| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| Hoofdstuk 5.pdf | 13.03.2004 | 67kB | - |
DE HUIFKAR IS DE SIGAAR: 1940-1945
ECONOMISCHE MISERE
In het eerste hoofdstuk gaven we een overzicht van de sociaal-economische
situatie van De Huifkar tot 1940. We zagen dat de hele bedrijfstak in de loop
van de jaren dertig sterk achteruitging. Vooral voor Hamers kwam deze klap
hard aan: het rokende publiek zat krap bij kas en vroeg om goedkope sigaartjes
en om sigaretten. In beide producten was Hamers uitermate zwak.
Het kantoor van de fabriek, geleid door boekhouder De Haan, was in 1939 al
zeer negatief. De Haan achtte het onverantwoordelijk om volgens het oude 'Huifkar-recept'
door te gaan. Ook de accountant van de firma stelde een algehele reorganisatie
van het management voor. Daarnaast, zo meende accountant Hoogerwerf, diende
Hamers zijn aandelen voor 90% af te voeren (1). De verliezen van De Huifkar
bedroegen in januari 1940 zo'n fl. 90.000,- terwijl het werkelijk tekort al
bijna opgelopen was tot fl. 200.000,- (2). Bij de oprichting van de N.V. bezat
Hamers 40% van alle aandelen persoonlijk. In 1940 bezat Hamers 13% van de preferente
aandelen (die aandelen waarop men als eerste recht heeft op uitbetaling bij
liquidatie). Van de gewone aandelen bezat hij nog de helft, maar die waren
niet veel meer waard (3). Vandaar dat de accountant een groot gedeelte wenste
af te voeren. De oorlog stond deze reorganisatie in de weg.
De situatie was in 1940 uiterst zorgelijk. Al in 1935 zag Hamers zich genoodzaakt
zijn procuratiehouder Van Zon te ontslaan. Niet lang daarna was chef Izaak
Braadbaart eenzelfde lot beschoren (4). Voor de fabrikant zelf was de situatie
om van te huilen. Hij gaf toe volledig aan de grond te zitten. Daarbij zorgde
de oorlogstoestand in Europa voor exportbelemmerende factoren. De Huifkarsigaren
leken ten dode opgeschreven.
Ook voor het personeel waren de tijden slecht. De oudere sigarenmakers zagen
hun jongere collega's naar elders vertrekken, voor zichzelf beginnen of naar
de lederfabriek gaan. Begin 1940 waren er nog slechts zo'n 40 sigarenmakers
actief, een schril contrast met tien jaar eerder toen Hamers nog 120 sigarenmakers
in dienst had. Oisterwijkse sigarenmakers werden geconfronteerd met structurele
werkloosheid. De arbeiders werkten dan ook geen hele weken meer. Werkweken
van 2 a 3 dagen waren heel normaal (5). De sociaal-democratische sigarenmaker
Jantje Werts bezocht in 1939 voor de Oisterwijkse afdeling de jaarvergadering
van de moderne bond in Amsterdam. Tekenend is dat al zijn opmerkingen de werkloosheidsproblematiek
betroffen (6).
VAN KONINGSSIGAAR TOT OFFICIERSSIGAAR
Toen Nederland in mei 1940 capituleerde zag het land er plots heel anders
uit. De bezetter dwong het bedrijfsleven tot vergaande aanpassingen en wijzigingen.
De verschillende bedrijfstakken trachtten zo goed en zo kwaad als het kon te
handhaven wat er te handhaven viel. Zo was de tabaksbranche niet meer in staat
dezelfde voorraad tabak op de Nederlandse markt te krijgen als voorheen. Moeizaam
kwam de tabak in Nederland aan. Een ander probleem dat zich voordeed was de
distributie. Om het 'rantsoen' tabak zo eerlijk mogelijk te verdelen functioneerde
het 'Rijksbureau voor Tabak en Tabaksprodukten' (RBTT) in Den Haag. Het bureau
had inzicht in de aan Nederland geleverde tabak en droeg zorg voor de kwantitatieve
en kwalitatieve verspreiding van de tabak over de fabrieken. Voorop stond dat
alle fabrieken in gelijke mate konden beschikken over hoeveelheid en kwaliteit.
In ruil voor deze afspraak dienden alle fabrieken een deel van hun productie
te bestemmen voor de Duitse Wehrmacht. Het ging hierbij om sigaren van de goedkoopste
soort. In deze zin konden de fabrieken zich niet schuldig maken aan economische
collaboratie en bleef de Nederlandse markt voor de Nederlandse fabrieken. Men
zag dit als een aanvaardbare oplossing.
Ook De Huifkar werd onder toezicht van de Vakgroep Sigarenindustrie van het
RBTT geplaatst en diende sigaren te maken voor de Wehrmacht. De fabriek kon
dus gewoon doorgaan met produceren. De arbeiders in Oisterwijk reageerden opgelucht.
In juni 1940 plaatsten Oisterwijkse sigarenmakers het volgende optimistische
bericht in De Sigarenmaker (7):
"Bij de NV De Huifkar is de arbeid hervat. Ongeveer 60% van de vooroorlogse
productie wordt hier weer vervaardigd. Wij zijn ervan overtuigd dat het de NV
zal gelukken tot verdere uitbreiding te geraken, in het belang van de onderneming
en de arbeiders beide. De afdeling functioneert normaal".
Het bericht lijkt te doelen op een fraai stukje samenwerking tussen de werkgever
en werknemers. Toch bleek het personeel nog niet op de hoogte te zijn van Hamers'
plannen. Inderdaad zou Hamers de NV in korte tijd tot uitbreiding brengen,
zij het op ongewone wijze.
De bezetting kwam Hamers aanvankelijk zeer slecht uit. Nog erger dan voorheen
sloot de buitenlandse markt zich af. Daarnaast reserveerde het RBTT voor De
Huifkar zo'n karig deel, zo meende Hamers, dat een klassieke Huifkarsigaar
niet meer rendabel geproduceerd kon worden. Volgens de Oisterwijkse fabrikant
diende De Huifkar zich zo te verlagen tot de simpele produktie van goedkope
eenheidssigaren voor de Duitse Wehrmacht. Deze situatie stemde Hamers zeer
kwaad. Onmiddellijk na deze kennisgeving zocht hij contact met twee andere
grote ondernemingen, Willem II en Karel I. Hamers stelde voor om samen onder
de verdeling van het RBTT uit te komen. Beide bedrijven wilden hier echter
niets van weten. Een geïrriteerde Hamers verliet daarop zijn collega-fabrikanten
en wendde zich rechtstreeks tot de Duitse instanties (8).
Alphonse Hamers was allereerst koopman en zakenman. Van politiek wilde hij
niets weten en het was hem om het even van wie hij de tabak betrok. In juni
1940 richtte Hamers zich schriftelijk tot Goring in Berlijn. Bij wijze van
presentatie stuurde hij 500 sigaren mee. Goring bleek als sigarenliefhebber
onder de indruk van de Huifkarsigaren. Vlak daarop zond Hamers nog eens 37.500
sigaren naar Duitsland (9). Onmiddellijk verleende Goring Hamers bijzondere
volmachten waardoor De Huifkar niet langer afhankelijk was van het RBTT. Om
problemen in Nederland te voorkomen stuurde Hamers ook aan Seyss-Inquart 30.000
sigaren. Daarnaast werden locale en regionale Duitse instanties ruim van sigaren
voorzien. Zo rookte de Tilburgse Grune Polizei gratis Huifkarsigaren, evenals
de Nederlandse NSDAP en in Oisterwijk gelegerde soldaten (10).
Voor De Huifkar leverde het heel wat op. Hamers kon weer alle tabak bestellen
die hij wenste. De fabrikant legitimeerde zijn aanpak door te wijzen op het
bombardement van Rotterdam. Duitse vliegtuigen hadden daar zijn tabaksopslagplaats
in puin gelegd. De Duitsers konden nu alles terugbetalen (11). Hamers liet
er geen gras over groeien en hield de contacten warm. Regelmatig reisde hij
tussen Oisterwijk en Berlijn. Op 15 oktober dineerde hij met Goring. Hamers
overhandigde hem daarbij een fraaie assortimentskist en er werden afspraken
gemaakt over een speciale 'Goring-sigaar'. Nogmaals beloofde Goring dat Hamers
bij de tabaksleveranties geen problemen zou ondervinden (12).
Enkele weken eerder deed een belangrijke Duitse delegatie onder leiding van
minister Fischbock De Huifkar al aan. Hamers bood de minister zijn befaamde
'cognac-sigaar' aan. Aan een showtafel werkten drie van Hamers' beste sigarenmakers
voor de Duitse gasten. Het waren Horvers, Van de Wiel en Marie Verhoeven (13).
Voor Hamers leken weer gouden tijden aan te breken. Eindelijk kon hij weer
kwaliteitssigaren produceren met alle hoogstaande ontmoetingen die erbij hoorden.
Een nieuwe markt bleek te bestaan uit Duitse topofficieren. Aan generaal Christiansen,
de Duitse opperbevelhebber in Nederland, schonk Hamers een prachtige kist met
een in het deksel gegraveerde tekst: "12 dec. 1879 - 12 dec. 1940" (14).
We mogen aannemen dat het voor de verjaardag van de generaal bestemd was.
Door te produceren voor officieren werd De Huifkar vrijgesteld van de verplichte
productie voor de Wehrmacht. Hamers produceerde echter wel voor de Wehrmacht,
maar op lucratieve wijze. Al voor de oorlog had Hamers een grote voorraad sigaretten
'omgebouwd' tot kleine sigaartjes die Hamers 'Deligarettes' doopte. In augustus
1942 bijvoorbeeld bestelde de Wehrmacht 1 miljoen stuks bij De Huifkar (15).
Als in de goede oude tijd produceerde De Huifkar weer sigaren voor de Europese
elite. Tsaren en koningen hadden plaatsgemaakt voor nazieofficieren. Zijn goede
relaties met de Duitsers leidden ertoe dat officieren in de villa werden ingekwartierd.
Zo verbleven onder andere 'leutnant' Hackbart (1940-41), Dr. Morgenroth (1940-42),
Dr. Hallewachs (1940-41) en H. Tannen (1942-43) in Oisterwijk (16). In 1942
en 1943 stuurde Hamers nieuwjaarstelegrammen naar Goring om de handelscontacten
te onderstrepen (17). Ook bezocht de fabrikant regelmatig Duitse en nationaal-socialistische
instanties en mensen, zoals Seyss-Inquart, om zakelijke afspraken te maken.
Het kostte hem overigens autoladingen aan sigaren, maar Hamers had het er graag
voor over.
DE HUIFKAR MAAKT WEER WINST
De werkwijze van Hamers mocht dan voor zijn bedrijf een succesformule blijken,
de Nederlandse tabaksbranche was woedend. De woede kwam vooral van het RBTT
dat zich gepasseerd voelde. Men achtte het ronduit onbehoorlijk dat De Huifkar
kon beschikken over tabak die eigenlijk aan andere fabrieken toebehoorde. Tussen
mei 1940 en november 1941 had Hamers en Co 121% meer tabak gekregen dan waar
men eigenlijk recht op had. Maar de verontwaardiging was het grootst over het
feit dat onder Duitse dwang (op bevel van generaal Christiansen) fijne tabak
bij andere fabrieken werd weggehaald voor De Huifkar (18). De Vakgroep Sigarenindustrie
van het RBTT besloot in maart 1943 De Huifkar te sluiten. De firma Hamers en
Co had teveel afspraken en fatsoensnormen overschreden en diende aan banden
gelegd te worden. Op 24 maart werd Hamers op de hoogte gebracht. Hij zond onmiddellijk
een schrijven aan Goring waarin hij vroeg of deze persoonlijk wilde bemiddelen
(19). Het resultaat was dat De Huifkar gewoon open bleef. Uiteraard had het
RBTT geen goed woord meer voor Hamers over.
De verkoop van sigaren aan Duitsland stelde Hamers in ieder geval in staat
zijn bedrijf en zijn privé-leven weer in oude staat te herstellen en
zelfs uit te breiden. Onderstaande tabel geeft een overzicht van Hamers' leveranties
aan Duitsland in vergelijking met de produktie voor de Nederlandse markt:
TABEL 8
EXPORT VAN HUIFKARSIGAREN NAAR DUITSLAND IN VERGELIJKING MET DE NEDERLANDSE
AFZET (1940-1944) IN PERCENTAGES
| tijdstip | Duitsland | Nederland |
| 1 mei 1940 | 1% | 99% |
| 1 mei 1941 | 40% | 60% |
| 1 mei 1942 | 80% | 20% |
| 1 mei 1943 | 98% | 2% |
| 1 mei 1944 | 99% | 1% |
BRON: Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging van het Ministerie van Justitie, dossier Alphonse Hamers, dossier 1
Tussen 1940 en 1944 kon Hamers op kosten van de N.V. de hele inboedel van
de villa vernieuwen en de tuin moderniseren (20). Ook betaalde Hamers met sigaren.
De 'rokertjes' waren immers een gewild betaalmiddel, niet alleen bij de Duitsers
maar ook bij de Oisterwijkers. Zo betaalde Hamers in 1942 zijn rekeningen bij
bakker C. van Beckhoven voor een deel in sigaren (21). Maar ook andere zaken
werden met sigaren gekocht. Zo kocht de familie Hamers in 1942 en 1943 onder
andere vijf kisten jenever, 60 flessen whisky, drie dozen Bols, een koffer
schnaps, 400 Griekse sigaretten, 100 flessen sterke drank, 1300 flessen wijn,
franse cognac, drie ton kolen, koffie, champagne, zeep, thee, suiker, duivenvoer,
koekjes, sardines, eieren, vlees etc. etc.; genoeg om een feestje te geven
(22).
Natuurlijk speelde in belangrijke mate het feit mee dat in de villa Duitse
officieren verbleven aan wie het aan niets diende te ontbreken. Maar Hamers
exploreerde zijn hobby ook: de geslonken wijnkelder kon opnieuw op peil gebracht
worden. In maart 1944 lagen er weer zo'n 2400 flessen wijn op de consument
te wachten (23).
De enorme schulden die Hamers in 1939 nog had waren binnen anderhalf jaar omgezet
in stevige winsten. Lag het totale vermogen van de N.V. in 1940 nog op fl.
186.300,-, in 1945 bedroeg dat vermogen fl. 376.000,-. In 1944 bijvoorbeeld
boekte Hamers en Co een winst van bijna fl. 50.000,-! Daarbij zag Hamers zijn
privé-vermogen met bijna 800% (!) toenemen tot zo'n fl. 393.417,- in
1945. Handig pakte de fabrikant het beheer over zijn geld aan. In de oorlogsjaren
was Hamers namelijk ook president-commissaris van de Noordzeebank. Hij gokte
op Duitse economische successen en zette zijn geld om in Reichsmarken.
In 1945 had de fabrikant alle aandelen van de firma opgekocht. Ook de aandelen
van zijn gedoodverfde opvolger, Joop Liesker, nam Hamers over (24). Alphonse
Hamers was onbeperkt heer en meester over De Huifkar, die sterker leek dan
ooit tevoren.
HET TIJ KEERT
In 1943 moest Hamers constateren dat hij tot over zijn oren in de problemen
was geraakt. De vele contacten met Duitsers waren meer dan alleen zakelijk.
De Duitse elite hield regelmatig orgies en Hamers was daar vaak bij aanwezig.
Ook in de Oisterwijkse villa vonden grote feesten plaats die door de bevolking
als zeer ergerlijk werden beschouwd.
Voor elk diner op de villa maakten enkele sigarenmakers speciale 'diner-sigaren'.
Een zo'n sigarenmaker was Nelis Coeleveld (25). Het ging er na het diner stevig
aan toe: eten was er volop en meestal ontaardde het diner in een braspartij
waarbij de alcohol overvloedig stroomde. Vanuit hotel Bosch en Ven werd twee
tot drie keer per week een extra ober gehuurd voor bedieningswerk in de villa
(26). Ook trok Hamers met zijn chauffeur het hele land door. Ladingen sigaren
gingen mee. Vaak werd er 's avonds gefeest. Zo vonden orgieachtige taferelen
plaats in Krasnapolsky en het Amstelhotel in Amsterdam. Het personeel van het
laatste hotel ergerde zich mateloos aan Hamers (27).
Alphonse Hamers had de wederopbouw van zijn geliefde Huifkar volledig gebouwd
op feestjes en informele bijeenkomsten waar met sigaren zaken gedaan werden.
Steeds verder raakte hij verstrikt in het web van officieren en Duits-gezinde
zakenlieden. Er was geen weg terug meer. Hij moet dat in 1943 pijnlijk geconstateerd
hebben. Inmiddels had Hamers zoveel relaties opgebouwd, zowel Duitse als Nederlandse,
dat hij verplichtingen had aan beide partijen. Nederlanders deden meermalen
een beroep op deze invloedrijke zakenman om via hem te trachten deportaties
of arrestaties te voorkomen. Hamers' bemoeienis om de joodse directeur van
de Noordzeebank, Epstein, voor deportatie te behoeden is daar een voorbeeld
van (28). Ook andere gevallen van bemiddeling zijn bekend, maar over het algemeen
dateren deze uit 1943 en 1944 als Hamers andere inzichten krijgt. Of in termen
van zijn neef Joop Liesker: "In de loop van de bezetting veranderde Hamers
van tactiek om te redden wat er te redden viel" (29).
In oktober 1944 zag Hamers dat de oorlog ten einde liep. In een rode-kruis
auto reed hij naar Oisterwijk om nog te halen wat er te halen viel: geld en
sigaren (30). Volgens enkele Oisterwijkers had hij het plan opgevat uit te
wijken naar Zwitserland. Maar Hamers overtuigde de politieke politie later
ervan dat hij zwaar ziek was en in Zwitserland een sanatorium wilde bezoeken
(31).
De toestand zag er al geruime tijd daarvoor kritiek uit voor de Duitse bezetter.
In Oisterwijk leidde er dat al in 1943 toe dat de Duitsers bewaking instelden
bij belangrijk geachte gebouwen (zoals het gemeentehuis), om deze te beveiligen
tegen sabotageacties. Vanaf 8 april 1943 werd ook De Huifkar bewaakt. Vele
Oisterwijkse jongeren fungeerden een tijdlang samen met de nachtwaker van Hamers,
Denis, als bewakers. Een zekere Antoon Huijbers was aangesteld als controleur.
In zijn rapportages schreef hij verbeten over de laksheid en ongemotiveerdheid
van de jongeren. Telkens moest hij nieuwe bewakers zoeken omdat de oude bewakers
hem te kennen gaven dat "ze hun schoenen niet voor De Huifkar konden verslijten" (32).
De Huifkar bleef achter in een sfeer van anarchie. Tijdens deze chaos verscheen
Joop Liesker weer op het toneel. Deze uiterst naieve en drankzuchtige man was
juist ontslagen uit het ziekenhuis van Haarlem. Hij zat daar voor een alcoholontwenningskuur
(33). Op aanraden van zijn oom Alphonse nam hij de zaken op De Huifkar waar.
Dit gaf de nodige problemen. Uit protest namen De Haan en chef Nico Braadbaart
op staande voet ontslag. Onder het korte bewind van Liesker (september?oktober
1944) werden de fabriek en de villa volledig geplunderd: sigaren, geld, materiaal,
tabak etc. Zowel de Duitsers, als het Oisterwijkse verzet, als de dubieuze
Oisterwijkse politie bleken geïnteresseerd in de bezittingen van De Huifkar,
die waren immers toch op oorlogswinsten gebouwd (34).
Na de bevrijding werden Alphonse en Alida Hamers en Joop Liesker gearresteerd
op verdenking van collaboratie met de vijand. Hierop volgden arrest en huisarrest.
De onderzoeken duurden in totaal zo'n vijf jaar. Zowel Hamers als Liesker verdedigden
zich door te stellen dat alle informele bijeenkomsten met Duitsers een diplomatiek
karakter hadden. Men had steeds getracht als goede Nederlanders landgenoten
uit Duitse handen te krijgen. Door De Huifkar sterk te houden konden arbeiders
in Oisterwijk blijven werken. Maar hun argumenten werden nauwelijks in acht
genomen. De argumenten van andere Oisterwijkers wogen waarschijnlijk zwaarder.
Liesker werd zelfs als "zeer pro-Duits" op 8 november 1944 naar het
kamp Vught vervoerd (35). De familie Hamers kreeg geruime tijd huisarrest en
werd voorlopig uitgesloten van het kiesrecht (36).
Gedurende de oorlog was Hamers beslist niet pro-nazi. Ook is van antisemitisme
geen enkel spoor gebleken en openlijk verfoeide hij de NSB. Vraagtekens zijn
wel te plaatsen bij zijn financiële steun (fl. 600,-) aan de winterhulp
en de frontzorg (37). Alle getuigenverklaringen in de procesverbalen na de
bevrijding wijzen op Hamers' a-politieke houding. Hij zou zich volledig hebben
laten leiden door zijn koopman's geest. De fabrikant zag geen reden niet met
de Duitsers in zee te gaan; zij behoorden immers al voor de oorlog tot zijn
afnemers. Oisterwijkse notabelen meenden dat Hamers op naïeve wijze zijn
zaakjes geregeld had. Maar veel personeelsleden van De Huifkar dachten er anders
over. Men zag in Hamers een profiteur die zichzelf volvrat en voor zijn arbeiders
niet een sigaartje overhad (38).
HET LAATSTE DECENNIUM
Het Militair Gezag ontnam Hamers alle bevoegdheden inzake
De Huifkar en de tabaksbranche als zodanig. Op 9 november 1944 werd de fabriek
overgenomen door
de Tilburger Mr. H. Scheidelaar en door voormalig boekhouder De Haan. Scheidelaar
fungeerde, als 'oude rot in het vak', waarschijnlijk als adviseur. Hij zat
al lang in de sigarenindustrie. In 1899 was hij als jonge compagnon van de
firma M. de Lang & Co uit Hilvarenbeek in het nieuws gekomen. Scheidelaar
ontsloeg toen het gehele personeel van die fabriek vanwege het lidmaatschap
van de moderne bond (39).
De sigarenmakers zelf hielden zich na de bevrijding opvallend rustig. Zij hadden
natuurlijk gewerkt op een fabriek waarvan de reputatie danig was afgenomen.
Socialistische sigarenmakers, ook veelal actief in de Oisterwijkse ondergrondse,
voelden zich verscheurd door verraad waarvan hun kameraad Willem Brugman het
slachtoffer geworden was. De affaire drukte het dagelijkse leven op De Huifkar
blijkbaar naar de achtergrond. De katholieke sigarenmakers hadden er op hun
jaarvergadering in 1945 ook geen oog voor. Men dankte liever de leden die tijdens
de bezetting de katholieke organisatie trouw waren gebleven. Daarna ging men
snel over naar de besprekingen van de lonen en de vakanties (40).
Op 10 januari 1946 ging de fabriek definitief naar De Haan, die op 28 januari
1948 dan ook tot directeur werd benoemd. De "zaak Hamers" was toen
afgerond. De Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven ontzegde Hamers
het recht op leidinggevende functies in de tabaksbranche voor twee jaren, ingaande
per maart 1947 (41).
Ook onder de nieuwe directeur H. de Haan bleven de gemoederen op De Huifkar
kommervol. Het personeel leek voorgoed in twee kampen te zijn ingedeeld: in
voor- en tegenstanders van De Haan en Hamers. Zij die meenden dat Hamers onterecht
gestraft was verweten De Haan een zwak leiderschap. Anderen die Hamers collaboratie
nagaven complimenteerden De Haan als nieuwe directeur. De controverse deed
de sfeer op de fabriek geen goed.
In mei 1950 kwam Hamers weer op De Huifkar terug en werd als vanouds directeur
van de fabriek. Maar veel viel er niet meer van te maken. De firma was al fors
ingekrompen en alleen fabriek II (bij de villa) functioneerde nog. Daarbinnen
vond het hele productieproces plaats. Nog maar ongeveer 25, vooral oudere sigarenmakers,
verdienden daar hun brood (42). De voornaamste chef was Jan Huijgers die controleerde
en de tabak verdeelde.
Na de dood van Hamers in 1952 nam Alida Hamers-Holdtgrefe het bedrijf onder
haar hoede. Maar zij ontbeerde alle kennis omtrent de bedrijfsvoering. Ook
haar tweede man, de Rus Munninghoff, zag niet veel heil in het openhouden van
De Huifkar. Interim-directeur De Haan en Munninghoff lagen elkaar niet echt.
Op 1 november 1952 was er in de villa nog feest gevierd ter gelegenheid van
het feit dat De Haan 35 jaar in dienst was bij De Huifkar. Ook Het Kerkklokje
was erbij om De Haan te feliciteren met zijn jubileum (43). Doordat het de
Munninghoff's ontbrak aan kennis van het vak en De Haan op een zijspoor kwam,
bleef De Huifkar achter als een verdorde plant. Zoals gezegd geloofden Munninghoff
en Alida niet meer aan een wederopstanding. Men koos voor liquidatie en de
rechten werden verkocht. De gemeente nam later de gebouwen van De Huifkar over
om er onder meer de gemeentelijke administratie in te vestigen. Behalve in
de herinnering van veel Oisterwijkers doen nog enkele kleine aanwijzingen (denk
aan de inscripties op het pand van Coenraad) denken aan de sigarennijverheid.
In het klassieke Huifkarverhaal zou de dood van Hamers het einde betekend hebben
van de eens zo succesvolle fabriek. Alphonse nam immers de recepten met zijn
dood het graf mee in. Maar De Huifkar stierf al een eerdere dood. De fabriek
overleefde de crisis van de jaren dertig niet echt. De periode van de tweede
wereldoorlog was slechts uitstel van executie. De Duitse elite was de laatste
strohalm waaraan Hamers zich vastklampte om de wederopstanding van zijn sigaren
en zijn status te bewerkstelligen. Het bleek een illusie. Zowel de oorlog als
de na?oorlogse periode getuigen meedogenloos van de tragische ondergang van
de ooit zo beroemde fabriek: de N.V. Nederlandsche Sigarenfabriek 'De Huifkar',
Hamers en Co, Oisterwijk.
| info@siebethissen.net | - | - | - |