Index of /Spinozisme en Vrijdenken/1997 Domela Nieuwenhuis

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1997 Domela Nieuwenhuis.pdf   06.08.2004 102kB -

1997

STERRENWACHTEN, AQUARIA EN BANANENBOMEN
Monisme bij Ferdinand Domela Nieuwenhuis

1

In de herfst van 1904 keerde een opgewonden Ferdinand Domela Nieuwenhuis terug uit Rome. Hij had daar zojuist een internationaal vrijdenkerscongres bijgewoond als afgevaardigde van een Nederlandse groep niet-georganiseerde vrijdenkers die alle reis- en verblijfkosten voor haar rekening nam. Niet alleen genoot Domela van zijn reizen, hij genoot ook van internationale bijeenkomsten waar zijn intellectuele passie kon worden gevoed. Hij voelde zich hier als een vis in het water - zijn contacten met vrienden als de onderwijshervormer Francisco Ferrer en wetenschappers als Ernst Häckel gaven hem niet alleen het idee zich te bewegen in een internationale avantgarde, maar overtuigden hem bovendien van de actualiteit van zijn eigen opvattingen. Op weg naar Rome deed hij ook adressen aan in Duitsland en !talie. Domela hield zijn internationale netwerk op orde en dat maakte van hem een gevaarlijk geachte anarchist. In zijn biografie van Domela wist Jan Meyers mee te delen dat de bijna zestigjarige vrije socialist met enige trots kennis nam van het feit dat hij behoorde tot de tweehonderd meest gevaarlijke internationale anarchisten. Op een zwarte lijst, opgesteld door de Duitse politie en uitgelekt naar het blad Der Anarchist, prijkte Domela op de negende plaats: tussen de gebroeders Paul en Elisee Reclus.

Te Rome vertoefde Domela temidden van een heterogeen gezelschap. Hij voerde lange gesprekken met de zeventigjarige apostel van het Duitse darwinisme, Ernst Häckel; hij handhaafde zijn vriendschappelijke betrekkingen met Ferrer; bleek onder de indruk van de Amerikaanse slavenbevrijder en abolitionist Moncure Conway (die nauw was bevriend met anticlericale grootheden als David Friedrich Strauss en Ernest Renan); had een uitvoerig onderhoud met de Belgische socialist Hector Denis; en ten slotte liet hij zich bijpraten door de Italiaanse antropoloog Giuseppe Sergi. Congressen, zoals het vrijdenkerscongres van Rome, boden een uitstekende gelegenheid inzicht te verwerven in contemporaine ontwikkelingen op wetenschappelijk en filosofisch gebied. Als volksopvoeder pikte Domela overal een graantje mee, spande hij zich in de nieuwe inzichten te verwerken in zijn wereldbeschouwing, en ging hij vervolgens aan het werk die inzichten weer te populariseren.

Terug in Nederland hield hij enkele voordrachten naar aanleiding van het gebodene in Rome. Het congres van Rome had namelijk in het teken gestaan van het monisme en de oprichting van een Internationale Monistenbond. Enigszins verbaasd moest Domela vaststellen dat er Nederland nauwelijks aandacht bestond voor deze beweging en filosofie. Hij schreef hierover enkele gedachten in het tijdschrift Levensrecht en besloot daarop voor vrijdenkersvereniging De Dageraad zijn opvattingen over het monisme meer uitvoerig uit de doeken te doen. In de winter van 1905 sprak hij dan ook voor de Amsterdamse afdeling die zijn rede, getiteld Het Monisme of de Eenheidsleer, publiceerde in een brochure die vierendertig pagina's omvatte. Deze brochure kan worden gelezen als een laagdrempelige introductie tot een wereldbeschouwing die geheel Europa omstreeks 1900 in haar greep scheen te hebben. Volgens Domela was het monisme de wereldbeschouwing bij uitstek voor vrijdenkers en atheisten.

2

Alvorens we Domela uitvoeriger aan het woord laten over deze internationale beweging en idee dienen we drie vragen te beantwoorden: Wat verstond men nu eigenlijk onder monisme? Had Domela gelijk dat er in Nederland geen aandacht bestond voor deze leer? En ten slotte: hoe relevant was Domela's monisme indien we zijn interpretatie beschouwen vanuit de internationale ontwikkelingen in wetenschap en filosofie?

Het monisme is een al eeuwenoude wijsgerige doctrine die de schepping ontkent en alle gebeuren in de wereld vanuit een eenheidsband beschouwt. Er is slechts een eeuwige kringloop des levens, een kosmische en natuurlijke kringloop, zonder begin en zonder einde. Monistisch denken is een eenheidsdenken dat we al vinden bij Herakleitos en Plato, maar ook bij Spinoza in de zeventiende eeuw, en opnieuw vinden we in de moderne tijd monistische denkbeelden in de wijsgerige stelsels van Hegel, Fichte en Bergson. Alhoewel veel filosofen eenheidsdenkers kunnen worden genoemd, verschillen monistische opvattingen sterk van aard en karakter. Voor Spinoza was de natuur de uitdrukking van de eenheidsband; en Hegel nam de zuivere rede, de zichzelf bewustwordende rede in de ontwikkeling van de wereldgeest, als ijkpunt van zijn eenheidsdenken. Dat ook Domela zich in de traditie van de monisten schaarde was niet opzienbarend - het monisme verwierp immers de gedachte dat een persoonlijke God de schepping.
had voortgebracht en kon daarom atheïstische opvattingen rechtvaardigen. Om zijn eigen monisme te onderscheiden van andere vormen van monisme diende Domela nog een predikaat toe te voegen: materialisme. Domela was een materialistisch monist: een eenheidsdenker die louter aan de materie of de stof werkelijkheid toekent. Een materiële werkelijkheid die op redelijke wijze kan worden bestudeerd dankzij de moderne wetenschappen.

Nu was omstreeks 1900 in Nederland, maar ook overal elders in Europa, sprake van wildgroei binnen het monisme. In Nederland sprak de christen-anarchist Felix Ortt over zijn filosofie als het pneumat-energetisch monisme; de Groningse filosoof en psycholoog Gerard Heymans koesterde zijn psychisch monisme; de latere theosoof J.J. Poortman ontwierp een noïsch monisme; en Domela stelde zich tevereden met een materialistisch monisme. Kortom, vertrekkend vanuit een eenheidsbesef legden denkers wisselend het primaat in de ideële of materiële werkelijkheid. Voor sommigen was alles kracht of energie, voor anderen was alle gebeuren in de wereld stof of materie. In tegenstelling tot hetgeen Domela zijn Amsterdamse publiek meedeelde, was het monisme wijd verbreid in Nederland. Al in de zeventiende eeuw had Spinoza het monisme geradicaliseerd tot een pertinent atheïstische filosofie waarin de natuur als enige kennisbron werd gehuldigd. Spinozistische en naturalistische opvattingen leefden lange tijd ondergronds en kwamen aan de oppervlakte na de liberale overwinning van 1848. God was dood, maar de Natuur leefde en dankzij de gestage vlucht die de natuurwetenschappen namen werden we in staat gesteld de natuur (en uiteraard ook de samenleving) te leren begrijpen vanuit haar eenheid en samenhang, vanuit haar werkingen en ontwikkelingen.

De hoogtijdagen van dit kloeke, atheïstische naturalisme waren in Nederland de jaren 1848-1885. Deze periode laat een explosieve groei van nieuwe tijdschriften zien waarin wijsgerige verhandelingen in het oog springen. Natuurwetenschappers als Franz Junghuhn en Jacob Moleschott, publicisten als Johannes van Vloten en Petrus van Limburg Brouwer en literatoren als Multatuli en Carel Vosmaer verwierpen allen als rechtgeaarde vrijdenkers het bestaan van God en daarmee ook de noodzaak van een christelijke moraal, kerkelijke vormengodsdiensten en theologische vooronderstellingen. Omstreeks 1880 was sprake van een heuse avantgarde, volgens Vosmaer bestaande uit "modernen, pantheïsten, atheïsten, deterministen en Dageraadsmannen". Bijna zonder uitzondering deelde men een scientistisch optimisme: niet alleen het besef dat wetenschappelijke vooruitgang mogelijk was dankzij de rede, maar tevens het besef dat ook morele verbetering van mens en samenleving mogelijk was. In 1855 schreef Van Vloten al lyrisch: "Wij zullen trachten ons een Hemel op Aarde te scheppen ", De mens was niet langer 'Kristen' of 'Burger', maar eindelijk kon hij 'Mens' worden en zijn lot in eigen hand nemen. Vosmaer schreef vanuit dit besef: "Weest daarom als wij Monist!" Na 1885 raakte dit optimisme enigszins in verval: schrijvers en denkers bleken steeds minder eensgezind in hun opvatting dat wetenschappelijke vooruitgang ook zou resulteren in zedelijke en morele vooruitgang: de wildgroei van monismen kon op gang geraken. De meest dominante vorm, de scientistische of materialistische variant, verloor steeds meer terrein aan idealisten die de nadruk op wetenschap en rede als te eenzijdig beschouwden. Omstreeks 1900 sprak de hegeliaanse filosoof Bolland dan ook smalend over de laatste materialisten als "Büchneriaanse stofjesmannen".

Als iemand tot deze 'stofjesmannen' kan worden gerekend, dan is het Domela wel. Domela's enthousiasme voor een materialistisch monisme werd nog maar door weinigen gedeeld in 1905. En eerlijk gezegd, Domela's monistische wereldleer is ook een beetje dor en saai: er is nauwelijks aandacht voor niet-materiële zaken, voor de muzen en de poëzie, voor het spirituele, het psychologische, het filosofische en het bijzondere - aspecten van het leven die aan populariteit wonnen tijdens het fin de siècle. Domela beklemtoont de rede en de wetenschap en maakt weinig openingen naar de verbeelding. Een andere anarchist en monist, Bemard Damme, oefende zich in het zingen van aria's, bezocht met kameraden de opera en stimuleerde de beoefening van de dichtkunst en de filosofie. Domela's lezing voor de Amsterdamse vrijdenkers had dan ook vooral een waarschuwend en provocerend karakter. Domela benadrukt de 'logos' omdat hij de wijsgerige oplevingen van zijn dagen vooral beschouwde als irrationele, 'new age-achtige' oprispingen die via de achterdeur allerlei nieuwe kerken en godsdiensten zouden binnenloodsen. De samenleving stond weer onder druk en tegenwicht moest worden geboden. Deze politieke opstelling verhinderde hem echter, zoals we nog zullen zien, het unieke karakter van het Nederlandse monisme onder ogen te zien.

3

Het monisme, zo begint Domela zijn Amsterdamse voordracht, poogt eenheid aan te brengen in ons denken, het poogt samenhang te construeren in alles dat in de hoofden van velen leeft. God en de wereld zijn één: ze vormen samen de natuur die zichzelf omvat, die eigen oorzaak is en eigen doel, en alleen in zichzelf in een geweldige kringloop bestaat. Het monisme staat daarom pal tegenover het dualisme dat in het christendom zo pregnant tot uitdrukking komt. Het dualisme gaat uit van de scheiding tussen kracht en stof, tussen lichaàm en geest, hernel en hel, goed en kwaad, natuurwetenschap en geesteswetenschap, enzovoorts. Het monisme echter kent slechts een ondeelbare natuur; geesteswetenschappen zijn onderdeel van de natuurwetenschappen; de monist erkent alleen de empirische onderzoeksmethode en wijst de openbaring af; en ten slotte weet de monist dat zowel zijn geest als zijn lichaam natuurverschijnselen zijn - denken is het zenuwstelsel in werking, stelt Domela. Concluderend vat hij samen: het monisme is aldus een 'goddeloze wereldbeschouwing' die volledig is gebaseerd op kennis van de natuurwetenschap. Wil dat zeggen dat alle verschijnselen binnenkort kunnen worden verklaard? Nee, vervolgt Domela, onze rede is begrensd, we kunnen nooit buiten de rede treden en zullen dus tot in lengte van dagen geconfronteerd blijven met mysteries. Domela ontpopt zich hier als agnost - als een weter die zijn limieten beseft.

Om tot kennis te geraken van de natuur maken we gebruik van zintuigen, onze 'eerste goden', die echter niet altijd onfeilbaar zijn. Zo kunnen we gebrekkig waarnemen of fouten maken in observaties. Desondanks geschiedt ieder kennen via de zintuigen en het is onzin te geloven in de idee van de 'onmiddellijke ervaring' - een ervaring waarop onder meer mystici zich zouden beroepen. Tegelijkertijd verzet Domela zich tegen het 'ignorabimus' - de 'wij zullen niet weten-leer' - dat natuurwetenschappers als Du Bois-Reymond zouden huldigen. We moeten ons concentreren op hetgeen we wel kunnen weten. Dat is de uitdaging die het leven te bieden heeft: zoeken naar de oorzaken van alle dingen, ook al twijfelen we dat alle verklaringen ooit zullen worden gevonden. Het zoeken naar verklaringen gaat volgens het proces van de rede. De rede veronderstelt drie facetten: waarneming, proefneming en gevolgtrekking. Wat niet kan worden waargenomen en wat niet kan worden beproefd verdient geen gevolgtrekking. Domela wijst op spiritualisten en theosofen die zonder waarneming en proefnerning de meest fantastische gevolgtrekkingen formuleren. Dit leidt tot "luchtspiegelingen" en maakt de weg vrij voor "een opgewannd, gemoderniseerd geloof". Om verwarring te voorkomen en zich te onderscheiden van allerlei idealistische en spiritualistische varianten van het monisme, roept Domela op het monisme als term te vergeten en de leer gewoon bij zijn voorvoegsel te noemen: materialisme. We zijn immers allen materialisten uit de school van Büchner en Häckel, vervolgt hij. Hoe ziet de materialistische cosmologie of wereldbeschouwing er verder uit?

Allereerst dienen we te spreken van 'heelal', of het 'heele al' of 'al het bestaande' of de 'kosmos' en niet meer van de 'wereld'. Onze wereld, onze aardbol is slechts een klein deel van het heelal. De wereld is eindig en begrensd, terwijl de kosmos onbegrensd en oneindig is, zonder begin en zonder eind. Er is geen schepping en ook de oerknal - zou Domela daarvan op de hoogte zijn geweest - dient naar het rijk der fabelen te worden verwezen. Binnen het heelal kent alles zijn eigen doelmatigheid, tot uitdrukking komende in het proces van evolutie: soorten met de beste bestaansmogelijkheden overleven andere soorten die minder mogelijkheden hebben. Dit betekent ook dat de mens slechts een vlokje is, een kruimel, "een klein stofje in de kosmos". Monisme betekent dus dat de mens beseft dat zijn positie een nederige is en dat iedere vorm van grootheidswaanzin uit den boze is. De mens maakt als zoogdier deel uit van de "primatenstam" en dient zich te realiseren dat hij geen middelpunt vormt in de kosmos. Ook de wereldgeschiedenis van de mens, de beschaving, is slechts een "onbeduidend korte episode uit de lange loop van de organische aard geschiedenis" .

Betekent dit dat het monisme een filosofie is die de troosteloosheid tot uitgangspunt maakt? vraagt Domela-zich af. Nee, juist niet, zo vervolgt hij. Het monisme is juist een democratische wijsbegeerte, dankzij haar deterministische en noodzakelijke karakter. Dat alles noodzakelijk verloopt zoals het verloopt betekent dat alle organismen wezenlijk aan elkaar gelijk zijn. Iedereen en alles is gelijk - er staan geen goden meer tussen ons en de kosmos. Vanuit dit gelijkheidsprincipe heeft welke God dan ook geen bestaansrecht meer: er is geen persoonlijke God; er is geen persoonlijke onsterfelijkheid; er is geen leven na de dood; er bestaan geen bovennatuurlijke machten (want alles is natuur); en wat we niet begrijpen noemen we gewoon "onbekend". Wie met deze stellingen kan leven aanvaardt "de godsdienst der rede".

Menig monist was zo opgewonden over zijn wijsbegeerte dat ze inderdaad kon uitgroeien tot een geseculariseerde, neo-religieuze heilsleer. Ook Häckel zelf beschouwde het monisme als een religie en pleitte voor Monistische Kerken die het christendom overbodig zouden maken. Häckel wilde het kerstfeest vervangen door het 'zonnestilstandfeest' en het paasfeest door een 'voorjaars- en vruchtbaarheidsfeest'. In plaats van een gemeenschap van gelovigen zouden deze kerken bestaan uit een gemeenschap van wetenden, van mensen die het 'weten van de natuur' gezamenlijk vieren. Domela echter moest niet al teveel hebben van de kerkmetaforiek.

Op welke wijze dacht Domela het monisme te integreren in de samenleving? Welke veranderingen zou een samenleving op monistische grondslag doormaken? Van een consequent monisme zou een revolutionaire werking op de samenleving uitgaan, zo verwachtte Domela. De kerken zouden worden afgebroken om plaats te maken voor ruimtes en monumenten waar ervaringen en vieringen van de natuur konden worden gegenereerd. Geen heiligenbeelden of kruisbeelden meer, maar musea voor beeldende kunst, tentoonstellingen met natuurvoorwerpen en exposities over het menselijk leven. In plaats van kerken te bouwen, planten we liever palmen, varens en bananenbomen aan - als "herinnering aan de scheppingskracht de tropen". Ook dienen er aquaria te verrijzen, met vissen, koraal en zeesterren "als kunstvormen van het leven in de zee". Er moet ook meer aandacht komen voor sterrenwachten die een ieder kan bezoeken, zodat we kunnen getuigen van de bewegingen der hemelichamen. Bezieling voor de natuur, dat is het parool, stelt Domela, zich uitsprekend voor een praktisch monisme dat alle mystiek en "ziekelijke beschouwingen" op den duur zal uitroeien.

Naast dit pleidooi voor' ecologische' bewustwording deed Domela tevens handreikingen op het terrein van de sociale ecologie. Vier maatschappelijke instellingen zouden ingrijpend veranderen indien monistische denkbeelden wortel zouden vatten. Allereest justitie. Nu spreekt men recht volgens hiërarchische posities in de samenleving: een arme sloeber wordt harder gestraft dan een burger van naam. Indien advocaten en rechters zich de moeite zouden getroosten meer wetenschappen te bestuderen (waaronder antropologie, psychologie en biologie), dan zouden ze beter begrijpen waarom mensen tot hun daden komen. Op de tweede plaats noemt Domela het politieke bedrijf: indien politici kennis namen van biologie of antropologie, dan zouden ze hun vooroordelen, 'dwalingen' en 'onzin' zelf leren inzien en zich voortaan onthouden van domme commentaren die op religieuze of mystieke vooroordelen berusten. Ook het onderwijs dient te worden hervormd. Nu wordt van alles aangeleerd zonder dat er voldoende empirisch bewijsmateriaal voor het aangeleerde wordt geleverd. Het onderwijs is nog een 'Assepoester' en verdient een meer wetenschappelijke benadering. Ten slotte de kerken: godsdiensten ontberen iedere natuurwetenschappelijke kennis en richten zich op bovennatuurlijke fenomenen. Daarom kan er voor de kerken geen enkele constructieve rol bestaan in de moderne samenleving. Kortom, monisme is niet dor en troosteloos, "het voldoet volkomen aan alle behoeften des levens en wie het eenmaal aanvaardt, zal geen leegte gevoelen en dus allerminst uitzien naar de nieuwste spoken van bijgeloof". Het monisme biedt alles in een enkel kant-en-klaarpakket: ze combineert waarheid (natuur), schoonheid (kunst) en deugd (praktische ethiek). Het monisme is dus bij uitstek geschikt voor mensen die de kerken en de godsdiensten achter zich hebben gelaten, maar toch een alollwattend referentiekader nodig hebben om de hen omringende, snel veranderende wereld te kunnen begrijpen.

4

Alhoewel Domela in zeer beknopte termen over kunst en schoonheid spreekt, besteedt hij nauwelijks aandacht aan het filosofische, literaire, kunstzinnige en spirituele verlangen dat de periode omstreeks 1900 juist kenmerkte. Filosofie, in dit geval het monisme, heeft bij Domela geen esthetische belangstelling - zoals dat bij de anarchistische filosoof Bernard Damme wel het geval was - maar fungeert louter als een model of systeem om de werkelijkheid op eenvoudige wijze te verklaren. Het was een alternatief voor het christendom. Domela's nadruk op de esthetica van de natuur (vissen, koraal, bananenbomen, palmen; sterren enzovoorts) is allereerst educatief en populair-wetenschappelijk van aard. Dat Domela zo dicht bij de rede en de wetenschap bleef, valt te verklaren uit zijn panische angst voor allerlei minder rationele en spiritualistische denkbeelden die inderdaad aan populariteit wonnen onder vrijdenkers.

Wijsgerige eenheid was ver te zoeken onder vrijdenkers. Ook veel anarchisten hadden in de jaren negentig en daarna hun anarchisme verruild voor de theosofie, voor Bollands zuivere rede, voor het spinozisme of voor allerlei vormen van occultisme. Het is deze angst die de toon en inhoud bepaalde van Domela' s voordracht, maar het is ook deze angst die hem terugwierp op een klassiek negentiende eeuws materialisme dat nauwelijks nog steun had in de wereld van de wetenschap, politiek en filosofie. In zijn meest klassieke en dogmatische vorm verwierp de materialist alles dat niet weeg, meet en verklaarbaar was. Alles werd verklaard vanuit chemische en fysische processen in de natuur. Zo zouden onze hersenen gedachten produceren, zoals de lever gal afscheidt. Een gedachte is dus niet meer dan een chemische reactie in de hersenen, getriggerd door een bepaalde dosis fosfor. Nu was er omstreeks 1900 geen wetenschapper meer te vinden die zo een platte benadering voorstond; het merendeel der natuurwetenschappers huldigde een heel wat genuanceerder wereldbeeld waarin voor het denken, de geest, meer ruimte was gereserveerd dan voorheen - denk bij voorbeeld ook aan het zich voorspoedig ontwikkelende vakgebied van de psychologie.

Veel filosofen echter - in Nederland aangevoerd door Bolland en Bierens de Haan - hielden hardnekkig vast aan hun vooroordeel dat natuurwetenschappers allen dorre materialisten waren die slechts in honende termen over het denken en de geest zouden praten. De meest heftige reactie op dit vooroordeel werd geuit door de sterrenkundige en marxist Antonie Parmekoek - toendertijd een van de meest begaafde jonge denkers - die in 1901 vernietigend uithaalde naar Bierens de Haan en diens verwijt dat moderne wetenschappers geen rol zouden toekennen aan de geest. Het zou te ver gaan hier uitvoerig op die discussie in te gaan, maar voorlopig volstaat de opmerking dat van een plat of vulgair materialisme in Nederland geen sprake was omstreeks 1900. Des te verwonderlijk is dan ook het feit dat juist Domela zo een plat materialisme wist te verwoorden. Zonder het zelf te beseffen gaf zijn voordracht uitdrukking aan de karikatuur van het materialisme - 'stofjesmarmen' - die idealisten als Bolland met veel aplomb hadden verspreid. Had Domela de essays en polemieken van Pannekoek over het materialisme beter gelezen, dan zou hij zijn denkbeelden wellicht minder eenzijdig hebben verwoord. Vrijdenkers en filosofen als Bernard Dmnme huldigden ook een materialistische wereldbeschouwing, maar zij plaatsten zich nadrukkelijk in een Nederlandse traditie: in die van Spinoza en Multatuli.

Het is trouwens opvallend dat Multatuli eigenlijk geheel ontbreekt in Domela's beschouwing van kracht en stof. Ook Multatuli was een materialist in hart en nieren en ook voor Multatuli was de rede het hoogste goed en de enige mogelijkheid om tot kennis van de natuur, de samenleving en de mens te geraken. Maar anders dan Domela verzette Multatuli zich tegen een verabsolutering van de rede en de wetenschap. De rede mag niet gelijk worden gesteld aan de wetenschap, de rede bestaat uit 'logos' (verstand) en uit 'fancy' (verbeelding). De 'logos' is de redelijke eenheid achter de door onze zintuigen verkregen empirische wereld - dankzij de rede verschijnt die wereld aan ons en dankzij onze verstandelijke vermogens kunnen we haar doorgronden en begrijpen. Tot zover is er geen enkel onderscheid met Domela's lofzang op de rede. Maar, we dienen ook toegang te krijgen tot de redelijke waarheid der verschijnselen; we dienen de samenhang der verschijnselen te ervaren willen we haar begrijpen. Multatuli noemt deze toegang 'fancy': een stemming van intuïtie en poëzie die een gevoeligheid voor waarheid ventileert, een stemming die de mens als in een flits het evenwicht in de wereld doet inzien. Waarheden zijn exact en volgen de regels van de logos, maar deze afgeperkte en rechtlijnige waarheden dienen te worden aangevuld met het vermogen van de poëzie. Er is een poëtisch of utopisch vermogen nodig om de eenheid achter de verschijnselen te achterhalen; de mens dient voortdurend een redefijke eenheid te 'herscheppen' met behulp van wetenschappelijke data, gevolgd door verbeeldingskracht.
De geseculariseerde arbeider zat in 1905 niet meer louter te wachten op een lofzang op de wetenschap; hij wilde tevens genieten van het leven - het monisme was immers een levensfilosofie. Dit verklaart ook de populariteit van Nietzsche onder vrijdenkers en anarchisten. Immers Nietzsche had hen aangespoord te leren genieten van dit leven en niet louter te dromen van een hiernamaals. Genieten van poëzie, van literatuur, van zang en dans, van opera, van filosofie. Voor deze zaken, voor deze toegangspoorten tot een eenheidsbeleving, had Domela weinig belangstelling.

5

Maar waarom zou hij ook? Domela was allereerst een opvoeder - als geseculariseerd predikant zocht hij naar een acceptabel substituut voor het christendom. Domela realiseerde zich dat zijn gehoor niet alleen afscheid diende te nemen van de godsdienst, maar dat hij zijn publiek tevens een alternatief diende te bieden. De speurtocht naar dat alternatief was Domela's eerste verantwoordelijkheid. Andere monisten uit de beweging, zoals Damme of Felix Ortt, accentueerden juist esthetische en filosofische aspecten van het monisme. Indien we de publikaties van vrijdenkers en anarchisten over het monisme naast elkaar leggen, dan krijgen we een aardige staalkaart van een seculiere levensfilosofie. In die monistische caleidoscoop klinkt Domela's nadruk op ecologische bewustwording ook vandaag nog meer dan fris in de oren. In zijn korte rede over de eenheidsleer vinden we op rudimentaire wijze elementen terug die vandaag door uiteenlopende ecologen als Murray Bookchin, Arne Naess en David Watson worden gepropageerd. En indien veel wetenschappers beweren dat de volgende eeuw de eeuw wordt van de biologie (de mens herontdekt zichzelf als diersoort: denk ondermeer aan Frans de Waals prachtige studie Chimpansee Politics), dan hoort een nadere bestudering van 'oude' naturalisten als Domela ook weer tot de mogelijkheden. Op de tweede plaats is diens glasheldere monisme ver verwijderd van het huidige 'holisme' dat maar al te vaak uitblinkt in visies op de werkelijkheid vanuit onverklaarbare fenomenen. Domela beperkte zich - terecht - tot het venelaarbare en stelde zich op als een overtuigde agnost.

Het Congres van Rome was voor Domela een verademing. In zijn memoires merkte hij op dat grote bijeenkomsten vaak "niets meer zijn dan praatcolleges - vijfzesde gedeelten zijn vaak niets waard". Maar dit congres was bijzonder inspirerend, "het was een prachtige manifestatie tegenover het Vaticaan en de beginselen van het gezag". Ondanks de vele tegenstellingen onder anarchisten, vrijdenkers, vrijmetselaars, republikeinen en radicalen werd toch eensgezind gepleit voor de scheiding tussen kerk en staat, voor een monisme als inspiratie tot een levensfilosofie voorbij kerken en georganiseerde religies. In Nederland legde Domela een expliciet verband tussen monisme, naturalisme en ecologische bewustwording. Hij vergiste zich echter in de stelling dat het monisme het Nederlandse publiek onbekend zou zijn - in zijn vele gedaantes was het de meest populaire filosofie omstreeks de eeuwwisseling. Zijn variant echter, het materialistisch monisme, was bijna uitgestorven in 1905.

LITERATUUR

* B. Damme, Iets over eenige Monisten en het Monisme (Gouda 1916);
* F. Domela Nieuwenhuis, Het Monisme of de Eenheidsleer (De Dageraad Amsterdam 1905);
* Ernst Häckel en zijn Monisme (serie: Groote Denkers deel IX, Amsterdam 1903);
* G. Heymans, Het psychisch monisme (Baarn 1915);
* Willem Meijer, 'Vrije Gedachte en Monisme', in: De Vrije Gedachte VI (1914);
* Willem Meijer, 'De Duitsche Monistenbond', in: Tijdschrift voor Wijsbegeerte (1913);
* J.A. der Mouw, Kritische studies over psychisch monisme en nieuw-hegelianisme (Leiden 1906);
* Felix Ortt, Inleiding tot het Pneumat-Energetisch Monisme (Den Haag 1917);
* Ronald van Raak, 'Logos en Fancy. De kentheorie van Multatuli', in: Henri Krop & Siebe Thissen, De wijsbegeerte van het fin de siècle (Rotterdam 1996);
* Siebe Thissen, 'Monisme en vitalisme in de libertaire beweging. Een biografische schets van Bemard Damme (1864-1953)', in: Eerste Jaarboek Anarchisme (Moerkapelle 1994);
* Siebe Thissen, De hand waarmee ik schrijf is niet mijn buurmans hand. Een polemiek tussen Pannekoek en Bierens de Haan, in: Krop & Thissen (1996).


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -