| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1994 Croatan.pdf | 25.01.2004 | 94kB | - |
'Zijn naar Croatan'
een lofzang op de Verborgenen der Aarde
"Of ik vervreemd ben? Vervreemding betekent dat je naar binnen wilt. Maar ik wil helemaal niet naar binnen, ik wil buiten blijven" (Henry Rollins, in Gina Arnold, Route 666 - The Road to Nirvana, 1994).
Dagelijks worden we lastig gevallen met het overspannen debat over de multiculturele samenleving. Wanneer is een land vol? Wat is een allochtoon? Wie wordt door wie in zijn bestaanszekerheid bedreigd? Welke concessies dienen geloofsgroepen te doen in een multiculturele samenleving? Uiteindelijk ligt aan al deze vragen een xenofobische gedachtegang ten grondslag. Immers, we splitsen menselijke lichamen op in groepen en categorieën en formuleren precieze rechten, plichten, tradities en identiteiten waardoor een hiërarchische piramide van bevolkingsgroepen kan ontstaan. Cijfers en statistieken ('Is de Islam werkelijk de tweede godsdienst in Rotterdam? Bestaat Amsterdam in 2010 werkelijk voor de helft uit allochtonen?') blijken dodelijke wapens en voeden paranoia en vreemdelingenhaat.
Terecht merkte de Rotterdamse Nietzscheaanhanger en anarchist Bernard Damme in 1916 al op dat een menselijke samenleving nu eenmaal bestaat uit 'hybriden', ofwel 'geen soortzuivere wezens'. De geschiedenis kenmerkt zich door avonturen als veelvrouwerij, veelmannerij, concubinaat, vrouwenroof, slavenhandel, gedwongen bekeringen, kolonialisme en landverhuizingen, en deze aspecten maken de gedachte van de 'soortzuiverheid', zo vervolgt de schrijver, tot een uiterst onzinnige en gevaarlijke illusie.
Het hybridische karakter van de menselijke samenleving wordt ook vandaag de dag met kracht ontkend. Het is opmerkelijk hoe weinig belangstelling er bestaat voor studies naar kruispunten en hybridische culturen. Was er nooit sprake van interactie? Gingen afzonderlijke culturen nooit op in nieuwe gemengde culturen met een eigen authentieke levensstijl? Natuurlijk wel, alleen bleven deze 'outcasts' vaak verschoond van een plaatsje in de geschiedschrijving. Zo werden religieussociale experimenten uitgeprobeerd door de averoeïsten, antinomianen, collegianten, spinozisten, mystici, dwepers, socinianen en nieuwlichters, maar ook door de soefibeweging van Inyat Khan, het zenboeddhisme, christenanarchisme en de (vroege en sterk anarchistische) theosofie. Maar ook in overzeese rijksdelen, bijvoorbeeld in Indonesië, Suriname en koloniaal Amerika kwam het voor dat westerlingen 'native gingen' en zich afkeerden van hun religieuze en culturele wortels. Ook in de zeventiende en achttiende eeuw gingen - vooral arme - Nederlandse kolonisten in Amerika op in tri of multiraciale gemeenschappen waarvan ook indianen, voormalige zwarte slaven, Latino’s, Ieren en Engelsen deel uitmaakten.
Momenteel maakt de geschiedschrijving van kleine verhalen een opmerkelijke hausse door in de Verenigde Staten. Als reactie op de politiek correct geachte etnische en marxistische geschiedschrijving heeft zich een nieuwe radicale generatie aangediend die zich niet langer louter op arbeiders of etnische groepen richt, maar juist de hybridische culturen tot uitgangspunt genomen heeft. Typerend voor de bestudeerde gemengde gemeenschappen blijkt hun gedeelde afkeer van de Europese beschaving met zijn nederzettingen, slavernij, loonarbeid, grondbezit, politiek-religieuze uitsluitingmechanismen en zijn afschuw van ieder nomadisme. Een introductie tot het werk van deze schrijvers biedt Gone to Croatan. Origins of North American Dropout Culture (Autonomedia/AK Press, New York 1993) waarin vijftien casestudies gepresenteerd worden. Meestal wordt door de auteurs het begrip 'triraciaal' (zwart, blank en indiaans) gebruikt, maar liever spreek ik van 'hybridisch', dat immers zowel bastaard of vermengd betekent, maar tegelijkertijd ook door mijn woordenboek als wetteloos of teugelloos wordt gedefinieerd. De angst van de gevestigde orde voor de 'teugelloze bastaarden' - immers het thema van Croatan en wellicht de bestaansreden van de Verenigde Staten - komt hierin het meest treffend tot uiting.
Het boek biedt een leesbaar avontuur vol geslaagde en minder geslaagde experimenten in verschillende uithoeken van Noord-Amerika. Zo maken Marcus Rediker en Peter Linebaugh op overtuigende wijze duidelijk dat de Amerikaanse Revolutie haar strijdbare wortels heeft in de verzetsbewegingen van de Atlantische kust en eilanden waar militante zeelieden, boekaniers, vrijgemaakte slaven (Jamaica) en ex-Europese lompenproletariërs in de tweede helft van de achttiende eeuw een absolute bedreiging vormden voor de koloniale orde. Niet alleen streden de 'maroons' zij aan zij, ook hun hybridische leefgemeenschappen en religieussyncretische experimenten deden de gevestigde - christelijke en racistische - orde griezelen. Een Nederlandse koloniaal, en voormalig gouverneur van Suriname, berichtte zijn vaderland in 1751 met ontzetting: "Hier vecht je voortdurend tegen een onzichtbare vijand die je te grazen neemt zoals je eenden in een moeras neerknalt. Zelfs al bracht ik een leger van duizend man op de been, aangevoerd door een moedige Caesar, dan nog zouden we het onderspit delven".
De kracht van de 'maroons' bestond uit hun 'hydrakarakter'; een organisatie als een veelkoppige slang met wisselende tactieken, wisselend en pluriform leiderschap, en een afkeer van iedere disciplinering tot burgers en loonarbeiders. David Porter bestudeerde in hetzelfde boek de Amerikaanse Revolutie en ook hij trof aanzienlijke facties aan die weigerden zich tot Amerikaan te laten modelleren. Uit nauwkeurig bronnenonderzoek weet hij een schat aan 'anarchistische tendensen' naar boven te halen en geeft hij een boeiende indruk van het collectieve verzet tegen loonarbeid, belastingen, omheiningen, de kerkelijke moraal en de andere merites van het oude Europa.
Veel spannends lezen we over de rol van de Nederlanders in koloniaal Amerika. Vaak figureren de Hollanders als koloniale regenten, maar opvallend is verder ook de aanzienlijke rol van verarmde Nederlanders in de strijd tegen de koloniale en kerkelijke besturen, vaak in samenwerking met ex-slaven en indianen. De Dutch Reformed Church speelde bijvoorbeeld een rol in de cultuur van het Ramapough Bergvolk (ook wel racistisch de 'Jackson-Whites' genaamd) - een triraciale cultuur die echter tot op heden nog steeds niet als 'tribe' erkend werd waardoor zij nog steeds campagnes voert tegen de overheid die hen dwingt om Amerikanen te worden. Een in de bundel opgenomen interview met William 'Pooch' van Dunk - een woordvoerder van de Ramapough - maakt duidelijk hoezeer historici en sociologen de overheid steunen in haar poging tribalisme en polyculturalisme te ontkennen. Het gebrek aan geschreven bronnen wordt gehanteerd als een gebrek aan bewijsmateriaal waardoor erkenning wordt geweigerd. Volgens de auteurs is het beleid van de overheid zelfs verhard in de jaren zestig en zeventig om te voorkomen dat hippies, nomaden, punks en andere marginale groepen het recht op tribalisme zouden opeisen. Immers, met dit recht zou men zich aan de Amerikaanse mainstream kunnen ontrekken. Pooch van Dunk laat echter zien dat de 'verhalen' van de Ramapough zowel zwarte, indiaanse als blanke ingrediënten bevatten.
Het meest pregnant komen de relaties tussen Nederland en Amerika tot uiting in het aardige artikel van Timothy Miller dat een portret van Pieter Corneliszoon Plockhoy van Zierikzee behelst. Volgens Miller vinden we bij Plockhoy (in het boek abusievelijk Cornelius Plockhoy genaamd) de wortels van het communalisme, een van de meest belangrijke 'alternatieve' samenlevingsvormen die de Amerikaanse cultuur sinds de zeventiende eeuw voortbracht. Communes en kolonies - of moderner 'drop-outgemeenschappen' - konden zich onder invloed van religieuze groepen als shakers, quakers, antinomianen, diggers en levellers ontwikkelen tot experimentele gemeenschappen die voor langere of kortere tijd succes kenden.
Miller behandelt de twee beroemde pamfletten van Plockhoy (een daarvan bevindt zich nog steeds in het British Museum) waarvan we de inhoud al kenden sinds H.P.G. Quack daar omstreeks de eeuwwisseling uitvoerig aandacht aan besteedde. Bij Quack wordt Plockhoy, net als bij Miller, voorgesteld als een protosocialist. Plockhoy was een mennoniet, afkerig van religieus sektarisme en wilde zijn gemeenschap openstellen voor alle religies en culturen. In het zestiende eeuwse Nederland werden de aanhangers van Menno Simons nog met enige regelmaat naar de brandstapel gevoerd. In 1658 bracht Plockhoy Cromwell in Londen (Engeland had het protectoraat over Amerika) op de hoogte van zijn plannen. Hij pleitte voor een goede behandeling van de armen, vrije deelname aan het onderwijs, religieuze en filosofische vrijheid, scheiding van kerk en staat, en de afschaffing van de slavernij. Of de opvattingen ook in de praktijk werden gebracht is niet helemaal duidelijk omdat van Plockhoys pogingen een gemeenschap te stichten in het huidige Delaware tot op heden nauwelijks iets bekend is. In ieder geval trok hij in 1663 met eenenveertig kolonisten naar Nieuw-Nederland, maar zijn commune werd reeds een jaar later door de Engelsen platgebrand.
Miller stopt helaas daar waar het juist interessant wordt. In 1992 publiceerde de spinozist Wim Klever een fascinerende biografie van Franciscus van den Enden (1602-1674) en gaf hij diens "Vrije Politieke Stellingen" uit 1665 opnieuw uit. Van den Enden was te Amsterdam de leraar Latijn en Frans van Spinoza. Klever maakt de lezer duidelijk dat de leraar een politieke en atheïstische radicaal was wiens invloed op het politieke denken van Spinoza enorm geweest was. Dat Van den Enden een radicaal was blijkt ook uit zijn levensloop: in 1673 raakte hij betrokken bij een complot dat tot doel had Lodewijk XIV te liquideren. Door verraad werd hij echter gearresteerd en op 27 november 1674 als hoogbejaarde revolutionair opgehangen op de Place de la Bastille. Maar ook Spinoza's werken werden in 1674 verboden en menig spinozist belandde voor kortere of langere tijd in de kerker. De Amsterdamse vrijgeest Adriaan Koerbagh overleed daar zelfs in 1669.
Eerder, in 1661 en 1662, was Van den Enden tevens actief betrokken bij Plockhoys voorbereidingen. Van den Enden onderhandelde voor de kolonisten bij de Amsterdamse commissarissen om gunstige voorwaarden te verkrijgen voor de nederzettingen in Nieuw-Nederland. Verder onderzoek naar de relatie Plockhoy/Van den Enden/Spinoza zou mogelijk een interessante studie kunnen opleveren naar de sociale en politieke experimenten van vrijgeesten in koloniaal Amerika en Nederland. Miller laat in ieder geval zien dat er ook Nederlandse vrijgeesten waren die daadwerkelijk de slavernij afschaften en ook gemengde huwelijken en samenlevingsvormen toejuichten.
Maar ook andere Nederlandse groeperingen, zoals de Bekkerianen - de aanhangers van Balthasar Bekker - hadden enige invloed op het Amerikaanse continent. Enkele jaren geleden had ik in Rotterdam een lang gesprek met de Amerikaanse historicus en Bekker-kenner Andrew Fix waarin ik hem de hypothese voorlegde dat de religieuze communes wellicht gericht waren op 'dropping out', op een terugtrekking uit de mainstreamcultuur om uitdrukking te geven aan een eigen spirituele maar onkerkelijke en polytheïstisch cultuur. Zonder dat we de hypothese overigens konden bevestigen leverde dit gezichtspunt beslist voldoende stof voor een uiterst gepassioneerde conversatie op. De bundel Gone to Croatan bevestigt in ieder geval de plausibiliteit van een dergelijke gedachte en moedigt de lezers aan de tijdelijke experimenten serieus te nemen.
De mooiste twee essays van de bundel zijn gereserveerd voor Hugo Prosper Leaming en Peter Lamborn Wilson. Wilson is een vaardig essayist - een drop-out academicus - in wiens werk actuele relevantie en historisch onderzoek subliem worden samengebald tot kleine mythes (of 'kleine verhalen' zoals je wilt) die een stap verder gaan dan het traditionele racisme/antiracisme debat of politiekcorrecte geschiedschrijving. Hij verricht al jaren onderzoek naar de bekoring van de wildernis, de mystiek van de jungle, vergeten syncretische geschriften, en het 'alchemistische' karakter van multiraciale en polytheïstisch gemeenschappen in Noord-Amerika.
Zijn bijdrage Caliban's Masque: Spiritual Anarchy and the Wild Man in Colonial America vormt een exemplarisch voorbeeld van zijn benadering. Tevens verklaart hij de titel van de bundel, Gone to Croatan, een historische gebeurtenis die vandaag richtinggevend genoemd mag worden voor een snel in omvang toenemende en nauwelijks identificeerbare generatie drop-outs, marginalen, anarchisten, nomaden en cyberpunks. Werk, beschaving, media en etniciteit (afkomst) zijn hier suspect en naarstig wordt gezocht naar een alchemistisch alternatief, dat wil zeggen, naar een - meestal tijdelijke - vorm die ongrijpbaar is voor de spektakelmaatschappij en waarin onderlinge verschillen worden opgelost. Niet ras, klasse, economische belangen of afkomst brengen mensen samen, maar juist smaak, fantasie, begeerte en passie. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oude utopist Charles Fourier - die immers streefde naar gemeenschap op basis van de zintuigen (de zogenaamde Phalanx of in meer hedendaagse termen een TAZ) - in deze kringen met alle egards behandeld wordt. Quack merkte over Fourier al lyrisch op dat zijn visioenen ons doen denken aan 'Arabische nachtvertellingen'.
Wilson herinterpreteert de teloorgang van de kolonies in de zeventiende en achttiende eeuw en komt daarbij tot opmerkelijke conclusies. Zo werd hem op school geleerd dat de eerste nederzettingen in Roanoke (Virginia) mislukten omdat de indianen de argeloze en weerloze bewoners afgeslacht zouden hebben. Immers, latere bezoekers van Roanoke troffen een verlaten regio aan met slechts een enkele herinnering aan de kolonisten; namelijk een uitgekerfde tekst in een dikke boom: ‘Gone to Croatan'. En inderdaad, het nabijgelegen moerasland herbergde een indianenstam, de Croatans - die ook vandaag de dag overigens nog bestaan. Maar, zo blijkt uit zijn studie, de kolonisten werden niet afgeslacht, ze 'dropten out', ze werden indiaan (zo 'ontstonden' deze grijsogige indianen). Ze integreerden in de nomadische cultuur die een beter alternatief scheen voor de ellende die het werken op het land in loondienst voor de Britse plutocraten veroorzaakte. Zijn artikel is een boeiende wandeling langs hybridische gemeenschappen die sinds Roanoke 'naar Croatan gingen'.
Ook uit Wilsons bijdrage blijkt dat uitgesproken deïstische, mystieke of antinomianistische ('spiritueel anarchistische') groeperingen en schrijvers een actieve rol speelden in dit proces van ‘verwildering'. De bekoring van de ongerepte wildernis, de bewondering voor de natuurspiritualiteit van 'maroons' en indianen, en hun afkeer van staat, kerk, belastingen en loondienst maakte van de woordvoerders militante propagandisten van nieuwe samenlevingen buiten de gevestigde orde. Schrijvers als de vrijgeest Thomas Morton, de antinomianiste Anne Hutchinson, de 'seeker' Roger Williams en de Duits-Nederlandse deist Priber passeren allen zijn 'Calibaanse' revue. Zijn conclusie, dat het niet-officiële protestantisme met zijn vele sektes en richtingen als een matrix voor de revolutionaire strijd tegen de imperialistische kolonialen fungeerde, klinkt nog altijd uiterst fris in de oren - al is die constatering beslist niet nieuw. Nieuw echter dunkt mij Wilsons hypothese dat het antinomianisme van bijvoorbeeld Anne Hutchinson het resultaat genoemd moet worden van een hybridische spiritualiteit (syncretisme) afkomstig van boeren, zeelieden, indianen, ex-soldaten, bevrijde slaven, Ierse arbeiders en andere onteigenden. Door andere historici wordt die conclusie in toenemende mate onderschreven. Zo schreef Peter Linebaugh in 1990 bijvoorbeeld: "De krakers van het land in Maine werden aangevoerd door de mysticist Nathan Barlow die in de jaren 1790 met zijn bendes van 'witte indianen' de strijd aanvoerde tegen sheriffs en landregenten. In zijn geschriften eiste hij dezelfde rechten als de indianen, dat wil zeggen, vrije toegang tot het land en geen eigendomsclaimen. Hun activiteiten bestonden uit het platbranden van graanschuren, het bevrijden van gevangenen van iedere kleur of religie, het verstoren van rechtszaken en het honen van juridische dwangbevelen".
De meest bijzondere casestudie werd verricht door Hugo Prosper Leaming; zonder hem zou de bundel nooit verschenen zijn. Zijn bijdrage is opmerkelijk vanuit twee gezichtspunten. Allereerst schetst hij een prachtig maar tragisch beeld van de opkomst en ondergang van de Ben Ishmael Tribe tussen 1780 en 1920. Deze hybridische nomadenstam telde circa tienduizend leden, afkomstig uit indianenstammen, slavengemeenschappen en verarmde blanke families. De Ishmaelieten figureren weliswaar in James Fennimore Cooper's bekende roman "The Prairie" maar niemand had hun bestaan eerder serieus genomen. Leaming tekent een beeld van een zelfverzekerde nomadische cultuur en levenswijze die vorm kreeg op de prairies van het huidige Indiana. De afkeer van industrie, loonarbeid, omheiningen en vaste verblijfplaatsen maakte van hen een herkenbare stam die niet in het gareel van de nederzettingen pasten. Tijdgenoten zagen in hen indianen die slechts geschikt waren voor reservaten en herkenden nog nauwelijks Anglo-Saxische of Euro-Amerikaanse elementen in hun cultuur. Een verslaggever van een regionale krant beschouwde de Ishmaelieten als 'verdorven anarchisten die de gehele beschaving minachten'.
In 1907 startte de Amerikaanse overheid een eugenetisch experiment en vingen rijksartsen aan met de sterilisatie en afzondering van Ishmaelieten op grote schaal. Hiermee kon de stam gedisciplineerd worden en werd Indiana van het 'bastaardnomadisme' verlost. Bovendien werd de methode na dit 'succes' in zeven andere staten op nomaden toegepast. Daarna werden de resultaten van het onderzoek juichend in Europa ontvangen en sinds 1933 ook hier toegepast. Leaming: "Het eugenetische middel werd uitgeprobeerd op de Ishmaelieten en geexporteerd naar Europa. In de jaren dertig werden al tweehonderdduizend zwakzinnige Duitsers gesteriliseerd. Daarop werden de zigeuners geëlimineerd, gevolgd door de moord op zes miljoen slaven en tenslotte minstens evenveel joden". De holocaust heeft zijn wortels in de eliminering van de Ben Ishmael Tribe, zo suggereert de schrijver.
Leaming slaagt er na minutieus onderzoek in de mengtaalreligieuze beleving van de Ishmaelieten in kaart te brengen en suggereert dat ze een mastiekislamitische spiritualiteit kenden. Zo trok men rond tussen de Amerikaanse dorpen Morocco, Mahomet en Mecca, en verwijst Ishmael naar de stichter van het Arabische volk. Met behulp van 'oral history' (gesprekken met oude zwarte moslims) kon hij zijn these over de islamitische 'roots' verder uitwerken. Enkele gespreksgenoten verifieerden zijn hypothese door op te merken dat menig zwarte moslim zich aan het begin van de eeuw als een nakomeling van de Ishmaelieten voorstelde. Vandaar dat Leaming stelt dat de Ishmaelieten als een ontbrekende schakel moeten worden aangemerkt, namelijk de schakel tussen de Afrikaanse en Afro-Amerikaans Islam. Zowel de eerste Moslimorganisatie in de Verenigde Staten, Moorish Science; als Marcus Garvey's Universal Negro Improvement Association; Elijah Muhammed's The Nation of Islam, en Malcolm X's Organization for African-American Unity zijn volgens hem schatplichtig aan de felle strijd op zelfbeschikking die de Ishmaelieten sinds 1800 voerden. Vandaag herinneren slechts de zwarte sloppenwijken van Indianapolis nog aan de Ishmaelieten. Immers, op die plek troffen de clans elkaar tot omstreeks 1900.
Gone to Croatan is een belangrijke bundel. Het is een ode aan de verborgenen en de afhakers. Het is ook - vanuit historisch oogpunt gezien - een belangrijke compilatie omdat het de gaten in de tijd schetst; de pogingen van mensen aan de geschiedenis en dus aan hun identificatie (zwart of blank, moslim of christen, arbeider of indiaan) te ontsnappen. Als het de expliciete bedoeling van de auteurs geweest is zowel het tijdelijke (de geschiedenis) als het niet-tijdelijke (het verborgene) over elkaar heen te schuiven dan zijn zij daar meer dan uitstekend in geslaagd. Gone to Croatan biedt hedendaagse afhakers een avonturenroman en geschiedenisfreaks een libertaire reflectie op hun vakgebied.
· Ron Sakolsky & James Koehnline, Gone to Croatan. Origins of North
American Dropout Culture. Autonomedia/AK Press New York-Edinburgh 1993, 385 pagina's
· * W. Klever, Franciscus van den Enden: Vrije Politijke Stellingen. Wereldbibliotheek
Amsterdam 1992, 250 pagina's
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |