| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1992 Johannes van Vloten.pdf | 26.01.2004 | 71kB | - |
"Kom gauw naor 't Nut, Van Vloten gieet debateren!"
Deze maand viert Haarlem de 175ste geboortedag van Johannes van Vloten, een van de meest opvallende figuren van de negentiende eeuw. Van Vloten was een veelzijdig geleerde. Zo ontpopte de theoloog zich niet alleen als filosoof, maar tevens als kunstcriticus, letter- en taalkundige, en als polemist en hervormer. Zijn kleindochter Mea Mees-Verwey inventariseerde in 1928 ruim 1500 publicaties van zijn hand. De dichters van de 'Tachtigers' hadden de veelschrijvende spinozist Van Vloten hoog in hun vaandel staan. Dat kon ook moeilijk anders, want zijn drie dochters Martha, Betsy en Kitty trouwden met respectievelijk Frederik van Eeden, Willem Witsen en Albert Verwey. De boekenkast van hun schoonvader speelde in hun leven een belangrijke rol.
Johannes van Vloten (1818-1883) behoort zonder meer tot de meest kleurrijke Nederlanders uit de vaderlandse cultuurgeschiedenis. Toch is over deze "figuur", zoals de historicus Geyl hem ooit typeerde, in de loop der jaren opvallend weinig geschreven. Wat we over zijn levenswandel weten is vooral opgetekend door familieleden en nakomelingen zoals Mea Verwey en Francisca van Vloten. Juist deze nakomelingen werden steeds weer met hun overgrootvader geconfronteerd door de talloze opmerkingen van derden die vroegen of men familie was van 'die Van Vloten'. Voor Francisca van Vloten lag dat in 1991 niet anders. In de inleiding van haar Van Vloten-boek schreef ze: "Natuurlijk ben ik, als kleindochter van zijn kleinzoon, met de wetenschap van zijn bestaan opgegroeid; toch werd mij pas naar gelang ik mij meer in hem verdiepte, steeds duidelijker hoe onuitwisbaar sommige van zijn ideeën een stempel op zijn nageslacht hebben gedrukt. Het gevoel van verwantschap met hem en enkele van zijn kinderen groeide in dezelfde mate als het verlangen afstand te nemen en hem uit de verte gade te slaan".
De relatieve onbekendheid van Van Vloten moeten we toch verklaren uit het maatschappelijke en intellectuele isolement waarin hij het grootste deel van zijn leven verkeerde. Als modern theoloog had hij provocerend de kerk achter zich gelaten, zich ingezet voor de verspreiding van het vrije denken, een onverbloemd atheïstisch spinozisme in Nederland geïntroduceerd en het humanisme te vuur en te zwaard verdedigd. Door zijn felle stellingnames en zijn hevige kritiek op het kerkelijke karakter van de Nederlandse samenleving had hij zich zelf buitenspel gezet. Zijn leven werd dan ook geteisterd door censuur, ontslagen en heftige tegenstand. Van Vloten bleef een onbegrepen figuur en dat stemde hem bitter. Zijn karakter was dan ook ongemakkelijk en hij was niet erg soepel in de persoonlijke omgang. Hij stond onverzoenlijk tegenover hen die omwille van een goede positie halfhartige en compromisachtige standpunten verkondigden, en hoonde een ieder die hij gebrek aan oprechtheid verweet.
Johannes van Vloten werd in 1818 geboren te Kampen als zoon van de bekende predikant Willem van Vloten die echter vroegtijdig kwam te overlijden. Met de inmiddels zeventienjarige Jan vestigde het gebroken gezin zich in 1835 te Leiden waar Van Vloten zich toelegde op de studie van oude, nieuwe en oosterse talen en letteren. In 1843 promoveerde hij op een filologisch en historisch onderzoek naar een brief van Paulus. Aanvankelijk baseerde hij zich in Leiden op een oud-liberaal kerkgeloof dat weliswaar supranaturalistisch van aard was, maar de Rede het vermogen toekende de waarheid van Gods openbaring op eigen kracht te ontdekken. Van Vloten accentueerde de levenspraktijk in zijn religiositeit en niet de dogmatiek. In de stellingen bij zijn dissertatie knoopte hij voorzichtig aan bij de denkbeelden Spinoza, die in die dagen in Nederland nog schier taboe waren. Hij was met Spinoza in aanraking gekomen via de Duitse filosofen Strauss en Schleiermacher. Met hen meende Van Vloten dat de metafysica en de theologie op historische wijze geinterpreteerd dienen te worden. Hij bleek geobsedeerd door Strauss' 'Das Leben Jesu' (1835) - een historische biografie van Jezus - waarin de filosoof afrekende met de mythische en verdichtte elementen uit het levensverhaal van Jezus. In zijn bijbelkritiek knoopte Strauss aan bij Spinoza die hij als de eerste systematische criticus beschouwde.
De denkbeelden van Strauss en andere jonghegelianen kregen hier ten lande veel tegenstand. Zo vertaalde de biochemicus en vrijdenker Jacob Moleschott werken van Strauss maar vond hij geen uitgeverij bereid de werken uit te geven omdat de overwegend christelijke Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels een boycot ingesteld had. Toen Van Vloten in 1843 in het tijdschrift 'De Gids' een verdediging van de opvattingen van Strauss schreef betekende dat tevens een voorlopig einde van zijn loopbaan als scribent. Eindredacteur Potgieter deelde Van Vloten mede dat verdere medewerking niet langer op prijs gesteld werd. Toch liet Spinoza Van Vloten niet meer los. Hij radicaliseerde zijn historische en antropologische kijk op de theologie en concludeerde in 1849: "Mijn kerk is de maatschappij, en mijne godsdienst vindt hare uitoefening in het leven zelf".
Van 1842 tot 1846 werkte Van Vloten als leraar Frans en Geschiedenis aan het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam. Zijn leraarschap verliep weinig succesvol, hij kon de orde nauwelijks handhaven en werd na een conflict met een leerling in 1846 ontslagen 'wegens volslagen gebrek aan orde'. Daarop besloot hij een lange reis te maken om zijn gedachten te ordenen en toekomstplannen te maken. Hij trok tijdens zijn 'wanderschaft' door het zuiden van Duitsland waar hij kopstukken van de Tubinger School bezocht en kennis maakte met David Friedrich Strauss. Vol goede moed toog hij terug naar Leiden met de bedoeling als publicist en privaat-docent zijn brood te verdienen. Hij woonde geruime tijd in het zogenaamde 'professorenhuis' waar ook de historicus Fruin vertoefde. Net als Fruin was Van Vloten een overtuigde nationalist en liberaal, een radicale volgeling van Thorbecke maar beslist geen socialist.
Tijdens deze jaren schreef hij veel artikelen voor uiteenlopende tijdschriften. Van Vloten publiceerde over de theologie, filosofie, geschiedenis, het onderwijs, de letterkunde en de zedenkunde. Hij polemiseerde met Utrechtse 'gevoelstheoloog' C.W. Opzoomer, met de Leidse monistische theoloog J.H. Scholten en schreef hij over de vrijheidsstrijd en de Opstand tegen Spanje. In 1854 werd zijn werklust bekroond en werd hij te Deventer benoemd tot hoogleraar aan het plaatselijke Athenaeum in de Nederlandse taal, letter en geschiedkunde. Tijdens zijn inaugurele rede liet Van Vloten zich kennen als een hartstochtelijke strijder voor zelfontwikkeling. Hij beschouwde de opvoeding van de Nederlanders tot mondige en zelfstandig denkende mensen als zijn roeping. Om zijn woorden kracht bij te zetten werd hij een actief lid van verschillende genootschappen, zoals de plaatselijke Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Te Deventer baarde de polemiserende en spreekvaardige Van Vloten veel opzien en menig Deventernaar kwam naar zijn lezingen om te zien met wie hij nu de vloer weer eens aanveegde. Een tijdgenoot memoreerde dat Van Vloten leven bracht in het rustige Deventer. Voorafgaande aan zijn voordrachten weerklonk in de straten: "Kom gauw naor 't Nut, Van Vloten gieet debateren!" Zelfs de gangen liepen vol met mensen die trachtten iets van Van Vlotens replieken op te vangen.
Was Deventer aanvankelijk vereerd met de komst van Van Vloten, toch kwam er gedurende zijn ambtsperiode steeds meer kritiek op zijn persoon. Hij uitte een stevige kritiek op de gemeenteraad, de leiding van het Athenaeum en ageerde onverminderd tegen de Hervormde Kerk en de verouderde godsdienstlessen die in Deventer nog hoogtij vierden. De curatoren van het Athenaeum gaven hem een officiële berisping waarin men de hoogleraar maande niet langer de belangen van de school te schaden. Van Vloten trok zich echter niets van deze kritiek aan. Hij verweerde zich ongemeen fel "tegen het godsdienstig goochelspel" en besloot in een adres aan de heren curatoren: "Dacht men werkelijk mij daarmede het zwijgen te kunnen opleggen? Met welk armzalig slag van volk moet men toch wel gewoon zijn om te gaan, of wat voor vuige gevoelens in eigen gemoed kweeken, om te meenen, dat ik mijn onvoorwaardelijke vrijheid van denken en schrijven voor eene betrekking aan de Deventer School zou verkoopen?" Opnieuw kreeg Van Vloten in 1867 zijn ontslag. Hij kon er echter niet om rouwen: "Weet echter wel, dat uwe kansels er niets minder vermolmd, uwe doopkluchten niet minder onwaardig, uwe huichelarij, uw dwang, en uwe ondank niet minder snood, al uw deerniswaarde personen niets minder belachelijk om zijn".
Het gezin Van Vloten verhuisde naar Haarlem vanwege de aanwezigheid van de eerste en enige meisjes-HBS van Nederland. Jan van Vloten achtte een gedegen scholing voor vrouwen net zo belangrijk als voor mannen. In de jaren zestig was Van Vloten inmiddels uitgegroeid tot een van de belangrijkste spreekbuizen van het vrije denken. Hij schreef veel bijdragen voor het tijdschrift 'De Dageraad'- dat door de gelijknamige vrijdenkersvereniging werd uitgebracht - en sprak en publiceerde onophoudelijk over Spinoza. Tussen 1853 en 1883 wijdde hij ruim zestig verhandelingen over het leven en de filosofie van de wijsgeer. De meeste artikelen verschenen in zijn eigen tijdschrift 'De Levensbode' (1866-1881) en haar opvolger 'De Humanist' (1881-1882). Alhoewel men sinds het midden van de jaren vijftig een voorzichtige positieve houding ten opzichte van het spinozisme kon aannemen bleef Van Vloten lange tijd geïsoleerd met zijn specifieke naturalistische interpretatie van de leer van de joodse zeventiende eeuwse denker. In 1862 publiceerde hij zijn beroemdste boek 'Baruch d'Espinoza; zijn leven en schriften' waarin hij het leven en werk van Spinoza nauwgezet belicht. Het boek was tevens een eerbetoon aan zijn 'voorbeeld' Jacob Moleschott - aan wie het boek werd opgedragen - die zijn materialisme en naturalisme steeds verdedigd had en in 1855 zelfs op grond van zijn uitgesproken atheïsme te Heidelberg als hoogleraar ontslagen werd. Net als zovelen omstreeks het midden van de negentiende eeuw beschouwde Van Vloten Moleschott als het onbetwiste voorbeeld van de standvastige intellectueel die weigert zijn principes op te geven.
Het spinozisme van Van Vloten betekende een radicale breuk
met de traditie van het verleden. Sinds de achttiende eeuw had zich in Nederland
een metafysisch
en pantheïstisch spinozisme ontwikkelt dat zelfs gecombineerd kon worden
met een kerklidmaatschap. Met name in de vrijmetselarij speelde de filosofie
van Spinoza een grote rol. De vrijmetselaar en dichter-wijsgeer Johannes Kinker
was een bewonderaar van Spinoza, en twee van de belangrijkste negentiende eeuwse
spinozisten, Alexander Francois Siffle en Dionys Burger jr., waren beide overtuigde
ouderlingen van hun gemeentes. Een andere vroege Spinoza-bewonderaar was de
Bredase predikant W. van Volkom. Niet voor iedere gelovige was het spinozisme
aldus een synoniem voor het atheïsme, al kon men voor 1855 nog maar moeilijk
openlijk voor de leer van Spinoza uitkomen.
Van Vloten echter brak radicaal met dit esoterische pantheïsme en hij
introduceerde een spinozisme met atheïstische en materialistiche trekken.
Guido van Suchtelen typeerde zijn spinozisme als een 'romantisch naturalisme'.
Met Jezus en Socrates beschouwde Van Vloten Spinoza als een voorbeeldige mensenzoon.
Hij nam Spinoza's eenheid van God en de Natuur over en beschouwde dit monisme
als een handleiding tot de 'onbevooroordeelde waarheid en wetenschap op verstandelijk
en zedelijk gebied'. Tevens deed Van Vloten de grootste Spinoza-vondst van
de negentiende eeuw. Bij Frederik Mullers antiquariaat doken handschriften
op die Van Vloten wist te herkennen als de tot 1862 geheel onbekend gebleven
'Korte Verhandeling', een tekst die tot op de dag van vandaag een belangrijke
sleutel tot de filosofie van Spinoza genoemd kan worden. Van Vlotens uitleg
van het spinozisme en zijn unieke vondst maakten hem bekend tot ver over de
landsgrenzen. In Duitsland en Frankrijk kreeg het Spinoza-onderzoek nieuwe
impulsen maar in zijn vaderland bleef zijn invloed beperkt. Opmerkelijk is
het feit dat de belangrijkste filosoof van het tijdschrift 'De Dageraad', A.F.
Siffle, de Spinoza-biografie van Antonius van der Linde - eveneens uit 1862
- prefereerde boven die van Van Vloten. De orthodoxe calvinist Van der Linde
was weliswaar een overtuigde antispinozist maar de materialistische gevolgtrekkingen
van Van Vloten gingen zelfs menig vrijdenker veel te ver. In het begin van
de jaren tachtig bezorgde Van Vloten samen met de filosoof Land de eerste volledige
uitgave van Spinoza's werken in Nederland. Het bezorgde hem internationale
erkenning.
Bij Spinoza vielen liberalisme en nationalisme samen, zo meende Van Vloten. Hij roemde Spinoza als de "blijde boodschapper der mondige mensheid" en beschouwde de wijsgeeer als een van de belangrijkste historische figuren uit de vaderlandse cultuur. Gedreven heeft hij dan ook geijverd voor het realiseren van een standbeeld dat er uiteindelijk in 1880 ook kwam en onthuld werd aan de Paviljoensgracht in Den Haag. Van Vloten groeide in deze jaren dan ook uit tot een belangrijke Europese figuur. Zo onderhield hij onder meer contacten met Ernest Renan, Herbert Spencer en Berthold Auerbach. In deze liberaalnationalistische hausse ontstond zowaar zelfs een kleine Nederlandse spinozistische kring waar liberale en atheistische opvattingen gekoesterd werden en gestreefd werd naar een "geloofsvrije samenleving". We kunnen hier denken aan de kring rondom het literair-culturele tijdschrift 'De Nederlandsche Spectator'. Schrijvers als Carel Vosmaer en Petrus van Limburg Brouwer bleken in hun werk blijvend door van Vloten en Spinoza beinvloed. In literair-culturele kringen werd Van Vloten zeer gewaardeerd en ook zijn dochters kozen voor de literatuur. Zo trouwde zijn dochter Martha in 1886 met Frederik van Eeden, Kitty in 1890 met Albert Verwey, en Betsy in 1893 met Willem Witsen. Overigens hield alleen Kitty's huwelijk stand. Deze persoonlijke en intieme band tussen de 'Tachtigers' en de dochters van Van Vloten moeten we als een belangrijke oorzaak beschouwen van de flirt van de dichters omstreeks de eeuwwisseling met het spinozisme.
Van Vloten was een volbloedschrijver. Hij genoot van zijn werk, het onderzoek, zijn contacten met gelijkgestemden, en zijn streven naar zedelijke ontwikkeling. Hij wees zijn gehoor op het werk van Vondel, Cats, Hooft, Kinker en Betje Wolff en De Genestet, hij polemiseerde heftig met Multatuli, hij wierp nieuw licht op de Opstand tegen Spanje en maakte van Spinoza een nationale held. Met recht kan hij daarom "een figuur" genoemd worden.
* Francisca van Vloten, 'Het kostelijckst van al'. Een schets van Johannes
van Vloten (Deventer 1991)
* Fransisca van Vloten, Een hartstochtelijk hemelbestormer (Deventer 1993)
* Van Vloten-herdenking, zaterdag 16 januari 1993, Stadhuis te Haarlem, aanvang
14.30u.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |