Index of /Marginalia/1993 Emile Verviers

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1993 Emile Verviers.pdf   25.01.2004 148kB -

1993


Emile Verviers:
Lokaal patriottisme tijdens het interbellum


Lokaalhistorisch onderzoek naar sociale en mentaal-culturele aspecten van een kleine en overzichtelijke samenleving, zoals Oisterwijk, biedt ons een spiegel waarin grotere ontwikkelingen, veranderingen en gebeurtenissen gereflecteerd worden . Enerzijds wordt getracht het organisatie en verenigingsleven op sociaal-historische wijze in beeld te brengen, zoals u zojuist in het betoog van Ad van den Oord heeft gehoord; anderzijds pogen wij grip te krijgen op het mentale en culturele klimaat en haar wisselwerking met de historische context. In deze voordracht zou ik u mee willen nemen naar het Oisterwijk van de jaren twintig en dertig, en om preciezer te zijn naar het leven en werk van de bekendste lokale publicist uit deze periode, Emile Verviers. Deze onvermoeibare scribent is hier te lande de geschiedenis ingegaan als de eerste filosoof van het fascisme en hij bemoeide zich zowel met landelijke als lokaalpolitieke aspecten van zijn tijd. Alhoewel Verviers vanwege zijn gebrek aan charisma gedoemd was tot het spelen van een rol op de politieke achtergrond bleken zijn opvattingen dermate actueel dat de leider van Zwart Front, Arnold Meijer, in september 1940 een negentien pagina's tellend stuk toezond aan Seyss-Inquart. Hierin schreef hij dat de grondbeginselen van zijn beweging geheel gebaseerd waren op de denkbeelden van Verviers. Bovendien werd het door Verviers geredigeerde NSB-periodiek Nieuw Nederland door Meijer - die overigens geen goed woord voor de NSB overhad - 'het enige goede NSB-blad' genoemd. Maar ook in de lokale dorpspolitiek werd het lokalisme van Verviers niet alleen overgenomen door Zwart Front, maar tevens door de grote RKSP-fractie. Wie was deze Emile Verviers?

Emile Gerard Hubert Verviers werd in 1886 te Roosendaal geboren als zoon van de boekhouder van een plaatselijke suikerfabriek. Op zeventienjarige leeftijd nam hij de plaats van zijn vader in maar het werk kon hem niet bekoren. Hij volgde een avondstudie staatshuishoudkunde en kreeg in 1908 een betrekking aan het Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie in Leiden dat in die dagen onder de bezielende leiding stond van Aalberse en Aengenent. Verviers achtte de opvattingen van de 'Leidsche School' op het gebied van de sociale zekerheid veel te progressief en nam in 1911 ontslag. Hij verklaarde zich daarna een tegenstander van iedere sociale wetgeving. In 1914 promoveerde hij te Leuven op De Nederlandsche handelspolitiek en vier jaar later kreeg hij aan de Leidse universiteit een aanstelling als privaat-docent in de economische politiek.

In Leiden werd het academische klimaat gedomineerd door het cultuurpessimisme van Oswald Spengler - die daar enkele referaten ten gehore gebracht had - en de openbare voordrachten van de hegeliaanse dialecticus Bolland. Bollands gehoor bestond grofweg uit twee richtingen. Allereerst was daar een kleine linkse stroming die de dialectische methode omarmde maar Bollands persoonlijke maatschappijvisie verwierp. Onder deze dialectici treffen we onder meer de juriste Clara Meijer Wichmann en de historicus Arthur Lehning aan. Daarnaast was er een veel grotere rechtse stroming voor wie de persoonlijke gestalte van Bolland en diens 'hegelarij' onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Zelden maakte een filosoof zo'n geweldige indruk en zijn vele voordrachten in alle grote Nederlandse steden werden druk bezocht. In zijn nog altijd boeiende studie Hegel en Onze Tijd (1908) heeft A.J. de Sopper ons erop gewezen dat Bollands uitzonderlijke succes vooral te danken was aan de behoefte aan zekerheid. De decennia rondom de eeuwwisseling werden gekenmerkt door materialisme, scpeticisme en agnosticisme. Voor velen was het zicht op een vaste en solide levenshouding volledig vertroebeld geraakt. Bolland presenteerde zijn 'bollandisme' als het ultieme substituut voor het geloof in God dat hij wilde vervangen door een algemeen geldige rede-wetenschap die hij als de 'zuivere rede' bestempelde. Die zuivere rede was gebaseerd op uiterst ingewikkelde dialectische categorieën en het taalgebruik was eveneens gecompliceerd van aard. De vele complicaties werden een noodzakelijke rite de passage geacht om tot de ware zuivere rede toe te komen. De scholing in de 'hegelarij' had aldus iets van een ritueel en dit had tot onvermijdelijk gevolg dat zij die zich na jaren van studie de zuivere rede eigen gemaakt hadden het gevoel kregen tot een nieuwe 'Aristo' te behoren. De vele publicaties van allerlei bollandianen wijzen sterk in die richting. Bolland was de verpersoonlijking van de 'Vrije Mensch', de 'Nieuwe Mensch', de 'Hoogere Mensch' of de 'Übermensch'; concepten die tijdens het fin-de-siècle in de menswetenschappen in zwang waren. Had Bolland niet aangetoond dat iedereen een 'hoogere mensch' kon worden? Immers, hij was als zoon van een straatarme moeder die zich met prostitutie in leven hield opgeklommen tot hoogleraar in de filosofie.

Bolland was een overtuigde antidemocraat. Hij hekelde onafhankelijke vrouwen, socialisten, mondige jongeren, joden en iedere vorm van sociale wetgeving. In zijn betogen ontpopte hij zich als een demagoog die niets wilde weten van het democratische streven in zijn tijd. We moeten de maatschappij leren begrijpen, zo stelde hij, en niet veranderen door ontwikkelingen te forceren. Hij wist dat de grote massa nooit toe zou komen aan de zuivere rede. De massa moest daarom geregeerd worden door beelden - zoals gestalten, vlaggen en emblemen - en door zinnebeelden, zoals de vurige godsdienst. Godsdienst was aldus ouderwets en achterhaald maar voor het gemene volk was het primitieve volksgeloof nog goed genoeg. Het filosofisch materialisme vond in zijn ogen geen genade en een materialist als Moleschott noemde hij een 'buchneriaans stofjesman'.

Alhoewel het overgrote deel van de bollandianen steeds heeft ontkend dat Bolland politieke aspiraties koesterde zijn er toch aanwijzingen dat hij hier toch over nadacht. Een van zijn leerlingen, het latere NSB-kopstuk Balthus Wigersma, schreef in zijn in memoriam Bolland. Een Schets uit 1922: 'Ook hem heeft echter eenmaal de lust bekropen tot machtige en georganiseerde ontwikkeling van de zaak waarvoor hij streed', en iets verder vervolgt hij: 'Hij de man opgekomen uit het volk, de man met een vurig redenaarstalent van weinig gekende kracht, hoe gemakkelijk had hij zich niet tot een der leiders van het volk kunnen opwerken'. Bollands plotselinge dood in 1922 schokte velen en inspireerde menig wetenschapper en publicist tot het verbreiden van zijn inzichten.

Een van hen was Emile Verviers die na Bollands dood het tijdschrift Katholieke Staatkunde oprichtte. De redactie wilde niet het einde der tijden prediken, zoals Spengler gedaan had, maar zich constructief opstellen en een halt toeroepen aan de roep van ondergang. De toon van het blad was conservatief, traditioneelkatholiek en elitairaristocratisch. De artikelen keren zich tegen overheidsbemoeienis, socialisme, vakvereniging en algemeen kiesrecht, en propageerde de katholieke hiërarchie als remedie tegen het proces van nationale degeneratie. Bewonderend sprak men over Mussolini en diens fascisme dat door Verviers 'een Hemels Gerecht' genoemd werd.

Naast Verviers trok het blad medewerkers aan als de hooghartige priester Wouter Lutkie - die later zelf een blad met de veelzeggende titel Aristo startte - en de controversiële kunstenaar Erich Wichman die in 1922 als correspondent in Rome de Mars van Mussolini versloeg. Zij kozen partij tegen individualisme en collectivisme, en tegen liberalisme en marxisme. Er ontstond, en ik citeer Wouter Lutkie, 'een beweging die het mogelijk maakte wat tot nu toe onmogelijk leek, te weten, dat men antikapitalistisch kan zijn zonder tot socialisme te vervallen'.

De Bossche bisschop Diepen was niet gecharmeerd van dit gezelschap. Hij achtte Verviers' denkbeelden strijdig met de katholieke leer en verbood hem het voorvoegsel katholieke nog langer te handhaven. Als Opbouwende Staatkunde fuseerde het blad kort daarna met het fascistische tijdschrift De Vaderlander dat werd geredigeerd door Verviers' vroegere studievriend, de bollandiaan Hugues Sinclair de Rochemont, die in 1922 het Verbond van Actualisten oprichtte, de eerste georganiseerde fascistische beweging in Nederland. Verviers was toen zelf al uit de redactie verdwenen maar speelde als adviseur - samen met de filosoof K.H.E. de Jong - nog wel een rol bij de totstandkoming van het Verbond van Actualisten. Korte tijd gaf hij nog zijn eigen blad De Vaderlandsche Kroniek uit.

Na de dood van zijn vader was Verviers' moeder in de bossen van Oisterwijk gaan wonen en sinds 1917 vertoefde hij veelvuldig in het dorp. Op aandringen van kapelaan Huybers - die vooraanstaande katholieken zocht voor de Raad van Bijstand van de Katholieke Kunstkring Oisterwijk Omhoog - mengde hij zich meer en meer in het openbare leven. Een jaar later vervulde hij het voorzitterschap van de plaatselijke RK-kiesvereeniging en hield hij voordrachten voor de kiesgerechtigde Oisterwijkers om hen op het wezen van de parlementaire democratie te wijzen. Een fenomeen waarvan hij een verklaard tegenstander was. In 1924 liet hij zich te Oisterwijk inschrijven en trok hij bij zijn moeder in. Ook raakte zijn beurs uitgeput en kwam hij zonder betaald werk te zitten.

Uit zijn bewaard gebleven correspondentie - te vinden in het Lutkie-archief van het KDC te Nijmegen - maken we op dat Verviers Oisterwijk als een mooi boerendorp beschouwde en dat hij voortaan wilde gaan 'boeren'. Zo genoot hij met volle teugen van het omploegen van een stuk heidegrond en van zijn bloeiende aardbeienveld. Ook kocht hij van Lutkie een schaap voor zijn weidegrond. Zijn rurale idealen waren groot in zijn eerste Oisterwijkse jaren. Zo was hij onder meer secretaris-penningmeester van het Coöperatieve Veluweplan dat ontginningen van woeste gronden ten behoeve van de uitbreiding van de boerenstand beoogde. Naast Verviers was hier een hoofdrol weggelegd voor Frederik van Eeden. Deze voormalige utopist was inmiddels tot het katholicisme bekeerd en zag in het Plan de compensatie voor het verlies van zijn eigen sociale plannen. In deze rustige omgeving schreef Verviers in 1927 zijn belangrijkste werk De kentering in het materialistische denken dat uitgegeven werd door de drukker en uitgever Alphons van den Boogaard.

Verviers' motivatie tot het schrijven van dit werk kwam vooral voort uit het feit dat Oisterwijk geen boerendorp meer was. Sinds 1900 had de industrie een steeds grotere vinger in de lokale economie gekregen en zag de boerenstand zich geconfronteerd met een sterke daling van de groepsstatus. Volgens Verviers drong de verstedelijking en de industrialisering van het dorp zich snel op met alle gevolgen voor het boerenleven. Hij wilde stelling nemen tegen 'de terreur van de vooruitgang' waartoe hij de achturige werkdag, de werklozenzorg, de vrije liefde, het toekennen van bevoegdheden aan vakbonden, en, niet in de laatste plaats, het materialisme. Want democratie, socialisme, onkerkelijkheid en het oprukkende atheïsme waren grotendeels op dit materialisme gebaseerd. Volgens Verviers had de materialistische levensbeschouwing geleid tot een destabilisering van de samenleving. Immers, de materialisten verwezen alles wat niet gewogen of gemeten kon worden, zoals het bestaan van God, naar het rijk der fantasie. Nog in 1953 stelde de katholieke historicus L.J. Rogier de materialisten verantwoordelijk voor de geestelijke ellende van de twintigste eeuw en hij noemde 'de periode Moleschott' de inleiding tot het algehele cultuurpessimisme. Zoals u weet was de in 's-Hertogenbosch geboren biochemicus en filosoof Jacob Moleschott de meest beruchte Nederlandse atheïst van de negentiende eeuw.

In 1927 meende Verviers dat de samenleving nooit zonder geweld afscheid zou kunnen nemen van het materialisme. Samen met Lutkie had hij al eerder jonge katholieken opgeroepen om, net als Mussolini, de tuchtroede te grijpen en zich tot werktuig te maken van Gods wraak. En inderdaad werden er enkele knokploegjes geformeerd die zich richtten tegen godlasterende bijeenkomsten en werkstakingen. Het blad De Vrijdenker waarschuwde in de jaren twintig regelmatig tegen de 'knokploegen van Verviers'. In zijn boek concludeerde hij dat het woord niet langer aan de wijsbegeerte was - zoals bij Bolland - maar juist aan het zwaard. Op grond 'eener spontane intuïtie van het gezond verstand' zal de massa uiteindelijk de herwording van de samenleving bewerkstelligen, zo hield hij zijn lezers voor.

Om het zover te laten komen was hij bereid aan te knopen bij 'volkse' acties en gebruiken. Natuurlijk diende een dergelijke Studie over de maatschappelijke waarde van de metafysica - zoals de ondertitel luidde - wel historisch en wijsgerig worden onderbouwd. Volgens Verviers waren de moderne wetenschap en wijsbegeerte vergruisd en versplinterd geraakt waardoor de algemene ethiek verdwenen was. Hij roemde Auguste Comte wiens positivisme nog gepaard ging met een 'religion de l'Humanite'. Net als Comte en Bolland meende Verviers dat de godsdienst het bind- en behoudmiddel is van iedere maatschappij. In de negentiende eeuw had 'de voogdij van het algemene gezag' - de familie, de werkplaats, de kerk en het gilde - plaats moeten maken voor een individualisme dat de maatschappij van haar eenheid beroofd had. Verviers pleitte voor een 'opbouwende wijsbegeerte' die aandacht zou hebben voor de intuïtie, het spontane en het metafysische. Hiervoor knoopte hij aan bij Henri Bergson die de intuïtie in ere hersteld had omdat het zuivere empirisme ontoereikend geacht werd alle kennis te omvatten. Geisoleerd stond Verviers in zijn lofrede op Bergson zeker niet: in 1928 kreeg de Franse denker de Nobelprijs uitgereikt.

De 'alleenheerschappij van de Rede en het verstand' had volgens Verviers geleid tot een 'als een polyp aanwassende bureaucratie' en staatsabsolutisme. De staat verwoestte met zijn centrale regelgeving en juridische en politieke gelijkschakeling de zedelijke orde in kleine gemeenschappen. Niet alleen namen de belastingen in lokale gemeenschappen sterk toe om het expanderende ambtenarenapparaat te kunnen bekostigen; nu stelde de staat ook al burgemeesters aan. De burgervaders kwamen niet meer uit de lokale elite voort maar werden nu in Den Haag opgeleid en gedetacheerd in den lande. Verviers kon slechts achting opbrengen voor Domela Nieuwenhuis die al eerder tegen de bureaucratisering van de samenleving gewaarschuwd had. Maar in Domela's 'ideëel anarchisme' had Verviers weinig vertrouwen. Verviers pleitte voor 'door de natuur aangewezen leiders van de minderontwikkelden'. Dat hij daartoe zelf behoorde stond voor hem buiten kijf. Verviers streefde naar autarkie, naar lokaal zelfbestuur onder oppertoezicht van 'meerbegaafden'.

De industrialisering van Oisterwijk zette zich in de jaren twintig gestaag door en resulteerde in een groeiende stroom allochtonen. In 1925 bijvoorbeeld telde de grote lederfabriek al 400 arbeiders die niet van Oisterwijkse afkomst waren. Deze ontwikkeling leidde ertoe dat lokaal patriottisme en regionale eigenheid scherper gedefinieerd werden. We kunnen Verviers als de eerste vertolker van dit patriottisme in Oisterwijk beschouwen. Hij plaatste zich tegenover de 'vooruitgangsfetisjisten' die aangevoerd werden door burgemeester Verwiel, de eerste nationaal opgeleide ambtenaar die Oisterwijk door de kroon aangewezen kreeg. Verwiel groeide in de jaren twintig uit tot het symbool van het 'Nieuwe Oisterwijk'. Hij trad op als promotor van de lokale industrie, hij was bestuurslid van de Nederlandsche Bond van Gemeente Ambtenaren, gaf les aan aankomende ambtenaren, en hij koesterde politieke aspiraties die verder gingen dan zijn burgemeesterschap. Steun kreeg hij van het bedrijfsleven, de nieuwe middenstand - inclusief de 'witte boorden' en de toerisme-industrie - en van de socialisten.

Onder deze groepen was het aantal allochtone Oisterwijkers overigens opvallend groot. Tegenstand kreeg Verwiel van de plaatselijke clerus, katholieke notabelen, de oude middenstand en van de boeren. Enige jaren later, toen verslechteringen optraden in de schoen en ledernijverheid, voegde ook de katholieke vakbeweging zich bij deze tegenstanders. Men vond elkaar in de romantische gedachte dat het 'voor Verwiel veel beter was'. Men verweet de burgemeester niet alleen dat hij Oisterwijk in sociaal, economisch en cultureel opzicht veranderde; zijn hervormingen zouden tevens de pracht van het Brabantse landschap aantasten. Vooral zijn ruilverkavelingpolitiek werd bekritiseerd. Naarmate de economische recessie groter werd nam de weerstand tegen Verwiel en de zijnen ook evenredig toe.

In de zomer van 1930 culmineerde het conflict tussen voor en tegenstanders van Verwiel in een forse rel. De aanleiding was het beroerde huwelijk tussen Miet van de Wiel - de dochter van de meest vooraanstaande plaatselijke boer - en Theo Roosen - een fabriekchef en zoon van de grootste schoenfabrikant van het dorp. In dit huwelijk waren aldus de neergaande en opkomende elite met elkaar verbonden. Het slechte huwelijk en de huiselijke perikelen waren de aanleiding tot een charivari aan het adres van Theo Roosen. Het 'taofelen' - zoals de charivari hier genoemd werd - was georganiseerd door boeren die hun frustraties aangaande hun dalende status en koopkracht afreageerden op de fabrikantenzoon. De hoofdorganisator was een 'gefrustreerde' melkboer die sinds lange tijd zijn 'nevenberoep' uitoefende omdat er voor hem als boerenzoon geen grond meer voorradig was. Echter toen het handjevol boeren met ketelmuziek oprukten naar het dorpscentrum waar zich het huis van Roosen bevond sloten honderden fabrieksarbeiders zich aan. De arbeiders waren ruim in de dorpskroegen vertegenwoordigd vanwege het zogenaamde 'maandaghouden'. De rel voor het huis werd bruut neergeslagen door de in de haast opgetrommelde veldwachters die een bestorming wisten te voorkomen. Op de daarop volgende dinsdagavond hielden zo'n 1500 arbeiders - en dat op een bevolking van 6000 inwoners - een protestmars door het dorpscentrum waarbij de veldwachters en de marechaussee, aangevoerd door burgemeester Verwiel, opnieuw hard terugsloegen en twee onschuldige passanten met de wapenstok molesteerden. Op woensdagavond werd opnieuw gedemonstreerd tegen het politieoptreden en trok men op naar de schoenfabriek van Roosen-De Bakker waar onder meer de ruiten ingegooid werden.

Emile Verviers volgde de opstand nauwkeurig en zag zijn kritiek op de burgemeester, justitie, de centrale overheid en de industrie bevestigd. De arbeiders hadden, volgens hem, te kennen gegeven tegenstanders te zijn van het hen in de maag gesplitste industriële kapitalisme. In samenwerking met de twee slachtoffers van de rellen poogde hij Verwiel en het politieapparaat aan te klagen. Daar de Bossche procureur-generaal lastige Kamervragen over deze kwestie verwachtte liet hij een grootscheeps onderzoek ter plekke uitvoeren. Op het laatste moment echter trokken de beide getuigen zich terug omdat zij er niets voor voelden om tegen de burgemeester te moeten getuigen. Verwiel kreeg een kleine berisping en voor de overheid was daarmee de kous af. Echter niet voor Verviers. Vanaf september 1930 constateren we een verhoogde activiteit in zijn bemoeienissen met de plaatselijke politiek en het Oisterwijkse proletariaat. In deze periode schreef hij een van de meest opmerkelijke werkjes over lokale politiek die in Brabant geschreven zijn. Zijn boekje Gemeentelijke Zelfstandigheid is een felle en frontale aanval op de centralistische overheid die meer en meer de in de Grondwet verankerde gemeentelijke zelfstandigheid aan banden zou leggen. Tevens spreekt uit het werk een nostalgische hang naar, wat Christopher Lasch onlangs noemde 'the world we have lost'.

Verviers roemt de oude stadstaten als Brugge, het federalisme van de Republiek van het 'oude' Holland, de zelfstandige steden van de noordelijke Nederlanden, de Verlichte despotie van Willem I en stelt dat de lokale autonomie altijd voorrang dient te krijgen boven het algemene landsbelang. Maar hij roemt ook Thorbecke en diens hervormingen van 1848 en memoreert dat de huidige Grondwet in wezen expliciet van lokaal zelfbestuur uitgaat; een principe dat echter door de staat met voeten getreden zou worden. Het negeren van dit lokalisme met zijn natuurlijke leiders heeft tot gevolg, zo meent Verviers, dat het gemeentebestuur steeds zwakker en corrupter wordt: 'Inzake zelfbestuur ligt toch reeds het zwaartepunt bij B & W. Onder invloed der toenemende democratie komen de zetels in vertegenwoordigende lichamen aan steeds zwakkere persoonlijkheden...waardoor automatisch het grondwettig voorschrift ijdel wordt. Aangezien men uit een zwakken aard geen sterke persoonlijkheden kan lezen, komen ook wethouderszetels in steeds zwakker handen, zoodat in het college van B & W de burgemeester, zelfs al is hij eene zwakke persoonlijkheid, steeds een overwicht krijgt, al was het alleen maar door zijn meerdere technische vakkennis. De burgemeester predomineert in strijd met de grondwet...(en is) niet langer meer de man der gemeente, doch een staatsambtenaar, die zijn benoeming dankt aan Den Haag en zijne promotie verwacht uit Den Haag'.

In de loop van het betoog wordt zijn taal steeds harder en met het 'taofelen' nog vers in het geheugen neemt hij het op voor het geplaagde volk 'dat van noord tot zuid en van 's morgens vroeg tot 's avonds laat gehinderd en zoo nodig getyranniseerd (wordt) door de handlangers van de overheid'. Aan het einde van zijn werkje pleit hij voor de oprichting van een 'Partij voor Gemeentelijke Zelfstandigheid' met als doel 'het bedrog te ontmaskeren" en "listige politieke partij-formatie aan te tasten'. Verviers kan zich zeer goed voorstellen dat een dergelijke partij zou kunnen uitgroeien tot een waarachtige 'anti-burgemeester-partij'.

Deze partij kwam in Oisterwijk in 1931 daadwerkelijk tot stand als de lijst-Verviers. Hij schreef enkele politieke pamfletten waarin hij tekeer ging tegen de joodse kapitalisten, de allochtone fabrieksarbeiders en tegen de burgemeester. Zijn campagne deed de nodige stof opwaaien. In een pamflet van de katholieke arbeiderslijst spreken twee arbeiders in dialect over de partij van Verviers:

Kees: 'We wies Verviers mee zinnen aanhang?'
Bart: 'Je Kees, ik geleuf det ie meer gezeid hee es ie wies en es ie wor kon maoken. Der is niks goed in Osterwek, ginnen burgemister, geen peliesie, geene raod niks, alles mos aanders zen'.

Alles moest anders zijn. Verviers kreeg heel wat steun en behaalde 10,2% van het aantal stemmen bij de verkiezingen. Overigens verzuimde hij zijn geloofsbrieven tijdig in te leveren waardoor de tweede man, de aannemer Charles Graft, zijn plaats innam. Zowel Graft als de voormalige administrateur van Katholieke Staatkunde, de Oisterwijkse winkelier Westrik, werden spilfiguren in het latere Zwart Front. In 1934 nam het zojuist opgerichte Zwart Front de draad op waar Verviers die had laten liggen. Met een corporatistische hang naar het verleden en moderne organisatie en propagandamiddelen wisten Arnold Meijer en Fons van den Boogaard grote steun te verwerven.

Zowel Verviers als Meijer verheerlijkten de boerenstand waarin zij genoegzame arbeidsvreugde en oprechte godsvrucht meenden aan te treffen. Zij waren de vertolkers van wat Christopher Lasch 'pastoral Nostaligia' noemde, de keerzijde van de idee van vooruitgang. Zij beschouwden de samenleving als versnipperd en gefragmenteerd en zij droomden van een vredige, in zichzelf gekeerde en autarkische gemeenschap waarin de voogdij van het algemene gezag hersteld zou zijn. Bovendien week dit Brabantse fascisme af van de Italiaanse variant van Mussolini. Wenste de 'Duce' nog aan iedere lagere zelfstandigheid - de gemeente en de provincie - een einde te maken; Verviers en Meijer stonden daar tegenover op de bres voor de lokale autonomie en Zwart Front wilde de corporatieve en Dietse staat laten aansluiten op historisch gegroeide territoriale grenzen, zoals de parochie en gemeentegrenzen. Ook de idee van de weerkorpsen sloot direct aan op historische organisatiemodellen die in Oisterwijk in zwang waren. Zo stonden boeren toe dat hun zoons knokploegen formeerden om 'andersdenkenden' - als protestanten en socialisten - te intimideren, en telde Oisterwijk tijdens de kermis talloze bendes van jongemannen die het 'vrouwvolk beschermden' tegen mannen van 'buiten' (vooral 'manvolk' uit Tilburg en Boxtel werd geweerd). Ook traditionele vormen van protest, zoals het 'taofelen', werden gekoesterd. Onlangs wees de historicus Gerard Rooijakkers nog op parallellen tussen Verviers en de Duitse nationaal-socialisten die in Beieren veel bemoeienissen hadden met het zogenaamde 'Haberfeldtreiben', de Duitse variant van de charivari. Voor hen waren traditionele acties en organisatievormen aldus volledig gelegitimeerd.

Godsdienst was Verviers com suis vooral een maatschappelijke aangelegenheid. Immers, zij voorzag de samenleving van de lijm die haar bijeen moest houden. Dit dwingende postulaat bepaalde de lijn van alle katholieke fascistische splinterpartijen. Door te communiceren in het katholieke jargon bediende men zich bovendien van een taal die geworteld was in de gemeenschap. Zo kon nu zelfs met de bisschop gecommuniceerd worden. De Oisterwijkse fascist jonkheer De Kuyper schreef in 1934 aan zijn bisschop: 'Sinds ik Fascist ben, ben ik een principiëler man en een beter katholiek geworden. Tevens kan ik U ook nog verklaren dat in onze afdeeling Oisterwijk drie kameraden zijn die voorheen nooit naar de kerk gingen, en thans, nu zij Fascist zijn, iedere zondag naar de kerk gaan. Van een van hen waren de letterlijke woorden: Ik weet dat ik in een fascistische maatschappij pas echt naar de kerk kan gaan'.

Het is aldus zeer goed mogelijk dat menig katholiek fascist heimelijk een atheïstische levenshouding huldigde. Het 'Aristodenken' van Verviers, Meijer, Lutkie, maar ook van veel bollandianen en spinozisten was slechts geschikt voor een kleine groep uitverkorenen, door Verviers de 'meerontwikkelden' genoemd. Het gewone volk diende - bij terugtreding van de bureaucratische staat - door de kerkelijke hiërarchie in het gareel te worden gehouden. Tekenend in dit verband is de opmerking van de bekende bollandiaan en journalist P.H. Ritter in dezelfde periode. Wijzend naar zijn portret van Spinoza en het kruisbeeld aan de muur zei hij dat hij zich met de eerste verwant voelde maar dat met het kruisbeeld de menigte in toom moest worden gehouden.

bronnen:

Siebe Thissen, Een voorbeeld voor prille atheïsten. Jacob Moleschott en het antiklerikalisme in Nederland tussen 1855 en 1900, in: Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland (1, 1990), 31-42.: Ad van den Oord, Siebe Thissen, Jacqueline de Vries, 'Taofelen' te Oisterwijk. Van volksgericht naar protestdemonstratie, in: Gerard Rooijakkers en Tiny Romme, Charivari in de Nederlanden. Rituele sancties op deviant gedrag (Amsterdam 1989, ook verschenen als Volkskundig Bulletin 3, 1989), 376-392; Siebe Thissen, "Alles mos aanders zen". Emile Verviers en de grondslagen van het fascisme in Oisterwijk, in: Theo Cuijpers (red.), Zorgvolle tijden. Oorlogsjaren in Oisterwijk, OHR deel 1 (Oisterwijk 1991), 35-46; id., Het Hemels Gerecht, in: Trouw (Letter & Geest) 5-7-1991; id., 'Mijn geweten is het hoogste dat er bestaat'. Het radicale protestantisme van Han Kuysten 1922-1924, in: Ad van den Oord (red.), De akelige twee procent. Andersdenkenden in katholiek Oisterwijk (Oisterwijk 1992), 75-94.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -