| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1992 Een raadselachtig document.pdf | 16.08.2004 | 94kB | - |
EEN RAADSELACHTIG DOCUMENT OVER DE VRIJMETSELARIJ
Op 4 september 1970 verscheen in het 'Kerkklokje' (Oisterwijks weekblad) een
opmerkelijk artikel dat nu ook in 'De Kleine Meijerij' geplaatst is. Onder
de titel "Een raadselachtig document. Welk is de band tussen de vrijmetselarij
en Oisterwijk?" deed pastoor H. Maas verslag van een speurtocht door
de archieven van de St. Petrusparochie. Hij stuitte hierbij op een document
dat hij omschreef als "een oud vergeeld papier met in oud-Nederlands
de gedrukte vertaling van een brief, die de algemene vergadering der Vrijmetselaars
in het jaar 1535 vanuit Keulen verzond naar haar afdelingen in Europa" (l).
Na een blik te hebben geworpen in de bestaande literatuur over de vrijmetselarij
moest Maas enigszins verbijsterd constateren dat hij steeds minder begreep
van het document. Immers, de boeken leerden hem dat de geschiedenis van de
vrijmetselarij officieel in 1717 een aanvang nam. Dat maakte het document
voor hem 'raadselachtig'.
De kerken en de vrijmetselarij
Op zichzelf is het al een boeiend gegeven dat de priester Maas een serieuze
poging deed de Oisterwijkers een artikel voor te schotelen over het wezen
van de vrijmetselarij. Want maar al te vaak stonden kerken en de klerus argwanend
tegenover de gesloten loges en de tempel-symboliek van dit internationale
genootschap. Ik zal de lezer in dit bestek niet vervelen met een lange uiteenzetting
van het karakter, de doelstellingen en historische achtergronden van de vrijmetselarij.
Alhoewel de historicus W. W. Mijnhardt in 1986 nog sprak van "terra
incognita" (2), toen hij doelde op de volledig verwaarloosde geschiedschrijving
van de vrijmetselarij in Nederland, kan de hedendaagse geschiedschrijver
van de achttiende en negentiende eeuw eigenlijk niet zonder een goed begrip
van dit fenomeen. De wisselwerking tussen de vrijmetselarij en de Nederlandse
cultuur en samenleving is nog weinig onderzocht (3). Het feit dat de vrijmetselarij
in besloten kring plaats vindt, is voor de historicus nog geen rechtvaardiging
haar bestaan volledig te negeren. De beslotenheid enerzijds, en de geringe
historische belangstelling anderzijds hebben in het verleden steeds opnieuw
geleid tot de meest absurde en soms surrealistische vooronderstellingen.
Natuurlijk, door haar 'geheimleer', eigen symbolen, en het exclusieve karakter
van iedere loge, onttrekt de vrijmetselarij zich aan de op de massa gerichte
ideologien van kerken en staten. De loges zijn aldus elitair van opzet, maar
niet verborgen, zodat een ieder toe kan treden. De vrijmetselarij is een
product van de Verlichting en zeer globaal kunnen we sinds de achttiende
eeuw twee richtingen onderscheiden. Een richting waarbij de symboliek, de
riten en ceremonien voorop staan waarbij het ideaal van een sociale moraal
hoog wordt gehouden ('societas'); en daarnaast een tweede meer vrijdenkende
richting waarin het streven naar waarheid, tolerantie en wereldburgerschap
een centrale positie inneent. Maar beide - en eventueel andere - richtingen
bestonden en bestaan steeds naast en door elkaar. De loges of societeiten
bieden de leden geestelijk discussievoedsel onafhankelijk van de kerken en
zo was er gedurende de negentiende eeuw volop ruimte voor wijsgerige debatten.
Het moge echter duidelijk zijn dat de kerken de indruk kregen dat hier in hun vijvers gevist werd. Immers, zij claimden de ware leer omtrent God, mens en samenleving. Kerken, maar ook totalitaire regimes zoals de nationaal-socialisten en communisten hebben steeds opnieuw gepoogd deze besloten verenigingen te verbieden. Zo verbood Franco in 1940 de loges in Spanje omdat opstandigheid, republikeins geweld, misdadigheid en ketterij hier, volgens hem, een perfecte voedingsbodem zouden vinden. Van een staatsgevaarlijk karakter - een tweede verwijt - kan ook nauwelijks sprake zijn geweest. Nog altijd verlangt de 'grondwet' van de Orde dat de leden gehoorzaam zijn aan de wetten van hun land. En bovendien treffen we in de loges van de achttiende en negentiende eeuw 'lieden van stand' aan, zowel uit de adel als uit de gegoede burgerij, die een groot nationaal besef koesterden.
Ook kan het niet zo zijn dat het ongeloof er welig tierde. Uiteraard bestond er in de vorige eeuw opvallend veel aandacht voor een deistisch en pantheïstisch Godsbegrip (4), maar de eerbied voor God, het "Opperwezen" of de "Bouwheer van het heelal" was vaak oprechter en diepzinniger dan die van traditionele gelovigen in de kerken. Het 'combineren van een kerklidmaatschap en het lidmaatschap van een loge was dan ook de gewoonste zaak van de wereld. Een voorbeeldje uit de eigen onderzoekspraktijk; de Middelburgse notaris, dichter en wijsgeer A.F. Siffle (1801-1872) was lid van de gemeenteraad, ouderling in de Hervormde Kerk, vrijmetselaar, en aangesloten bij de vrijdenkers van De Dageraad (5). Met andere woorden, godsdient en vrijmetselarij fungeerden in Middelburg als elkaar aanvullende instellingen. Bovendien eiste het overkoepelende Grootoosten der Nederlanden van haar leden een positiefchristelijke levenshouding waarbij de invulling van het begrip God aan de individuele leden werd overgelaten. Een van de meest kritische loges uit de Nederlandse geschiedenis was de Amsterdamse loge 'Post Nubi!a Lux' (licht na de wolken) waarbinnen een onvervalst materialisme en atheisme verdedigd werd (6). De loge werd opgericht in 1850 maar niet erkend door het Grootoosten. Pas in 1886 zou de loge een offidele status verkrijgen.
Maas heeft dan ook ongelijk als hij stelt dat de pausen de vrijmetselarij veroordeelden omdat zij een anti-kerkelijk karakter zou hebben. Daarbij wijst hij op het anti-klerikalisme in de loges in Frankrijk. Toch werd dit verzet tegen de klerus door de Kerk van Rome zelf geforceerd. De kerken traden in de achttiende eeuw zo ongemeen fel op tegen de vrijmetselarij dat een anti-klerikalisme zich als reactie hecht in de loges wortelde. De invloed van Voltaire - een van de bekendste vrijgeesten - was daar niet vreemd aan. De relaties tussen de vrijmetselarij en de katholieke kerk bleven in Frankrijk bijzonder slecht. De meeste boeken en brochures die tegen de vrijmetselarij zijn gericht werden geschreven door katholieke auteurs. Veelal gaat het hier om triviaalliteratuur en pulp waarbij laster en bedrog als middelen niet geschuwd werden. In zijn artikel "Vrijmetselarij, een eeuwenoud misverstand " (7) schrijft Anton Constandse over het 'merkwaardige geval' Leo Taxil. Dit 'geval' illustreert hoe verward de relaties tussen beide instellingen waren.
Taxil was rooms-katholiek opgevoed, werd vrijmetselaar en later vrijdenker. Hij groeide uit tot een anti-klerikaal van formaat en schreef een aa"ntal anti-godsdienstige geschriften, waaronder de bekende "Bible Amusante", een persiflage op de Heilige Schrift. Maar schijnbaar kreeg Taxi! wroeging en sinds 1885 besloot hij uit naam van het katholieke geloof de vrijmetselarij te gaan bestrijden. Hij legitimeerde zijn strijd door aan te knopen bij de encyclieken van Leo XIII die in "Humanum Genus" waarschuwde tegen de boze geesten die uit naam van de duivel in opstand zouden zijn gekomen tegen God. Volgens Constandse produceerde Taxi! pure fictie en de inhoud van zijn werken moet als onzinnig worden beschouwd. Van zijn boeken gingen echter honderdduizenden exemplaren over de toonbank, en zijn - vooral roomse lezerspubliek smulde van de verhalen over Satan, duivelaanbidders, en Diana Vaughan, de fictieve dochter en minnares van de Opperste Duivel Asmodeus. Nog in 1896 was Taxi! een van de belangrijkste gasten op een anti-vrijmetselaarscongres in Trente en eerder werd hij al onthaald door Leo XIII zelf die in hem een kloeke medestrijder gevonden had. Uiteindelijk werd hij in zijn beweringen steeds ongeloofwaardiger. Om de eer aan zichzelf te houden onthulde hij op 19 apri!1897 in de zaal van het Geografisch Genootschap in Parijs dat hij opzettelijk mysticaties en falsificaties had verspreid. Tevens memoreerde hij dat zijn verkoopsuccessen vooral te danken waren aan de steun van de hoogste geestelijkheid in Frankrijk die alles in het werk stelde de vrijmetselarij in een kwaad daglicht te brengen. Terecht meent Constandse dat ondanks de waanzinnige verhalen van Taxi! de negatieve legenden en mythes omtrent de vrijmetselarij nogmaals wijd verspreid raakten. Ook in Nederland.
Het 'Charter van Keulen'
De informatie die Maas ons verschaft over het 'raadselachtige document' is
beslist behoorlijk. Hij ziet het jaartal 1535 maar tekent daarbij direct
aan dat het document best wel eens jonger zou kunnen zijn: "Ik denk
echter dat het veel jonger is, maar gezien taal, druk en papier moet het
toch minstens 150 jaar zijn". Maas houdt het op een latere herdruk van
een echte brief uit 1535, maar hij moet de lezer het antwoord schuldig blijven.
Ook op zijn tweede vraag krijgt hij geen antwoord: 'hoe komt dit schrijven
in Oisterwijk, en nog wel in de Petrus-kerk terecht?'
Alhoewel ik het document nog niet in mijn handen gehad heb zijn er toch a priori
enkele opmerkingen ten aanzien van dit papier te formuleren. Zowel het jaartal
1535 als de plaats Keulen doen me vermoeden dat het hier gaat om een vertaling
of bewerking van het zogenaamde 'Charter van Keulen' dat eveneens in 1535 opgesteld
zou zijn maar als vervalsing moet worden aangemerkt. Hierover publiceerde de
vrijmetselaar H. van Heuven overigens een artikel dat Maas in 1970 nog niet
gelezen kon hebben (8). Het is trouwens de vraag of Maas wel geinteresseerd
was in de maconnieke literatuur want in zijn artikel in het 'Kerkklokje' baseert
hij zich in eerste instantie op katholieke interpretaties van de vrijmetselarij.
De schrijver A.J. Hanou noemt het 'Charter' het meest geruchtmakende document
uit de geschiedenis van de vrijmetselarij in de Nederlanden. Het zou een bewijs
zijn dat de vrijmetselarij al vroeg in de zestiende eeuw bloeide en aldus over
een lan traditie in Europa beschikte. Met andere woorden, het opstellen van
dergelijke oorkonde diende om de positie van richting of ideologie gewoonlijk
een nieuw graden stelsel - te legitimeren en te versterken naar andere vrijmetselaars
en hun loges. Hierbij gaat het gewoonlijk om opzettelijke falsificaties en
tot ver in de achttiende eeuw was het vervaardigen van dergelijke valse documentatie
niet ongebruikelijk (9). Hanou meent dan ook dat dergelijke activiteiten blijkbaar
niet als immoreel ervaren werden. In zijn biografie over het leven van
dichter, publicist en wijsgeer Johannes Kinker (1764-1845) gaat hij uitvoerig
in op de geheimzinnigheid rondom het Charter, waarmee de kring rondom Kinker
bemoeienissen gehad zou hebben. Het document is opgesteld in een maconniek
kwadraatschrift en weer vertaald naar een Latijnse basistekst, waarin we 'notulen'
aantreffen van de bestuurders van negentien 'mansiones'. Deze ondertekenaars,
allen leden van de broederschap der vrije metselaren, geven te kennen niets
te maken te hebben met de Tempeliers of welke andere geestelijke en wereldlijke
orde dan ook. Tevens merkt men in het Charter op dat de naam 'vrijmetselaar'
pas sinds 1440 in gebruik raakte. Opnieuw liet men zo weten zich te distancieren
van de Tempeliers en andere ordes en werden tegelijkertijd de eigen 'roots'
veiliggesteld.
De paralellen met het document uit het St. Petrus-archief zijn duidelijk aanwezig. Ook in dit document ontkent men de relaties met de Tempeliers. Zo noteerde Maas dat de opstellers van het Charter zich heftig verweren tegen de stelling dat zij de orde der Tempelieren weer op zouden willen richten, dat zij geheime banden met deze zou onderhouden, en dat zij erop uit zouden zijn de nazaten van de Franse vorst ter dood te brengen. In 1308 werd immers de grootmeester van de Tempeliers, Jacques de Molai, op bevel van de Franse koning gedood en de orde ontbonden. De oorkonde is tevens een poging allerlei andere beschuldigingen te ontzenuwen door middel van historisch bewijsmateriaal. Zowel het Charter als 'ons' document tellen negentien ondertekenaars en zowel Maas als Hanou ontcijferden namen als Phillippus Melan(ch)ton. Het moet aldus om zelfde oorkonde gaan. Overigens zijn er slechts afdrukken in omloop; het echte Charter is verdwenen. Uitvoerig wilde men aantonen dat de huidige vereniging zowel in oude tijden als in pet heden bestond en dat andere broederschappen niets met deze vereniging van doen hadden. Maar er is meer. Hanou verklaart dat in een andere paragraafzeer voorzichtig gesteld wordt dat het aanhangen van het christendom niet of nauwelijks een voorwaarde is om tot de broederschap te mogen behoren (10). En dit is een wel erg moderne gedachte. Aan het begin van de negentiende eeuw konden niet-christenen, waaronder joden, soms wel en soms ook niet toetreden tot een loge, afhankelijk van het tolerante en Verlichte karakter van de leden van de loge. Terecht meent Hanou dan ook dat het bijna onmogelijk zou zijn in 1535 een dergelijke stelling te poneren daar het in die dagen zeer gevaarlijk was zich sceptisch ten opzichte van het christendom 'op te stellen.
Het document is dus een vervalsing. Maar wanneer werd het dan wel geschreven? Kenners van de maconnieke bronnen nemen aan dat het inderdaad aan het begin van de negentiende eeuw geschreven en gedrukt moet zijn. Pastoor Maas spreekt van minstens 150 jaar oud en hij zit dan wel zeer goed in de richting. We komen dan op 1820 uit. In het voetspoor van anderen zoekt Hanou de 'vervalser' in de kringen van de maconnieke archieven en wel bij de vrijmetselaar baron d'Yvoy van Mijdrecht, een bekende figuur die veelvuldig als voorzitter optrad en in 1818 archivaris der orde werd. Hij was tevens historicus, vertrouwd met archivalia en hield er de gewoonte op na stukken te verdonkeremanen of aan te passen (11). Maar men neemt niet aan dat hij tevens de opsteller geweest is omdat de tekst een geheel nieuw maconniek programma bevat. Hanou vatte voor alle duidelijkheid dat programma nog eens samen: "Het is deze boodschap: de werkelijke vrijmetselarij is die der drie graden. De meestergraad is daarbij de eigenlijke kerngraad. Wat de meesters aangaat: er zijn uitverkoren en opperuitverkoren meesters. De organisatie is wereldwijd (welk idee versterkt wordt door het benoemen van een 'Patriarch', een functionaris die in 1818 niet bestond). Het doel van de orde is het bevorderen van die zedelijkheid die in alle mensen aanwezig is en het bestrijden van het bijgeloof. Het aanhangen van een godsdienst kan daarmee samengaan; maar het is niet noodzakelijk bijvoorbeeld christen te zijn, al was dat in het verleden soms praktische noodzaak" (12). 'Ons' document zal waarschijnlijk tussen 1815 en 1820 vervaardigd zijn.
Het belang van het document
Alhoewel een nadere analyse van het document zelve nog plaats moet vinden denk
ik dat het St. Petrus-archief een unieke oorkonde in haar bezit heeft. Voor
de geschiedenis van de vrijmetselarij is deze Charter van keulen van grote
waarde. Maar belangrijker is het feit dat de oorkonde bevestigt dat uiterst
vrijzinnige opvattingen over het geloof in God gekoesterd werden, en dat
fundamentele discussies over de grondvesten van het Christendom aan het einde
van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw in hevige mate gevoerd
werden. De druk vanuit de kerken en overheden was echter dermate groot dat
dergelijke debatten 'ondergronds' in de loges dienden plaats te vinden. De
filosofie van Spinoza en Kant had grote invloed op de vrijmetselarij en op
de scepsis ten aanzien van het Goddelijke gezag en de christelijke leerstellingen.
Het Charter is een gedurfde poging de filosofie van de Verlichting onder
het volk te verbreiden. Pas omstreeks 1850, in de loge 'Post Nubila Lux'
en in vrijdenkersvereniging De Dageraad zouden deze discussies weer 'bovengronds'
komen. Aspecten als tolerantie (Spinoza), wereldburgerschap (Kant) en volksopvoeding
stonden centraal in die optiek. Niet langer wenste men aan de leiband van
de kerken en de christelijke moraal te lopen, in de wetenschap dat zedelijkheid
en goed gedrag een natuurlijke en aangeboren kwaliteit is. Een mooi voorbeeld
vormen de activiteiten van de genoemde Johannes Kinker en de Kantiaan - en
tevens vrijmetselaar - Paulus van Hemert (1756-1825) (13). Een ieder die
in deze themathiek geinteresseerd is kan ik het proefschrift van A.J. Hanou
aanraden.
De laatste vraag van pastoor Maas kan ook ik helaas niet beantwoorden: 'Welke is de band tussen de vrijmetselarij en Oisterwijk?' Het antwoord op deze vraag zou het resultaat kunnen zijn van een prachtige lokaal-historische studie naar het doorwerken van ideeen uit de Verlichting in de Kleine Meijerij (14). In de Zuidelijke Nederlanden waren vele loges en het is aldus zeer goed mogelijk dat een of meerdere Oisterwij kers vrijmetselaar waren. Ook zouden we het lidmaatschap van een loge in kerkelijke kringen kunnen zoeken. Immers, het is bekend dat in onze streken ook kanunniken en andere hoge geestelijken deel uitmaakten van de vrijmetselarij. En ook Kinker zelf maakte geruime tijd deel uit van een loge in Luik. Het document waar Maas ons in 1970 op wees is minder raadselachtig geworden, maar zijn vragen zijn nog lang niet beantwoord.
noten
1. H. Maas, Een raadselachtig document. Welk is de band tussen de vrijmetselarij
en Oisterwijk?, in: Kerkklokje
4 september 1970, p. 1-3.
2. W.W. Mijnhardt, De Nederlandse vrijmetselarij in de achttiende eeuw, in:
Documentatieblad Werkgroep achttiende eeuw XVIII/I (1986), p. 87-106.
3. vgl. P.J. van Loo, Geschiedenis van de Orde van Vrijmetselaren onder het
Grootoosten der Nederlanden (Voorburg 1967); Michel Dierickx, De vrijmetselarij.
De grote onbekende 1717-1967 (Antwerpen 1972); B. Croiset van Uchelen, J.J.
Hanrath, P.H. Pott, De beoefening der Koninklijke Kunst in Nederland. Een cultuurgeschiedkundige
platenatlas der vrijmetselarij in Nederland (Den Haag 1971); A.S. Carpentier
Alting, Woordenboek voor vrijmetselaren (Amsterdam 1981); Margaret Jacob, The
Radical Enlightenment. Pantheists, Freemasons and Republicans (Boston 1983).
4. De deist meent dat het geloof in God niet op de openbaring berust, maar
neemt op religieus-wijsgerige gronden aan dat ieder godsgeloof op de Rede gebaseerd
is. Daarom zoekt de deist naar algemeen geldende, voor alle mensen identieke
godsdienstige waarheden ('natuurlijke godsdienst'). Alle andere facetten van
de religie moeten als illusie, onwetendheid"of priesterbedrog beschouwd
worden. God heeft de wereld geschapen en zich daarna teruggetrokken om de natuur
aan haar eigen wetmatigheden over te laten. God heeft geen invloed op het handelen
van de mens. De mens beschikt van nature over een 'zedenwet' en over naastenliefde.
Voor de pantheist vallen God en de wereld (natuur) samen, zij zijn de keerzijden
van hetzelfde 'Al-eene'. God is aldus niet boven de wereld maar in de wereld.
Diezelfde wereld of natuur is geen schepping Gods, maar is eeuwig, net zoals
God eeuwig is. Niet de schepping maar het geschapene staat centraal. In Oisterwijk
vertoonde bijvoorbeeld de mystieke filosofie van Anonyma VIrgo duidelijk pantheistische
trekken; vgl. Siebe Thissen, 'Tegen die verdoolde blinde Lutherse menschen'.
Oisterwijkse mystici tussen orthodoxie en ketterij (1500-1550), in: De Kleine
Meijerij, 1991, p. 82-93, 104-114.
5. vgl. over De Dageraad, deisme en pantheisme, Oene Noordenbos en Piet Spigt,
Atheisme en vrijdenken in de
Nederlanden (Nijmegen 1978).
6. F. Gunst, De onafhankelijke vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux te Amsterdam
(Amsterdam 1884) en H.
Rodermond, De vrijmetselaarsloge 'La Bien Aimee' Amsterdam 1735-1985 (Den Haag
1985), p. 89-90.
7. Anton Constandse, Vrijmetselarij: een eeuwenlang misverstand, in: Het weerbarstige
woord (Amsterdam 1981),
p. 75-181.
8. H. van Heuven, Kanttekeningen bij de geschiedenis van het Charter van Keulen,
in: Thoth 24 (1973), leerling
nummer 2/3, p. 55- 120.
9. A.I. Hanou, Sluiers van [sis. Johannes Kinker als voorvechter van de Verlichting,
in de vrijmetselarij en in andere
Nederlandse genootschappen, 1790-1845.2 dIn. (Deventer 1988), p. 385-400.
10. ibidem
11. ibidem
12. idem, p. 391.
13.vgl. tevens, I. Plat en M.R. Wielema, Paulus van Hemert. Gezag en grenzen
van de menselijke rede (Baarn 1989). 14. Op 11 december 1992 vond te Utrecht
een groot symposium plaats met tal van voordrachten over de invloed van
de Verlichting in Nederland waarbij ook aandacht werd besteed aan lokale ontwikkelingen,
zoals de doorwerking van Verlichte ideeen in preken van predikanten. De dag
werd voorgezeten door prof. W. W. Mijnhardt. Voor meer informatie, M.R. Wielema
(werkgroep Sassen), 010-4523324.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |