Index of /Marginalia/1996 De piraten van de Zwavelbende

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1996 De piraten van de Zwavelbende.pdf   25.01.2004 94kB -

1996

De piraten van de Zwavelbende

Op dat hun snood en stout bedryven,
En stinkend rif zou duurzaam blyven:
sloeg men om 't Lijf een yz're band,
Den quaden zeeman ten spektakel:
't Verdiend vermeld in 's Lands Orakel,
Op ’t Zee-paerd niet ver van het strand.

(uit een gedicht over de kaping van de Nijenborg)


Onlangs publiceerde Peter Lamborn Wilson een onderzoek dat hij deed naar piratenutopieën, met name die aan de Marokkaanse kuststreek. Al lange tijd verzamelde hij materiaal met de bedoeling een kleine studie te schrijven over deze merkwaardige, afgelegen en vergeten enclaves. Het boek biedt een welkome aanleiding iets mee te delen over een staaltje van piraterij waar een ‘familielid’ ooit in gemoeid was. Deze voorouder, Andries Schellinger, bleek in 1763 betrokken bij de muiterij op het Oost-Indische Compagnieschip Nijenborg. Schellinger werd door de oppermuiter, die luisterde naar de naam 'Generaal' Wolmar, benoemd tot proviandcommissaris van het zojuist gekaapte schip. Schellinger speelde geen enkele rol van betekenis, maar alleen al zijn aanwezigheid op de Nijenborg prikkelt tot op de dag van vandaag mijn fantasie.

Muiterij of piraterij is zo oud als de zeevaart zelf - schepelingen leefden immers voortdurend op de grens van leven en dood; zeker in de zeventiende en achttiende eeuw. Het motto van de oude vaart laat dan ook aan duidelijkheid niets te wensen over: 'Navigare necesse est, vivere non necesse' [vrij vertaald: 'Er moet worden gevaren, daarbij speelt een mensenleven geen rol']. Alhoewel de recente aandacht vooral uitgaat naar de achttiende eeuw, kent ook de laatste eeuw nog talloze voorbeelden van muiterij: wat te denken van de opmaat tot de Russische Revolutie in het Odessa van 1905: de muiterij op pantserkruiser Potemkin? Of de muiterij op de Griekse destroyer Velos in 1973? Of die op het Russische fregat Storozhevoy twee jaar later? Nederlandse muiters bleven niet achter: een vliegtuigbom, 23 doden en vele gewonden bleken nodig om in 1933 een einde te maken aan de muiterij op De Zeven Provinciën. Hier kwamen Indonesische en Nederlandse matrozen in opstand nadat de bezoldiging drastisch werd verlaagd. Zoals de Nederlandse zeevaart een lange geschiedenis kent, kent ook die van de muiterij een lange geschiedenis. De schrijver en kenner van muiterijen, J.C. Molleman, meende zelfs dat het muiten de zeeman in het bloed zit; zijn mentaliteit kenmerkt zich nu eenmaal door opstandigheid en een afkeer van 'kuddedieren' - zeker ten tijde van de 'oude' vaart:

"In een betrekkelijk kleine ruimte leiden samenhokkende, jonge, krachtige kerels een abnormaal leven, gehuwden zijn aan hun gezin onttrokken, vrijgezellen ontberen de vrijheid en de verstrooiingen van den wal; wie het zeevak niet uit roeping gekozen hebben of er op den duur geen bevrediging in vinden, worden prikkelbaar...Een schip heeft nu eenmaal niets van een kantoor of werkplaats, die men na gedanen achturigen arbeid verlaat en aan den hoede van een conciërge of nachtwaker overlaat...Men dient er 24 uren van het etmaal, men kan er niet af, men kan er bij wijze van spreken geen voet verzetten zonder tegen een superieur op te loopen, ook 's nachts...Stof tot kankeren is er immers op een schip steeds. Het kan er te warm, te koud, te nat zijn, de kok kan niet naar ieders smaak koken, de nachtwachten breken den mannen op, want gedurende de uren, dat het tekort aan slaap wordt ingehaald, heerscht de gewenschte stilte niet; het scheepswerk geschiedt onder de oogen van vele bazen, zoodat er steeds op- en aanmerkingen vallen en, last not least, de schepeling ziet van dichtbij het genieten van voorrechten door zijn superieuren!"

Kortom, muiterij behoorde altijd tot de gevaren van de zeevaart. Een horde ontevreden, vaak zojuist gerekruteerde matrozen kon op ieder moment op drift raken, 'zooals het in den aard van den vulkaan ligt om uit te barsten, wijl de lava in zijn binnenste voortdurend gloeit'. De autoriteiten beseften deze spanning terdege en reageerden gewoonlijk dan ook furieus als muiterij inderdaad geschiedde. Zware lijfstraffen en martelingen (die aan het einde van de achttiende eeuw niet meer dagelijks werden toegepast) bleven voor muiters en piraten echter bestaan. 'Preventie & Afschrikking' luidde het parool. Ter dood gebrachte muiters werden op lugubere wijze ten toon gesteld op het strand aan de mondingen van rivieren, zoals bij Kijkduin, alwaar zo'n 'permanent gerichtsteeken' prijkte. Een spektakel als muiterij diende nu eenmaal met 'een bekwaem spectakel' te worden terugbetaald. Omdat men voortdurend op de hoede voor was muiterij, werden ook vergaderingen of het opstellen van manifesten steeds met muiterij in verband gebracht. Indien muiterij ter sprake kwam, kon men het best daadwerkelijk met het muiten aanvangen, want de misdaad was reeds gepleegd.

Toch, met de piraterij rondom de Nijenborg was het niet zozeer de lage bezoldiging die tot de rebellie had geleid - al resulteerde dit wel in enige steun voor de muiters. Nee, het muiten was goed voorbereid door een groepje samenzweerders dat haar plannen had gesmeed in een kroeg in het Noord-Hollandse stadje Hoorn - De Lantaern, waar kastelein Willem de toog voerde. Deze samenzweerders noemden zich De Zwavelbende - klaarblijkelijk dromend van een apocalyptisch inferno dat zich zou gaan voltrekken. De harde kern bestond uit elf Duitsers en drie Fransen, maar het blijft de vraag in welke mate hun vaderland een rol van betekenis speelde. Want van een terugkeer naar hun geboortegronden was voor deze desperado's geen sprake en zij fantaseerden over een vrij en onbekommerd leven, ergens in de jungles van Brazilië. Maar laten we, vooruitlopend op de muiterij, eerst een indruk geven van de bemanning van de Nijenborg die zich klaar maakte voor een reis naar Nederlands-Indië. Handel en het vervoer van verse soldaten, begeleid door officieren, was het doel van de reis.

De Nijenborg was een middelgroot fregat, zo'n vijftig meter lang, gebouwd in 1757, en in dienst van de Kamer van Hoorn. Het schip werd gevoerd door schipper Jacob Ketel, afkomstig uit het Deense dorp Husum. De officiers en onderofficiersplaatsen werden voornamelijk door Nederlanders bezet. Ook was er aan boord een dominee en zijn twaalfjarige zoon, een koopman, een chirurgijn met twee assistenten en een aantal vaklieden, waaronder een opperzeilmaker, een oppertimmerman, een opperkuiper, een smid en een provoost. Ketels zoon voer ook mee om zodoende te worden opgeleid tot schipper. Hogere officieren hadden, net als de schipper, een eigen hut; lagere sliepen met tweeën of drieën - de hutten bevonden zich in het hoge achterschip. Onder de onderofficieren bevonden zich enkele buitenlanders, zoals de Duitse bootsman. Onder de equipage en de matrozen bevonden zich nauwelijks Nederlanders, alsmede onder de speciaal voor Indië geworven soldaten. Het schip herbergde aanvankelijk 236 mannen, maar werd later nog eens aangevuld tot 364 man. De Duitsers vormden met 171 man verreweg de grootste groep aan boord; de overigen behoorden tot zestien andere naties van Noorwegen tot Portugal. De leeftijden schommelden gewoonlijk tussen de vijftien en vijfentwintig jaar. De Nijenborg was volgepakt als een blik sardines.

Jaarlijks voeren drie vloten uit naar Indië, maar onder de Nederlanders bestond weinig animo voor dergelijke reizen. Wellicht was de armoede hier geringer dan elders, want van heinde en verre trokken afgedankte soldaten, deserteurs, geruïneerde boeren, gevluchte misdadigers, als mannen verklede vrouwen ('daar was laatst een meisje loos') en straatarme ambachtslieden naar Noord-Holland waar de vaart lokte. Je moest er ook maar zin in hebben, want de sterfte was hoog: van de 364 schepelingen van de Nijenborg stierf 45% tussen 1763 en 1768. Het verloop was eveneens groot en velen droomden sinds de eerste dag van hun aanmonstering al van een ander bestaan. Wat betreft de samenstelling van het 'personeel' krijgen we een beeld dat niet zoveel afwijkt van de hedendaagse vaart: schepen varen onder een Nederlandse vlag, met Nederlandse voerders, en met personeel dat elders voor een habbekrats wordt geworven - vandaag vooral Filipino's en Kaapverdianen.

Volgens Mollema kwamen de aankomende soldaten en schepelingen als landlopers op het rijke Holland af en lag het niet in ieders bedoeling het sop te kiezen. Maar onderweg hielden zich 'zielverkoopers' op (ookwel 'volkhouders' of 'slaapbazen' genoemd). Deze voorlopers van de koppelbazen beloofden werk, slaapgelegenheid en voeding en ronselden reizigers van allerlei slag. Soldaten werden gerekruteerd uit deserteurs en afgedankten uit de Hannoversche Jagers, het Engelse Vrije Legioen, de Pruisische Cavalerie, Frans-Zwitserse regimenten, of hoe de legers ook werden aangeduid. Voor het scheepswerk werden ook andere reizigers, zwervers en op de vlucht zijnde criminelen geronseld. In kleine groepjes vervolgde men dan de weg naar Holland alwaar kroegen en logementen de gasten opwachtten. Was men eenmaal binnen en had men de eerste borrels genuttigd, dan werden de deuren vergrendeld en de luiken dichtgespijkerd. De val sloot zich. Nadat de eerste woedeaanvallen voorbij waren en de honger zich meester had gemaakt van de zojuist geworvenen leek het tekenen bij de Compagnie, enkele dagen later, een ware verlossing. Het vak van zielverkoper was een lucratief beroep. Sommige lieden, zoals gesnapte dieven, werden soms met het mes op de keel een zielverkoperslogement binnen gedreven. Dit samenspel tussen de overheid (justitie), kleine ondernemers en grote rederijen fungeerde als een uitstekend middel om de reizende bevolking te disciplineren. Ook Willem, de kroegbaas van De Lantaern, was zo'n verkoper en het was hier dat De Zwavelbende haar opwachting maakte.

Een groep fanatieke overleveraars en deserteurs, veertien in getal, bezwoer zich niet langer te laten ringeloren door de Hollanders die de groep met mooie beloften in het gevang had gelokt. Bovendien had de 'opsluiting' in het logement van Willem hun mannelijke trots behoorlijk gekrenkt. In De Lantaern hadden zij fluisterend een eed gezworen en zich verenigd in een bond, De Zwavelbende. Hoe hun vrijheidsstrijd zou gaan verlopen was nog niet duidelijk, maar een van hen, een zekere Becker, had verstand van kaarten en navigatie en legde de groep een plan voor: het schip moest gekaapt worden en naar 'Portugees-Brazilië' varen. De Portugezen leverden geen misdadigers uit en stonden bovendien bekend om het verwelkomen van nieuwe emigranten. Zo zeilde de Nijenborg op 8 mei 1763 in de richting van Batavia.

Ruim een maand later, op 14 juni, ter hoogte van de Kaapverdische Eilanden, brak het gedonder los. Tot dan toe was de reis voorspoedig verlopen: slechts vier doden in vijf weken - een prachtig resultaat. De stemming was ook prima. Vooral de leden van De Zwavelbende zongen hun kelen schor en een van hen, de 'dikken soldaet' Anthony Strauss, voerde de gezangen aan met zijn 'geblaer'. Ook getuigden de dagelijkse pesterijen van een goede sfeer: zo werden bijbels, paternosters en mystieke boeken onder hoongelach overboord gekieperd door 'ruwelingen'. Ondertussen zat De Zwavelbende niet stil. De optredende aanvoerder, Johan Wolnar, was een ex-soldaat van goede afkomst en had een behoorlijke ontwikkeling genoten. Hij nam het gehele schip goed in zich op en kende inmiddels alle hoeken en gaten, wist door de exercities waar de wapens waren te vinden, en had zich al getraind in subversieve activiteiten door wijn te stelen bij de officieren. Twee zaken stonden voor hem voorop: het plegen van een zeer snelle overval op de nietsvermoedende officieren, en daarbij gebruik makend van zoveel mogelijk paniek: immers, paniek zou alle verzet van trouwe schepelingen in de kiem smoren. Inmiddels had De Zwavelbende op samenzweerderige wijze een troep 'malcontenten' aan haar zijde gekregen die alle steun beloofde. Wolnar wist dat hij snel moest handelen: wijn en waterdiefstallen hadden de officieren allerter gemaakt. Zijn boodschap aan de bende luidde: "Het zal zijn even na middernacht, als het volk van de Hondewacht (de wacht van 24.00 tot 04.00u) nog wat slaperig is en de Eerste Wacht te kooi is gekropen". De bendeleden maakten elkaar wakker, spraken de laatste zaken door, en bereidden zich mentaal voor op de daad.

Even na twaalven was het zover. Onderstuurman Reynier Peterson herinnerde zich later dat de aanval begon met het 'geblaer' van Strauss. Nog op hetzelfde moment stormden zeven brullende kerels het dek op, aangevoerd door Wolnar, die voor de gelegenheid een witte rand op zijn hoed had geschilderd. Oorlogskleuren. Onder de roep: "Alons, Duitsche broeders, valt aen, hout, smijt en steekt!", bestormde hij de campagne en was getuige van zijn eigen spektakel: paniek. Toch was Wolnar geen bloeddorstige rover. Als iemand utopische voorstellingen koesterde, dan was hij het wel. Voorafgaande aan de bestorming had hij de bende dringend verzocht zo weinig mogelijk geweld te gebruiken, plunderen had hij ten strengste verboden, en ieder bloedvergieten had hij ontraden. Het ging immers om een doortocht naar Brazilië. In de roes van het muiten bleek echter al spoedig dat Wolnar zijn helpers niet geheel in de hand had. Wie in de weg kwam of aan verzet dacht, werd neergestoken. De aanval begon met zeven muiters, maar al ras voegden zo'n twintig anderen zich bij hen. Wolnar bleef zijn tegenwoordigheid van geest behouden en bracht zijn alternatieve plan direct in werking. 'Neutrale' personen werden naar de stuurhut gedirigeerd en in een mum van tijd was het schip overgenomen. Mollema's beschrijving van het bloedige tafereel getuigt van een uiterst ruwe overrompeling waar links en rechts dolksteken en sabelhouwen worden uitgedeeld, mensen bloedend en schreeuwend over het dek rennen, matrozen in paniek het fokkewand beklimmen, en een doorgedraaide figuur met handgranaten zwaait. Nadat dek, bak en roer waren bezet werden ook de officieren - die zich hadden verschanst - verschalkt en vastgezet. De meest bloeddorstige van De Zwavelbende, de Fransman Fouquet, vergreep zich aan de reeds gewonde onderstuurman. Al schreeuwende "Hij heeft dit wel verdiend!", gaf hij de weerloze een doodsteek met zijn zojuist geroofde kapiteinsdegen.

In deze paniekgolf kon Wolnar weinig uitrichten. Binnen een half uur waren er een dode en zestien gewonden gevallen - waarvan twee rebellen. Wolnar was het geweld zat en bood de officieren zijn verontschuldigingen aan: "Om U hebben wij het niet gedaen, gijlieden hebt ons nooit kwaed gedaen, maer wij hebben 't tegen die hondsvotten en spitsboeven, die moeten wij hebben en daerom hebben wij 't gedaen". Wolnar ageerde aldus tegen de scheepsleiding, de Compagnie, de 'zielverkoopers', die mensen behandeld hadden als minder dan als oesters op een oesterbank. Toen het leven weer enigszins tot kalmte was gekomen, deed Wolnar kond van zijn eisen: allereerst ordonneerde hij zijn bende de onmiddellijke teruggave van al het geroofde goed. Tafelzilver, gouden horloges, broek en schoengespen, degens en wat al niet meer werden morrend op een hoop gegooid. Tot de schipper zei Wolnar: "Wij begeeren niet te stelen, gij hebt ons alleen aan land te brengen". De troep muiters werd door Wolnar verdeeld in twee bataljons en alle muiters kregen een militaire rang.

Wolnar en Becker, de kaartspecialist, bestudeerden enkele mogelijkheden met de schipper en de opperstuurman en kozen uiteindelijk voor het koerszetten richting Bahia de los Todos Santos (dat is naar Salvador aan de Allerheiligenbaai aan de kust van Brazilië). De schipper kreeg vijf weken de tijd Bahia te bereiken - zo niet, dan zouden achtereenvolgens de dominee en de stuurlieden als gijzelaars worden gedood, en eventueel zou het schip zelfs worden opgeblazen. De daaropvolgende weken voerde de bende een waar schrikbewind. Iedere gedachte aan contrarebellie werd onderdrukt en vooral jonge fanatiekelingen van een jaar of zestien maakten zich schuldig aan intimidatie, marteling en zelfs een sluipmoord. De meest merkwaardige figuur aan boord was Dominicus Vorster, een ongrijpbare intellectueel die afwisselend zowel muiter als contraspion speelde. Hij sprak minstens vier talen, werd door vriend en vijand als een van de hoofdrebellen aangeduid, maar werd ook verdedigd door de opperstuurman en schipper die later bezwoeren dat het Vorster was die Wolnar in de hand hield en zo het leven van menig officier wist te sparen. Het schijnt alsof Vorster zijn eigen strijd voerde en zijn ideeën wisselend leverde aan zowel de rebellen als de Compagnie. Deze Vorster kwam er uiteindelijk dan ook het best vanaf, als een lachende derde: hij werd later in Brazilië op vrije voeten gesteld. Ook in de latere verhoren voor de krijgsraad dook deze naam steeds weer op, maar bleef hij volstrekt ongrijpbaar.

De reis naar Brazilië verliep langzaam. Het schip werd slecht en klungelig bediend, een uitkijk viel uit de fokkenmast in zee, en onenigheden namen toe. Het was een zekere Pieter de Ruiter die de sfeer geheel liet keren. Deze 'minderwaardige en hebzuchtige Hollander' was er een van het 'verklikkertype' die stennis schopte toen hij bemerkte hoeveel waardevols er in het laadruim verborgen lag. Wolnar, die van geen tweedracht wilde horen, ranselde deze opruier persoonlijk half dood met 92 platte sabelslagen. Maar inmiddels hadden De Ruiters metgezellen al enkele kisten wijn te pakken die onder een luid 'hoera!' werden geopend. Tegenover de hebzucht van de mannen was ook Wolnar uiteindelijk niet bestand. Twee weken na de rebellie werd de buit al turvende verdeeld. Ook Wolnar bezweek en incasseerde zijn aandeel: 1000 dukaten en een staaf goud. De hele vertoning aan boord van de Nijenborg leek steeds meer op een operette: rebellen hadden zich getooid in dure kleding, bras en slemppartijen waren aan de orde van de dag, twee trompettisten en twee violisten speelden hitsige dansmuziek, en de schepelingen dansten en hosten tot ze 's nachts stomdronken in elkaar zakten.

Inmiddels was het gestelde ultimatum - vijf weken - verstreken en nog steeds was er geen land in zicht. Het wantrouwen groeide en het was de 'dubbelspion' Vorster die steeds opnieuw met verklaringen kwam aanzetten. Dankzij zijn bemiddeling werden de stuurlui gespaard - volgens Vorster kon zonder stuurman het land nooit worden bereikt. Op 2 augustus was er land in zicht, maar het schip raakte vast in een modderbank. Wolnar besloot met een sloep naar het vasteland te roeien. Ruim zestig mannen slaagden erin de sloepen te bereiken. Toen de sloepen nog niet ver weg waren, schoof het schip plotseling weer los. De sloepen werden geseind door een kanonschot. Wolnar echter dacht dat het oude gezag zich meester had gemaakt van het schip en maande zijn mannen door te roeien nar het strand. Ze bleken geland in Rio Grande, het Noordoostelijke deel van Brazilië. De troep trok eerst naar Rio Grande (tegenwoordig Natal) en vandaar naar Pernambuco - een tocht van zo'n slordige 300 kilometer.

In Rio Grande bereikte de operette haar tweede akte. De uitgelaten rebellen lieten het geld lekker rollen en raakten bevriend met de plaatselijke autoriteiten - die dachten dat het hier om officieren ging die hun schip hadden verloren. Het stadje bood de reizigers een groots gastmaal aan en er werd gefeest tot diep in de nachten. Nederlandse, Duitse en Franse jongens raakten verliefd op de meisjes van Rio Grande en vroegen hun vaders om permissie tot huwelijk. Bekend is dat de rebellen Cramer, Fouquet, Talong, Heydigsfelt, Zirchel en Stijssel zich allen verloofden met een Braziliaanse vrouw. Niets wees er op dat zij Rio Grande ooit weer zouden verlaten, ware het niet dat voor permanente vestiging een vergunning werd vereist van de gouverneur van Pernambuco. De 'verloofde heertjes' gaven hun goud in goede bewaring van de schoonvaders, namen afscheid van hun vriendinnen, en maakten zich op voor de reis naar Pernambuco - waar ze op 2 september arriveerden. Een piratenutopia was gevonden, het was Rio Grande, eindelijk hadden de rebellen Europa, de honger en de armoede, het oorlogsgeweld en de terreur van de Oost-Indische Compagnie achter zich gelaten. Wolnar en De Zwavelbende leken geslaagd in hun revolutie.

Niet iedereen was gecharmeerd van het nieuwe Utopia. Wolnar, wellicht beïnvloed door Vorster, was niet tactisch of bloeddorstig genoeg gebleken om een perfect loyale clan te formeren. Sinds hun aankomst hadden twee Nederlandse stuurlieden al rusteloos en in het geniep gezocht naar iemand die het Nederlands machtig was. Uiteindelijk vond men in Pernambuco ene Joseph de Moll, een 'doctor in de physica' die zijn moedertaal bijna was vergeten. De Moll hoorde hun verhaal aan, bemiddelde tussen de stuurlieden en de overheid, en vroeg de gouverneur de muiters te arresteren. In Pernambuco aangekomen rook Wolnar lont, maar voordat hij de stuurlieden kon liquideren en zijn plannen kon wijzigen, werd zijn bende onverhoeds door Braziliaanse soldaten overvallen en gearresteerd. Wolnar had hoog spel gespeeld en verloren: in de eerste nacht van zijn gevangenneming hing hij zichzelf op aan een zijden halsdoek, zojuist gekocht van zijn dukaten. Andere rebellen, klaarblijkelijk gewend aan een leven op het breukvlak van leven en dood, hadden nog wat geld weten te behouden en kochten in het gevang op clandestiene wijze 'tien, twintig en meer flesschen op een dag'. De operette ging gewoon door, al feestte men nu in het cachot van Pernambuco. "Galg en rad", zo merkte Mollema op, "maakten geen enkele indruk op deze desperado's".

Wat was er ondertussen gebeurd met de Nijenborg? Het schip was uit de modder losgekomen en opnieuw waren het achtergebleven muiters die aan de haal gingen met het schip. De nieuwe hoofdman, Johan Ihle, verzekerde de schepelingen dat, ondanks het vertrek van zijn makkers, toch koers gezet diende te worden naar het vasteland. Van opgave kon geen sprake zijn. Men landde iets ten oosten van de monding van de Amazone, maar uit een verkenning van het land bleek dat er hier geen doorkomen mogelijk was. Men trof er slechts 'boskasie, vogels en veel fenijnige slangen van tweederlei soort' aan. Toch begon de fut er bij de muiters steeds meer uit te geraken en splitsten de schepelingen zich op in twee kampen. De eerste groep wilde richting Suriname de wildernis in, de andere groep was bang voor de jungle en bepleitte het varen op Cayenne, dat in Franse handen was (Frans Guyana). De laatste groep won het pleit. Een sloep met acht muiters ging alvast ter verkenning aan land. Daar creëerden ze vervolgens een brasspektakel dat in euforie niet onder deed voor Rio Grande, maar de zaken werden hier minder tactisch aangepakt. Baldadigheid, dronkenschap en het strooien met dukaten deden de gouverneur wantrouwen. Hij geloofde niets van de schipbreukverhalen, liet de muiters bespioneren en arresteerde ze vervolgens.

Vijf dagen later vertrok ook de Nijenborg - men had nog niets gehoord van de verkenningsgroep. Toen Cayenne werd bereikt bleek de muiterij plotseling beëindigd. De muiterofficieren verklaarden alle gevangenen vrij en gaven het bericht dat nu 'alles wel en goed' was. Het einde van de muiterij laat nog veel vragen onbeantwoord. Waarschijnlijk had de stuurman van de loodsboot hen medegedeeld dat men van het muiten op de hoogte was en dat enkele muiters reeds waren gearresteerd. Deze muiters werden terechtgesteld in onder meer Rio Grande, Cayenne en Paramaribo en een aantal schepelingen 'verdween' om elders een nieuw bestaan op te bouwen. De Nijenborg keerde uiteindelijk terug naar Nederland waar de autoriteiten inmiddels om uitlevering van de muiters hadden verzocht.

Vanaf 5 januari 1764 kwam het eerste schip met gevangenen uit Pernambuco terug naar Nederland. Hieronder waren geen 'echte' schuldigen, maar vooral 'opgeschoten' jongens van zestien en zeventien jaar: "Wij kennen hun type ook in onzen tijd, dien zelfkant der grootestadsjeugd, die bij relletjes het spits afbijt voor moderne demagogen die zelf buiten schot blijven". Zes kregen 'den koorde' en twee een 'geeseling'. Op 31 mei arriveerde weer een transport met muiters die er lichamelijk en geestelijk zeer slecht aan toe waren. Langdurige gevangenschap had hen volledig geknakt en onderweg waren er reeds drie overleden, waaronder 'de blaauwe korporael' Monniere, een van de meest gewelddadige muiters. Op 17 juli kwam weer een transport binnen - men had met beide laatste transporten de belangrijkste muiters wel te pakken. Van deze laatste zending werden er drie 'gerabraekt', tien gehangen en twee gekielhaald. Ook in Suriname werden nog acht muiters veroordeeld. Voor deze gelegenheid werd een schip dat in de haven lag, ingericht als schavot. Een van hen, de smid, kreeg een lichte straf en werd gegeseld onder de galg. Zes anderen werden gehangen, en de laatste 'generaal' der muitelingen, Johan Ihle, werd veroordeeld tot onthoofding:

"Tijdens het gebed door den Luthersen predikant stond Ihle met de grootste bedaerdheit, met zijn armen op het boord leunende, ruim drie minuten lang het schavot en den toestel daerop te bekijken; vervolgens op het zelve geklommen, leide hij zijn hoofd op het blok en ontving den doodelijken slag met een bijl. Toen werden de andere zes naer het gallioen op de plegt gebragt; men had aldaer zes katrollen met een gelijk touw aen de fokkera vastgemaekt; ieder kreeg een strop om de hals, die aen een van die touwen vastgemaekt werdt en werdt vervolgens op het scheepsboord gezet, vandaer afgestoten en zoo naer de ra omhoog gehijsd".

Toch was dit rituele contra-spektakel nog niet ten einde. De dode lichamen bleven tot 's avonds hangen, daarna werden hun hoofden afgekapt en samen met dat van Ihle op "een pael met een dwarssport ter lengte van ruim acht voeten als een kruis geformeerd en van zeven ingeklonken ijzeren pennen voorzien". Dit kruis werd geplaatst aan de rivierkant, dicht bij de scheepswerf, als ritueel afschrikbeeld. De koppen werden bovendien met gaas beschermd tegen roofvogels - ze moesten letterlijk wegrotten. De onthoofde lijken werden, naar gewoonte, begraven onder de galg.

In Nederland werden er ook nog muitelingen berecht. Speciaal daarvoor was een loodzware krijgsraad samengesteld, bestaande uit negen leden van de verschillende Admiraliteiten. De kosten werden - hoe kan het ook anders - volledig betaald door de Oost-Indische Compagnie. Op 29 maart 1764 werd op het militaire schip 't Zeepaerd in het Nieuwe Diep de 'bloedvlag' gehesen en werden de betrokkenen van de muiterij voor de raad gehoord. Een ieder deed zijn woord en de muiterij werd gereconstrueerd. De meeste deelden mee dat ze werden gedreven door doodsangst en vrees voor terreur. Zij die het dichtst bij De Zwavelbende stonden, voornamelijk Duitsers, grepen de krijgsraad aan om te protesteren tegen de behandeling die hen ten deel was gevallen in Holland. Zij voelden zich belazerd door de 'zielverkoopers' die hen eenvoudigweg hadden vastgezet en vernederd. Ook zouden beloofde gages niet zijn uitbetaald en zouden de mannen verkeerd zijn voorgelicht. Een ander beklaagde zich over de honger en de afranselpraktijken waardoor hij matroos werd zonder de zee ooit te hebben gezien. Van humanitaire opvattingen was geen enkele sprake: types als Willem van de Lantaern ontliepen hun straf - het vak van 'zielverkooper' was een eerzaam beroep in het 'Hollandse'.

Uiteindelijk wees men vier rebellen aan als hoofdschuldigen, maar zij bleven allen ontkennen. De krijgsraad besloot daarop tot 'torture' - een principe dat alleen nog maar werd toegepast indien men een bekentenis wilde voor een daad waarop de doodstraf stond. Het Recht wilde immers wel zeker weten - voor het oog van God - of men een ware schuldige het leven ontnam. Na een reeks van gruwelijke duimschroeftaferelen werd het vonnis uitgesproken. De oudste was 23, de jongste net 18. Zij werden tot de strop veroordeeld, 'eenige roeden bezuyden Kijkduin', en hun lijken aan ijzeren banden opgehangen 'totdat dezelven door de lucht en de vogelen des Hemels zullen zijn verteerd'. Ook voor de andere transporten lag eenzelfde spektakel in het vooruitzicht. Uiteindelijk werden er nog eens zeventien man veroordeeld en eenentwintig vrijgesproken. Enkelen werden geradbraakt, anderen kregen de strop, weer anderen werden gekielhaald en een persoon 'moest van het ra vallen'. Gruwelijke, letterlijk spectaculaire straffen.

Generaal Wolnar kon zijn daden niet meer rechtvaardigen. Zijn metgezel Johan Gross, een 'geboren misdadiger' volgens de overlevering, deed dat wel, en bovendien zonder schaamte. Hij was de enige hoofdmuiter waarbij de duimschroeven niet behoefden te worden aangezet. Uitvoerig en met grote trots vertelde hij over het plan van De Zwavelbende, hoonde de criminele werving van de Compagnie, en sprak in smalende bewoordingen over het geringe verzet van de lafhartige Hollandse officieren en onderofficieren. Volgens hem hadden de kapitein en de officieren de muiters het Compagniegoud aangeboden, in ruil voor het behoud van privé-bezittingen. Gross werd levend geradbraakt, ofwel 'gerabraekt van onderop', dat wil zeggen, nadat al zijn ledematen werden gebroken, werd hij niet uit zijn lijden verlost door drie koevoetslagen op de hartstreek - het traditionele ritueel - maar werd hij langzaam door beulshanden met een touw gewurgd. Zijn lijk werd gehangen als een 'gerichtsteken'. Zelfs in een in 1764 verschenen relaas lezen we hoe gruwelijk de stafvoltrekkingen voor de spectators waren:

"Die uitvoering zelve was zoo ontzachlijk en verschrikkelijk, dat alle de aenschouwers met de uiterste aendoening bevangen wierden; zijnde zelfs een der bedienden van een kapitein door schrik en ontroering ziek en ijlhoofdig geworden en weinig dagen daerna overleden. Ja, men verhaelt zelfs, dat de predikanten zoo ontsteld zijn geweest, dat ze naeuwelijks in staet waren om den lijderen den behoorlijken onderstand te verleenen".

Volgens een goede Nederlandse gewoonte werden ook de kosten van het proces en de vonnissen bekend gemaakt: minstens 5000 gulden kostte het spektakel de Compagnie. De vier ploeterende en zwoegende beulen incasseerden grote bedragen (voor een ophanging vroeg een beul 150 gulden en voor levend radbraken zelfs 250 gulden per persoon). In toenemende mate echter verafschuwden schippers en kustbewoners het gerichtsspektakel aan de kusten - de tijd van de 'torture', het kielhalen en het radbraken liep ten einde. Maar hoe afschrikwekkend dit 'bekwaem spectakel' ook mochte zijn, aan het muiten maakte zij geen einde - zoals de atoombom als afschrikkingmiddel ook geen einde aan de oorlogen maakte. Een muiter - in gedachte of in daad - besefte ter dege dat terugkeer onmogelijk was en dat hij zijn piratenutopie daadwerkelijk diende te realiseren, al was het dan maar tijdelijk. Een feest aan boord, een orgie op Tabago of het stichten van een tribale cultuur in Rio Grande... Wellicht een wanhopig en kortstondig geluk, maar nog altijd te prefereren boven een volledig onteigend bestaan in de handen van op geld beluste zielverkopers en keiharde ondernemers van de Compagnie. In een wanhopige poging een utopie in Brazilië te realiseren, protesteerde De Zwavelbende tegen de mensonterende behandeling die arme reizigers in het rijke Holland ten deel viel. De Hollandse burgerij echter, groot geworden dankzij de scheepvaart en nog arrogant terend op de oude roem van de Gouden Eeuw, veroordeelde de muiters, en koelde haar woede door zwaar verminkte lichamen bij Kijkduin ten spektakel te voeren.

Over mijn voorouder Andries Schellinger ben ik niets meer te weten gekomen. Overleed hij aan boord? Werd hij ergens veroordeeld? Vond hij zijn geluk in de Zuid-Amerikaanse wildernis? Wat doet het er ook toe. Hij rook even aan een piratenutopie en dat was voor mij reden genoeg het verhaal van de Nijenborg hier in herinnering te roepen.


Voor dit artikel werd onder meer gebruik gemaakt van:
* Echt relaas van de muiterij op het Oostindisch Compagnieschip Nijenburg (1764), opnieuw uitgegeven en van commentaar voorzien door Nienke de Jonge, Leonoor Kuijk en Liesbeth Oskamp (Stichting Terra Incognita, Amsterdam 1992);
* J.C. Mollema, Een muiterij in de achttiende eeuw (Haarlem 1933);
* Albert Helman, Waar is Vrijdag gebleven? (Zutphen 1983);
* Leonard F. Guttridge, Mutiny. A History of Naval Insurrection (Annapolis Maryland 1992).


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -