsmede de brede belangstelling
voor wijsgerige thema's in de samenleving, zijn dan ook ondenkbaar zonder het
bezielende enthousiasme waarmee 'Spinoza's familie' de wijsbegeerte - als cultuurkritiek
en heilsverwachting - onder de aandacht van het Nederlandse publiek bracht.
| info@siebethissen.net | - | - | - |