| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1991 Bernard Damme en het Spinozisme in Rotterdam.pdf | 26.01.2004 | 88kB | - |
BERNARD DAMME EN HET SPINOZISME IN ROTTERDAM
In 1908 verscheen te Rotterdam het boekje 'B. de Spinoza; populaire bijdrage
over zijn leven en leer'. De schrijver had geen academische opleiding genoten
maar was een fervent liefhebber van de wijsbegeerte. Naast zijn betrekking
als ambtenaar Publieke Zaken in de Maasstad was Bernard Damme (1864-1953)
een enthousiaste 'werkman-filosoof' die zijn leven in dienst van de verspreiding
van het vrije denken gesteld had. Het boekje werd uitgegeven door de vrijdenker
en anarchist N.H. Luigies die de winsten van zijn drukkerij annex uitgeverij
gebruikte om boeken en brochures onder de bevolking te brengen. Deze werkjes
waren populair-wijsgerig van aard en de inhoud richtte zich vooral tegen
het kerkelijke en religieuze denken. Luigies en Damme wilden de Rotterdammers
opvoeden tot zelfstandig denkende individuen. Een kennismaking met het
wijsgerige denken was daarvoor een eerste vereiste. Damme, een vriend en
bewonderaar
van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, richtte zich allereerst op arbeiders
en vrijdenkers. De wijsbegeerte mocht geen afgesloten vakgebied voor geleerde
filosofen zijn. De filosofie behoorde een open karakter te hebben en moest
voor een ieder toegankelijk zijn. Damme hield zich dan ook voornamelijk
bezig
met het populariseren van wijsgerige denkbeelden die de moderne en onkerkelijke
mens goed kon gebruiken tijdens zijn speurtocht naar een levens en wereldbeschouwing
die beter aansloot op de vragen en eisen van de stedelijk-industriële
samenleving. De kerken hadden met hun verouderde denkbeelden, zeden en
voorschriften voorgoed afgedaan, zo meende Damme stellig. Maar laten we
eerst ons blik
op het ontluikende Rotterdam van die dagen richten.
Tussen 1800 en 1910 verdubbelde het aantal Rotterdammers zich
drie maal en vanaf 1870 vond bovendien een geweldige migratie naar de Maasstad
plaats. De
theoloog Douwes noemde de groei van Rotterdam "de meest geprononceerde
doorbraak van de stedelijk-industriële samenleving in Nederland".
Grote uitvoerende werken zoals de spoorwegen en het havenbedrijf vroegen om
duizenden handen. Nieuwe stadswijken verrezen en eentonige arbeiderswijken
met het karakter van getto's bepaalden meer en meer het beeld van de stad.
De 'laissez-faire-politiek' van de grote Rotterdamse ondernemers, zoals Lodewijk
Pincoffs, Samuel Muller en Marten Mees, ging gepaard met een sociale onverschilligheid.
De overheid hield zich doelbewust en volgens afspraak op de achtergrond omdat
men de financiële kosten en de grootschaligheid van de uitvoerende werken
aanvankelijk niet kon overzien. Het belang van de woonstad werd volledig ondergeschikt
gemaakt aan het belang van de werkstad.
De arbeidskrachten die sinds het laatste kwart van de negentiende eeuw naar
Rotterdam togen waren vooral afkomstig van het Zuid-Hollandse, Zeeuwse en
West-Brabantse platteland waar religieuze en kerkelijke tradities vaak met
kracht gehandhaafd bleven. Velen van hen raakten te Rotterdam echter in een
geestelijk isolement. Het tekort aan priesters, predikanten en kerken verergerde
deze situatie alleen maar. In het nog altijd prachtige boek uit 1952 'De
groei van de grote werkstad' merken Bouman en Bouman terecht op dat onder
de nieuwe Rotterdamse arbeiders de sektegeest sterk aanwezig was. Bij het
prijsgeven van de traditionele kerkverbanden bleken de migranten snel tot
emotionele groepsvorming te komen. Vaak aanvaardden zij een heftig bewogen
lekenprediking. Maar niet alleen de arbeiders werden door gevoelens van onthechting
gekweld, ook priesters en predikanten geraakten in een crisis. Sommigen,
zoals pastoor Van Etten van Delfshaven, sloten zich in hun pastorie op uit
een onverholen afkeer van de als zedeloos te boek staande arbeiders. Maar
er waren ook uitzonderingen. Gestimuleerd door de onverschilligheid van het
bedrijfsleven en de overheid voelden anderen zich juist geroepen de arbeiders
geestelijk en materieel steun te verlenen. Zo trad de Feijenoordse pastoor
Gompertz op als beschermheer van de katholieke armen 'op Zuid' en hij verdedigde
tot in de Tweede Kamer hun rechten op een menswaardig bestaan. Crooswijk
vond zijn patroon in de sociale dominee Heldring - een zoon van de bekende
Veluwse predikant O.G. Heldring -, en onder onthechte protestanten in de
binnenstad baarde Dominee Stam opzien. Stam was een in het zwart geklede
'buitenman' die in zijn gebeden God met jij en jou aansprak en op straat
wekelijks zo'n vijfhonderd toehoorders aan zich wist te binden. En zo telde
Rotterdam talloze sprekers en sekten waarvan we nog altijd weinig weten.
De moderne arbeidersfilosofie is geworteld in de lekenprediking en in de
kerken. We kunnen deze periode voor Rotterdam laten beginnen bij de merkwaardige
dominee Willem Frederik Meng.
Willem Meng (1843-1924) had theologie gestudeerd en werd in 1875 als predikant aan de Lutherse Kerk in de Mannenlaan te Rotterdam beroepen. Hij koesterde modernistische denkbeelden en al spoedig kwam hij in aanvaring met zijn kerkbestuur. Meng aanvaardde een antropologisch godsbeeld en in navolging van de Duitse filosofen Strauss en Feuerbach meende hij dat iedere mens zich een God naar zijn eigen beeld schept en niet andersom. God was niet meer dan de samenbundeling van het Goede in de mens en de bijbelse geloofsleer moest als een christelijke mythologie beschouwd worden. Meng betoogde aldus dat de God waarin zijn kerkgangers geloofden helemaal niet bestond. Het was voor menig kerkganger wel even wennen. Gelukkig beschikken we nog over herinneringen van Rotterdammers aan zijn preken:
"Hij nam zijn horloge uit zijn vessiezak en legde die voor hem op de kansel. En toen zei hij: 'Nou zal ik tot 60 tellen en als er dan nog geen God is dan mag tie me met de bliksem treffen of me blind slaan voor mijn levenlang. Maar as tie 't niet doet, dan is er ook geen God".
Willem Meng is waarschijnlijk de enige Rotterdamse predikant
geweest die zich alsvolgt bij de gemeente liet inschrijven: "beroep: predikant", en, "geloof:
geen". Al spoedig weigerde het kerkbestuur Meng nog langer de toegang
maar dat kon de dakloze predikant niet deren. Hij ging onverdroten voort met
zijn opzienbarende preken en liet zijn geestverwanten nu zalen huren. In het
begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw trok Meng volle zalen en velen
moesten buiten blijven. Uiterst populair waren zijn voordrachten in het gebouw
'Verscheidenheid en Overeenstemming' aan de Scheepmakershaven. Meng sprak daar
over het werk van Multatuli, over de filosofie van Strauss, Feuerbach en Schopenhauer,
over de opera's van Richard Wagner en over Oosterse godsdiensten. En daarbij
was Meng een cultuurpessimist die meende dat het kapitalisme een uniforme "massa-mensch" geschapen
had. De moderne mens dient zich daarom los te maken van zijn godsdienst om
zichzelf te ontplooien en te ontwikkelen. Pas in deze zelfontwikkeling zou
de mens waarachtig vrij zijn en geen juk meer op zijn schouders nemen. Zelfontplooiing
en godsdienstigheid bijten elkaar; dat was zijn boodschap.
Toch nam ook de weerzin tegen deze 'godverzaker' toe en in menig Rotterdams
gezin werd hij als de "antichrist" beschouwd. Zijn bijeenkomsten
trokken veel kwaadwilligen die poogden zijn preken onmogelijk te maken. Op
30 januari 1882 ontstond aan de Scheepmakershaven een enorme rel waarbij
Meng gemolesteerd werd en voor en tegenstanders met elkaar op de vuist gingen.
Tegenstanders riepen leuzen als "Snijdt Meng aan repen!" en voorstanders
brulden "Leve Meng!". De gewaarschuwde politie trad echter veel
te laat op. Daarop verliet Meng demonstratief de Kerk en het christendom
en velen volgden zijn voorbeeld. Een van die navolgers was de uiterst jonge
Rotterdammer Bernard Damme.
Bernard Damme werd geboren op 21 mei 1864 in de Rotterdamse Doelstraat in de drukke binnenstad. Deze arbeiderswijk tussen de Goudschesingel en de Binnenrotte was een drukke en gezellige omgeving en het nachtleven bloeide dankzij de aanwezigheid van kroegen en publieke dames. Een vader had Bernard niet en zijn moeder Elisabeth Damme droeg de zorg voor zijn opvoeding. Tijdens zijn militaire dienst kwam hij in aanraking met de antigodsdienstige denkbeelden van Multatuli en met socialistische propaganda. In tegenstelling tot de sociaal-democraten was Damme een individualistische en anarchistische overtuiging toegedaan en de onafhankelijkheid van het individu stond bij hem hoog in het vaandel. Hij bekritiseerde bekende socialisten zoals Troelstra en de gebroeders Van Helsdingen en meende dat zij carierre maakten over de ruggen hunner makkers. Ook vond hij, in navolging van Willem Meng, dat de socialisten niet antigodsdienstig genoeg waren. Bovendien zouden de sociaal-democraten met hun nadruk op de arbeiders als massa of klasse hun uiterste best doen de mensheid tot een eenheidsworst te kneden. Morrend sprak hij daarom over "de lamlendigheid der groote massa" die te beroerd is zichzelf te helpen. Met andere dissidenten richtte Damme de Vrije Rotterdamse Groep De Vaandelwacht op.
In samenwerking met allerlei vrijdenkers organiseerde De Vaandelwacht spreekbeurten
in een verkooplokaal aan de Goudschesingel. Ook bracht men boekjes en brochures
uit. De belangrijkste spreker op de vrije bijeenkomsten was Willem Meng die
onder meer sprak over Multatuli en Wagner, over filosofie en antropologie,
en over de mythologie.
Onder invloed van Meng raakte Damme geobsedeerd door de wijsbegeerte. Hij zag
de filosofie vooral als een geseculariseerd vervolg op de theologie en hij
beschouwde deze ontwikkeling als hoopvol, want als het aan de kerken lag keerden
we terug naar de middeleeuwen, zo meende hij vastberaden.
Op een van zijn voordrachten voor arbeiders uit de oude binnenstad
had Damme de bekende Rotterdamse arts en sexuele hervormer J. Rutgers leren
kennen. Rutgers
sprak de Maasstedelijke arbeiders regelmatig toe over het seksualiteitsvraagstuk
en hij nodigde Damme uit te komen studeren in zijn salon aan het Haringvliet.
Aldaar kwamen in de avonduren arbeiders bijeen die de zelfstudie ter hand wilden
nemen. Damme bestudeerde hier werken over gezondheid en hygiëne; en las
natuurkundige, sociologische en wijsgerige studies. Hij genoot van deze vorm
van zelfontwikkeling. In zijn herinneringen schreef hij:
"
Na dagen van tien-twaalfurige arbeid voor de boterham, naar de vergadering
tot 's avonds elf, twaalf uur, of leezen en leeren, van allerlei, tot diep
in den nacht, dat was jarenlang zoo'n gewoonte geworden dat men al niet beter
wist of het behoorde zoo te wezen. Het was een genot toen te leven".
Geleidelijk ontstond er te Rotterdam een betere infrastructuur voor autodidacten
uit de arbeidersklasse. Rutgers formaliseerde zijn salon in 1895 tot de 'Rotterdamsche
Buurt Vereeniging' die tot doel had de mensen uit de buurt bijeen te brengen,
zowel armen als rijken, om samen geestelijke en redelijke problemen te bespreken.
Ook organiseerde de Buurtvereeniging soms in samenwerking met De Vaandelwacht
lezingen die goed bezocht werden. De eerste lezing in 1898 in het verkooplokaal,
'Een bezoek aan een Engelsche kolenmijn' trok meer dan 500 bezoekers, waarvan
het merendeel uit arbeiders bestond. In 1905 ging de Rotterdamsche Buurtvereeniging
op in de Vereeniging Ons Huis. Ons Huis richtte zich behalve het bevorderen
van de contacten tussen mensen uit alle kringen van de samenleving vooral op
de algemene volksontwikkeling. Directeur was de voormalige christenanarchistische
dominee Anne de Koe.
Voor de wijsbegeerte bestond ook enige aandacht en de bibliotheek schafte
zich de nodige werken aan. In het seizoen 1911-1912 leende de bibliotheek
van Ons Huis 138 boeken over wijsbegeerte uit. Daarnaast organiseerde men
tussen 1911 en 1913 wijsgerige cursussen met veel aandacht voor de vraagstukken
van de Wil en de zedelijkheid. Bovendien bracht Ons Huis tussen 1913 en 1916
enkele cultuurhistorische cursussen waarin achtereenvolgens denkers uit de
Oudheid, de Middeleeuwen, de Renaissance en de moderne geschiedenis aan het
Rotterdamse arbeiderspubliek werden voorgesteld. Zo werd men onder meer bekend
gemaakt met het leven en werk van Dante, Boccaccio, Rabelais, Montaigne,
Thomas More, Erasmus, Macchiavelli, Hobbes, John Locke, Descartes, Voltaire,
d'Holbach en Spinoza. In 1919 werd de afdeling wijsbegeerte overgedaan aan
de zojuis opgerichte Volksuniversiteit. Ons Huis bood de Rotterdamse arbeider
eigenlijk de eerste geïnstitutionaliseerde gelegenheid om kennis te
maken met aspecten van de wijsbegeerte.
Hoe verging het Damme ondertussen? Zijn belangstelling voor
de filosofie nam onverminderd toe. Hij werd lid van een wijsgerige vereniging,
onder leiding
van de bekende filosoof en spinozist Willem Meyer, en begon vanaf 1903 arbeiders
en vrijdenkers toe te spreken over het leven en de werken van uiteenlopende
filosofen. Hij sprak veel in Rotterdam maar ook daarbuiten. Tussen 1903 en
1951 schreef hij een tiental werken en meer dan 500 artikelen, waarvan het
grootste deel voor het tijdschrift 'De Vrije socialist' een door Ferdinand
Domela Nieuwenhuis opgericht tijdschrift dat nog altijd als maandblad bestaat.
Dankzij het werk van Damme krijgen we enig zicht op de wijsgerige denkbeelden
die zich tijdens de opkomst van het socialisme en het humanisme verspreidden
onder geseculariseerde arbeiders en 'kleine luyden'. Bovendien worden in
zijn werk de ingrediënten van de zogenaamde arbeidersfilosofie duidelijk
zichtbaar.
Allereerst leverde de wijsbegeerte argumenten en opvattingen waarmee de
zoekende en vaak geestelijk ontwortelde Rotterdammers zich konden wapenen
tegen bijbelse
stellingen en tegen autoritaire priesters en predikanten. Het was met name
de monistische filosofie die als een effectieve antitheologie kon functioneren.
Bovendien legitimeerde deze monistische antitheologie antiklerikale opvattingen.
Het monisme hing nauw samen met de vorderingen in de natuurwetenschap.
In navolging van negentiende eeuwse wetenschappers, zoals Charles Darwin,
de
Nederlander Jacob Moleschott en de Duitsers Ludwig Buchner en Ernst Haeckel
pleitte Damme voor een atheïstisch monisme. Deze wetenschappers meenden
dat de wereld in al haar verschijnselen en bewegingen een eenheid vormt.
Met andere woorden: God, natuur, lichaam en ziel zijn onlosmakelijk met
elkaar verbonden; de dualistische opvattingen van de clerus en de theologie
ten
spijt. Het monisme wordt ons kenbaar gemaakt door de onafscheidelijk met
elkaar verbonden attributen kracht en stof, energie en materie; ofwel Het
Zijnde, zoals Damme het noemde. Er bestaat geen kracht zonder stof en omgekeerd.
De monist erkent daarom geen enkele macht buiten dit Zijnde en geen enkele
intelligente macht binnen dit Zijnde. Het bijbelse scheppingsverhaal en
het geloof in een God of in de duivel moeten daarom als sprookjes beschouwd
worden.
Slechts de Rede - en dat is voor Damme de wetenschap - mag op basis van
empirisch onderzoek uitspraken doen over het Zijnde. Het geloof, in welke
redelijke
of mystieke vorm dan ook is een illusie. Het leven is immers kenbaar. Zo
was de constellatie van het heelal niet door God geschapen en kon zij door
middel van wiskundige berekeningen verklaard worden. Het organische leven
als zodanig was een ingewikkeld fysisch en chemisch proces; en de mens
was een toevallige laatste schakel in de evolutieleer zoals Darwin die
beschreven
had. Damme legde deze denkbeelden uiteen in zijn boeiende boek uit 1910
'Iets over eenige monisten en het monisme'.
Een tweede element in Dammes arbeidersfilosofie is die van
het anachronisme. De geschiedenis van de wijsbegeerte leverde zowel martelaren
waarmee de zoekende
mens zich kon identificeren, als waarachtige helden. Vooral die wijsgeren
die zich moedig verzet hadden tegen theologische dogma's en autoritaire klerikalen
kregen Dammes volle aandacht. In zijn levensbeschrijvingen van bekende filosofen,
zoals Erasmus en Spinoza, probeert hij steeds door de ogen van de wijsgeer
zijn eigen tijd te aanschouwen. Damme wilde net als Spinoza politieke tractaten
tegen de gevestigde orde schrijven. En net als Erasmus wilde hij het bijgeloof
te vuur en te zwaard bestrijden. Zijn nog altijd lezenswaardige boek uit
1916
'Erasmus; de Voltaire der XVIe eeuw' biedt de lezer een prachtige aanklacht
tegen iedere vorm waarin het geloof gegoten kan worden. Hij hekelt niet alleen
de georganiseerde godsdiensten en bedevaarten, ook het ontluikende spiritisme
en de 'petit religions' van het 'fin-de-siècle' kunnen in zijn ogen
geen genade vinden.
" Spoken en geestverschijningen, spiritisme, steenengooien en andere zoogenaamde
'stille krachten', zoals Couperus dit beschrijft, waarvoor eenige jaren
geleden te Rotterdam nog iederen avond duizenden en tienduizenden menschen samenstroomden,
o dat alles doet thans ook nog opgeld, zooals wij zien; terwijl het occultisme,
wonderdoenerij, theosophie, witte en zwarte magie duizenden aanhangers
tellen,
en sprekende en schrijvende mediums en geestverschijningen aan de orde
van de dag zijn. Waarzeggerij, toekomstvoorspellingen, clayrvoyance...ach, leest
de bladen, ziet de advertentiekolommen en men heeft het bewijs dat in onze
zoogenaamde Verlichte Eeuw het bijgeloof nog welig tiert ...En de eenige
manier om hier verandering in te brengen is het door Erasmus begonnen werk
voort te zetten, dat wil zeggen de geesten te verhelderen door te wijzen
op de zotheid die er in gelegen is zich nog langer met zulk bijgeloof bezig
te houden..."
Erasmus en Spinoza waren voor Damme echte helden. In hen vatte hij zichzelf en zijn eigen strijd samen. Niet voor niets ondertekende Damme veel bijdragen met zijn pseudoniem 'warrior', hij voelde zich een strijder voor de Vrije Gedachte, geroepen om de kerken en het geloof te bestrijden.
Ten derde poogde Damme in zijn filosofie cultuurkritiek en vooruitgangsoptimisme met elkaar in overeenstemming te brengen. Met beroemde schrijvers als Nietzsche, Tolstoij, en Ibsen kwam Damme in opstand tegen de zelfgenoegzaamheid, de oppervlakkigheid en de verburgerlijking van zijn tijd. Volgens Damme kenmerkten de wijsbegeerte en het geestesleven zich omstreeks de eeuwwisseling door een grondig levenspessimisme waarin het menselijke bestaan als volledig zinloos en doelloos werd voorgesteld. En die gedachte was strijdig met de vrije socialist Damme en zijn oprechte geloof in een betere toekomst. Net als Meng meende hij dat het kapitalisme een "massa-mensch" geschapen had en een bureaucratische samenleving creëerde die de individuele en soevereine persoonlijkheid aan banden had gelegd. Ook de opkomende sociaal-democratie koesterde een onverbloemde minachting jegens het individu en streefde volgens Damme naar "een bijeengedreven kudde onder leiding van een herder of hond". De sociaal-democratie vond in deze vrijdenker een felle tegenstander. Zijn sociale en sociologische opvattingen schreef hij neer in 'Individu en Samenleving; of de Vrije Mensch' (z.j.).
In de filosofie van Friedrich Nietzsche vond Damme aanknopingspunten en hij introduceerde de Duitse filosoof in kringen vrijdenkers en anarchisten. Net als Nietzsche streefde Damme naar een samenleving waarin individuele kracht en levenslust het lot van de mens zouden bepalen. Het individu dient zich geestelijk en zedelijk te ontwikkelen tot een hogere persoonlijkheid. Nietzsche noemde deze persoonlijkheid de "Übermensch" en Damme vertaalde dat op zijn beurt in "de hoogere mensch". Deze mens zou zich van de godsdienst ontdaan hebben om zich daarna krachtiger en rijker van geest tot een "moderne adel" te kunnen ontwikkelen. Zo bestempelde Damme F. Domela Nieuwenhuis als een "modern edelman". En dat was opnieuw een begrip dat hij van Nietzsche leende. Eerder zou de samenleving niet bevrijd zijn. Bij Nietzsche vielen voor Damme aldus twee aspecten samen: cultuurkritiek (pessimisme) en vooruitgangsdenken (optimisme).
Toch volgde hij Nietzsche niet in alle facetten. Niet alleen achtte hij de Duitser te nihilistisch; Damme meende bovendien dat Nietzsche weinig naastenliefde aan de dag bracht en nauwelijks begrip voor de onverschillige massa kon opbrengen. Op zijn beurt keurde Damme alle rassentheorieën af en verafschuwde hij romantische en illusoire begrippen als volk, ras en klasse. Bovendien zag hij in de opvoeding van de massa nog perspectief. Hij was het wel met Nietzsche eens dat de hogere mens het absolute recht had "de stank van het kuddegeluk te negeren". Maar hij had geen behoefte aan het bewieroken van historische grootheden zoals Nietzsche dat gaarne deed. De Napoleons, de Rockefellers en de Bismarcks konden hem niet bekoren.
Damme werd niet echt optimistischer in zijn verwachtingen van de massa en hij bleef zijn wijsgerige denkbeelden tot onafhankelijke enkelingen richten. In de jaren twintig en dertig liet hij zich niet vangen door ideologisch gesloten systemen zoals het communisme of het fascisme, of door volksmenners die de massa's opzweepten ter meerder glorie van het vaderland of henzelf. Damme bleef een eenzame opstandeling die zijn woorden richtte tot arbeiders en kleine luyden met onafhankelijkheidszin. Maar zijn denkbeelden hadden een vaste plek gekregen in het erfgoed van de humanistische zuil.
Damme en de andere zogenaamde werkmanfilosofen of arbeidersfilosofen vervulden een belangrijke bemiddelende rol tussen Verlichte arbeiders en kleine middenstanders en de wijsgerige - dat wil zeggen - antigodsdienstige denkbeelden. Velen accepteerden een seculiere levensbeschouwing met andere normen en waarden die beter aansloten op de eisen van de moderne stedelijke samenleving. Damme heeft op velen invloed uitgeoefend en de wijsbegeerte als een lovenswaardige wetenschap aanbevolen. De Dordtse arbeider Cees de Boon herdacht Damme bij zijn dood in 1953 en vatte zijn belang voor Rotterdam nogmaals samen:
"Ik begon boeken over verschillende wereld- en levensbeschouwingen te verslinden en las de bijbel nu op een manier die veel verschilde van vroeger dagen. Na een lange strijd was ik in staat het benauwende keurslijf van het geloof van mij af te schudden. Zoals Damme's woorden en werken mij beinvloedden, zo zal hij ook bij anderen een ommekeer teweeg hebben gebracht".
Het is een voortreffelijk idee van de Rotterdamse uitgeverij Cagliostro om het werk van Damme opnieuw onder de aandacht van het lezerspubliek te willen brengen. Ook in Dammes dagen waren het immers vrijdenkers die zelf initiatieven namen om wijsgerige opvattingen onder de bevolking te verspreiden. Het werk van Damme had tot doel de mens geestelijk sterker en onafhankelijker te maken zodat hij geen eenvoudige prooi zou worden van autoritaire leiders en filosofieën. Spinoza was hem daarbij uiterst behulpzaam. In dit boekje laat Damme de arbeider kennis maken met het leven van Spinoza en stelt hij de zeventiende eeuwse wijsgeer voor als een trouwe kameraad in de strijd voor een betere en rechtvaardigere wereld. De schrijver maakt van Spinoza echter een overtuigde atheïst; een opvatting die nog altijd aan veel discussie onderhevig is. Maar Damme stond in die optiek niet alleen. Hij liet zich inspireren door de bekende filosoof en vrijdenker Willem Meyer (1842-1926). Meyer schreef dan ook het voorbericht in Dammes werk over Spinoza. Waaruit bestond het spinozisme van Meyer en Damme?
Willem Meyer beschouwde Spinoza als een erudiete denker die getracht had een redelijke en op proefondervindelijkheid gebaseerde levens en wereldbeschouwing te formuleren. Hij legde zich toe op het vertalen van het volledige werk van Spinoza en in 1901 kwam de eerste Nederlandse "editio definitiva" gereed. In een groot aantal artikelen en voordrachten poogde Meyer aan te tonen dat het spinozisme de ultieme levensbeschouwing van de moderne onkerkelijke mens kon zijn. Spinoza trachtte 'natuurlijk', dat wil zeggen als mens te leven, door bewust gebruik te maken van het denken en de rede. Geloven op gezag was voor hem een gruwel. Spinoza liet zich niet door klerikalen en dogma's van de wijs brengen en oefende zich voortdurend in beter en helderder denken. Zo schreef Meyer in De Vrije Gedachte:
"Het christendom zegt: Wees volmaakt, gelijk uw vader in den hemel volmaakt is. Een dergelijke te hooge eisch verlamt de energie, wij zien dat wij er niet aan kunnen voldoen en leggen ons er bij neer. Maar een mensch moet niet anders dan meer en meer mensch worden. Spinoza heeft gezegd: ieder die vrij wil leven, moet volgens zijn eigen natuur leven en handelen".
Uit Meyers voordrachten ontstond de Vereeniging voor Wijsbegeerte met verschillende afdelingen in het land. Ook Damme werd lid van die vereniging. Onder vrijdenkers en spinozisten werd de leer van Spinoza steeds meer een methode tot volksopvoeding en zelfbevrijding. Meyer stimuleerde die gedachte:
"Ons doel moet zijn, onze kennis van de wijsbegeerte te vermeerderen
en de kennis der filosofie te verspreiden, ook buiten de wanden der Hoogeschool.
Zoo moet de wijsgeerige vereeniging aan ontwikkelde menschen, die geen tijd
hebben dag in dag uit te studeeren, gelegenheid geven zich met de hoogste vraagstukken
des levens verkond te maken".
Meyer sloeg het aanbod af om hoogleraar te worden in Amsterdam. Hij meende
dat de wisselwerking tussen maatschappij en filosofie aan de universiteit
niet tot haar recht zou komen. Liever bleef hij werken voor de Kinderbescherming
en de Voogdijraad.
Damme was een goede leerling. Ook hij liet zich door Meyer en Spinoza inspireren en het resultaat was zijn boek over de Joodse wijsgeer en een groot aantal losse artikelen in verschillende arbeidersbladen. In de nu volgende originele tekst heeft Damme het leven van Spinoza en delen van de 'Ethica' en het 'Theologisch-Politiek Tractaat' naar mijn mening op uiterst bevattelijke wijze voor het arbeiderspubliek toegankelijk gemaakt. Met Spinoza gaat hij uit van "het Een, het Groote Al, de Zelfstandigheid en Substantie". Zijn monisme staat lijnrecht tegenover de dualistische beweringen van het christendom. Volgens Damme levert de bestudering van Spinoza een onuitputtelijke bron voor de verrijking van het verstand en het gevoel. Dammes spinozisme is eigenlijk een 'common-sense-filosofie' die zich met behulp van resultaten uit de natuurwetenschappen (de Rede) uitstekend wist aan te passen aan de maatschappelijke en mentaal-culturele omstandigheden van zijn tijd. Zijn spinozisme is zowel pragmatisch (het bieden van zekerheden in het aardse bestaan) als utopisch (een vast geloof in de verbetering van de mensheid op termijn).
Maar er was nog een tweede reden waarom Damme zijn boek liet verschijnen. Veel 'gevestigde' filosofen keken met argusogen naar Damme en andere volkswijsgeren omdat zij meenden dat de filosofie ongeschikt zou zijn voor het gewone volk. De bekende filosoof C.B. Spruijt had in de negentiende eeuw zijn mening al op papier gezet en hij moest hartelijk lachen bij de gedachte aan een vermoeide arbeider die na een lange werkdag ontspanning zocht in het lezen van de 'Ethica'. Damme reageerde steeds furieus op dergelijke minachting. En met de tot Spruijt gerichte uitspraak "Ach, waarde doctor, waarom niet?" sloot hij deze discussie af. De arbeider was mondig geworden:
"Zie het is waarlijk wel de tijd, dat hij (Spinoza, ST) en zijn streven in uitgebreider kring gekend worden en zijne werken niet uitsluitend in den kring der 'upper-ten' verblijven, doch hun intrede doen in de woning van den gewone man en arbeider. Maken wij zoo de spot van Dr. Spruijt en consorten te schande".
Voor Damme is Spinoza een belangrijke sleutelfiguur waarin hij zijn eigen problematische verhouding met optimisme en pessimisme herkent. Volgens Damme werd de wijsbegeerte en het geestesleven van de late negentiende eeuw gekenmerkt door een structureel pessimisme waarin de opvattingen van Von Hartmann en vooral Schopenhauer een belangrijke rol speelden. Hij had de werken van Schopenhauer gelezen en geconstateerd dat de wijsgeer 'smart' en 'lijden' niet als bijkomstig beschouwde maar juist als wezenlijk en essentieel voor het leven. Niet voor niets zou de internationale belangstelling voor de tragiek van het leven sterk zijn toegenomen. De studies van Durkheim en Schopenhauer over de zelfmoord zijn daar voorbeelden van. Alhoewel Damme geen ethische bezwaren tegen de zelfmoord als zodanig had meende hij toch dat deze pessimistische fixatie op het lijden het leven tot een zinloze vertoning maakte. Die gedachte was strijdig met zijn geloof in de vooruitgang. Toch was ook Damme een cultuurpessimist die - net als Meng - meende dat de opkomende bureaucratie en de moderne staat met zijn politieke en juridische wetgeving de soevereiniteit van het individu bedreigden. In Spinoza herkende hij dit conflict:
"Weldoen en opgeruimd en blijmoedig zijn, dit was zijn devies. En de genoegens welke de kunst, zooals muziek, schouwburg en schoone dichtwerken den mensch aanbieden kunnen versmaadde hij geenszins. Al leefde hij zelve voor zich zeer sober en ingetogen, hij gunde gaarne anderen hun vermaak. Als zoodanig was hij dus geen pessimist. Doch aan de andere zijde was hij ook niet een van die optimisten die in louter genot van een fijne tafel, roem of eer, bezit van geld en anderszins hun grootste geluk denken te vinden. Hiervoor was hij een te logisch denker om niet in te zien dat al het streven naar zulke dingen eigenlijk voor den waren mensch niets beteekent".
Net als Spinoza leefde Damme zeer sober. Hij vond als kleine ambtenaar zijn rust in een eenvoudige woning en sloeg aanbiedingen om 'op stand' te gaan wonen af. Toch genoot hij van het leven en met name van de Opera was hij een groot liefhebber. Hij was geen onverdienstelijk zanger en samen met zijn vrouw kon Damme prachtige aria's ten gehore brengen. Menig vrijdenker en anarchist herinnerde zich later hun liederen nog. De muzen werden overigens door de vrijdenkers zeer gewaardeerd want in de Rotterdamse libertaire cultuur kwamen we groepen tegen als de kunstenaarsgroep De Jonge Garde en zangvereniging Door Eenheid Hoog. Veel arbeiders werden bovendien gestimuleerd de dichtkunst of schilderkunst ter hand te nemen. Twee Rotterdamse 'leerlingen' van Damme, de typograaf K.A. Fraanje en de behanger V. Bedeaux, schreven tot op hoge leeftijd gedichten met een sociale strekking. In 1951 schreef Damme het voorwoord in hun dichtbundel 'Rhapsoden zangen in modern gewaad'. Het was zijn laatste activiteit. Volgens Damme kwamen de opvattingen van Spinoza en Nietzsche het meest treffend tot uiting in de gedichten van Bedeaux. Gelukkig werd deze bundel onlangs opnieuw uitgegeven.
Het werk van Damme als spinozist en volkswijsgeer werd na zijn dood voortgezet door de vrijdenker Anton Constandse (1899-1985) die eveneens tot aan het einde van zijn leven over Spinoza bleef spreken en publiceren. Constandse en Damme hebben nog samengewerkt in het populair-wijsgerige tijdschrift De Nieuwe Cultuur (atheistisch weekblad) waarvan helaas slechts twee jaargangen verschenen (1928-1929). De uitgave werd gestaakt na het overlijden van Luigies die het blad financierde.
Deze facsimile uitgave van 'B. de Spinoza; populaire bijdrage over zijn leven en leer' biedt de lezer niet alleen een unieke interpretatie van het rationalistisch spinozisme zoals dat in de eerste decennia van deze eeuw aan de arbeidersbeweging gepresenteerd werd; het werk is tevens het bewijs voor de stelling dat het wijsgerige denken in Rotterdam bloeide. En niet alleen aan de universiteit.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |