Index of /Marginalia/1988 De Huifkar/Hoofdstuk 5

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
Hoofdstuk 5.pdf   13.03.2004 67kB -

HOOFDSTUK 5

DE HUIFKAR IS DE SIGAAR: 1940-1945


ECONOMISCHE MISERE

In het eerste hoofdstuk gaven we een overzicht van de sociaal-economische situatie van De Huifkar tot 1940. We zagen dat de hele bedrijfstak in de loop van de jaren dertig sterk achteruitging. Vooral voor Hamers kwam deze klap hard aan: het rokende publiek zat krap bij kas en vroeg om goedkope sigaartjes en om sigaretten. In beide producten was Hamers uitermate zwak.
Het kantoor van de fabriek, geleid door boekhouder De Haan, was in 1939 al zeer negatief. De Haan achtte het onverantwoordelijk om volgens het oude 'Huifkar-recept' door te gaan. Ook de accountant van de firma stelde een algehele reorganisatie van het management voor. Daarnaast, zo meende accountant Hoogerwerf, diende Hamers zijn aandelen voor 90% af te voeren (1). De verliezen van De Huifkar bedroegen in januari 1940 zo'n fl. 90.000,- terwijl het werkelijk tekort al bijna opgelopen was tot fl. 200.000,- (2). Bij de oprichting van de N.V. bezat Hamers 40% van alle aandelen persoonlijk. In 1940 bezat Hamers 13% van de preferente aandelen (die aandelen waarop men als eerste recht heeft op uitbetaling bij liquidatie). Van de gewone aandelen bezat hij nog de helft, maar die waren niet veel meer waard (3). Vandaar dat de accountant een groot gedeelte wenste af te voeren. De oorlog stond deze reorganisatie in de weg.
De situatie was in 1940 uiterst zorgelijk. Al in 1935 zag Hamers zich genoodzaakt zijn procuratiehouder Van Zon te ontslaan. Niet lang daarna was chef Izaak Braadbaart eenzelfde lot beschoren (4). Voor de fabrikant zelf was de situatie om van te huilen. Hij gaf toe volledig aan de grond te zitten. Daarbij zorgde de oorlogstoestand in Europa voor exportbelemmerende factoren. De Huifkarsigaren leken ten dode opgeschreven.
Ook voor het personeel waren de tijden slecht. De oudere sigarenmakers zagen hun jongere collega's naar elders vertrekken, voor zichzelf beginnen of naar de lederfabriek gaan. Begin 1940 waren er nog slechts zo'n 40 sigarenmakers actief, een schril contrast met tien jaar eerder toen Hamers nog 120 sigarenmakers in dienst had. Oisterwijkse sigarenmakers werden geconfronteerd met structurele werkloosheid. De arbeiders werkten dan ook geen hele weken meer. Werkweken van 2 a 3 dagen waren heel normaal (5). De sociaal-democratische sigarenmaker Jantje Werts bezocht in 1939 voor de Oisterwijkse afdeling de jaarvergadering van de moderne bond in Amsterdam. Tekenend is dat al zijn opmerkingen de werkloosheidsproblematiek betroffen (6).

VAN KONINGSSIGAAR TOT OFFICIERSSIGAAR

Toen Nederland in mei 1940 capituleerde zag het land er plots heel anders uit. De bezetter dwong het bedrijfsleven tot vergaande aanpassingen en wijzigingen. De verschillende bedrijfstakken trachtten zo goed en zo kwaad als het kon te handhaven wat er te handhaven viel. Zo was de tabaksbranche niet meer in staat dezelfde voorraad tabak op de Nederlandse markt te krijgen als voorheen. Moeizaam kwam de tabak in Nederland aan. Een ander probleem dat zich voordeed was de distributie. Om het 'rantsoen' tabak zo eerlijk mogelijk te verdelen functioneerde het 'Rijksbureau voor Tabak en Tabaksprodukten' (RBTT) in Den Haag. Het bureau had inzicht in de aan Nederland geleverde tabak en droeg zorg voor de kwantitatieve en kwalitatieve verspreiding van de tabak over de fabrieken. Voorop stond dat alle fabrieken in gelijke mate konden beschikken over hoeveelheid en kwaliteit. In ruil voor deze afspraak dienden alle fabrieken een deel van hun productie te bestemmen voor de Duitse Wehrmacht. Het ging hierbij om sigaren van de goedkoopste soort. In deze zin konden de fabrieken zich niet schuldig maken aan economische collaboratie en bleef de Nederlandse markt voor de Nederlandse fabrieken. Men zag dit als een aanvaardbare oplossing.
Ook De Huifkar werd onder toezicht van de Vakgroep Sigarenindustrie van het RBTT geplaatst en diende sigaren te maken voor de Wehrmacht. De fabriek kon dus gewoon doorgaan met produceren. De arbeiders in Oisterwijk reageerden opgelucht. In juni 1940 plaatsten Oisterwijkse sigarenmakers het volgende optimistische bericht in De Sigarenmaker (7):
"Bij de NV De Huifkar is de arbeid hervat. Ongeveer 60% van de vooroorlogse productie wordt hier weer vervaardigd. Wij zijn ervan overtuigd dat het de NV zal gelukken tot verdere uitbreiding te geraken, in het belang van de onderneming en de arbeiders beide. De afdeling functioneert normaal".
Het bericht lijkt te doelen op een fraai stukje samenwerking tussen de werkgever en werknemers. Toch bleek het personeel nog niet op de hoogte te zijn van Hamers' plannen. Inderdaad zou Hamers de NV in korte tijd tot uitbreiding brengen, zij het op ongewone wijze.
De bezetting kwam Hamers aanvankelijk zeer slecht uit. Nog erger dan voorheen sloot de buitenlandse markt zich af. Daarnaast reserveerde het RBTT voor De Huifkar zo'n karig deel, zo meende Hamers, dat een klassieke Huifkarsigaar niet meer rendabel geproduceerd kon worden. Volgens de Oisterwijkse fabrikant diende De Huifkar zich zo te verlagen tot de simpele produktie van goedkope eenheidssigaren voor de Duitse Wehrmacht. Deze situatie stemde Hamers zeer kwaad. Onmiddellijk na deze kennisgeving zocht hij contact met twee andere grote ondernemingen, Willem II en Karel I. Hamers stelde voor om samen onder de verdeling van het RBTT uit te komen. Beide bedrijven wilden hier echter niets van weten. Een geïrriteerde Hamers verliet daarop zijn collega-fabrikanten en wendde zich rechtstreeks tot de Duitse instanties (8).
Alphonse Hamers was allereerst koopman en zakenman. Van politiek wilde hij niets weten en het was hem om het even van wie hij de tabak betrok. In juni 1940 richtte Hamers zich schriftelijk tot Goring in Berlijn. Bij wijze van presentatie stuurde hij 500 sigaren mee. Goring bleek als sigarenliefhebber onder de indruk van de Huifkarsigaren. Vlak daarop zond Hamers nog eens 37.500 sigaren naar Duitsland (9). Onmiddellijk verleende Goring Hamers bijzondere volmachten waardoor De Huifkar niet langer afhankelijk was van het RBTT. Om problemen in Nederland te voorkomen stuurde Hamers ook aan Seyss-Inquart 30.000 sigaren. Daarnaast werden locale en regionale Duitse instanties ruim van sigaren voorzien. Zo rookte de Tilburgse Grune Polizei gratis Huifkarsigaren, evenals de Nederlandse NSDAP en in Oisterwijk gelegerde soldaten (10).
Voor De Huifkar leverde het heel wat op. Hamers kon weer alle tabak bestellen die hij wenste. De fabrikant legitimeerde zijn aanpak door te wijzen op het bombardement van Rotterdam. Duitse vliegtuigen hadden daar zijn tabaksopslagplaats in puin gelegd. De Duitsers konden nu alles terugbetalen (11). Hamers liet er geen gras over groeien en hield de contacten warm. Regelmatig reisde hij tussen Oisterwijk en Berlijn. Op 15 oktober dineerde hij met Goring. Hamers overhandigde hem daarbij een fraaie assortimentskist en er werden afspraken gemaakt over een speciale 'Goring-sigaar'. Nogmaals beloofde Goring dat Hamers bij de tabaksleveranties geen problemen zou ondervinden (12).
Enkele weken eerder deed een belangrijke Duitse delegatie onder leiding van minister Fischbock De Huifkar al aan. Hamers bood de minister zijn befaamde 'cognac-sigaar' aan. Aan een showtafel werkten drie van Hamers' beste sigarenmakers voor de Duitse gasten. Het waren Horvers, Van de Wiel en Marie Verhoeven (13).
Voor Hamers leken weer gouden tijden aan te breken. Eindelijk kon hij weer kwaliteitssigaren produceren met alle hoogstaande ontmoetingen die erbij hoorden. Een nieuwe markt bleek te bestaan uit Duitse topofficieren. Aan generaal Christiansen, de Duitse opperbevelhebber in Nederland, schonk Hamers een prachtige kist met een in het deksel gegraveerde tekst: "12 dec. 1879 - 12 dec. 1940" (14). We mogen aannemen dat het voor de verjaardag van de generaal bestemd was.
Door te produceren voor officieren werd De Huifkar vrijgesteld van de verplichte productie voor de Wehrmacht. Hamers produceerde echter wel voor de Wehrmacht, maar op lucratieve wijze. Al voor de oorlog had Hamers een grote voorraad sigaretten 'omgebouwd' tot kleine sigaartjes die Hamers 'Deligarettes' doopte. In augustus 1942 bijvoorbeeld bestelde de Wehrmacht 1 miljoen stuks bij De Huifkar (15).
Als in de goede oude tijd produceerde De Huifkar weer sigaren voor de Europese elite. Tsaren en koningen hadden plaatsgemaakt voor nazieofficieren. Zijn goede relaties met de Duitsers leidden ertoe dat officieren in de villa werden ingekwartierd. Zo verbleven onder andere 'leutnant' Hackbart (1940-41), Dr. Morgenroth (1940-42), Dr. Hallewachs (1940-41) en H. Tannen (1942-43) in Oisterwijk (16). In 1942 en 1943 stuurde Hamers nieuwjaarstelegrammen naar Goring om de handelscontacten te onderstrepen (17). Ook bezocht de fabrikant regelmatig Duitse en nationaal-socialistische instanties en mensen, zoals Seyss-Inquart, om zakelijke afspraken te maken. Het kostte hem overigens autoladingen aan sigaren, maar Hamers had het er graag voor over.

DE HUIFKAR MAAKT WEER WINST

De werkwijze van Hamers mocht dan voor zijn bedrijf een succesformule blijken, de Nederlandse tabaksbranche was woedend. De woede kwam vooral van het RBTT dat zich gepasseerd voelde. Men achtte het ronduit onbehoorlijk dat De Huifkar kon beschikken over tabak die eigenlijk aan andere fabrieken toebehoorde. Tussen mei 1940 en november 1941 had Hamers en Co 121% meer tabak gekregen dan waar men eigenlijk recht op had. Maar de verontwaardiging was het grootst over het feit dat onder Duitse dwang (op bevel van generaal Christiansen) fijne tabak bij andere fabrieken werd weggehaald voor De Huifkar (18). De Vakgroep Sigarenindustrie van het RBTT besloot in maart 1943 De Huifkar te sluiten. De firma Hamers en Co had teveel afspraken en fatsoensnormen overschreden en diende aan banden gelegd te worden. Op 24 maart werd Hamers op de hoogte gebracht. Hij zond onmiddellijk een schrijven aan Goring waarin hij vroeg of deze persoonlijk wilde bemiddelen (19). Het resultaat was dat De Huifkar gewoon open bleef. Uiteraard had het RBTT geen goed woord meer voor Hamers over.
De verkoop van sigaren aan Duitsland stelde Hamers in ieder geval in staat zijn bedrijf en zijn privé-leven weer in oude staat te herstellen en zelfs uit te breiden. Onderstaande tabel geeft een overzicht van Hamers' leveranties aan Duitsland in vergelijking met de produktie voor de Nederlandse markt:

TABEL 8
EXPORT VAN HUIFKARSIGAREN NAAR DUITSLAND IN VERGELIJKING MET DE NEDERLANDSE AFZET (1940-1944) IN PERCENTAGES

tijdstip Duitsland Nederland
1 mei 1940 1% 99%
1 mei 1941 40% 60%
1 mei 1942 80% 20%
1 mei 1943 98% 2%
1 mei 1944 99% 1%

BRON: Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging van het Ministerie van Justitie, dossier Alphonse Hamers, dossier 1

Tussen 1940 en 1944 kon Hamers op kosten van de N.V. de hele inboedel van de villa vernieuwen en de tuin moderniseren (20). Ook betaalde Hamers met sigaren. De 'rokertjes' waren immers een gewild betaalmiddel, niet alleen bij de Duitsers maar ook bij de Oisterwijkers. Zo betaalde Hamers in 1942 zijn rekeningen bij bakker C. van Beckhoven voor een deel in sigaren (21). Maar ook andere zaken werden met sigaren gekocht. Zo kocht de familie Hamers in 1942 en 1943 onder andere vijf kisten jenever, 60 flessen whisky, drie dozen Bols, een koffer schnaps, 400 Griekse sigaretten, 100 flessen sterke drank, 1300 flessen wijn, franse cognac, drie ton kolen, koffie, champagne, zeep, thee, suiker, duivenvoer, koekjes, sardines, eieren, vlees etc. etc.; genoeg om een feestje te geven (22).
Natuurlijk speelde in belangrijke mate het feit mee dat in de villa Duitse officieren verbleven aan wie het aan niets diende te ontbreken. Maar Hamers exploreerde zijn hobby ook: de geslonken wijnkelder kon opnieuw op peil gebracht worden. In maart 1944 lagen er weer zo'n 2400 flessen wijn op de consument te wachten (23).
De enorme schulden die Hamers in 1939 nog had waren binnen anderhalf jaar omgezet in stevige winsten. Lag het totale vermogen van de N.V. in 1940 nog op fl. 186.300,-, in 1945 bedroeg dat vermogen fl. 376.000,-. In 1944 bijvoorbeeld boekte Hamers en Co een winst van bijna fl. 50.000,-! Daarbij zag Hamers zijn privé-vermogen met bijna 800% (!) toenemen tot zo'n fl. 393.417,- in 1945. Handig pakte de fabrikant het beheer over zijn geld aan. In de oorlogsjaren was Hamers namelijk ook president-commissaris van de Noordzeebank. Hij gokte op Duitse economische successen en zette zijn geld om in Reichsmarken.
In 1945 had de fabrikant alle aandelen van de firma opgekocht. Ook de aandelen van zijn gedoodverfde opvolger, Joop Liesker, nam Hamers over (24). Alphonse Hamers was onbeperkt heer en meester over De Huifkar, die sterker leek dan ooit tevoren.

HET TIJ KEERT

In 1943 moest Hamers constateren dat hij tot over zijn oren in de problemen was geraakt. De vele contacten met Duitsers waren meer dan alleen zakelijk. De Duitse elite hield regelmatig orgies en Hamers was daar vaak bij aanwezig. Ook in de Oisterwijkse villa vonden grote feesten plaats die door de bevolking als zeer ergerlijk werden beschouwd.
Voor elk diner op de villa maakten enkele sigarenmakers speciale 'diner-sigaren'. Een zo'n sigarenmaker was Nelis Coeleveld (25). Het ging er na het diner stevig aan toe: eten was er volop en meestal ontaardde het diner in een braspartij waarbij de alcohol overvloedig stroomde. Vanuit hotel Bosch en Ven werd twee tot drie keer per week een extra ober gehuurd voor bedieningswerk in de villa (26). Ook trok Hamers met zijn chauffeur het hele land door. Ladingen sigaren gingen mee. Vaak werd er 's avonds gefeest. Zo vonden orgieachtige taferelen plaats in Krasnapolsky en het Amstelhotel in Amsterdam. Het personeel van het laatste hotel ergerde zich mateloos aan Hamers (27).
Alphonse Hamers had de wederopbouw van zijn geliefde Huifkar volledig gebouwd op feestjes en informele bijeenkomsten waar met sigaren zaken gedaan werden. Steeds verder raakte hij verstrikt in het web van officieren en Duits-gezinde zakenlieden. Er was geen weg terug meer. Hij moet dat in 1943 pijnlijk geconstateerd hebben. Inmiddels had Hamers zoveel relaties opgebouwd, zowel Duitse als Nederlandse, dat hij verplichtingen had aan beide partijen. Nederlanders deden meermalen een beroep op deze invloedrijke zakenman om via hem te trachten deportaties of arrestaties te voorkomen. Hamers' bemoeienis om de joodse directeur van de Noordzeebank, Epstein, voor deportatie te behoeden is daar een voorbeeld van (28). Ook andere gevallen van bemiddeling zijn bekend, maar over het algemeen dateren deze uit 1943 en 1944 als Hamers andere inzichten krijgt. Of in termen van zijn neef Joop Liesker: "In de loop van de bezetting veranderde Hamers van tactiek om te redden wat er te redden viel" (29).
In oktober 1944 zag Hamers dat de oorlog ten einde liep. In een rode-kruis auto reed hij naar Oisterwijk om nog te halen wat er te halen viel: geld en sigaren (30). Volgens enkele Oisterwijkers had hij het plan opgevat uit te wijken naar Zwitserland. Maar Hamers overtuigde de politieke politie later ervan dat hij zwaar ziek was en in Zwitserland een sanatorium wilde bezoeken (31).
De toestand zag er al geruime tijd daarvoor kritiek uit voor de Duitse bezetter. In Oisterwijk leidde er dat al in 1943 toe dat de Duitsers bewaking instelden bij belangrijk geachte gebouwen (zoals het gemeentehuis), om deze te beveiligen tegen sabotageacties. Vanaf 8 april 1943 werd ook De Huifkar bewaakt. Vele Oisterwijkse jongeren fungeerden een tijdlang samen met de nachtwaker van Hamers, Denis, als bewakers. Een zekere Antoon Huijbers was aangesteld als controleur. In zijn rapportages schreef hij verbeten over de laksheid en ongemotiveerdheid van de jongeren. Telkens moest hij nieuwe bewakers zoeken omdat de oude bewakers hem te kennen gaven dat "ze hun schoenen niet voor De Huifkar konden verslijten" (32).
De Huifkar bleef achter in een sfeer van anarchie. Tijdens deze chaos verscheen Joop Liesker weer op het toneel. Deze uiterst naieve en drankzuchtige man was juist ontslagen uit het ziekenhuis van Haarlem. Hij zat daar voor een alcoholontwenningskuur (33). Op aanraden van zijn oom Alphonse nam hij de zaken op De Huifkar waar. Dit gaf de nodige problemen. Uit protest namen De Haan en chef Nico Braadbaart op staande voet ontslag. Onder het korte bewind van Liesker (september?oktober 1944) werden de fabriek en de villa volledig geplunderd: sigaren, geld, materiaal, tabak etc. Zowel de Duitsers, als het Oisterwijkse verzet, als de dubieuze Oisterwijkse politie bleken geïnteresseerd in de bezittingen van De Huifkar, die waren immers toch op oorlogswinsten gebouwd (34).
Na de bevrijding werden Alphonse en Alida Hamers en Joop Liesker gearresteerd op verdenking van collaboratie met de vijand. Hierop volgden arrest en huisarrest. De onderzoeken duurden in totaal zo'n vijf jaar. Zowel Hamers als Liesker verdedigden zich door te stellen dat alle informele bijeenkomsten met Duitsers een diplomatiek karakter hadden. Men had steeds getracht als goede Nederlanders landgenoten uit Duitse handen te krijgen. Door De Huifkar sterk te houden konden arbeiders in Oisterwijk blijven werken. Maar hun argumenten werden nauwelijks in acht genomen. De argumenten van andere Oisterwijkers wogen waarschijnlijk zwaarder. Liesker werd zelfs als "zeer pro-Duits" op 8 november 1944 naar het kamp Vught vervoerd (35). De familie Hamers kreeg geruime tijd huisarrest en werd voorlopig uitgesloten van het kiesrecht (36).
Gedurende de oorlog was Hamers beslist niet pro-nazi. Ook is van antisemitisme geen enkel spoor gebleken en openlijk verfoeide hij de NSB. Vraagtekens zijn wel te plaatsen bij zijn financiële steun (fl. 600,-) aan de winterhulp en de frontzorg (37). Alle getuigenverklaringen in de procesverbalen na de bevrijding wijzen op Hamers' a-politieke houding. Hij zou zich volledig hebben laten leiden door zijn koopman's geest. De fabrikant zag geen reden niet met de Duitsers in zee te gaan; zij behoorden immers al voor de oorlog tot zijn afnemers. Oisterwijkse notabelen meenden dat Hamers op naïeve wijze zijn zaakjes geregeld had. Maar veel personeelsleden van De Huifkar dachten er anders over. Men zag in Hamers een profiteur die zichzelf volvrat en voor zijn arbeiders niet een sigaartje overhad (38).

HET LAATSTE DECENNIUM

Het Militair Gezag ontnam Hamers alle bevoegdheden inzake De Huifkar en de tabaksbranche als zodanig. Op 9 november 1944 werd de fabriek overgenomen door de Tilburger Mr. H. Scheidelaar en door voormalig boekhouder De Haan. Scheidelaar fungeerde, als 'oude rot in het vak', waarschijnlijk als adviseur. Hij zat al lang in de sigarenindustrie. In 1899 was hij als jonge compagnon van de firma M. de Lang & Co uit Hilvarenbeek in het nieuws gekomen. Scheidelaar ontsloeg toen het gehele personeel van die fabriek vanwege het lidmaatschap van de moderne bond (39).
De sigarenmakers zelf hielden zich na de bevrijding opvallend rustig. Zij hadden natuurlijk gewerkt op een fabriek waarvan de reputatie danig was afgenomen. Socialistische sigarenmakers, ook veelal actief in de Oisterwijkse ondergrondse, voelden zich verscheurd door verraad waarvan hun kameraad Willem Brugman het slachtoffer geworden was. De affaire drukte het dagelijkse leven op De Huifkar blijkbaar naar de achtergrond. De katholieke sigarenmakers hadden er op hun jaarvergadering in 1945 ook geen oog voor. Men dankte liever de leden die tijdens de bezetting de katholieke organisatie trouw waren gebleven. Daarna ging men snel over naar de besprekingen van de lonen en de vakanties (40).
Op 10 januari 1946 ging de fabriek definitief naar De Haan, die op 28 januari 1948 dan ook tot directeur werd benoemd. De "zaak Hamers" was toen afgerond. De Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven ontzegde Hamers het recht op leidinggevende functies in de tabaksbranche voor twee jaren, ingaande per maart 1947 (41).
Ook onder de nieuwe directeur H. de Haan bleven de gemoederen op De Huifkar kommervol. Het personeel leek voorgoed in twee kampen te zijn ingedeeld: in voor- en tegenstanders van De Haan en Hamers. Zij die meenden dat Hamers onterecht gestraft was verweten De Haan een zwak leiderschap. Anderen die Hamers collaboratie nagaven complimenteerden De Haan als nieuwe directeur. De controverse deed de sfeer op de fabriek geen goed.
In mei 1950 kwam Hamers weer op De Huifkar terug en werd als vanouds directeur van de fabriek. Maar veel viel er niet meer van te maken. De firma was al fors ingekrompen en alleen fabriek II (bij de villa) functioneerde nog. Daarbinnen vond het hele productieproces plaats. Nog maar ongeveer 25, vooral oudere sigarenmakers, verdienden daar hun brood (42). De voornaamste chef was Jan Huijgers die controleerde en de tabak verdeelde.
Na de dood van Hamers in 1952 nam Alida Hamers-Holdtgrefe het bedrijf onder haar hoede. Maar zij ontbeerde alle kennis omtrent de bedrijfsvoering. Ook haar tweede man, de Rus Munninghoff, zag niet veel heil in het openhouden van De Huifkar. Interim-directeur De Haan en Munninghoff lagen elkaar niet echt. Op 1 november 1952 was er in de villa nog feest gevierd ter gelegenheid van het feit dat De Haan 35 jaar in dienst was bij De Huifkar. Ook Het Kerkklokje was erbij om De Haan te feliciteren met zijn jubileum (43). Doordat het de Munninghoff's ontbrak aan kennis van het vak en De Haan op een zijspoor kwam, bleef De Huifkar achter als een verdorde plant. Zoals gezegd geloofden Munninghoff en Alida niet meer aan een wederopstanding. Men koos voor liquidatie en de rechten werden verkocht. De gemeente nam later de gebouwen van De Huifkar over om er onder meer de gemeentelijke administratie in te vestigen. Behalve in de herinnering van veel Oisterwijkers doen nog enkele kleine aanwijzingen (denk aan de inscripties op het pand van Coenraad) denken aan de sigarennijverheid.
In het klassieke Huifkarverhaal zou de dood van Hamers het einde betekend hebben van de eens zo succesvolle fabriek. Alphonse nam immers de recepten met zijn dood het graf mee in. Maar De Huifkar stierf al een eerdere dood. De fabriek overleefde de crisis van de jaren dertig niet echt. De periode van de tweede wereldoorlog was slechts uitstel van executie. De Duitse elite was de laatste strohalm waaraan Hamers zich vastklampte om de wederopstanding van zijn sigaren en zijn status te bewerkstelligen. Het bleek een illusie. Zowel de oorlog als de na?oorlogse periode getuigen meedogenloos van de tragische ondergang van de ooit zo beroemde fabriek: de N.V. Nederlandsche Sigarenfabriek 'De Huifkar', Hamers en Co, Oisterwijk.


info@siebethissen.net   - - -