| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1992 Het radicale protestantisme van Han Kuysten.pdf | 29.01.2004 | 123kB | - |
'Mijn geweten is het hoogste dat er bestaat'
Het radicale protestantisme van Han Kuysten (1922-1924)
Ter inleiding
Met de aanstelling van burgemeester J.J.L.M. Verwiel in 1921 deed Oisterwijk
haar eerste zet op het gebied van politiek-bestuurlijke modernisering. Kwamen
zijn ongeschoolde voorgangers nog veelvuldig uit de dorpselite voort, Verwiel
had een uitstekende ambtelijke opleiding genoten en beschikte over een coherente
visie op maatschappelijke en economische ontwikkelingen. En dat was geen overbodige
bagage voor Oisterwijk dat in hoog tempo uitgroeide tot een nijverheidsgemeenschap
op het platteland. De schoen en lederindustrie floreerden en ook de ambachtelijke
productie van sigaren bood werk aan zo'n tien procent van de beroepsbevolking.
Tegelijkertijd daalde het arbeidsaanbod in de landbouwsector waardoor de boerenstand
met een forse daling van de groepsstatus geconfronteerd werd. Veel werkloze
boerenknechten en landarbeiders kwamen terecht in de schoen en ledernijverheid.
Burgemeester Verwiel stimuleerde de industriële ontwikkeling van Oisterwijk
met hart en ziel. Hij was een overtuigd katholiek maar geen romanticus voor
wie het boerenbedrijf een exemplarisch voorbeeld vormde van godsvrucht, soberheid
en arbeidzaamheid. Ook rekende hij de modernisering van het landbouwbedrijf
tot zijn aandachtsgebieden. Maar zijn grootste stempel drukte hij toch op de
lokale infrastructuur. Tijdens zijn ambtsperiode kwamen belangrijke voorzieningen
tot stand zoals een gemeentelijk drinkwaterleidingsbedrijf, de elektriciteitsvoorziening,
en de verbetering van het wegdek en de riolering. In de jaren twintig kreeg
Oisterwijk een ander aanzien. Fabrieken, schoorstenen, sirenes en arbeiders
verwierven een belangrijkere plaats in het straatbeeld. Geleidelijk werd Oisterwijk
economisch en politiek geïntegreerd in de moderne nationale samenleving.
Het succes van de industrie bracht tevens een instroom van allochtonen teweeg.
Zo kende Oisterwijk aanvankelijk geen 'eigen' sigarenmakers en telde de grote
lederfabriek in 1925 al zo'n 400 arbeiders die niet van Oisterwijkse afkomst
waren. Deze geschetste ontwikkeling leidde ertoe dat lokaal patriottisme en
regionale eigenheid scherper gedefinieerd werden. De eerste grote vertolker
van dit patriottisme was de anti-democraat dr. Emile Verviers. Verviers pleitte
voor een uitbreiding van de boerenstand en verklaarde zich een fel tegenstander
van de industrialisering. Zijn optreden als lid van de RK Kiesvereeniging,
als spreker en als publicist baarde opzien en zijn argumenten vonden veel steun
bij tegenstanders van recente sociaal-economische ontwikkelingen in Oisterwijk.
Burgemeester Verwiel groeide in de jaren twintig uit tot het symbool van het
'nieuwe Oisterwijk'. Hij trad op als promotor van de lokale industrie, hij
was bestuurslid van de (neutrale) Nederlandsche Bond van Gemeente Ambtenaren
(NBGA), en hij koesterde politieke aspiraties die verder gingen dan de Brabantse
gemeente Oisterwijk. Zijn kandidaatstelling voor de verkiezingen der Provinciale
Staten in 1927 was daar een voorbeeld van. Bovendien gaf hij te 's-Hertogenbosch
les aan aankomende ambtenaren. Steun ondervond hij van het bedrijfsleven, de
nieuwe middenstand (inclusief de 'witte boorden' en de toerisme-industrie)
en van de socialisten. Onder deze groepen was het aantal allochtone Oisterwijkers
overigens opvallend groot. Tegenstand kreeg Verwiel van de plaatselijke clerus,
katholieke notabelen, de oude middenstand en van de boeren. Later, toen verslechteringen
optraden in de schoen en lederindustrie, voegde ook de katholieke vakbeweging
zich bij deze tegenstanders. Zij vonden elkaar in de romantische gedachte dat "het
voor Verwiel veel beter was". Men verweet de burgemeester niet alleen
dat hij Oisterwijk in sociaal, economisch en cultureel opzicht veranderde;
zijn hervormingen zouden tevens de pracht van het Brabantse landschap aantasten.
Nog in 1938 schreef de voorvechter van de natuurbescherming mr. P.G. van Tienhoven
een vlammende brief aan Verwiel: "De ruilverkaveling is een gevaarlijke
materie, omdat geen terreinen meer ongerept kunnen blijven en men door ruilverkaveling,
om zo te zeggen, Nederland geheel van karakter kan doen veranderen". Desondanks
poogde Verwiel als goed bestuurder beide partijen tevreden te houden. In 1933
kon hij voor het tijdschrift Ons Nederland schrijven dat in Oisterwijk industrie
en toerisme op harmonische wijze samengaan. Van conflicten gaf hij geen blijk.
Toch voltrokken zich de veranderingen binnen de Oisterwijkse samenleving niet
zonder spanningen. Het eerste slachtoffer van de politieke en bestuurlijke
modernisering van het dorp was de commies van de gemeentesecretarie, J.M. Kuysten.
Per 1 januari 1924 werd hem eervol ontslag verleend op grond van zijn anarchistische
levensbeschouwing. In Oisterwijk waren 'broodroof' en 'zaalafdrijving' geen
abnormale aangelegenheden. Voortdurend werd 'de akelige twee procent' - waartoe
de clerus joden, protestanten en socialisten rekende - bedreigd in zijn bestaan.
Met name populaire volksredenaars, zoals de anarchist Frits van Dartel en de
sociaal-democraat Janus Boons, werden de dupe van stemmingmakerij jegens andersdenkenden.
De clerus speelde in deze een belangrijke rol. De pastoor en vooral zijn kapelaans
gaven op militante wijze zowel met de mond als de pen vorm aan de sociale controle
in de katholieke gemeenschap. Het weekblad Kerkklokje ageerde fel tegen elke
uiting die niet als katholiek werd beschouwd. De katholieke adviseur van de
schoenarbeiders, kapelaan J. Sanders, riep in het genoemde blad de katholieke
arbeiders op de socialistische bond (het NVV) "tot de laatste man kapot
te maken". Liberale ondernemers als de sigarenfabrikant Alphonse Hamers
stoorden zich gewoonlijk niet erg aan dergelijke opmerkingen. Ook Verwiel hield
zich verre van deze vorm van discriminatie. Echter, in het geval van deining
en beroering in de kleine gemeenschap van circa 5000 zielen steunden de 'heren'
zonder omwegen het beleid van de clerus. Een lastige arbeider werd dan alsnog
ontslagen. De rust in de bedrijven en de 'pax' in de gemeenschap stonden voorop.
Ontslag van kritische werknemers was een efficiënte methode om "de
akelige twee procent" in het gareel te houden.
Het hieronder geschetste geval-Kuysten is om twee redenen interessant. Allereerst
krijgen we zicht op het effectieve mechanisme van de sociale controle binnen
de katholieke gemeenschap. Het ontslag van Kuysten is immers representatief
voor dit mechanisme dat door tijdgenoten terecht als 'broodroof' werd aangemerkt.
Daarnaast hoort dit relaas thuis in de regionale mentaliteitsgeschiedenis.
Immers, we leven mee met de dilemma's van een jonge man die op basis van ethische
en politieke uitgangspunten richting poogde te geven aan zijn eigen bestaan.
De korte loopbaan van Han Kuysten
Op 9 maart 1922 aanvaardde Johannes M. (Han) Kuysten een betrekking als commies
aan de gemeentesecretarie van Oisterwijk. Hij was toen negentien jaar. Zijn
betrekking was vooralsnog tijdelijk omdat Kuysten als protestant geen vaste
aanstelling kon krijgen. Voorlopig woonde hij in een pension in het nabijgelegen
Haaren en dagelijks fietste hij naar het gemeentehuis van Oisterwijk. In de
weekeinden toog hij naar de Langstraat waar zijn jeugd lag.
Han Kuysten werd op 26 augustus 1902 geboren in de Brabantse Langstraat. Zijn
vader had in Sprang een eigen bakkerij en als lid van de Nederlands Hervormde
Gemeente aldaar kon de familie Kuysten met recht tot de 'kleine luyden' gerekend
worden. Zijn eerste werkervaring deed hij op in de bakkerij van zijn vader
maar het werk kon hem niet bekoren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte hij
enige tijd als klerk bij Van Gend & Loos maar na de demobilisatie namen
de ex-soldaten hun oude baantjes weer in waardoor Kuysten opnieuw zonder werk
kwam. Na zijn ontslag koos hij voor een algemene opleiding tot ambtenaar en
werd hij volontair op de secretarie van de gemeente Besoyen. Zijn leermeester
en cursusleider was de burgemeester van Besoyen, J. Verwiel. Toen na afloop
van de oorlog de gemeentes gereorganiseerd werden - Besoyen, Baardwijk en Waalwijk
werden tot één gemeente bijeengevoegd - vertrok Verwiel naar
Oisterwijk. Kuysten werd adjunct-commies in Waalwijk.
Na enkele maanden kreeg Kuysten bezoek van zijn vorige werkgever Verwiel. Deze
laatste beklaagde zich bij Kuysten over de deplorabele toestand waarin de secretarie
van Oisterwijk zich bevond. Hij achtte het personeel onbruikbaar, de faciliteiten
ontoereikend en de administratie volledig onderontwikkeld. Hij verzocht Kuysten
zijn naaste medewerker in Oisterwijk te worden om de secretarie grondig te
reorganiseren. Kuysten voelde aanvankelijk niet veel voor een betrekking in
het katholieke Oisterwijk. Hij wist hoe een buitenstaander in die dagen gedupeerd
kon worden. Maar Verwiel drong aan en zegde hem alle hulp toe in zijn pogingen
elders een baan te vinden na het aflopen van zijn betrekking te Oisterwijk.
Kuysten ging alsnog overstag. Zijn jaarsalaris werd begroot op ¦2000,-
en in een aanbevelingsbrief voor Kuystens sollicitaties omschreef Verwiel zijn
nieuwe commies als betrouwbaar, beschaafd, hardwerkend en zelfstandig. Zo vervolgde
hij: "Ondergetekende durft den heer Kuysten onvoorwaardelijk aan te bevelen
als een uitstekend zowel theoretisch als praktisch goed geschoold ambtenaar,
noest en vlijtig werker en betrouwbaar aangenaam persoon". Met deze aanbeveling
en een redelijk salaris op zak verving Kuysten vanaf april 1922 de inmiddels
ontslagen gemeentesecretaris die volgens Verwiel zijn werk "op z'n Brabants
deed".
De ontslagen gemeentesecretaris was M.G. Canters. De Oisterwijkse gemeenteraad
had een procedure lopen tegen Canters in verband met duistere financiële
praktijken. Zo had Canters de woningbouwvereniging 'Volksbelang' belangrijke
voordelen toegespeeld door middel van zelfvervaardigde raadsbesluiten. Maar
er was blijkbaar nog meer aan de hand. Tijdens een geheime raadsvergadering
in 1924 vroeg Verwiel aan Canters, die inmiddels lid van de raad was namens
een RK Bezuinigingspartij, "of het hem ook niet bekend was, dat voor juffrouw
Bolsius op kosten der gemeente bustehouders werden aangeschaft". Juffrouw
Bolsius was de voormalige secretaresse van de gemeentesecretarie.
Ook Kuysten werd getroffen door de ellende in zijn nieuwe werksituatie: "Wat
ik daar zag was onvoorstelbaar. Wat een chaos! De hele administratie was een
janboel". De schrijfmachines bijvoorbeeld beschikten over diepe toetsen
die per aanslag met een potlood ingedrukt dienden te worden. Voortvarend toog
Kuysten aan het werk.
Kuystens religieuze en politieke overtuiging
Net als zoveel jongeren van zijn generatie kwam Kuysten tijdens de Eerste
Wereldoorlog in contact met het anti-militarisme. De anti-militaristische beweging
in Nederland maakte opgang en velen weigerden militaire dienst. Ook kerken
en hervormde predikanten speelden in deze een actieve rol. Onder de predikanten
trof men modernisten aan die de bijbel aan een radicale kritiek onderwierpen.
Veelal namen deze modernisten ook politiek stelling, zoals de christen-anarchisten.
Deze laatsten geloofden niet aan een machtige, autoritaire en goddelijke Vader;
zij geloofden slechts in een goddelijke bezieling: de christusgeest. Niet alleen
Jezus was de drager geweest van een dergelijke geest, maar ook mensen als Socrates,
Boeddha, Bakoenin en Kropotkin. De kern van hun denken bestond uit de prediking
van geweldloosheid en de strijd tegen uitbuiting en rijkdom.
Alhoewel Kuysten zich voorlopig nog tot de Nederlands Hervormde Kerk rekende,
poogde hij zijn principes ook in woord en daad te belijden. Hij verwierp Error!
Reference source not found.het militarisme en bestreed het gebruik van alcohol.
Hij had zich daartoe aangesloten bij de Internationale Anti-Militaristische
Vereeniging (IAMV), een sterk anarchistisch georiënteerde beweging, en
de Jongelieden Geheel Onthouders Bond (JGOB). Het oude motto van F. Domela
Nieuwenhuis, 'denkende arbeiders drinken niet', had hij zich eigen gemaakt.
Een speldje van de JGOB sierde altijd de revers van zijn jas.
Sinds 1920 kende de Nederlandse politiek de Bond van Religieuze Anarcho-Communisten
(BRAC). De bond bestond uit antimilitaristen en pacifisten en streefde naar
een 'revolutionering' van zowel de maatschappij als de mens. De mens diende
'zedelijk herboren' te worden. De bond oefende nauwelijks invloed uit op de
arbeidersklasse maar zij telde veel bekende sprekers en publicisten. Mensen
als Lodewijk van Mierop, A.R. de Jong, Jos Giessen, Bart de Ligt en Clara Wichmann
keerden zich expliciet tegen kapitalisme, imperialisme en militarisme, tegen
dogmatisme en tegen de toenemende overheidsbureaucratie. Men verwierp vulgaire
interpretaties van de klassenstrijd en het materialisme, zoals men die bij
veel communisten en syndicalisten aantrof, en stelde daar een ethisch en cultureel
socialisme tegenover. Het socialisme was in de eerste plaats religieus, zo
betoogde men, en het socialisme symboliseerde het bewustzijn van de saamhorigheid
van al wat leeft: "... mensch en mensch, mensch en dier, mensch en heelal,
mensch en het zekere, mensch en het onzekere ...". Religieuze anarcho-communisten
kozen voor het anarchisme als de antiautoritaire tegenpool van het dwangmatig
geachte marxisme.
Ook Han Kuysten voelde zich tot de BRAC aangetrokken en werd in 1920 lid van
deze bond. Hij verwierp alle geweld vanuit een religieusanarchistisch perspectief: "...
uitbuiting, moord, geweld. Ik kan het niet en ik wil het niet. Want in mij
leeft het lichtende besef dat het anders kan - dat het anders zijn zal. Uit
het hedendaagsche regime zal opbloeien een schooner wereldleven; zij die thans
leven en in zich dragen het ideaal van een maatschappij waarin de geest zal
heerschen in de stede van het brute geweld, zij verrichten nog slechts pionierswerk
(...) en naar het woord van Bart de Ligt: 'Doorbreekt naar buiten! Vulcanisch,
onweerstaanbaar, de wereld in vlam zettend!'".
Burgemeester Verwiel was enigszins op de hoogte van Kuystens antimilitaristische
overtuiging maar achtte dit aanvankelijk geen probleem. Zo sprak hij eens: "Kuysten
heeft me gezegd dat hij geen geweer op zijn schouder zal nemen. Maar laat hem
oppassen dat hij niet tegen de lamp loopt". Ook wist hij dat diens politieke
ideeën "zeer geavanceerd" waren. Maar voorlopig traden slechts
Kuystens bestuurlijke en organisatorische kwaliteiten op de voorgrond.
Kapelaan Litjens komt in het geweer
In november 1923 - Kuysten
was toen ruim anderhalf jaar in Oisterwijkse dienst - kreeg zijn hospita,
mevrouw Papen, bezoek van kapelaan Litjens. Deze laatste
was een fervent bestrijder van alle zedelijke en politieke opvattingen die
kritisch stonden ten opzichte van de katholieke moraal en leer. Hij waarschuwde
Papen voor haar huurder omdat deze niet katholiek was en 'dus' waarschijnlijk
ook wel 'rood' zou zijn. De vriendelijke hospita dacht aanvankelijk dat Litjens
refereerde aan Kuystens haarkleur. Litjens repliceerde dat het hem niet ging
om uiterlijkheden maar om zijn "hoedanigheden". En hij vervolgde: "Die
meneer denkt waarschijnlijk dat hij hier nog eens ooit een vaste aanstelling
krijgt. Maar dat zal beslist niet gebeuren en dat kan ook niet gebeuren! Daar
zijn er teveel op tegen in Oisterwijk. En ik zal er tegen vechten als het geprobeerd
mocht worden. Ik zou er zoo hard voor werken als ik kon".
Na zijn bezoek aan het pension in Haaren bezocht Litjens het raadhuis en deelde
Verwiel zijn bezoek aan mevrouw Papen mede. Verwiel zag zich voor een lastig
vraagstuk geplaatst en hij vroeg Litjens de zaak eens op papier te zetten,
want een aanvaring met de plaatselijke geestelijkheid kwam hem slecht uit.
Aldus geschiedde. De volgende dag kwam een geërgerde Kuysten naar Verwiel
en vertelde hem van Litjens bemoeizucht. Verwiel reageerde nu weinig solidair
en vroeg Kuysten wat voor insigne hij op zijn revers droeg. Zijn commies legde
hem uit dat het ging om een speldje van de geheelonthoudersbond. Op Verwiels
vraag van welke organisaties Kuysten verder nog lid was, antwoordde deze in
alle eerlijkheid dat hij ook bij het IAMV en de BRAC was aangesloten. In "scherpe
en smalende woorden" bekritiseerde Verwiel Kuystens anarcho-communistische
idealen en stuurde hem aan het werk.
De volgende dag legde Verwiel drie eisen aan Kuysten voor. Wilde de commies
zijn betrekking behouden dan diende hij zijn lidmaatschappen met onmiddellijke
ingang neer te leggen, zijn boeken dienden naar het gemeentehuis - daar bevond
zich tevens het politiebureau - te worden overgebracht, en tot slot verplichtte
hij Kuysten een verklaring te schrijven waarin deze beloofde zich "te
onthouden van het voeren van propaganda van politieken aard". Tevens diende
Kuysten te beloven dat hij in de toekomst studie zou maken van andere geloofsrichtingen,
waaronder het rooms-katholicisme en het protestantisme.
Verontwaardigd toog Kuysten huiswaarts en schreef aldaar een verklaring aan
de secretaris van het gemeentebestuur C. de Valk dat hij weigerde aan de eisen
te voldoen. De secretaris poogde nog te onderhandelen. Hij stelde Kuysten voor
zijn boeken te verzegelen tot zijn dertigste jaar. Onder zijn boeken bevonden
zich onder meer werken van Tolstoy, Van den Bergh-van Eisinga, Multatuli, Lodewijk
van Mierop, Romain Rolland, Nietzsche, Bertha von Suttner en Bart de Ligt.
In een protest aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken & Landbouw schreef
Kuysten dat Verwiel hem toegebeten had dat zijn boeken "slechts goed genoeg
waren voor den oven van de gasfabriek". Dat Verwiel wist welke boeken
Kuysten las, wordt niet door bronnen bevestigd. Verwiel kritiseerde zelfs het
werk van Emile Zola (zeer impopulair onder katholieke ambtsbekleders) waarna
Kuysten zich verdedigde: "Maar ik heb helemaal geen boeken van Zola!".
Ook bleek Kuysten door Verwiel ervan beticht te worden IAMV-zegels op enveloppen
te plakken, een bekend gebruik onder 'rode' ambtenaren. Maar ook dit feit werd
door Kuysten ontkend: "De burgemeester zal naar ik vermoed zijn inlichtingen
wel uit goede bron hebben, al kan die bron moeilijk anders zijn dan een (...)
tot geheimhouding verplichte postambtenaar of beambte (...) hoewel zelfs een
postambtenaar zich wel eens vergissen kan".
Nogmaals weigerde Han Kuysten zich neer te leggen bij de hem gestelde eisen.
Hij kreeg een maand de tijd om "tot beraad" te komen en 'andersdenkenden'
te raadplegen. Kuysten zocht allereerst steun in de kerk. Hij wendde zich tot
de Tilburgse dominee Faber, tot ds. Wolters te Sprang en tot de socialistische
dominee Kunst uit Oisterwijk. Hun bemiddeling had geen succes; het katholieke
Oisterwijk bleek een gesloten burcht.
Kuysten stuurde een felle brief aan het gemeentebestuur op 13 december 1923
waarin hij zijn weigering motiveerde. Hij beëindigde zijn protest met
citaten van Bart de Ligt. De dag daarop besloot het gemeentebestuur Kuysten
met ingang van 1 januari 1924 eervol ontslag te verlenen. Op 18 december 1923
poogde het bestuur Kuysten nog een maand salaris, te weten ¦166,67,
uit te betalen. Men noemde deze geste "eene belooning". Opnieuw klom
Kuysten in de pen en verweet B&W gebrek aan durf omdat in zijn ontslag
nergens de ware reden - zijn politieke gezindheid - vermeld stond.
Steunbetuigingen zonder resultaat
Het weekblad van het Sociaal
Anarchistisch Verbond (SAV), De Vrije Samenleving, besteedde ruimschoots
aandacht aan de zaak-Kuysten en op 1 januari 1924 verspreidden
anarchisten huis-aan-huis in Oisterwijk hun krantje met de opening: "Roomsche
ketterjacht. Het fascisme in Oosterwijk".
De schrijver van het artikel, de bekende anarcho-syndicalist Albert de Jong,
bracht een opmerkelijk goede analyse van de gebeurtenissen naar voren en aarzelde
niet grotere verbanden te signaleren. Hij wees op het fascistische klimaat
in Oisterwijk en in het bijzonder op Emile Verviers. Verviers had al eerder
de belangstelling getrokken door zijn onverholen sympathie voor Mussolini.
Zo riep hij in zijn blad Katholieke Staatkunde, het eerste uitgesproken fascistische
periodiek in Nederland, op tot het formeren van knokploegen om 'rooien en vrijdenkers'
te intimideren. Uit berichten in de jaren twintig in De Vrijdenker, het orgaan
van vrijdenkersvereniging De Dageraad, maken we op dat deze knokploegen daadwerkelijk
van zich hebben laten horen. Ook was Verviers' betrokkenheid bij de eerste
fascistische beweging (sinds 1923) in ons land, het Verbond van Actualisten
(VvA), geen groot geheim. Het VvA werd aangevoerd door Verviers' vroegere studievriend,
en aanhanger van de Leidse filosoof G.J.P.J. Bolland, Hugo Sinclair de Rochemont.
Blijkbaar geheel op de hoogte van dit anti-democratische klimaat vroeg de redactie
van De Vrije Samenleving zich af: "Is de atmosfeer in Oisterwijk niet
verpest doordat het opruiende blad van den miniatuur-fascist Verviers er iedere
week het levenslicht aanschouwt?".
De schrijver achtte het optreden van Verwiel in de kwestie-Kuysten strijdig
met de grondwet. Maar burgemeester Verwiel, die ook gehoord werd, kon weinig
medeleven voor de anarchisten opbrengen: "U als anarchist erkent de wetten
toch niet? Waarom beroept U zich dan op de grondwet?". Uit gesprekken
die het blad voerde met enkele gemeenteraadsleden blijkt dat de zaak-Kuysten
achter gesloten deuren verliep. Sommige raadsleden toonden zich verrast en
verbaasd door het optreden van hun burgemeester. Zo meende een katholiek raadslid
dat Kuystens principiële anti-militaristische houding hem juist in zijn
achting deed stijgen.
De zaak kreeg landelijke aandacht en al ras druppelden de eerste protesten
van diverse organisaties binnen bij het Oisterwijkse gemeentebestuur. De twintigtal
reacties waren alle van anarchistische, syndicalistische en anti-militaristische
groepen afkomstig. Kapelaan Litjens reageerde nog eenmaal in het Kerkklokje
op de affaire: "In een nieuw blad (...) wordt mijn naam genoemd in een
kwestie, waarin ik me nooit mengde, waarover ik met niemand sprak, die me ijskoud
liet en nog laat. Een enkel woord, bij een huisbezoek gesproken, dat met veel
gedraai een andere beteekenis krijgt, wordt de aanleiding van zulk lasterlijk
geschrijf. We wachten!". Het moge duidelijk zijn dat Litjens de kwestie
wel erg stoutmoedig afsloot. Zijn invloed in het dorp, de monopoliepositie
van het Kerkklokje en de angst van Verwiel om zo kort na de aanvang van zijn
loopbaan al in conflict met de geestelijkheid te komen gaven commies Kuysten
erg weinig kansen.
Op 17 januari 1924 kwam de gemeenteraad in een geheime zitting bijeen om te
beraadslagen over het ontslag van Kuysten. Burgemeester Verwiel zette de zaak
nog eens uiteen en las de beginselverklaring van de BRAC voor en concludeerde: "waar
de aanhangers dezen politieke richting desnoodig langs revolutionnairen weg
den Staat willen hervormen, zou Kuysten in voorkomende gevallen op dit stuk
niet te vertrouwen zijn". Geen enkel raadslid protesteerde tegen het ontslag.
Toch leed ook Verwiel een persoonlijke nederlaag. Kuysten protesteerde tevens
bij de Nederlandsche Bond van Gemeente Ambtenaren (NBGA) die de kwestie als "zeer
problematisch" bestempelde. De betrokkene zou onvoldoende gehoord zijn
en het bestuur achtte Kuysten onrechtvaardig behandeld; hij beschikte immers
maar over een tijdelijk contract. Verwiel, zelf hoofdbestuurslid van de NBGA,
kwam hierdoor in een lastige positie terecht. Omdat hij "te partijdig" zou
zijn werd hem afgeraden zich met deze kwestie te bemoeien. Op 25 maart 1924
schreef de ambtenarenbond in een brief aan de koningin dat Kuysten in Oisterwijk
ontslagen werd "omdat zijn werk niet meer nodig zou zijn". Het bestuur
wees Hare Majesteit erop dat de werkelijke reden van het ontslag echter gebaseerd
was op Kuystens politieke overtuiging. De bond haastte zich te stellen dat "naar
onze meening een ambtenaar nimmer ontslag mag worden verleend om redenen, aan
de politieke overtuiging van dien ambtenaar ontleend". Uit protest tegen
de houding van zijn bond nam Verwiel ontslag als lid van het hoofdbestuur,
als voorzitter van de afdeling Noord-Brabant, als fondsbestuurder en zelfs
als lid van de NBGA. Toch leverde deze briefwisseling voor Kuysten niets op.
Een door de BRAC en de IAMV belegde protestmeeting te Tilburg, met als spreker
Bart de Ligt, haalde eveneens weinig uit. Het voorstel voor Tilburg werd gedaan
door de Oisterwijkse dominee Kunst. De IAMV had hem als geestverwant verzocht
in Oisterwijk een zaal te huren. Maar Kunst zou griep gehad hebben waardoor
hij zijn huis niet kon verlaten. Toch vond hij een lokale caféhouder
bereid het achterzaaltje aan de IAMV te verhuren. Maar de meeting werd afgelast.
In een brief aan Kuysten op 22 februari 1924 schreef Kunst dat Verwiel de caféhouder
geen toestemming gegeven had de zaal te verhuren. Kunst stelde de IAMV voor
in Tilburg een plaats te vinden. De Ligt sprak in Tilburg over 'Kerk, Staat
en Persoonlijkheid' en vroeg zijn toehoorders solidair te zijn met Han Kuysten.
Burgemeester Verwiel poogde overigens de bijeenkomst te verhinderen, echter
zonder succes.
Ook kon Kuysten niet rekenen op de steun van de volledige anarchistische beweging.
Zo achtte de anarchist Klaas Blauw alle aandacht voor Kuysten onterecht. Hij
meende dat de BRAC de sociaal-democraten imiteerden door een beroep te doen
op de grondwet. Ook vroeg hij zich af waarom een anarchist zo gaarne een staatsbetrekking
wilde behouden: "Het is maar een burgerlijk gedoetje. Het is wel treurig
gesteld als wij ons nou gaan beroepen op wetten, raden en ministers",
zo praatte hij eigenlijk Verwiel na.
Verwarring over het anarcho-communisme
In de kwestie Kuysten speelden
psychologische factoren, zoals de angst voor 'de rooien', een belangrijke
rol. Het verzet tegen het socialisme werd aangevoerd
door de ambtsbekleders van het katholieke regime. Het Kerkklokje waarschuwde
al sinds haar oprichting (1917) onophoudelijk voor het 'rode gevaar'. Volgens
de clerus niet ten onrechte, want socialistische ideeën vonden in Oisterwijk
met name onder sigarenmakers en protestanten ingang. Maar ook de katholieke
sigarenmakers stonden als 'rood' te boek. Ter bescherming van de gemeenschap
tegen 'het rode gevaar' telde de Oisterwijkse burgerwacht in 1919 nog 429 leden
waarvan er 215 gewapend waren. Effectief was dit peloton beslist niet want
de commandant schreef: "Dit wordt gevoeld door ieder lid dat oefeningen
bijwoont. Er is geen band tussen hen, geen saamhorigheid. Het korps hangt als
droog zand aan elkaar. Er gaat geen kracht vanuit".
Ook de opmerkingen van het katholieke raadslid in De Vrije Samenleving over
zijn sympathie voor Kuystens antimilitaristische stellingname nuanceren het
beeld van een slaafse katholieke bevolking sterk. Mogelijk reageerde de bevolking
zo lauw op de clerus omdat men slechte herinneringen had aan de periode-Huijbers.
Deze autoritaire kapelaan kon op weinig sympathie van de arbeidersbevolking
rekenen.
Anderzijds was de bevolking nauwelijks in politiek geïnteresseerd en was
het lezen van kranten slechts ingeburgerd onder sigarenmakers. Het is bijna
uitgesloten dat een katholieke schoenmaker ooit gehoord had van het religieusanarchisme
of van de BRAC of de IAMV. Ook zou het antimilitarisme in Oisterwijk pas in
de jaren dertig onder socialisten geaccepteerd raken. Merkwaardig genoeg relativeerde
het katholieke dagblad De Maasbode de angst voor het religieusanarchisme op
een behoorlijke wijze: "... den lezers duidelijk te maken, dat men religieuze
anarcho-communisten streng moet onderscheiden van eigenlijke communisten, dat
de eersten eigenlijk meer onschuldige aanhangers zijn van een nieuw soort godsdienst
en dus in de verste verte niet als staatsgevaarlijke elementen zijn aan te
merken".
Ook het Algemeen Handelsblad mengde zich in de discussie: "Van sympathie
voor het anarcho-communisme zal wel niemand ons verdenken, maar de mentaliteit
die een dergelijk ontslag doordrijft (...) is ons stellig nog minder sympathiek".
De auteur was van mening dat een politieke of religieuze overtuiging geen reden
geven mag tot ontslag.
Maar er klonken natuurlijk ook andere geluiden. Een zekere X schreef in het
katholieke dagblad Het Huisgezin: "Wij vragen ons thans af of een bond
of vereeniging (bedoeld wordt de NBGA, ST), die het eene ogenblik voor communisten
in de bres springt, op het andere bij de overheid met succes voor de belangen
der andere leden kan ijveren? (...) Het besluit van het hoofdbestuur (Kuysten
te verdedigen, ST) blijft een blamage voor de vereeniging en een pijnlijke
slag in het aangezicht der vele mannen van trouw, plichtsbesef en orde, die
deze vereeniging moreel en financieel steunden ...".
En zo deed een ieder zijn of haar zegje. Veel steun uit Oisterwijk kreeg Kuysten
zeker niet. Men kende hem nauwelijks, hij woonde in Haaren en fietste in de
weekeinden naar zijn geboortestreek rond Waalwijk. De Centrale Inlichtingen
Dienst kende Kuysten inmiddels wel. Op de lijst van "Hollandsche Revolutionairen" prijkte
voortaan zijn naam. De zaak woekerde nog altijd door; het was inmiddels juni
1924 geworden en de NBGA poogde voor Kuysten nog drie maanden salaris los te
krijgen. Ook dit had geen resultaat. De affaire raakte uiteindelijk bedolven
onder ambtelijke papieren en Kuysten trok zelf zijn conclusies. Zijn ontslag
werd echter door weinig Oisterwijkers opgemerkt.
Overigens zou Han Kuysten later een van de voornaamste voorvechters worden
van het pacifisme in Nederland en een groot criticus van het 'reëel bestaande
socialisme'. Nog in december 1984 kritiseerde hij het autoritaire beleid van
de Sandinisten in Nicaragua jegens de Mesquito-indianen. Hij stierf in Diever
(Drenthe) in 1988.
Ten slotte
Om meerdere redenen is
het zinvol deze geschiedenis op te tekenen. We krijgen een beeld van de wijze
waarop de Oisterwijkse gemeenschap omging met opvattingen
die zij niet huldigde. Om de gemeenschap te vrijwaren van ideeën die niet
correspondeerden met de katholieke moraal voerde de clerus een agressieve politiek
jegens groepen en individuen. Dit autoritaire beleid kon beslist niet op massale
steun rekenen maar bleek uiterst effectief om lastige mensen de mond te snoeren.
De meeste 'heren', zoals Hamers of Verwiel, namen zelden het initiatief tot
het broodroven van Oisterwijkers maar steunden de clerus veelvuldig als zij
een 'ketter' wilden verdrijven. Daarmee werd de 'pax' in het dorp bewaard en
konden de 'heren' op hun beurt afspraken maken met de geestelijkheid. De hier
gebruikte termen, zoals 'ketter' en 'pax', zijn geen verouderde begrippen maar
verwijzen wel degelijk naar de mentaliteit van onze historische personages.
Tevens treft ons vandaag de dag de moed van een kleine gemeenteambtenaar om
de burgemeester en de kapelaan te trotseren in zijn gemeende strijd voor een
betere en rechtvaardige samenleving.
Het anarcho-communisme van Kuysten was vooral een aan de gemoderniseerde samenleving
aangepaste variant van het modernisme dat in protestantse kringen opgang gemaakt
had. De strijd tegen de katholieke gemeenschap werd dan ook met religieuze
argumenten gevoerd en de katholieke clerus reageerde fanatiek tegen deze 'akelige'
denkbeelden. Het volgende citaat van een brief van Kuysten aan zijn ouders
illustreert deze stelling: "In plaats van dat ik vast aangesteld werd
krijg ik met 1 januari ontslag. (...) Nu ben ik Protestantsch opgevoed en het
Protestantisme zit me in merg en been. Voor ons is toch het geweten het hoogste
wat er bestaat. Wij hebben ten aanzien van onze opvattingen - hoe het ook ga,
al hangt je levenspositie er van af - slechts te rekenen met het Goddelijk
Gebod, in dit geval onder andere 'Gij zult niet doodslaan' en 'Heb uw naasten
lief'. Deze geboden zou ik overtreden wanneer ik aan den gestelden eischen
(zijn pacifistische denkbeelden op te geven en zijn boeken te verbranden, ST)
had voldaan. Immers, het militarisme is georganiseerden moord. Ik heb dan ook
geweigerd. En nu kunnen jullie zooiets verkeerd vinden, en krankzinnigenwerk
noemen, mij best. Ik kan het voor mijn geweten echter niet verantwoorden om
anders te doen".
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |