| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1992 Ton van Loon.pdf | 25.01.2004 | 124kB | - |
'Flierefluiten dankzij de Christusgeest'
Het spiritualisme van Ton van Loon
Sinds 1917 beschikt de Oisterwijkse clerus over een eigen spreekbuis: het Kerkklokje
. Was in het prille begin kapelaan Anton Huybers de meest fanatieke scribent
van het weekblad, vandaag springen de spiritualistische bijdragen van een
andere geestelijke in het oog. Ik heb het hier over de columns van emerituspastoor
Ton van Loon die menig Oisterwijker wekelijks reikhalzend naar het Kerkklokje
doet uitzien. Zonder twijfel heeft Van Loon een grote invloed op mijn leven
uitgeoefend: zijn wekelijkse bezoek aan mijn lagere school bleek een oase
in een grauwe periode; ik behoorde tot de kinderen die wekelijks voor dag
en dauw met hem naar het zwembad togen; hij bracht me als vijftienjarige
de grondbeginselen van het zenboeddhisme bij; en onlangs brak hij als pastor
met de katholieke kerk - een symbolische geste die ik zelf in 1978 maakte
door me uit de kerkelijke registers te laten schrijven. Kortom, ik had redenen
te over om eens uitvoerig met hem van gedachten te wisselen. Voor deze gelegenheid
bestudeerde ik zijn columns van het afgelopen jaar en bezocht ik de mysticus
in zijn woning aan de Canterslaan. Het was een mooie lentedag en ik nam me
voor eens aandachtig naar hem te luisteren.
In zijn columns voelt hij zich steeds weer 'aangetikt' en poogt hij zijn gehoor daarvan deelgenoot te maken. Zijn stukjes zijn gebaseerd op oprechte gevoelens van verwondering, onschuld en liefde, en ze wekken de indruk geschreven te zijn door en opgroeiend kind dat halsstarrig weigert volwassen te worden. Bovendien verhaalt Van Loon lokale taferelen en gebeurtenissen waardoor de lezer zichzelf en zijn omgeving onmiddellijk herkent. Juist dit aspect van de herkenning maakt dat zijn columns niet alleen de moeite van het lezen waard, maar bovendien ook populair zijn. Hij mag dan gebroken hebben met zijn kerk, nog altijd staat - geheel in de katholieke traditie - het beeld en de voorstelling centraal. Van Loon tekent de verbeelding: 'Ik waande mij in onderaardse gewelven, die prachtige rode steen, geheimzinnige verlichting. Hier sloegen de paukslagen van Beethovens Negende nog harder toe. Alsof er een vuurkracht uit de aarde kwam. Iets oers'.
In 1965 maakt de 47-jarige Ton van Loon als kapelaan van de Joannesparochie zijn intrede in de Oisterwijkse katholieke gemeenschap. Alhoewel hij een bevlogen indruk maakte, was zijn persoonlijke ontwikkeling niet zonder spanningen en gevoelens van twijfel verlopen. Hij werd geboren op 7 maart 1918 te Waalwijk als de zoon van een lederfabrikant. Zijn moeder was afkomstig uit een gegoede Tilburgse middenstandsfamilie. Behalve Ton en diens tweelingbroer Piet, telde het gezin nog twee jongens - Berrie en Kees - en een meisje, Annekee. De sfeer in het gezin kenmerkte zich door een behoudende mentaliteit, gebaseerd op een traditioneel Brabants katholicisme. Ondanks het feit dat de Brabantse schoen en lederindustrie in de crisisjaren slechte tijden doormaakte merkten de Van Loons daar weinig van: 'Ik wist niet dat de schoenmakers niets te eten hadden in Waalwijk. Ik had het immers goed, mijn vader was fabrikant'. Aanvankelijk namen de kinderen de voorzichtige houding van hun vader over en reeds in zijn puberjaren groeide Ton uit tot een fervent bestrijder van het socialisme: 'Ook ik liep met spandoeken tegen de SDAP, tegen het rode gevaar. Ik was er zo van overtuigd dat het een grote pot rotzooi was; tegen het geloof, tegen de staat, tegen de koningin. En daarom liep ik rond met grote potten witte kalk om overal de naam VLIEGEN (een bekende SDAP'er, ST) - die met zwarte letters op muren en fietspaden stond - onder te kalken. Die bezetenheid werd me ingegeven door de angst die mij in die tijd danig beheerste'.
In zijn jeugd kwam de persoonlijke ontplooiing niet uit de verf. Maar daar was dan ook geen tijd of plaats voor. Zo leed een van zijn broers sinds zijn vijfde jaar aan kinderverlamming en het was Ton die hem van de handen en voeten voorzag die zijn broer moest missen. Ton trok dagelijks met hem op, duwde zijn wagentje en werd zijn onafscheidelijke metgezel: 'Ik leefde en bestond in die jaren geheel voor hem'. Toch schonk de verzorging van zijn broer hem de nodige vreugde want op twaalfjarige leeftijd besloot hij zich voortaan te willen richten op het helpen van anderen. Een opleiding tot priester lag dan ook in het vooruitzicht. Hij doorliep het Kleinseminarie te Sint-Michelsgestel en daarna vervolgde hij zijn priesterstudie - tijdelijk onderbroken door een zwakke gezondheid - aan het Grootseminarie te Haaren. Voorspoedig verliep die periode beslist niet. Behalve zijn fysieke tegenslagen, die een gevolg waren van zijn aanleg voor tuberculose, stapelden ook de psychische problemen zich op. Op het seminarie slaagde Ton er onvoldoende in zijn spanningen effectief te ontladen. Niet alleen bleek het priesterambt veel zakelijker en bureaucratischer dan hij het zich had voorgesteld, bovendien werden oprechte gevoelens van vriendschap en kameraadschap door zijn superieuren met harde hand tegengegaan. De seminariegeest vond zijn bekroning in het koesteren van eenzaamheid en afhankelijkheid. Afhankelijkheid van God, van de katholieke theologie, van de clerus en van het kerkelijke instituut zelf. Achteraf, in 1992, klinkt Van Loons oordeel over de seminaries verbetener dan ooit: 'Het seminarie betekende een langdurige periode van structurele onderdrukking van de eigen persoonlijkheid en van de eigen normen en waarden. We mochten niet dichten of schilderen, er was geen ruimte voor individuele expressie. Slechts collectieve spelletjes, zoals kaarten, waren toegestaan. We werden opgevoed in volgzaamheid en slaafsheid. Zelfs het bidden diende gezamenlijk te geschieden. Het enige 'vrije' moment bleek het ochtendgebed waarin een ieder recht had op vijftien minuten meditatie'.
De studie viel hem zwaar. Zijn weifelachtige houding resulteerde uiteindelijk in een psychische instorting. Tien dagen voor de priesterwijding werd hij met hoge koorts opgenomen in de ziekenboeg. Nachten achtereen ijlde hij en riep daarbij volgens zijn zaalgenoten uit: 'Ik kan het niet en ik wil het niet, ik kan de wereld niet verbeteren'. Toen hij aan de beterende hand was meldde hij de seminarieleiding dat hij niet gewijd wilde worden omdat hij zich volslagen ongeschikt voor het ambt achtte. Maar zijn superieuren wuifden alle kritiek weg: 'Ach Ton, gij hebt een gezonde kop en ge komt uit een goei nest. Oe oom is zelfs priester. Ge bent gewoon wat overspannen. Dus geen gedoe, gij wordt gewoon gewijd'. Aldus geschiedde. Op 25 juli 1945 verliet Van Loon 'volledig de kluts kwijt' het seminarie. Die dag was hij lijkbleek en doodziek en, volgens eigen zeggen, heeft hij die dag geen feestvreugde gekend. Maar ook de oorlog had hem getekend.
Te Waalwijk bleek zijn familie door SS'ers en NSB'ers slecht te zijn behandeld. De fabriek stond onder toezicht van de NSB. Ton en zijn broer Kees werden zelfs gearresteerd en enige tijd in een concentratiekamp geplaatst. Kees keerde echter niet meer terug: 'Mijn broer Kees is vermoord in het concentratiekamp Neuengamme, na drie maanden dood, 19 jaar oud. We hoorden het op de avond van 4 mei 1945 toen er al een feestgeur in de straten hing. Een paar weken later was mijn priesterwijding. Ik zat aan de feesttafel als een geslagene'. De oorlogsjaren maakten Van Loon duidelijk dat persoonlijke wraak en onlustgevoelens debet zijn aan de meeste vormen van menselijk leed. Wraak en rancune heersen daar waar de mens niet erkend maar ontkend wordt. Zonder mogelijkheden tot het ontplooien van de individuele persoonlijkheid is de mens gedoemd een redeloos kuddedier te blijven; een massaproduct, geheel bepaald door eigen lust en onlustgevoelens: 'Mijn God, mijn God, ik moet mijn woede uitstampen, ik weet het nu. Niet tegen de Duitsers, niet tegen de Serviërs, niet tegen de Kerk. Maar om, om, om, om! Om de oorlog van toen, om de oorlog van nu, om de oorlog in de kerk. Om het misverstaan van mensen, om mijn eigen stommiteiten. Uitstampen moet ik'. Aan oorlog, pijn, verdriet en ellende heeft een ieder zijn deel. Immers, in iedere mens verschuilt zich het donker, zo meent Van Loon stellig.
Toch trad hij schoorvoetend in het priesterambt en via omzwervingen in Veghel, Goirle en Tilburg kwam hij in Oisterwijk terecht als kapelaan van de Joanneskerk aan de Lind. Het waren de dagen waarin Oisterwijk groeide als kool en de kerken steeds voller werden. De komst van de nieuwbouwwijken in D'n Bogerd maakte het vraagstuk van een nieuwe parochiestichting actueel. Op 15 augustus 1965 werd Van Loon benoemd tot bouwpastoor van de nieuwe 'Levenskerk'. De eerste vieringen vonden plaats in het gebouw van kleuterschool De Zwaluw en later werd de uiterst moderne nieuwbouw aan de Le Sage ten Broekstraat betrokken: 'Het was een revolutionaire periode. We hadden veel ruimte voor meditatie en persoonlijke overpeinzingen en leken kregen een belangrijke rol in het kerkelijke leven. De Levenskerk trok met name jonge katholieken aan die de banden met de traditionele - en in hun ogen ouderwetse - katholieke kerk wilden verbreken. Uit de hele omgeving, tot aan Spoordonk toe, kwamen idealistische jonge mensen hierheen omdat ze een verwantschap voelden met onze vieringen. Persoonlijke gevoelens en overwegingen kwamen op een ondogmatische wijze aan de orde. Op traditionele gelovigen moet dit gebeuren een merkwaardige indruk hebben gemaakt. Wij zaten dicht bij elkaar, soms op de grond, in een sfeer van openheid en gelijkheid. Er ging veel inspiratie uit van progressieve jongeren, zoals de gebroeders Willems en Van Roessel, maar ook van mensen als Henk Witte en Henk Degen, die allen de persoonlijke vrijheid en de erkenning van het unieke in iedere mens hoog in hun vaandel droegen. De preken werden naar de achtergrond verschoven en maakten plaats voor spirituele bewustwording. Bij ons stond de 'levensenergie' centraal. En daar moet de mens het in zijn korte bestaan toch mee doen. Deze opvattingen lagen ten grondslag aan de stichting van de Levenskerk'.
Onmiskenbaar bracht Van Loon nieuwe elementen in het Oisterwijkse religieuze leven. Elementen die hij zelf het liefst karakteriseert als zelfontplooiing, zelfkritiek en zelfbewustwording. In dit proces van ontplooiing bleef Van Loon zelf geen buitenstaander maar was hij steeds opnieuw in de voorhoede te vinden, immers, hij is nog steeds van mening dat iedere mens voor zichzelf een kompas dient te ontwikkelen. Zijn vrije interpretatie van de katholieke dogmata, zijn weinig orthodoxe preken, en zijn koestering van individuele mystieke ervaringen brachten hem echter meer en meer in conflict met het statische en autoritaire katholieke regime. Kreeg hij aanvankelijk voldoende steun dankzij de vernieuwingsdrift van het Vaticaan aan het einde van de jaren zestig (het Tweede Vaticaans Concilie); sinds het begin van de jaren tachtig echter wijzigden de verhoudingen zich drastisch. De vermaatschappelijking van de kerk kwam ten einde en een nieuwe generatie conservatieve bisschoppen verlangde van de seculiere clerus een krachtige en loyale ondersteuning van de dogma's en de hiërarchie.
Stilletjes kritiseerden de Oisterwijkse gelovigen dit beleid: tussen 1976 en 1982 daalde het aantal kerkgangers van 4300 naar 2900, terwijl het kapellenbezoek in diezelfde periode steeg van 100 naar 1180 bezoekers. Naar het schijnt kregen de Oisterwijkers steeds minder behoefte aan een bemoeizuchtige en paternalistische kerk en spraken zij zich uit voor een individuele geloofsbeleving. Ton van Loon stond niet alleen midden in deze ontwikkeling, hij stimuleerde die ook. Uiteraard staat hij nog altijd zeer sympathiek tegenover de oppositionele Acht Mei-Beweging (die voornamelijk uit regulieren bestaat).
Het kerkelijke instituut begon hem meer en meer te knellen. Alhoewel hij de mensen opriep zelf te denken en zelf te geloven, bleef menig kerkganger van hem een herderlijke rol verwachten. De gelovigen wensten een roerganger, maar Van Loon kon zich steeds slechter in deze rol vinden. Hij was de kerk ontgroeid. Hij beschouwde het kerkelijke instituut als een last die zijn individuele ontwikkeling hinderde. Toen hij in 1986 afstand deed van zijn functies bij de Levenskerk was dat een logische stap. Een stap die zonder openlijke strijd of conflicten verliep en nog altijd profileert hij zich niet als antiklerikaal. Van Loon meent dat een ieder vrij moet zijn haar of zijn kerk te bezoeken of te negeren. Zelfs een priester moet deze vrijheid durven nemen.
De lezers van zijn wekelijkse column weten echter dat Van Loon door en door religieus is en nog altijd door Christus bezield wordt. De rooms-katholieke kerk is vanuit zijn optiek echter niet langer het enige instituut dat het alleenrecht heeft op de verdediging en verbreiding van het spirituele denken. Al eerder wezen we op Van Loons nadruk op de vrije en individuele geloofsbeleving. In zijn Levenskerkperiode ontdekte hij bijvoorbeeld het zenboeddhisme: 'Rond 1975 omarmde ik het zenboeddhisme dat ik als de absolute tegenhanger van het katholieke geloof beschouwde. Het boeddhisme gaat juist uit van het individu, in tegenstelling tot het katholicisme dat zich richt tot het collectief. Vandaag de dag ben ik van mening dat zo'n katholieke kerk echt niet langer kan. Ook mijn gevoel wordt beheerst door de gedachte: ik maak het zelf wel uit, ik richt mijn eigen leven zelf in. Bovendien is dit een positieve benadering van het leven zelf. Door mijn leven als maatstaf te beschouwen worden wezenlijke elementen als vriendschap, liefde, warmte en kracht veel duidelijker zichtbaar. Het hart en de psyche staan in alle geloofsrichtingen centraal, ik hoef me dus niet tot een specifieke kerk te rekenen. Ik streef dan ook naar spirituele vernieuwing en zoek daarvoor naar de vonk. De vonk van de Christusenergie. We staan immers allen in de schoenen van Christus. Het gaat er mij niet om Christus na te volgen - zoals de devoten dat deden - maar veel meer om het verkondigen van zijn boodschap. Eigenlijk ben ik een moderne heraut die mensen oproept niet afhankelijk en niet volgzaam te zijn. De dualiteit van het christendom is voor mij dan ook passe. Het denken in termen als hemel en hel, goed en kwaad, God en Duivel, geest en stof, aanvaard ik niet langer. Eigenlijk ben ik een holist. Zowel het goede als het kwade zit in iedere mens. We zullen moeten leren accepteren dat we mensen zijn die nu eenmaal leven met oud zeer, met pijn en haat, maar ook met positieve gevoelens als warmte en liefde'.
De ontwikkeling van de roomse priester Van Loon naar een verkondiger van het 'Nieuwe Tijdsdenken' lijkt op het eerste oog opzienbarend. Toch zijn er in de geschiedenis van het vaderlandse katholicisme talloze voorbeelden aan te halen van mensen die en soortgelijke weg bewandelden. Vaak gaat het hierbij om bevlogen en introverte priesters voor wie niet de theologie en de hiërarchie op de eerste plaats komen, maar juist de religieuze intenties, de verbeelding, de Christusgeest, en de mystiek. Voorbeelden vinden we in het leven en werk van de ex-priester en 'christosoof' Mathieu Schoemaekers of de ex-priester en latere SDAP-propagandist Jan van den Brink. Sofisten als Schoenmaekers (1875-1944) hekelen gewoonlijk het materialisme en de zakelijkheid in onze cultuur en zoeken naar universele wijsheden die niet voorbehouden blijven voor afzonderlijke kerken of religies. We treffen dan ook zowel in het verleden als vandaag veel (ex)katholieken aan in de theosofie en antroposofie.
Ook Van Loon vind hier zijn inspiratie: 'We zijn een mensheid. We zien mensen bezig, horizontaal, met hart voor de aarde, water, dieren, medemensen, en verticaal, met onzichtbare sferen - ook met 'boven' vormen we een mensheid - en de diepte in, innerlijk met een innerlijke God. De tijd lijkt ergens rijp voor geworden. 'Wij' worden ergens rijp voor. Het 'gevoel' is ontwaakt. Liefdesgevoel? Eenheidsbesef? Ja, dat heeft met echte liefde te maken, door Jezus gepredikt en voorgeleefd door Boeddha, denk ik, en door Rudolf Steiner en Krishnamurti, en wie weet nog welke boodschappers. Zij staan natuurlijk niet alen op een enkele lijn, maar zij worden door het zelfde wezen 'aangevuurd', het Ene Grote Levende Wezen, waarin wij allen bestaan'.
Van Loon maakt deel uit van de werkgroep Theologie & Spiritualiteit. De leden noemen zich psychosofen omdat zij aan de menselijke geest een doorslaggevende rol toekennen. Onder deze psychosofen is het medium Zohra de spilfiguur. Zij hoort stemmen en vertaalt die binnen de spirituele kring. Zo meent Zohra: 'De bedoeling van de psychsofia is tot innerlijke stilte te komen. En van daaruit tot een eenheid met dat hoger Zelf, dat goddelijke bewustzijn in jezelf. Al is het maar in een flits. Een werkelijke stilte, herkenning, beleving van het Godbewustzijn is honderd keer meer waard dan mediteren'. Volgens Zohra is de mens in staat om met zijn 'innerlijk voelen' de Christusgeest te beroeren. Van Loon steunt die visie: 'Kijk, vroeger was de mystiek eigenlijk voorbehouden aan kloosters. Maar nu is dit innerlijke voelen ook toegankelijk voor mensen die gewoon in de maatschappij leven. Iedere mens is een Godmens, de Christusgeest openbaart zich in ons. We kunnen dus allen 'aangetikt' worden'.
In zijn columns keert het woord 'aangetikt' dan ook steeds weer terug. Het dagelijks leven biedt tal van unieke, verrassende, ontroerende, gelukzalige en extatische momenten die zich gewoonlijk zonder aankondiging en plotseling uiten. Juist tijdens zo'n moment ervaar je de Christusgeest of de Christusenergie, aldus Van Loon, en wordt je 'aangetikt'. Net als bij menig ander mysticus staat bij Van Loon niet de Schepper centraal, maar het Geschapene, dat hij samenvat in het begrip 'kosmos'. De kosmos is datgene dat al wat leeft symboliseert. Uit een column: 'Tot ik in het bos een bank vond. Dat zat goed. Het was zwoel, en hoge wind. De toppen van de grove den bewogen golvend op en neer. Ik sloot mijn ogen en luisterde. Ik heb drie kwartier zitten luisteren. Alles zakte uit me weg. Ik werd vol van dat prachtige geluid. Wat was dat weldadig. Steeds weer aanstromende golven. Ik hoorde geen auto's, alleen maar die machtige natuur. Ik werd er een mee. Het begon te stromen in me, te trillen, te klinken, mijn bekken, mijn tenen. Ik voelde me volledig verbonden met al het scheppende en het geschapene. Ik voelde me zwanger. Zoiets. Een zalig gevoel'.
Zijn columns hebben dan ook tot doel de lezer deelgenoot te maken van universele gevoelens en waarheden, zoals het besef dat we allen deel uitmaken van dezelfde kosmos. Het is een positieve levenshouding die de Oisterwijker meer vatbaar moet maken voor de alomvattende schoonheid van de natuur en het menselijk bestaan. Een schoonheid die vaak verscholen gaat achter de keerzijde van het bestaan van onze diersoort: tragiek en ellende. Zijn enthousiasme komt voort uit zijn onuitroeibaar geloof in het komende 'tijdperk van Aquarius'. Van Loon is een echte new age-priester: 'Iedere tweeduizend jaar maakt de mensheid een nieuwe fase door. Die tijd staat nu voor onze deur. Tweeduizend jaar geleden was Jezus Christus de voorbode van een nieuwe tijd. Ook in onze tijd zien we dat mensen radicaal breken met hun religieuze kaders en hun economische stelsels. Kijk maar eens naar de volksverhuizingen en de vele verschillende culturen in onze samenleving. Meer dan ooit besef ik dat we allen een mens zijn, allen een volk. Nationalisme en etnocentrisme kunnen toch echt niet meer. We staan aan de vooravond van een kosmisch moment in een geweldige menselijke evolutie'.
Vanuit zijn intercultureel enthousiasme was Van Loon ook lange tijd verbonden aan het asielzoekerscentrum in Oisterwijk. Daar kwam hij tot de conclusie dat alle mensen - ondanks hun religieuze en culturele verscheidenheid - aanspreekbaar zijn op universele waarden als liefde, warmte en kameraadschap. Toch raakte hij door 'de politiek' gedesillusioneerd. Moeizaam opgebouwde relaties met vluchtelingen worden steeds op brute wijze door de overheid verstoord. Verplaatsing, uitzetting en vernedering hebben de vluchtelingen en Van Loon veel pijn gedaan: 'De hulp van onze samenleving aan deze mensen is geen echte hulp. We duwen hen gewoon steeds verder weg in hun eigen ellende. Het beleid van Kosto en Van Traa is werkelijk schandalig. Nederland heeft het voortouw genomen in het Europese uitzettingsbeleid'.
Uit het voorafgaande moge blijken hoe sterk Van Loon de nadruk legt op de erkenning van iedere mens, ongeacht zijn of haar afkomst. Daar waar de mens wordt erkend, slaat ook de vonk van de Christusenergie sneller over, zo meent hij. Anderzijds, daar waar we mensen vernederen wordt de ruimte voor de vonk ontnomen. Daarom blijft Van Loon in zijn stukjes dicht bij huis en registreert hij schijnbaar onbelangrijke gebeurtenissen en onopvallende zaken, zoals de geboorte van een kind, een aardbeving, het interieur van de St. Jan, de konijnen in het Lindepark, een lezing van Karel Douven, de mystieke muziek van Enya, een treinreis naar Bilthoven, slenteren door de bossen, de ervaringen van gevluchte Vietnamezen in Oisterwijk, de sociale ecologie van Gerrit Huizer, etc. Ton van Loon heeft zijn kerk ingeruild voor het leven zelf. Als je goed kijkt, zo is zijn parool, dan zie je zoveel moois dat je er alleen maar beter van kan worden. Maar dat kijken moeten we wel leren. Alleen het kind heeft die unieke gave om onbevangen in de wereld te kijken. Ton van Loon is eigenlijk een groot kind, zoals de Flierefluiter uit A.M. de Jong's Merijntje Gijzen. Iemand noemde deze Oisterwijkse columnist ooit een flierefluiter. Maar zeg eens eerlijk, wie kan er zonder flierefluiters in een wereld die zich kenmerkt door ongeremde uitbuiting, kapitaal en natuurvernietiging? Zouden we allen niet wat meer dienen te flierefluiten? Van Loon: 'Iemand zei laatst tegen mij, jij moet niet meer preken, jij bent een flierefluiter. Dat tikte me danig aan. In de grond van mijn hart zou ik dat ook wel willen, flierefluiten. Ik heb die middag dan ook alles afgezegd, ik ben gaan slenteren rond de Blauwe Kei, een grassprietje in mijn mond. Ik wens het jou ook toe: flierefluiten, pierewaaien...'.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |