Index of /Marginalia/1996 Street Rave 1930

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1996 Street Rave 1930.pdf   25.01.2004 98kB -

1996

OP EEN MOOIE BLAUWE MAANDAG...
een street rave in 1930 en haar gevolgen

De moraal van het verhaal dat hier volgt laat ik over aan de lezers van Ravage die zich al enigszins vertrouwd weten met onderwerpen als straatgeweld, directe actie, 'agentje pesten', neoluddisme, anti-industrialisme, het verlangen naar autarkie, lokale lijsten en stadspartijen, enzovoorts. Ik ben de laatste die gelooft dat de geschiedenis zich ooit zal herhalen, maar de eerste die beweert dat de geschiedenis nooit voorbij is. Van de beruchte CPN-leus uit de jaren zeventig - "als een fascist ademt, dan liegt ie" - kan niet gezegd worden dat het ons inzicht in het fascisme heeft bevorderd. In de nu volgende beschrijving van een Brabants volksoproer kunnen we lering trekken uit de afkeer van links voor ongeorganiseerd protest en verzet. In Oisterwijk kiezen zelfs SDAP-kaderleden in de jaren dertig voor het fascistische Zwart Front, omdat deze beweging "meer voor de arbeiders" zou doen. Zo ageerde het Front veel feller dan de socialisten onder werkverschaffingarbeiders en werklozen. Voor veel mensen bleef de SDAP de partij van vooruitgang en modernisering, van industrie en proletariaat, van vakbonden en democratische verworvenheden, van snelwegen en schoorstenen, van bureaucratische burgemeesters en een politieapparaat dat steeds vaker tegen de eigen bevolking werd ingezet. Bovendien werd het aantal feestdagen in de loop van de negentiende eeuw drastisch teruggebracht, de kermis en het maandaghouden werden aan banden gelegd, en aan de droom van het eigen lapje grond kwam een einde. De verharding in de fabrieken zette zich ook door: in de schoenfabrieken werden toezichthouders aangesteld die vanuit hun katheders boetes uitschreven aan hen die babbelden of zongen. Vrouwelijke arbeiders waren intussen overgeleverd aan de grillen en handtastelijkheden van hun mannelijke chefs. Ook waren vissen, het vangen van eekhoorns, wandelen, het halen van limonade, dansen, moppen tappen, voetballen en discussiëren niet langer mogelijk onder werktijd. Nu beheersten nieuwe symbolen, zoals de luidgillende sirenes en de prikklok, het ritme van de dorpelingen. Slechts het verpozen in de kroeg op maandagavond herinnerde nog aan een tijd waarin de grenzen tussen werk en leven poreuzer waren. Zo'n herinnering werd gevierd in die warme augustusweek in Oisterwijk.

Wat was nu eigenlijk de aanleiding? De warme, broeierige dagen van de zomer van 1930? Wilde melkboer Gradus de geschonden eer van zijn familie wreken? Of was hij als melkboer gefrustreerd omdat een eigen lapje grond voor deze boerenzoon niet langer tot de mogelijkheden behoorde? Het blijft gissen, want tot op de dag van vandaag zwijgen de betrokkenen als het graf. De zaken liepen dan ook danig uit de hand op die maandagavond, 11 augustus 1930. Op die avond riep de kleine Brabantse gemeente Oisterwijk de noodtoestand uit, belandden Karel Bekkers en Anton Brouwers zwaar gewond in het ziekenhuis, en vluchtte de fabrieksbaas het dorp uit in een laatste poging het vege lijf te redden. Het was een kleine burgeroorlog die het dorpscentrum vier dagen lang teisterde; een spektakel dat de ruim vijftienhonderd betrokkenen nooit meer zouden vergeten.

Op 11 augustus roept melkboer Gradus van de Wiel een tiental boeren en hun zonen bijeen en verzoekt hen zoveel mogelijk zaken mee te brengen waarmee geluid en herrie kan worden gemaakt: augurkentonnetjes, lampenkappen, buizen, pijpen, trommels en wat al niet meer. Al weken lang is Graad op oorlogspad tegen zijn zwager Theo Roosen. Roosen is getrouwd met Graads zuster, Miet van de Wiel, maar het huwelijk is geen succes. Het echtpaar bezit een woning midden in het dorpscentrum en de roddels over hun beroerde huwelijk doen de ronde in de vele kroegen. Zo wordt bekend dat een der echtgenoten tegen de andere een vordering heeft ingesteld tot scheiding van tafel en bed. Theo Roosen gooit nog eens olie op het vuur door in juli 1930 in een regionaal dagblad een advertentie te plaatsen waarin hij meedeelt de rekeningen van zijn echtgenote niet langer te betalen. Ook Miet reageert in dezelfde krant en stelt dat haar echtgenoot gewoon wettelijk verplicht is zorg te dragen voor alle huishoudelijke rekeningen. Uiteraard escaleert de zaak door deze openbaarheid, want de lokale bevolking geniet van deze soapopera. Nog erger wordt het als Theo, om zijn vrouw onder druk te zetten, buiten haar medeweten de kinderen van het gezin elders onderbrengt. Voor broer Graad is de maat vol. Weken lang schopt hij schennis voor het huis van zijn zuster en scheldt zijn zwager daarbij uit voor rotte vis. De publieke schimppartijen trekken veel volk uit de kroegen dat het spektakel geamuseerd gade slaat.

Maar er schuilt ook een diepere, sociaal-economische oorzaak achter het conflict. Graad en Miet zijn kinderen van 'de Boer van de Waterhoef' - een van de meest aanzienlijke boerenfamilies in het dorp. Theo Roosen is de zoon van de rijke schoenfabrikant A.W. Roosen - eigenaar van de grote, gemechaniseerde schoenfabriek Roosen-De Bakker. In dit bedrijf is zoon Theo de chef van de stikkerij, een afdeling waar voornamelijk vrouwen werken. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de boerenstand steeds verder in verval geraakt, ten gunste van een nieuwe generatie fabrikanten die haar macht en status in het dorp snel ziet toenemen. Alhoewel een huwelijk tussen een boer en een fabrikant in de publieke opinie doorgaans als een pact met de duivel wordt beschouwd, kiest Miet toch voor Theo: zo'n binding schijnt voor de boer van de Waterhoef immers de laatste mogelijkheid om zijn status te behouden. Boeren hebben steeds minder grond te verdelen onder hun kinderen en veel boerenzonen zijn gedwongen 'nevenfuncties' te aanvaarden: melkboer, slager, bakker, enzovoorts. Ooit hopen zij naar het boerenbedrijf terug te keren. De nieuwe fabrikanten slorpen echter steeds meer grond op en voormalige landarbeiders worden tot fabrieksproletariërs omgeschoold. Het zijn deze achtergronden die Graad van de nodige steun in het dorp voorzien - boeren blijken bereid de melkboer bij te staan in zijn campagne tegen diens zwager, de gehate fabrieksbaas.

Op maandagavond 11 augustus trekt Graad met zijn lawaaierige bende op naar de Dorpsstraat om Theo een lesje te leren. Men hoopt door het maken van 'ketelmuziek' de gehate chef publiekelijk te beschimpen, in de hoop dat hij het dorp verlaat. In de volksmond wordt zo'n beschimping 'toafelen' genoemd - verwijzend naar het verlangen de huisraad op straat te smijten; een ritueel dat de getroffen dorpsbewoner duidelijk moet maken dat hij niet langer welkom is in de gemeenschap. Door de herrie, voortgebracht door Graads sound-system, worden de plaatselijke veldwachters gealarmeerd die zich naar het gebeuren haasten. Ter nauwer nood weten zij een bestorming van het huis van Roosen te voorkomen. Maar hier blijft het niet bij. Want het spektakel lokt honderden mensen de straat op. Het blijken echter geen toeschouwers - de soap is tot leven gewekt.

Het is namelijk maandagavond. Sinds mensenheugenis is de maandag de dag waarop genoten wordt van borrels en babbels in de vele kleine kroegen. Dit zogenaamde 'maandaghouden' was een courant en pre-industrieel gebruik onder ambachtslieden en arbeiders. Kleine ambachtslieden, gezellen en patroons in de huisindustrie hadden de gewoonte op maandag niet te werken. De maandag werd een verlengstuk van de zondag geacht - het motto luidde dan ook: 'Iedere zondag moet een maandag hebben'. De ochtend werd gebruikt om eens lekker uit te slapen. Dat was ook wel nodig, want op de Dag des Heerens werd de sterke drank overvloedig geschonken. Tegen de middag kwamen de vakgenoten bijeen in hun werkplaatsen alwaar men het gereedschap en het materiaal weer op orde bracht. Zo werden messen geslepen op gezamenlijk gehuurde slijpstenen of werden karweitjes afgemaakt die op zaterdag niet gereed waren gekomen. In de schoenindustrie werden schoenen die op maandag werden afgemaakt ook wel 'verdomden' genoemd - de schoenen werden immers vloekend en mopperend afgemaakt en ontbeerden de kwaliteit van de doordeweekse schoenen. Dit maandaghouden bleef echter ook gewoon voortbestaan toen de fabrieken de dorpen overnamen. Sinds de jaren tachtig en negentig zag Oisterwijk een opmars van sigaren-, schoen en lederfabrieken. Het personeel, gewend aan het traditionele maandagvertier, kwam op maandag dan ook niet opdagen. Of men toog in kleine groepjes naar de werkplek, voorzien van een fles jenever en een stok speelkaarten, om vervolgens samen wat uurtjes babbelend, lachend en drinkend door te brengen. Ook kon de werkplek worden aangeveegd en opgeruimd, zodat men op dinsdag weer geordend aan de slag kon. In Oisterwijk duurde het tot ongeveer 1920 totdat de fabrieksbazen het maandaghouden hadden uitgebannen. Zij waren geen voorstanders van die noeste gewoonte en zagen tandenknarsend toe hoe de werkvloer op maandag leeg bleef. Ook als de kermis het dorp aandeed weigerden arbeiders naar hun werk te gaan. De patroons zagen zich dan genoodzaakt hun bedrijven twee weken te sluiten. Ook met mooi weer verkozen veel arbeiders het bos en het hengelen boven het werk en verlieten zij 's middags de fabriek, nageschreeuwd door woedende chefs. Vanwege een toenemende druk op de arbeidsmarkt verdween deze traditie ten slotte: een patroon kon nu kiezen uit een steeds groter aanbod arbeiders: "Niet werken? Voor jou een ander!". Toch bleef de gewoonte van het bezoeken van de kroeg op maandagavond nog lange tijd voortbestaan. Ook op die bewuste 11 augustus 1930 waren de kroegen rijkelijk gevuld met vooral schoen en lederarbeiders.

De ketelmuziek van de melkboer en zijn kameraden lokt honderden mensen uit de kroegen die, tot grote verbazing van de boeren, joelend en schreeuwend de 'toafelaars' aanmoedigen. Geschrokken van hun overtallige aanwezigheid en de komst van de veldwachters taaien de boeren af, de Dorpsstraat overlatend aan een menigte die inmiddels meer dan duizend arbeiders telt. De politie wordt uitgescholden en schreeuwend ontaardt deze spontane street rave in een demonstratieve optocht door het dorpscentrum. Een rel blijft uit, maar onrustig gaat men enkele uren later uiteen.

De spontane maandagrevolte heeft nog een staartje. De volgende dag vindt een georganiseerd protest plaats van fabrieksarbeiders. Een menigte verzamelt zich opnieuw in het centrum met de bedoeling te betogen tegen Theo Roosen en de schoenfabriek. Op het gemeentehuis is iedereen in paniek. Burgemeester Verwiel, met spoed teruggekeerd van zijn vakantiebestemming, sommeert als het hoofd van de politie, gewapend met zijn ambtsketting, de demonstranten uiteen te gaan. Als dat niet gebeurt laat hij de politie enkele charges met de wapenstok uitvoeren. De veldwachters, inmiddels versterkt met marechaussees uit Tilburg, delen raken klappen uit en tot grote ergernis van het publiek worden twee onschuldige passanten gemolesteerd en vervolgens naar het ziekenhuis overgebracht. De demonstranten worden uiteen geslagen en verschansen zich in de steegjes.

Het blijft echter onrustig. De volgende avond wordt er opnieuw een demonstratie aangekondigd, nu gericht tegen het overheidsgezag en het harde optreden van de politie. Een militante groep arbeiders trekt op naar de schoenfabriek van Roosen-De Bakker en gooit daar de ruiten in. Opnieuw treedt het politiekorps versterkt aan, met onder meer de veldwachters van het nabijgelegen dorp Udenhout. Het korps krijgt nu te maken met beter voorbereide activisten. Katapulten schieten kiezels af, stenen worden geworpen, glasscherven geslingerd en er wordt bovenal gescholden. Een verslaggever van de Nieuwe Tilburgsche Courant noteert als meest populaire uitroepen de scheldwoorden 'ploerten' en 'honger' en telt 1500 demonstranten (een kwart van de plaatselijke bevolking!). Het moge duidelijk zijn dat de actievoerders het gezag hekelen en refereren aan hun armoede als fabrieksproletariërs. Een zware regenval maakt op donderdagavond ten slotte een einde aan de rellen. Van een massale opstand is dan geen sprake meer, maar trekken bendes van jonge rebellen door het dorp, daarbij stenen en scherven gooiend, achterna gezeten door veldwachters en marechaussees. De laatsten arresteren uiteindelijk nog drie personen 'wegens niet voldoen aan de vordering tot het zich verwijderen uit een volksverzameling'.

Wat is er gebeurd in Oisterwijk? Een traditionele, rituele beschimping - het 'toafelen' - wordt herkend door een massa ontevreden fabrieksarbeiders die dit staaltje van ketelmuziek transformeren in een sociaal protest tegen de schoenfabrieken. Een pre-industrieel medium triggert een protest tegen de industrialisering van een nijverheidsgemeenschap.

Geen georganiseerde stakingen, geen bedrijfsbezettingen, geen socialistische agitatie, maar fysiek geweld en een aanval op de chefs en de deuren en ruiten van een schoenfabriek. De Oisterwijkse schoenarbeiders staan bekend om hun directe en wilde acties. Dit tot grote spijt van socialisten en vakbonden die geen succes boeken in het organiseren van fabrieksarbeiders. Het verzet van de fabrieksarbeiders in 1930 is geen eenmalig verzet. Voor en na 1930 komen we met grote regelmaat spontane en ongestructureerde uitingen van verzet tegen. Bij de firma NV Jansen Schoenfabriek wordt op 16 maart een staking afgekondigd omdat de ongeorganiseerde patroon een collectief contract weigert. Burgemeester Verwiel heeft de schrik nog in de benen en biedt direct bemiddeling aan, echter zonder resultaat. De staking sleept zich daarna voort. Ook bemiddelingspogingen van de Rooms Katholieke vakbeweging op 16 april leveren niets op. Na deze vergadering trekken bendes arbeiders op naar de huizen van chefs en onderkruipers en gooien daar de ruiten stuk. Opnieuw ontstaat een volkstoeloop en opnieuw dient de politie in te grijpen. Toch boeken de directe acties succes. Christiaan van de Aa, de directeur van de grootste lederfabriek en bang dat het conflict ook zijn fabriek zal raken, maant de NV Jansen het contract aan te nemen - hetgeen gebeurt. Opnieuw blijkt de oude vorm van collectieve actie, het vernietigen van eigendommen, meer succes te hebben dan het optreden van de vakbonden aan de onderhandelingstafel. Op cruciale momenten worden de bonden bovendien opzij geschoven door Heren die snel zaken willen doen om de pax in het dorp te handhaven.

De Oisterwijkse socialisten, gedomineerd door sigarenmakers, hebben geen sympathie voor de opstand. Al jaren pogen zij zonder succes de schoen en lederarbeiders te organiseren. Directe actie is hen een doorn in het oog. Zij weten maar al te goed hoe een ongerichte volkswoede zich kan keren tegen hen die geacht worden buiten de gemeenschap te staan. Zo had Janus Boons - de lokale SDAP-leider - in het verleden herhaaldelijk te maken gehad met groepjes achtervolgers die stenen en modder naar zijn hoofd en huis gooiden. Ook de plaatselijke anarchist Frits van Dartel merkte in het vrijsocialistische periodiek De Toekomst in 1904 al op dat het ingooien van fabrieksruiten (ook toen een traditie) niets veranderde aan arbeidsomstandigheden. Het antwoord dient altijd organisatie te zijn. De hautaine wijze waarop Van Dartel en andere socialisten spraken over ongeorganiseerde arbeiders heeft zeker bijgedragen aan de kloof tussen socialisten en ongeorganiseerde arbeiders.

Uit onderzoek naar charivari's [ketelmuziek] blijkt dat de relschoppers meestal bestaan uit opgroeiende jongemannen die opereren met de morele goedkeuring van ouderen in de gemeenschap. In een aantal kranten vinden we dit beeld voor Oisterwijk terug. Volgens de Tilburgsche Courant is het werkelijke aantal betogers gering en bestaat het overgrote deel uit 'nieuwsgierigen'. Het zijn 'kwajongens', schrijft de Nieuwe Tilburgsche Courant, die volharden in hun verzet tegen het gezag. Het Nieuwsblad van het Zuiden ten slotte signaleert 'belhamels onder de betogers'. Toch hebben er ook meisjes gedemonstreerd. De Nieuwe Tilburgsche Courant meldt dat een fabrieksmeisje prompt haar ontslag kreeg, nadat ze was opgemerkt door een bedrijfsleider van Roosen-De Bakker. En gezien het grote aantal mensen op straat moeten ook ouderen een rol van betekenis hebben gespeeld. De Nieuwe Tilburgsche Courant steunt de relschoppers onverbloemd. De onlusten zijn namelijk veroorzaakt door een 'economische kwestie'. Ook blijken arbeiders woedend omdat Roosen zich schuldig zou maken aan ongewenste intimidaties in de stikkerij. Bovendien zou de fabriek goedkope 'mindervaliden' inzetten waardoor de werkloosheid toeneemt. In ieder geval kan Roosen zich na de street rave niet meer in het dorp vertonen en vertrekt hij uit de gemeenschap. Regionale kranten, zoals het dagblad Het Huisgezin, juichen zijn vertrek toe: "De heer R., welke de aanleiding gaf tot ketelmuziek en de opstootjes, heeft inmiddels onze gemeente verlaten. Wij mogen wel aannemen dat hiermede de kwestie heeft afgedaan en dat de rust in onze plaats hersteld is".

De kwestie is echter nog niet afgerond. Een plaatselijke notabele, een zekere Dr. Emile Verviers, neemt het op voor de relschoppers die geen steun vinden van vakbonden, socialisten en de katholieke kerk. Zoals gezegd worden twee toevallige passanten, de 29-jarige Karel Bekkers en de 19-jarige Anton Brouwers, het slachtoffer van het politieoptreden op dinsdag 12 augustus. Zij raken ernstig gewond door toedoen van de sabel en Verviers besluit het op te nemen voor de slachtoffers. Hij start een uitvoerige correspondentie over de ongeregeldheden en poogt daarop de burgemeester en het politieapparaat aan te klagen. Verontrust door die activiteiten vraagt de Bossche procureur-generaal op 16 augustus 1930 aan de minister van justitie toestemming voor een grootscheeps onderzoek ter plaatse. Daar de laatste pittige Kamervragen verwacht wordt het onderzoek in gang gezet. Verviers verzamelt feiten en argumenten, maar op het moment dat hij zijn bevindingen openbaar wil maken trekken beide slachtoffers zich plotseling terug. Geschrokken van de ophef en bang voor een eventuele confrontatie met de burgemeester en justitie vragen zij Verviers de hele zaak te vergeten. De aanklacht wordt daarop geseponeerd. Daarmee komt op 2 september 1930 een officieel einde aan het 'toafelen'. De procureur-generaal concludeert dat 'de burgemeester flink maar tactvol is opgetreden, en dat wanneer ten slotte de politie krachtdadig heeft moeten ingrijpen, zulks het gevolg is geweest, dat het publiek noch aan een minnelijke lastgeving van den burgemeester om uiteen en naar huis te gaan, noch aan de daarop uitgebrachte sommaties heeft willen gehoor geven'. Wel betreurt hij dat er onschuldige slachtoffers zijn gevallen. Voor het Openbaar Ministerie is hiermee de kous af.

Echter niet voor Emile Verviers. Wie is deze Verviers eigenlijk? Hij is een econoom die in zijn vroege jaren actief is in de linkervleugel van de katholieke beweging - hij werkt aanvankelijk voor de Katholieke Sociale Actie. Na de Eerste Wereldoorlog schuift hij steeds verder op naar rechts en hekelt de bemoeienis van de overheid in het sociale, politieke en economische leven. In 1922 sticht hij zijn eigen tijdschrift Katholieke Staatkunde - het eerste blad dat in Nederland oproept tot een fascistische revolutie. Bevangen door overmoed zal hij later verklaren reeds voor Mussolini het fascisme te hebben omarmd. In zijn blad predikt hij revolutie om een einde te maken aan het proces van democratische degeneratie en wenst hij het door links aangetaste gezag te herstellen. Hij wil terug naar de Grondwet van 1848 - waarin de lokale gemeente veel meer autonomie had - en heeft slechts waardering voor Domela Nieuwenhuis die al waarschuwde tegen de bureaucratisering van de samenleving, al heeft Verviers geen vertrouwen in diens 'ideëel anarchisme'. In 1923 verbiedt de bisschop van Den Bosch het voorvoegsel 'katholieke' in zijn periodiek. Daarop verandert Verviers de naam in Opbouwende Staatkunde. De uit deze kring voortgekomen aartsconservatieve Nieuwe Katholieke Partij wordt op last van de clerus ontbonden. Overigens was de hogere Brabantse geestelijkheid zeer alert op fascisme in eigen kring: haar antifascisme zou later een echte doorbraak van Zwart Front - de katholiekfascistische beweging in het zuiden - verhinderen. In 1924 fuseert de kring rondom Opbouwende Staatkunde met een andere fascistische groepering, het Verbond van Actualisten. Verviers heeft het blad dan al verlaten. Een van de eerste antifascisten die in Verviers een gevaar ziet is anarchist Albert de Jong. Reeds in 1922 ageert hij in zijn periodiek De Vrije Samenleving tegen deze 'kleine dictator'. Het betreffende nummer wordt huis-aan-huis in Oisterwijk uitgedeeld.

Verviers' moeder woont sinds 1917 in Oisterwijk en ook Emile laat zich daar in 1924 inschrijven. Hij beschouwt het dorp als een mooi 'boerendorp' en hij wil gaan 'boeren' uit afkeer van de stad, de industrie en het verarmde proletariaat. Ook werkt hij gedreven mee aan het Coöperatieve Veluweplan, een ontginningsproject voor nieuwe boeren, alwaar hij Frederik van Eeden ontmoet - inmiddels bekeerd tot het katholicisme. Als in 1930 de rellen in Oisterwijk uitbreken ziet Verviers zijn kritiek op de burgemeester, de centrale overheid, justitie en de industrie bevestigd. Zijn steuncampagne aan de slachtoffers van het 'toafelen' is een poging in te spelen op de structurele onvrede in het dorp. Als zijn aanklacht wordt geseponeerd zet Verviers zich aan het schrijven. Hij publiceert het boekje Gemeentelijke zelfstandigheid. Het blijkt een felle, frontale aanval op een centralistische overheid die elke gemeentelijke zelfstandigheid steeds meer aan banden legt. Hij roemt de oude stadstaten, het federalisme van de Republiek, de zelfstandige steden van de Noordelijke Nederlanden, de verlichte despotie van Willem I en meent dat lokale autonomie voorrang moet krijgen boven het algemene landsbelang. Ook hekelt hij moderne burgemeesters: zij zijn niet langer gewone mensen uit de gemeenschap, maar hoog opgeleide intellectuelen en bureaucraten: "Zelfs al is hij eene zwakke persoonlijkheid, hij krijgt steeds een overwicht, al was het maar alleen door zijn meerdere technische vakkennis. De burgemeester predomineert in strijd met de Grondwet en is niet langer meer de man der gemeente, doch een staatsambtenaar die zijn benoeming dankt aan Den Haag en zijne promotie verwacht uit Den Haag".

Zijn taal wordt steeds fanatieker en met het 'toafelen' nog vers in het geheugen neemt hij het op voor het geplaagde volk 'dat van noord tot zuid en van 's morgens vroeg tot 's avonds laat gehinderd en zoo nodig getyranniseerd wordt door de handlangers van de overheid'. De pers noemt hij een geestelijk riool, politici volksmisleiders en hij hekelt de opmars van het grootkapitaal en de grootindustrie. Aan het einde van zijn tirade pleit hij voor de oprichting van een Partij voor Gemeentelijke Zelfstandigheid die als doel heeft 'het politieke bedrog te ontmaskeren' en 'listige politieke partij-formatie aan te tasten'. Hij meent dat zo'n partij in de praktijk zou kunnen uitgroeien tot een 'anti-burgemeester-partij'. Deze partij komt in Oisterwijk ook daadwerkelijk van de grond als de Lijst Verviers. Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 1931 behaalt hij 10,2% van de stemmen - genoeg voor een ruime zetel. Daar Verviers echter verzuimt zijn geloofsbrieven tijdig in te leveren (hij verkeert op dat moment in het buitenland), neemt de plaatselijke aannemer Charles Graft zijn plaats in. In 1934 neemt het zojuist opgerichte Zwart Front de draad op waar Verviers die heeft laten liggen. Zowel Graft als de voormalige administrateur van Katholieke Staatkunde, de winkelier Westrik, worden spilfiguren van het Front. Met een even corporatistische hang naar het verleden, een pleidooi voor gemeentelijke autonomie en autarkie, en met moderne organisatie en propagandamiddelen weten ex-seminarist Arnold Meijer en uitgever Fons van den Boogaard een grote steun in en buiten het dorp te verwerven. Meijer is een pertinente tegenstander van de NSB - die hij niet Nederlands maar Duits acht, maar zal het NSB-tijdschrift Nieuw Nederland het beste fascistische periodiek noemen. Eindredacteur van dat periodiek is dan Emile Verviers, inmiddels lid geworden van de NSB. Nog in september 1940 zal Meijer, ter verdediging van zijn Zwart Front, een negentien pagina's tellend stuk naar Seyss-Inquart doen sturen. Hierin stelt hij dat de grondbeginselen van zijn - door Mussolini geïnspireerde - beweging geheel zijn gebaseerd op de ideeën van dr. Emile Verviers. Ook Meijer hekelt het kapitalisme en de industrie, de democratie en het socialisme, en is berucht om zijn militante acties tegen grootwinkelbedrijven als Vroom & Dreesmann.

Verviers zou de NSB ook weer verlaten. Toch wordt hij, vanwege 'het vermoeden van een politieke gerichtheid' op 9 december 1944 gearresteerd en getransporteerd naar het verblijfkamp Vught waar ook Meijer zich dan bevindt. In zijn verweerschrift schrijft hij: "Ik behoor tot de minderheid van de Nederlanders die principieel nooit een cent aan de Winterhulp gegeven heeft, wat niet alle anti's me na kunnen zeggen. Want als er wat te verdienen viel waren velen er bij als de kippen. Ik heb zelfs nooit een glas bier met een Duitscher gedronken. Wanneer dus ooit eervolle vermeldingen of onderscheidingen ingevoerd worden voor goed gedrag als Nederlander tijdens de bezetting, dan maak ik voor mij daarop aanspraak wegens in elk opzicht correcte houding". Verviers zal uiteindelijk, in tegenstelling tot Meijer, niet worden veroordeeld.


Bronnen:
* Ad van den Oord, Siebe Thissen & Jacqueline de Vries, Toafelen te Oisterwijk: van volksgericht naar protestdemonstratie, in: Gerard Rooijakkers (red.), Charivari in de Nederlanden. Rituele sancties op deviant gedrag (P.J. Meertens Instituut Amsterdam 1989);
* Ad van den Oord, De bezem erdoor... De aanhang van Zwart Front in Oisterwijk, in: Theo Cuypers (red.), Zorgvolle Tijden. Oorlogsjaren in Oisterwijk (OHR Oisterwijk 1991);
* Ad van den Oord, De aanhang van SDAP en Zwart Front in Oisterwijk, in: H.F.J.M. van den Eerenbeemt (red.), Maatschappelijke stromingen in Oisterwijk (TEK Tilburg 1993);
* Siebe Thissen, 'Alles mos aanders zen'. Emile Verviers en de grondslagen van het fascisme in Oisterwijk, in: Theo Cuypers, Zorgvolle Tijden (1991);
* Siebe Thissen, Lokaal-patriottisme in Oisterwijk tijdens het interbellum, in: Van den Eerenbeemt, Maatschappelijke stromingen (1993).


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -