Index of /Marginalia/1988 Tussen altaar en wichelroede

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1988 Tussen altaar en wichelroede.pdf   25.01.2004 112kB -

1988

‘Tussen altaar en wichelroede’
Brabant ontkerkelijkt, maar…


De kerken lopen geleidelijk leeg, leegstaande kerkgebouwen worden gesloopt, mopperende priesters lopen door het dorp . In Oisterwijk runt iemand als pastoor Van Dun inmiddels al twee kerken: de Petrusparochie en de Levenskerk. Het lijkt wel crisis. Aan de andere kant horen we euforische verhalen over de ontkerkelijking. Sociaal-democraten en Groenlinksers denken dat het nu eindelijk ernst begint te worden met afbraak van de katholieke regentenmaatschappij en wrijven in hun handen nu Brabant wordt opgestoten in de vaart der volkeren. Maar is het niet te vroeg voor een vreugdedans?

Tijdens de - voor katholieken - glorieuze jaren vijftig kon het kerkelijke regime niet anders dan optimistisch zijn. Het bisdom Den Bosch meende in 1958 nog dat er voor 1980 tenminste tachtig nieuwe kerken gebouwd dienden te worden. Veertien jaar later merkte het Brabants Dagblad op dat het bisdom zich door te veel lege kerken kenmerkte. Ook vandaag zien we dat kerkgebouwen gesloopt worden of een nieuwe bestemming krijgen. Totdat vorig jaar vanuit Rome het dwangbevel kwam dat voormalige kerkgebouwen niet meer gesloopt mogen worden. Ook mag in het Huis Gods geen wereldlijke bijeenkomst meer worden gehouden. Voor Oisterwijk betekent dit onder meer dat het nu afgelopen is met de 'jazz-missen' die de Petruskerk sinds enige tijd organiseerde. De oude kapelaan Huybers zou gejuicht hebben bij het horen van al dit lekkers. Het gaat slecht met 'het geloof' en 'de kerk'. Zo klagen de prelaten in de kranten steen en been over het feit dat de oude centrale posities van de pastoors geleidelijk worden afgebroken. De zeer teleurstellende opkomst van het gelovige publiek tijdens het recente pausbezoek lijkt deze trend te onderschrijven. De pastoors hebben echter al jaren de zondebokken van deze ontwikkeling op de korrel: de gestage industrialisatie van Brabant, met in haar slipstream de verstedelijking, zou de gelovigen uit de kerken trekken.

Toch kunnen deze berichten me niet overtuigen. Immers, kerkbezoek zegt maar heel weinig over de mate van gelovigheid. De Amsterdamse antropoloog Mart Bax voerde onlangs een statistisch onderzoek in Midden-Brabant uit en toevallig was Oisterwijk ook een van de onderzochte gemeenschappen. Uit zijn studie bleek dat de zeven Oisterwijkse parochies tussen 1976 en 1982 geconfronteerd werden met een daling van het kerkbezoek van 4300 bezoekers per week naar 2900. Dat is toch een forse daling. In zes jaar tijd is er een teruggang te constateren van zo'n 33%. Maar wat zegt dit over de religieuze beleving van de Oisterwijkse katholieken? Uit het veldonderzoek van Bax com suis kan geconcludeerd worden dat er weliswaar minder mensen naar de kerk gaan, maar tevens dat de kapellen van kloosters en conventen 's zondags bomvol zitten en ook door de week nog een aantrekkingskracht op gelovigen weten uit te oefenen. Wie op een mooie zondag langs het Trappistenklooster tussen Tilburg en Moergestel fietst ziet met eigen ogen hoe druk het hier kan zijn. Ook het Norbertijnenklooster in Berne trekt volle zalen. Daarnaast blijken bedevaarten aan een herleving toe. Ook processies en heiligenvereringen profiteren van deze ontwikkeling en jaarlijks zwermen zo'n tienduizend Brabanders uit naar de zeventig 'heilige plaatsen' in de provincie.

Het bisdom speelde daar handig op in door onlangs een boekje uit te brengen waarin de diocesane Mariaheiligdommen uitgebreid aan de orde gesteld worden; uiteraard passeert ook de Oisterwijkse 'Onze Lieve Vrouw van Mirakelen ter Linden' de spirituele revue. Bax' cijfers betreffende het kapelbezoek in Oisterwijk spreken boekdelen: in de door hem onderzochte vijf kapellen telde hij in 1976 nog honderd bezoekers, terwijl dit aantal in 1982 al tot bijna twaalfhonderd was toegenomen. We mogen aannemen dat deze trend zich anno 1988 nog doorzet. Kunnen we nog wel spreken van een terugtredende rol van de religie?

In progressieve kringen bestaat voortdurend de neiging een zeer beperkte visie te ventileren op de Kerk als instituut. Hierbij ziet men over het hoofd dat er steeds een interne concurrentiestrijd heeft bestaan tussen de diocesane (seculiere) geestelijkheid en de monastieke (reguliere) geestelijkheid. Deze laatste valt niet onder de verantwoordelijkheid van de bisschop maar onder deze of gene internationale kloosterorde. Hun 'zielzorg' is vaak van een andere orde (onderwijs, ziekenzorg, bejaardenhulp etc.) maar toch hebben zij dezelfde bevoegdheden als de 'gewone' seculiere priesters: zij mogen dopen, de biecht horen, de eucharistie verzorgen, trouwen en stervenden een laatste sacrament toedienen. De pater en de priester zijn niet altijd elkaars beste kameraden. Naast de mannelijke regulieren zijn er ook talloze vrouwelijke kloosters en conventen. Deze vrouwen zijn echter niet gerechtigd priesterlijke taken te vervullen en ook voor het ontvangen van de sacramenten blijken zij afhankelijk van hun mannelijke tegenhangers. Al eeuwen wedijveren seculieren en regulieren om hun klandizie: het gelovige volk. Tot ver in de negentiende eeuw werd Brabant gedomineerd door ordegeestelijken. Deze trokken vaak rond, doopten en hoorden de biecht, en verzorgden zieke mensen en dieren. Velen waren uiterst geliefd bij de agrarische bevolking. De ordegeestelijkheid kon bovendien floreren omdat het toenmalige - protestantse - gezag geen katholieke bisdommen toestond.

Omstreeks het midden van de vorige eeuw werden de bisdommen echter in ere hersteld; enerzijds om de eenheid in het land te bevorderen, anderzijds omdat Thorbecke dankzij de steun van de katholieken - het 'Papothorbeckianisme' - zijn liberale overwinning wilde behalen. Dankzij deze ontwikkeling konden de bisschoppen hun diocesane netwerken opnieuw opzetten en dit nieuwe regime kreeg in de loop van de twintigste eeuw steeds verder gestalte (denk hier ook aan het eerder genoemde optimisme in 1958). De bisschoppen poogden uiteraard hun nieuw verworven positie niet alleen te handhaven, maar zelfs uit te breiden. Zo installeerde men soms fanatieke kapelaans om dit proces te forceren. In Oisterwijk werd kapelaan Huybers aan het begin van deze eeuw aangesteld om de bevolking in de kerkelijke hiërarchie te loodsen.

Maar de grootste bedreiging school voor de bisschoppen toch in de ordegeestelijkheid. Men meende dat monniken en fraters 'de gekheid en kwezelarij' onder de bevolking zouden bevorderen. Populaire devoties, bedevaarten, Mariavereringen en processies werden aan banden gelegd en vieringen op 'Heilige Plaatsen' werden zoveel mogelijk tegengegaan. Het volk diende immers in de kerk samen te komen en niet op allerlei zelfgekozen plekken. Zo kreeg Oisterwijk met de bouw van de Petruskerk aan het begin van deze eeuw een heuse Mariakapel waardoor de Mariadevotie voortaan binnen het domein van de kerk diende plaats te vinden. We zouden hier met Foucault van disciplinering kunnen spreken.

Tot ver in de jaren vijftig wist het diocesane regime vanuit Den Bosch de touwtjes stevig in handen te houden. Toch namen in de jaren zestig de spanningen snel toe en brokkelde het instituut wat af. Kloosterroepingen en seminarieaanmeldingen liepen terug en onder de plattelandselite openbaarde zich een groeiend antiklerikalisme. Zowel gemeentebesturen als bijvoorbeeld katholieke vakbonden kregen genoeg van hun herderlijke adviseurs. Deze emancipatorische beweging gaf ook uitdrukking aan een nieuwe lekenbeweging. Een lokaal voorbeeld vinden we in de Levenskerk, opgericht in de roerige jaren zestig, die nog altijd voor een aanzienlijk deel draait op vrijwilligers: progressieve katholieke en zelfs niet-katholieke gelovigen. Deze nieuwe leken beschouwen oude geloofsgebruiken zoals bedevaarten en heiligenvereringen als achterhaald en bepleiten een liturgische versobering. Maar mindergeëmancipeerden, die wellicht minder door het moderniseringsproces getroffen werden, bleken zich steeds minder in hun 'sobere' kerken thuis te voelen. Zo verkoos menig oudere Oisterwijker de 'traditionele' Johanneskerk boven de 'oecumenische' Levenskerk. Maar een ander gevolg was dat ook de reguliere geestelijkheid weer in het zicht kwam. De ordegeestelijken zijn gewoonlijk graag bereid priesterlijke taken op zich te nemen omdat men in de loop van de eeuw al veel taken was kwijtgeraakt aan de seculieren. Dit monastieke regime maakt vandaag een duidelijke hausse door in Brabant; het kerkbezoek daalt en de 'heilige missen' in kloosters verheugen zich in een toenemende populariteit. Volgens sommige diocesane prelaten wordt Brabant weer een 'missiegebied' en de Petruskerk voelt zich vandaag gedwongen de poorten op slot te houden, omdat vandalisme en diefstal aan de orde van de dag zijn, zo deelden Platel en Van Zoest in een leuk en boeiend boekje mede.

Volgens een eveneens aardig werkje van Johan van Uffelen zijn ook de volksgenezers en wonderdoeners weer terug in Brabant. De Brabantse volkscultuur is nog altijd rijk aan geneeswijzen die nooit door de officiële geneeskunde konden worden uitgebannen. Een vriend van me bezoekt nog altijd zijn over gaven beschikkende oom voordat hij een dokter opzoekt; mijn zusje liet haar wratten weghalen door een familievriend (een zogenaamde 'overlezer'); en een van mijn atletiekleerlingen is momenteel in de leer bij zijn oma, die hem 'lezen', 'bidden' en 'bezweren' bijbrengt. Maar naast de genoemde lezers kennen we uiteraard ook de strijkers, knijpers, roedelopers, gebedsgenezers, formulebezweerders en talloze andere helers. Wat voor de geschiedenis van 'het gewone volk' geldt - namelijk dat zij weinig tot niets van hun kennis aan het papier hebben toevertrouwd - geldt in het bijzonder voor de helers die een verborgen leven leidden. Zij werden en worden 'geschoold' door de eigen familie of kloosterorde en haalden hun kennis zelden uit boeken of scholen. De volksgeneeskunde omvat alle geneeswijzen die mensen op eigen initiatief toepassen: niet de studie, maar de intuïtie en de ervaring zijn van doorslaggevend belang in deze traditie. Zo blijken er honderden remedies en praktijken die gewoonlijk ook nog eens sterk regionaal gekleurd zijn. Volksgeneeskunde is niet hetzelfde als homeopathie of alternatieve geneeskunde, en ook mogen we het geen bijgeloof noemen. Immers, zowel de helers als de raadplegers vertrouwen zeer intens op God omdat bij ziekte de menselijke hulp nu eenmaal tekort schiet.

Magie was en is een integraal onderdeel van het leven van alledag. In het verleden werd aan kruiden, drankjes, relieken, gebeden, formules en voortekenen een grote kracht toegekend, een kracht die de mens kon helpen in tijden van nood. We kunnen hier denken aan misoogsten, ziekte, dood, angsten en wat al niet meer. Vaak kende een gemeenschap een of meerdere volksgenezers die door hun dorpelingen met graagte geraadpleegd werden. Uiteraard hadden deze genezers veel concurrentie, niet alleen van de 'officiële' artsen, maar ook van de katholieke kerk. De kerk kende immers haar eigen rites en vormen van magie. Zo mopperde een priester ooit: 'Bij moeilijkheden, ziektes en dood wenden de Brabanders zich liever tot een magiër dan tot God'. Maar op zijn beurt stimuleerde diezelfde kerk natuurlijk weer de magie onder he volk. Veel priesters blonken uit in het prevelen van onverstaanbare Latijnse gebeden en spreuken die in de ogen van de gelovigen toch op onvervalste toverformules leken. Deze wederzijdse bevruchting kwam vooral in bezweringen tot uiting, bijvoorbeeld in de bezwering van 'windpens' bij koeien die te Nieuwkuijk werd opgetekend:

Ik noem in Gods naam en in de Heiligen Geest,
dat deze zwart rode beest van deze windpens,
niet berst of te berste valt,
en dat die wind verdwijnt door Gods kracht en almogendheid,
in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.

In zijn boekje over de Brabantse helers heeft Van Uffelen zich niet willen afvragen of de bezweringen ook daadwerkelijk helpen. Hij wilde slechts een beeld schetsen van de volksgeneeskunde. Niet alle wonderdoeners bleken in Brabant even succesvol. Aan het begin van deze eeuw was de rondtrekkende Amerikaanse dokter Charles Davenport hier uiterst populair. Hij werd ook wel Sequah genoemd en in een grote circustent kon men de meester voor tien cent aanschouwen. Ook waren er liedjes in omloop en Van Uffelen vond te Tilburg een tekst uit 1895:

Heb je kromme benen,
jicht of reumatiek,
ga dan naar Sequah henen,
die geneest je met muziek.

Aanvankelijk bleek Sequah's roem groot, maar al ras bleek dat niet iedereen tevreden was over deze wonderdoener in zijn circustent. Op dezelfde melodie werd enkele jaren later reeds een nieuwe tekst gezongen:

Sequah is gekomen,
wat heeft hij gedaan?
De dubbeltjes meegenomen
en de krommen laten staan.

De klanten van een wonderdoener waren dus niet zo onkritisch. Maar terwijl Sequah uiteindelijk moest afnokken, bleek 'Nulandse Marie' grote successen te boeken. Zij leeft nog altijd en Van Uffelen bezocht haar. Marie's vader had al ooit van de pastoor te horen gekregen: 'Driek, jullie Marie, doar stikt veul meer achter'. Als kind bleek ze al over gaven te beschikken: ze kon bloedende wonden laten stoppen; genas stijve paardenbenen; hielp epileptici hun rijbewijzen te halen; en genas brandwonden in een mum van tijd. Maar het meest gespecialiseerd bleek Nulandse Marie in haar hulp bij examenangst. Zo werd ze volgens eigen zeggen ooit bezocht door een Oisterwijkse academicus die moest promoveren en lijdde aan knikkende knieen: 'Want de mense moake d'r eigen ziek. De dokters hebben veul geleerd, mar ze weten half nog niet we de zenuwen kunnen aonrichten'.

Ex-groenteboer Jos Kiviets uit Vlijmen weet alles van aambeien. Hij zaait tot op de dag van vandaag radijsachtige witte knolletjes die hij na enige tijd uit de grond rukt en in pastic zakjes doet. In dat zakje prikt hij kleine gaatjes, 'want de krachten moeten er natuurlijk wel uit kunnen'. Het geteisterde slachtoffer draagt het zakje vervolgens enige weken in zijn broekzak waardoor de aambeien in de kiem gesmoord worden en nooit meer terugkeren. Volgens Kiviets werken de knolletjes beter dan een operatie, 'want die laat de wortels zitten'.

Maar naast voorvallen, gebeurtenissen en portretten kijkt Van Uffelen ook in de medicijnenkast van onze grootouders. Hij vond veel remedies op problemen, waaronder de volgende:

- beddezeiken: een muis in vet braden en daarna opeten;
- een dolle hondebeet: het beest slachten en een stuk van zijn lever eten;
- jicht: een levende kikker in de onderbroek naaien en hem hier laten sterven;
- stijve nek of ledematen: insmeren met reuzel en nootmuskaat;
- migraine: een koperen cent op het voorhoofd plakken;
- slechte adem: de eigen urine opdrinken;
- tandpijn bij babies: een levend gevangen mol in een zakje om de nek hangen;
- wratten: langs het lijk van een mens strijken;
- zweren: gruis van een mensenknook mengen met melk of water en opdrinken.

Van Uffelen had nooit de intentie een boek te schrijven. Als verslaggever van het Brabants Dagblad schreef hij een stukje over regionale geneeswijzen waarop een enorme stroom brieven en telefoontjes de redactie bereikte: de volksgeneeskunst bleek nog altijd zeer vitaal. Helaas ging de auteur niet in op vragen die bij de lezer opborrelen: waarom stierven bepaalde gebruiken uit en bleven andere terugkeren? Waarom is de ene regio vatbaarder voor wonderdoeners dan een andere? Bestaan er typisch stedelijke en typisch rurale gebruiken?
In ieder geval tonen Bax en Van Uffelen aan dat de Brabantse atheïst wellicht te vroeg begonnen is aan zijn vreugdedans. De teruggang van het kerkbezoek is mogelijk niet de uitdrukking van een afnemende religiositeit, maar wellicht een vitale uitdrukking van een onderdrukte religieuze volkscultuur.

* Mart Bax, Terug naar de donkere tijden?, in: Rooijakkers & Van der Zee, Religieuze Volkscultuur: de spanning tussen de voorgeschreven orde en de geleefde praktijk (SUN Nijmegen 1986);
* Ineke Platel & Peter van Zoest, Steek dan voor mij ook een kaarsje op! De Maria-Heiligdommen in Brabant (Bisdom Den Bosch 1987);
* Johan van Uffelen, Helers en Heiligen. Volsgenezers en wonderdoeners in Brabant (Gooi & Sticht Hilversum 1989).


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -