Index of /Marginalia/1997 John Zerzan

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1997 John Zerzan.pdf   27.01.2004 88kB -

1997

‘Ik word ook gehypnotiseerd’
Een post-interview met John Zerzan

“Werkverzuim, het absenteïsme moet in de context van de klassenstrijd worden geplaatst. Ziekteverzuim, arbeidsverzuim, fraude, sabotage en dergelijke zijn vormen van protest, niet alleen tegen de werkvloer, maar ook tegen alle vormen van vakorganisatie.” Dat is een John Zerzans prikkelende stellingen, die vaak wordt bekritiseerd omdat het absenteïsme een volstrekt individuele houding is die op de koop toe onzinnig is. Ondernemers nemen het absenteïsme echter wel serieus en beschouwen het niet als een individuele daad. Zij zien het wel degelijk als een sociaal verschijnsel. Bedrijfsfenomenen als ondernemingsraden, fusies, reorganisaties, managementcursussen, motivatietrainingen zijn volgens Zerzan de uitdrukking van een werkvloer in crisis. Een gesprek met een toonaangevend criticus van de Amerikaanse droom die met zijn cultuurkritiek zelfs beroemde weekbladen als Time weet te halen.

"Mijn zus dacht dat ik de Unabomber was", zegt een glimlachende John Zerzan. Hij zit voor het raam van zijn kleine, helder verlichte woning in Eugene, Orgeon. Met zijn donkere brilmontuur, omringd door grijze haren en een baard, lijkt hij nog het meest op een uil. Zijn bureau bestaat uit een oude deur, horizontaal gelegen op twee houten schagen, en volgepakt met stapels subversieve pamfletten, tijdschriften en boeken. Uit gestapelde melkkratten tegen de muren is een enorme boekenkast opgetrokken. Als je deze 52-jarige ziet fietsen verwacht je niet dat hij het correspondentievriendje is van Ted Kaczynski - de Unabomber. Als je hem tegen komt in de universiteitsbibliotheek denk je eerder dat hij hoogleraar in de geschiedenis is dan een anarchistische auteur. "Ik ben geen type die brieven schrijft naar politici of iemand die bommen legt", vervolgt Zerzan. Hij is een veelschrijver en zijn artikelen verschijnen in tijdschriften als Anarchy. A Journal Of Desire Armed, Fifth Estate en Green Anarchist. Zerzan dankt zijn faam vooral aan twee essaybundels, Elements of Refusal (1988) en Future Primitive (1994) - door de New York Times onlangs nog als "underground classics" getypeerd. Wat doet hij buiten het schrijven nog meer? "Niet veel, ik ben vrijwilliger bij de plaatselijke YMCA, doe wat aan tuinieren en verdien wat bij door op kinderen te passen".

Zerzan noemt zichzelf anarchist; het betekent voor hem een houding tegenover alle vormen van disciplinering en overheersing - of in zijn eigen woorden, tegen domesticatie. Zerzan wil de samenleving en de mens dekoloniseren. Zijn schrijfstijl is weliswaar doorwrocht en schier academisch, maar hij behoudt steeds een emotionele toon. De posities die hij inneemt zijn compromisloos: de beschaving zoals wij die vandaag de dag kennen is een ramp voor de mensheid en bedreigt de natuurlijke wereld. De mensheid staat er slecht voor en technologische innovaties bespoedigen de ellende alleen maar. In zijn essays kritiseert hij landbouw, technologie, kunst, wiskunde en zelfs de taal ontkomt niet aan zijn toorn. Tegenover de armoede en schaarste van de 'beschaafde' wereld plaatst hij - net als Ton Lemaire - de rijkdom en overvloed van de 'primitieve' samenleving, die van jagers & verzamelaars: "Voordat het proces van domesticatie werd ingezet kenmerkte het leven zich grotendeels door rust, intimiteit met de natuur, zintuiglijke wijsheid, seksuele gelijkheid en gezondheid. Dit was onze menselijke natuur, miljoenen jaren lang, voordat de slavernij werd ingevoerd door priesters, koningen en bazen", schrijft hij in Future Primitive.

Zijn anarchisme stopt niet bij de afschaffing van de staat, maar wordt doorgetrokken naar de wortels daarvan: de beschaving zelve. Het lijkt vooral een filosofische optie, een handreiking tot bewustwording, want het denken over alternatieven speelt in zijn werk nauwelijks een rol.

Hoe kon een voormalig academicus uitgroeien tot spreekbuis van een technologie en civilisatiekritisch milieu? "Ik kwam uit Salem, Oregon, en studeerde geschiedenis aan de Stanford Universiteit bij San Francisco waar ik later ook ging werken. Daar kwam ik tot de conclusie dat ik geen academische carrière beoogde - ik kon me niet voorstellen de rest van mijn leven te moeten slijten met de professoren die ik hier ontmoette. Ik gebruikte mijn aanstelling om onderzoek te doen naar allerlei ontwikkelingen die me bezig hielden".

Zerzan brak zijn loopbaan af en koos voor een betrekking als maatschappelijk werker bij de sociale dienst van San Francisco. "In de jaren zestig hadden we het gevoel dat de dingen wel eens heel anders zouden kunnen zijn. Niet dat ik die tijd wil idealiseren, maar er heerste een zeker optimisme". Toen een collega werd ontslagen en hem zijn pensioen werd onthouden kwamen de maatschappelijk werkers in opstand. Zij braken met de door marxisten gedomineerde vakbond en richtten een eigen bedrijfsorganisatie op. Zerzan, nog geen vijfentwintig, werd gekozen tot voorzitter. Dat was echter geen rol waarin hij zich thuis voelde. Hij was nerveus bij spreekbeurten en had borrels nodig om zichzelf de nodige moed in te spreken. "Onze club schoot zijn doel voorbij. Mensen kwamen op me af en vroegen: wat gaat de bond aan dit doen en wat gaat de bond aan dat doen? Wij stelden: wij zijn verdomme de bond, jij bent de bond. Kom met je dingen en laten we aan de slag gaan. Uiteindelijk besloten we alle officials af te schaffen. Hoe minder bemiddeling hoe beter. Hoe minder organisaties hoe sterker je bent. Die dingen verzwakken je alleen maar".

Achteraf kijkt hij met gemengde gevoelens terug op de jaren zestig. "In die dagen geloofden we nog in een lange mars door de instituties - we geloofden in een soort alternatieve arbeidersbeweging. Later realiseerde ik me dat alle vormen die we kozen (geen vertegenwoordigers, geen bezoldigden, geen Cao’s enzovoorts) gewoon reformistisch waren omdat de jaren 1971-1972 in de VS vooral in het teken stonden van een afkeer van werk en de werkvloer. Geleidelijk dreef ik daardoor weg van het idee dat je de samenleving dient te veranderen vanaf de werkvloer. We dienden ruimte te maken voor de opvatting dat de institutie werk in zichzelf al onderdrukkend is. Rond 1976 begon ik dan ook historisch onderzoek te doen met als doel een kritiek te formuleren op fenomenen als werk, productivisme, industrialisme en technologie".

De universiteit keerde hij de rug toe, maar zo nu en dan houdt hij nog voordrachten. Begin dit jaar keerde hij naar Stanford terug voor een lezing over technologie - voor een gehoor van software-producenten en andere high-tech-liefhebbers. "Ik wil ze er flink van langs geven", zegt hij terwijl hij op de aankondigingfolder wijst. De titel van zijn referaat spreekt boekdelen: "Tegen technologie".

Zijn eerste belangrijke essay Organized Labor versus The Revolt Against Work (1974) maakte wereldwijd veel indruk, ook in Nederland - een vertaling verscheen in het tijdschrift Internationale Korrespondentie. "De positieve respons uit Nederland kwam vooral door mijn positieve beoordeling van het radencommunisme van Anton Pannekoek. In de jaren zeventig schoof ik geleidelijk op in een anarchistische richting, dat wil zeggen, op praktisch gebied: ik had sympathie voor autonome, niet-hiërarchische strijdvormen, maar was niet geïnteresseerd in de anarchistische theorie. Theoretisch baseerde ik me meer op het situationisme - dat bood een uitstekende kritiek op links en stond sympathiek ten opzichte van een radencommunisme. Links heeft helaas nooit veel sympathie gehad voor spontaan en autonoom verzet".

Zijn kritiek op werk en op links verscheen aanvankelijk in tijdschriften als Telos en Fifth Estate. Artikelen vanuit een anti-werk-standpunt lagen echter niet goed in de linkse beweging, maar Telos publiceerde ze desondanks. Enerzijds omdat de kritiek op werk nu eenmaal actueel was, en anderzijds om via kritische commentaren dergelijke gedachten als irrelevant te verwerpen. "In de jaren zeventig en tachtig was het bijna onmogelijk die opvattingen te ventileren binnen de linkse beweging. Eerst tegen het einde van de jaren tachtig wonnen deze denkbeelden aan populariteit - vooral in het anarchistische milieu. De anarchist Bob Black heeft deze verschuiving uitstekend beschreven in zijn laatste boek Anarchy After Leftism (1997). Ik ben het met hem eens dat Murray Bookchin's Social Anarchism or Lifestyle Anarchism (1995) de zwanenzang is van een ooit dominant links dat pro-werk, pro-industrie en pro-civilisatie was".

Een van de weinige Nederlandse auteurs die de opvattingen van de jonge Zerzan serieus nam was Cajo Brendel, uitgever van het nog altijd bestaande tijdschrift Daad & Gedachte dat is gewijd aan de onafhankelijke arbeidersstrijd. Zowel in zijn eigen blad als in het eveneens met het radencommunisme sympathiserende tijdschrift Internationale Korrespondentie bracht hij de opvattingen van Zerzan in de jaren zeventig uitvoerig naar voren. Volgens Brendel verwoordde de Amerikaan een visie die ook de zijne was. "Al jarenlang was ik de mening toegedaan dat de vakbeweging allerminst een instituut van de kapitalistische samenleving is geworden, doch dat zij integendeel van het begin af een dergelijk instrument is geweest". Kwam Brendel tot zijn oordeel vanuit het marxisme en de filosofie van Pannekoek, Zerzan baseerde zijn bevindingen op historisch onderzoek. Vooral Zerzans studie van de luddieten - de achttiende eeuwse machinevernietigers - maakte Brendel enthousiast: Zerzan liet zien op welke wijze het spontaan en autonoom verzet van arbeiders tegen de industrie de kop in werd gedrukt. Ook De As ging in 1988 op deze denkbeelden in en Bas Moreel vertaalde daarvoor Zerzan's Industrialization & Domestication - opnieuw een essay waarin Zerzan het autonoom verzet van arbeiders tegen de industrie en de vakbeweging in het Engeland van de achttiende en negentiende eeuw schetste.

Brendel had jaren eerder al kennis gemaakt met de Amerikaan. "Deze publicaties van Zerzan hebben ertoe geleid dat ik in de herfst van 1979 met twee vrienden naar San Francisco ben gereisd om met hem kennis te maken en te discussiëren. Wat me bij is gebleven is, dat ik hem een betrekkelijk jonge en bijzonder intelligente man vond en uit het gesprek van die avond is ook tijdelijk een nauwer contact overgebleven".

Een van Zerzans prikkelende stellingen was dat werkverzuim, het absenteïsme, in de context van de klassenstrijd moest worden geplaatst. Ziekteverzuim, arbeidsverzuim, fraude, sabotage en dergelijke waren vormen van protest; niet alleen tegen de werkvloer, maar ook tegen alle vormen van vakorganisatie. Brendel deelde dat standpunt, maar het bracht hem terug in Europa in conflict met zijn medestanders. "Die gedachte heeft in de groepen waarmee ik contact onderhoud, en in het bijzonder bij mijn Franse vrienden, hevig protest van sommigen uitgelokt. Die vonden het 'onzin' om iets dergelijks te beweren. Ik heb het nooit onzin gevonden. Integendeel. Als het werkelijk onzin was, dan zou mijns inziens het absenteïsme door de ondernemers nooit zo serieus zijn genomen en zouden er geen beraadslagingen zijn geweest hoe men er paal en perk aan kon stellen". In 1988 heeft Brendel die opvattingen nog verdedigd tijdens een congres te Parijs en opnieuw barstte de kritiek los. "De kritiek kwam erop neer dat absenteïsme een volstrekt individuele houding was. Omdat het iets was dat gedaan werd door een individu, had het met de strijd van een klasse niets te maken. Maar uit een rapport dat destijds uitvoerig in het NRC-Handelsblad en De Volkskrant werd besproken, viel af te leiden, dat ondernemers absenteïsme bepaald niet als een individuele daad zagen, maar wel degelijk - net als Zerzan en wij - als een sociaal verschijnsel, dat wil zeggen als een klasseactie, ofschoon ze dat woord uiteraard niet gebruikten". Voor Zerzan zijn bedrijfsfenomenen als ondernemingsraden, fusies, reorganisaties, managementcursussen, motivatietrainingen en wat al niet meer de uitdrukking van een werkvloer in crisis - het zijn reacties van ondernemingen het lijdzame verzet op de werkvloer verder te disciplineren.

Op zijn beurt bewaart ook Zerzan goede herinneringen aan het Nederlandse bezoek. "Ik kan me Cajo's bezoek nog levendig voor de geest halen - we hadden die avond een bijzonder warme ontmoeting. Het is spijtig dat mijn contacten met Nederlandse of Europese vrienden momenteel op een laag pitje staan. Ik werk wel samen met Green Anarchist (Londen) en onderhoud nog contacten met het Echanges-netwerk. Henri Simon, lid van het netwerk, heeft me enkele jaren geleden aangespoord eindelijk eens een synthese te formuleren van mijn klassenstrijd en anti-civilisatie-opvattingen. Ik vind die aansporing zeer plausibel en betreur het dat ik of iemand anders daartoe nog geen aanzet heeft gemaakt. Maar er is een belangrijke ontwikkeling gaande: groepen als Green Anarchist [Engeland] of Wildcat [California] verbinden beide opties al in hun bladen en activiteiten - de laatste restanten van links behouden echter een scheiding tussen beide terreinen".

Het zijn vandaag juist deze groepen en tijdschriften die door de justitie nauwlettend in de gaten worden gehouden. Van het tijdschrift waaraan Zerzan regelmatig meewerkt, Green Anarchist, werden deze zomer vijf redacteuren gearresteerd in het kader van het "lidmaatschap van een criminele organisatie" - een steeds populairder wordend fenomeen in de Verenigde Staten van Europa. Publiceren over acties is ook al een criminele activiteit geworden. Libertaire juristen als John Moore en Bob Black bezinnen zich momenteel op de wijze hoe de "Gandalf Five" kan worden gesteund.

Zerzans eerste, door Left Bank (Seattle) uitgebrachte bundel Elements of Refusal, presenteerde beide opties - klassenstrijd en anticivilisatie - nog als gescheiden onderwerpen. Het boek opent met vijf "origins essays" waarin de bouwstenen van de beschaving worden uiteengerafeld: tijd, taal, cijfers, kunst en landbouw. Alhoewel ieder hoofdstuk een eigen boek verdient (het gaat allemaal wel heel erg snel) was het toch wel even schrikken. Bedoelt Zerzan dat we moeten ophouden met klok kijken, praten, rekenen, werken en het beoefenen van kunst? "Ik denk dat je gelijk hebt dat velen mijn boek zien als een deprimerende schets van onze beschaving. Ook denk ik dat velen moeite met die benadering hebben omdat ze denken dat er geen ontsnappen meer mogelijk is - ze vinden het fatalistisch. Toch denk ik dat de wortels van overheersing en domesticatie zeer diep liggen. Het zien en begrijpen van de wijze waarop de hedendaagse nachtmerrie zich meer en meer ontvouwt maakt je soms pessimistisch. Maar door het bewustzijn daarvan te bevorderen wil ik laten zien dat we een visioen nodig hebben dat zo ver gaat dat het mensen inspireert het virus van overheersing en uitbuiting te vernietigen".

Het tweede deel van Elements of Refusal centreert zich rond het 'The Revolt Against Work'-thema en kreeg in Nederland de meeste aandacht. Toch hebben Nederlandse anarchisten weinig aandacht besteed aan de opvattingen van Zerzan, behalve wellicht hen die actief waren rondom Internationale Korrespondentie. Er bestond in anarchistische bladen weliswaar een kritiek op het arbeidsethos, maar in die kritiek werd nog alle heil verwacht van werkvermindering dankzij technologische vooruitgang. In De Vrije Socialist bereikte de discussie over werk in 1979 een voorlopig hoogtepunt. Jan Bervoets meende dat "teveel arbeid wordt verspild. Niet het werk zelf is misdadig, maar de verspilling daarvan". Hij stelde, in navolging van Jan Romein en de anarcho-syndicalisten, dat een verdere rationalisatie van de productie tot werkvermindering zal leiden. De postsituationist Rene Sanders propageerde het recht op luiheid omdat ieder alternatief voor arbeid wordt verstikt door "de kolonisatie van het leven". Ook hij meende dat een verdere rationalisatie wenselijk was - weliswaar ontdaan van "objektieve voorwaarden" en vervangen door "subjectieve wensen": "Men moet streven naar een volledig geautomatiseerde produktie". De Belg Eric Sobrie deed in deze discussie een pleidooi voor totale werkloosheid en steunde de "beweging voor het recht op luiheid". Maar ook hij hoopte op verlossing dankzij technologie: "Ik geloof dat het na 2400 jaar hoog tijd wordt om van dit barbarisme af te stappen en de slaven (arbeiders) grotendeels te vervangen door machines".

Een eenzame uitzondering op deze pro-tech-verhalen vormde de anarcho-primitivist Han Kuijsten, zo laten de discussies in De Vrije zien. Kuijsten zocht steun in de antropologische studies van Marshall Sahlins (waaronder Stone Age Economics) om te laten zien dat "zogenaamde primitieve volken" dankzij low-tech "niet in een permanente staat van schaarste leven". Het gaat daarom niet om een vermindering van arbeidsuren door meer rationalisatie, vervolgt Kuijsten, maar om "de kwaliteit van ons bestaan" en om "ecologische vraagstukken". Met betrekking tot de Nederlandse discussies over de toekomst van werk vinden we in het werk van Zerzan een combinatie van de opties van Sanders en Kuijsten: een situationisme, maar ontdaan van haar technologisch fetisjisme, en een primitivisme, maar ontdaan van iedere romantiek.

De hernieuwde belangstelling voor Zerzan's denken komt dan ook niet alleen voort uit zijn anti-werk-essays, maar veel meer uit zijn recente, cultuurpessimistische essays. Bladen als De Nar en Buiten de Orde hebben vertalingen gepubliceerd en tonen een belangstelling voor zijn civilisatie- en technologie-kritiek. Zijn tweede bundel, Future Primitive, kon in deze kringen dan ook op meer belangstelling rekenen dan zijn eerste. Ook in de discussies omtrent de Unabomber duikt Zerzan steeds weer op. De toon van het Unabomber-Manifest lijkt soms op die van Zerzan, al reduceert de Unabomber de problematiek van onze beschaving tot het vraagstuk van technologie en industrie. Zerzan's benadering is veel complexer - zie zijn "origins essays" - maar desondanks vindt hij dat de Unabomber een overtuigende kritiek van de industriële samenleving heeft geschreven.

In Eugene heeft Zerzan samen met andere leden van Pro-Active (een plaatselijke info-shop voor anarchisten, punks en hippies) een forum opgericht om steun te verlenen aan de gearresteerde Ted Kaczynski. Zo deden ze enkele benefietshows om geld in te zamelen en media-aandacht te krijgen. "Ik denk dat je me wel een 'primitivist' kunt noemen, want ik ben geïnteresseerd in de wortels van onze civilisatie en heb veel inspirerende aspecten gevonden in de wijze waarop de mensheid leefde in de twee miljoen jaren die aan onze beschaving vooraf gingen. Maar ook allerlei hedendaagse ontwikkelingen hebben mijn aandacht: van postmodernisme tot anti-werk fenomenen, van buurtactivisme tot steun aan Kaczynski". Inderdaad, Future Primitive getuigt van een brede belangstelling: het leven van de pre-geciviliseerde mensheid; de bedreiging van onze psychische gesteldheid in een moderne samenleving; en een vernietigende kritiek op het postmodernisme.

John Zerzan houdt niet van schijnbewegingen en ziet niets in een ascetische houding. Hij scheidt zijn afval niet ("dat leidt alleen maar af van wezenlijke issues"), kijkt vaak naar zijn oude zwart-wit TV ("net als iedereen wordt ook ik gehypnotiseerd") en weigert een auto of computer aan te schaffen. Zijn leven kent weinig kosten, met baysitting en tuinieren verdient hij een zakcentje en periodiek verkoopt hij zijn plasma aan de bloedbank. Ook levert zijn schrijfwerk niets op want het zijn nonprofit-collectieven die zijn werk uitbrengen. Zerzan is een onverbeterlijke raddraaier. Met anarchistische vrienden als Paul Z. Simons en Jason McQuinn heeft hij zijn laatste centen zojuist gestoken in een nieuwe uitgeverij. De eerste uitgave was Bob Black's Anarchy After Leftism - dit jaar nog volgt een herziene uitgave van Elements of Refusal - sinds 1990 uitverkocht. "Ja, we gaan gekke, radicale boeken uitbrengen" en hij wijst op zijn T-shirt: "Return to wild nature - Destroy the worldwide industrial system", staat erop.

Zijn steun voor Kaczynski bracht Zerzan plotseling prominent in het nieuws. Hij verscheen in talloze radio-shows en zelfs de New York Times deed een interview met hem. Alhoewel hij weigerde in TV-shows als Good Morning America en Dateline te verschijnen bracht het hem in conflict met radicale anti-tech-anarchisten die vonden dat hij de Grote Media had moeten mijden. In Anarchy. A Journal Of Desire Armed #43 verdedigt Zerzan zich door op te merken dat het niet willen verschijnen in de Grote Media slechts zal leiden tot isolement en tot het ontstaan van gespecialiseerde sub-elites. "Als onze beweging ergens naar toe wil, dan is het zinloos de Grote Media te negeren. Zelf-marginalisering betekent het stopzetten van een dialoog - en ik denk dat het zinvol is de dialoog voort te zetten met iedereen die wil meedenken. Bovendien verschijnen veel van onze bladen maar een of twee keer per jaar - zij bieden onvoldoende mogelijkheden tot snelle interventies. Ik bepleit geen overgang naar de mainstream-media, maar het is zinvol dat we ons dit soort dingen afvragen".

Momenteel heeft Kaczynski's advocaat de alternatieve media verzocht alle steunbetuigingen met onmiddellijke ingang te beëindigen. Zerzan neemt aan dat de krachten dienen te worden gespaard: men verwacht dat de Unabomber de "death penalty" zal krijgen en dat een campagne tegen de doodstraf nog alle energie zal gaan vergen. Vanuit dit perspectief willen de advocaten Kaczynski tot een psychiatrisch geval maken: iemand die lijdt aan paranoia en schizofrenie. Voor Zerzan gaat de Una-campagne verder dan het verdedigen van een bommenlegger - en bovendien een bommenlegger die zich liet inspireren door Al Gore's zweverige bestseller Earth in the Balance. "Ik wilde de kwestie gebruiken om de grondslagen van onze industriële beschaving ter discussie te stellen. Daarbij kon ik gebruik maken van voorbeelden uit de antropologie, maar ook van allerlei hedendaagse verschijnselen. Ook werd ik gedwongen na te denken over anarchisme; je moet niet vergeten dat niet alle anarchisten zich tegen de industriële beschaving keren. Vooral de radiotalkshows vond ik over het algemeen levendig en stimulerend, vooral omdat bijna niemand van de bellers zich verloor in speculaties over de Unabomber. Ik vond het verheugend te constateren dat veel bellers werkelijk begaan zijn met het lot van onze technologische, industriële samenleving. Veel meer mensen dan ik dacht wegen vandaag de dag weldegelijk de pro’s en contra’s van onze technologische cultuur tegen elkaar af. Het is deze dialoog die ik wil stimuleren".

* Dit artikel is gebaseerd op een ongepubliceerd interview van Jesse Harrington (27-2-1997) en een interview over de post van Siebe Thissen (23-6-1997) met John Zerzan.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -