Index of /Marginalia/1988 De Huifkar/Hoofdstuk 3

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
Hoofdstuk 3.pdf   13.03.2004 75kB -

HOOFDSTUK 3

SIGAREN MAKEN OP DE HUIFKAR

DE TABAK

De tabaksplant is een van oorsprong tropische plant, die goed groeit in een luchtige, vrij zure bodem. De beste tabak komt dan ook van vulkanische gronden, zoals bijvoorbeeld die uit Deli op Sumatra (1). Ongeveer twee maanden nadat het tabakszaad in de grond is geplant, worden de onderste bladeren rijp. Zij krijgen een gele kleur en krullen om waarna ze geplukt worden. De tabaksbladeren worden gedroogd op een natuurlijke wijze of boven vuur. Dit wordt het fermentatieproces genoemd. De bladeren krijgen doordat ze opeengestapeld worden geur en kleur.
De firma Hamers en Co betrok haar tabak uit Indonesië via de Deli-Batavia Maatschappij (2). Hamers kocht persoonlijk de tabak voor zijn fabriek in. De tabak werd in Rotterdam opgeslagen en daarna in partijen vervoerd naar Oisterwijk. De tabak kwam op de fabriek aan in rieten matten. Voordat deze bewerkt kon worden moest hij eerst bevochtigd worden omdat de bladeren anders zouden breken. Dit gebeurde door de magazijnmeester of door de chef van de sigarenfabriek, Gerrit Oud.

SIGAREN MAKEN

Een sigaar bestaat uit drie delen: het binnengoed (samengesteld uit vrij kleine stukjes tabaksplant), het omblad (dit blad moet het binnengoed bij elkaar houden) en het dekblad (dit vormt het buitenste blad van de sigaar). Voor het dekblad wordt de beste tabak gebruikt omdat het dekblad het uiterlijk van de sigaar bepaalt. Het binnengoed moet vooral goed branden en geurig zijn omdat het in belangrijke mate bepalend is voor de smaak van de sigaar. Het omblad moet stevig zijn en mag geen gaten vertonen omdat het immers de verpakking vormt voor het binnengoed.

STRIPPEN

De vochtige tabak wordt eerst gestript: men haalt de hoofdnerf uit de tabaksbladeren. Dit was vooral vrouwenwerk en geschiedde tot 1920 met de hand. In Oisterwijk bleef het ook daarna handarbeid. Het tabakstrippen was een veel voorkomende vorm van thuisarbeid. Veel vrouwen en kinderen van sigarenmakers moesten in de keuken tabak strippen. De gestripte tabak werd weer gedroogd en gemengd om een speciaal melange te verkrijgen. Dit geschiedde onder in het magazijn van de sigarenfabriek.
De stripsters van De Huifkar werkten helemaal boven in de sigarenfabriek (fabriek I genaamd, de sorteerderij was fabriek II). De gestripte tabak werd door de meesterknecht Buddemeijer en door Piet Lavrijssen afgewogen op een bascule. De stripsters kregen uitbetaald per kilo gestripte tabak. Bultman was eigenlijk de baas over de stripsters. Als de meisjes teveel nerven in de tabak lieten zitten kregen ze een boete of zelfs ontslag. Vooral in slappe tijden werd er altijd heel nauwkeurig gecontroleerd (3).
De nerven van de tabak werden meestal bewaard voor duivenmelkers. Deze bouwden er duivennestjes mee en bovendien scheen de tabakslucht goed te helpen tegen luizen.

BOSJES MAKEN

De gedroogde tabak werd uit het magazijn gehaald om, nadat hij bevochtigd was, er bosjes van te maken. Een bosje bestond uit het binnengoed waar een omblad omheen was gerold. Op gevoel verdeelde de sigarenmaker of bosjesjongen het binnengoed over het omblad en zo werd een model gemaakt. Op De Huifkar geschiedde het maken van het bosje zowel met de hand als met vormen. In het laatste geval sprak men van vormwerk, het binnengoed en het omblad werden in vormen gedaan en met een pers werden de vormen aaneengedrukt.
Het bosje werd meestal gemaakt door een bosjesmaker. Dat was een jongen die in de leer was bij de sigarenmaker en ook door deze werd uitbetaald. De meeste Oisterwijkse sigarenmakers hebben het vak op deze manier geleerd. Zo'n leertijd nam ongeveer 4 jaren in beslag. De verdiensten van een bosjesjongen lagen niet hoog. Jan van Doleweerd herinnerde zich nog dat toen hij begon (1908) het loon voor een bosjesjongen op twee kwartjes per week stond; en meer dan een rijksdaalder heeft hij, als bosjesmaker, nooit verdiend (4). De sigarenmaker verdiende na verloop van tijd goed aan een bosjesmaker. Als de bosjesjongen zich goed genoeg achtte om zelf als sigarenmaker te beginnen, stapte hij naar de chef en vroeg hij om "aangezet" te mogen worden. Men moest dan eerst een proeve van bekwaamheid afleggen. Chef Oud liet de bosjesmaker een monster maken. Een monster was een bakje met daarin tien handgemaakte sigaren. Oud controleerde dan op dikte, koppen, knakken en stevigheid van de sigaren. Soms moest een bosjesmaker weken lang monsters inleveren voordat hij toestemming kreeg om als sigarenmaker aangesteld te worden. Chef Oud en de sigarenmakers lieten niet zo maar iedere bosjesjongen gaan. Oud niet omdat hij strenge eisen stelde, de sigarenmakers niet omdat ze aan een bosjesmaker die het vak beheerste geld konden verdienen. Bovendien was iedere nieuwe sigarenmaker op de fabriek een nieuwe concurrent voor de zittende sigarenmakers.
Aan het gebruik dat de sigarenmaker zijn eigen bosjesmaker betaalde werd bij de CAO van 1920 een einde gemaakt (5).

EEN HANDGEMAAKTE SIGAAR

De sigarenmaker, die als handwerker arbeidde, kreeg van de chef het binnengoed, het omblad en het dekblad. Hij zat op een kistje met twee vakken. In het ene vak zat het omblad en het dek en in het andere vak zat het binnengoed. Het omblad en het dekblad werden meestal afgewogen omdat ze zo duur waren. Zodoende wist de chef en de sigarenmaker ongeveer hoeveel sigaren er straks verwacht konden worden.
Op De Huifkar had men echter een eigenaardige manier van dek uitgeven. De sigarenmakers wisten nooit hoeveel dek ze kregen. Dit leidde nogal eens tot conflicten, zoals we in het volgende hoofdstuk zullen zien. De patroon nam meestal als maatstaf de hoeveelheid dek die de zuinigste sigarenmaker gebruikte voor het maken van de sigaren. De term 'zuinig werken' werd dan ook gebezigd voor fabrieken waar de sigarenmakers veel sigaren uit het dek moesten maken.
De sigarenmaker zat op een kistje waarin hij de tabak bewaarde. Op zijn tafel bevond zich het zink waarop de tabak werd gesneden en gerold. Hij deed dit met behulp van een mesje. Het afsnijden van de tabak gebeurde met een schaar of met de tanden en tenslotte werd de sigaar geplakt met stijfsel uit een "stesselpotje".
Als de sigarenmaker aan het werk ging gooide hij het binnengoed rechts op tafel in de hoek. Het omblad moest eerst helemaal opengehaald worden, want die bladeren waren nog gesloten. De ombladen werden op een stapeltje gelegd in de sloof. Dat was een gleuf die voor aan de tafel zat. Daarna werd het binnengoed over de ombladen verdeeld. Meestal werd dit voorwerk dus verricht door de bosjesmaker die tegenover de sigarenmaker zat.
Het dekblad werd altijd door de sigarenmaker zelf aangebracht. De vormen werden al vooraf uitgesneden en in een natte doek bewaard om ze later om het bosje te wikkelen.

VAN BOSJE NAAR SIGAAR

Het uitgesneden dekblad werd om het bosje gewikkeld, waarbij de sigarenmaker aan de brandzijde van de sigaar begon. Zo rolde hij het dekblad naar de andere zijde (mondzijde). Aan het eind gekomen werd wat over was afgesneden, en met wat stijfsel uit een potje werd de dekker dichtgeplakt met het uitgesneden stukje dek.

SORTEREN

De sigaren sorteerde men daarna op kleur (licht, donker, bruin, rood of vaal). Dit was een vak apart, en De Huifkar had er dan ook speciale sorteerders voor aangetrokken. Dure sigaren, zoals die van De Huifkar, hadden wel 90 verschillende kleuren. Na het sorteren werden de sigaren geringd (ze kregen een sierring) en, na de tabakswet van 1921 moesten ze ook gebanderolleerd worden.
De sigaren werden tenslotte verpakt in kistjes en naar een magazijn gebracht om weer gedroogd te worden. In de kistjes werd dan een opdruk geperst. Op De Huifkar gebeurde dit met een tweetal persen waaronder een goudpers.

VERKOOP VAN DE SIGAAR

Via het kantoor en haar vertegenwoordigers in het buitenland trachtte de fabriek de sigaren te verkopen. De Huifkar-sigaar was voornamelijk een export sigaar vanwege haar hoge prijs. Toch werd de sigaar ook in Oisterwijk verkocht en wel in de winkel van Blomjous op De Lind.
De Huifkar-sigaar was wereldberoemd. Vooral de export naar Zuid- en Noord Europa, naar Rusland, Turkije en Zuid-Amerika vormde een belangrijk afzetgebied voor de firma Hamers en Co.

DE HUIFKAR FABRIEKEN

Het productieproces vond in zijn geheel in Oisterwijk plaats maar niet in een enkel fabriekspand. Hamers kon beschikken over een groot gedeelte van de zuidelijke helft van De Lind. Allereerst was er natuurlijk de sigarenfabriek (nu de winkel van Coenraad). Deze fabriek stond onder leiding van chef Gerrit Oud. Hier werd ook de tabak gestript. In het pand daarnaast, waar later tandarts Croon zich vestigde, was de cigarillofabriek onder leiding van Marie Verhoeven en in de voormalige Franse school was de sorteerderij gevestigd waar chef Izaak 'jutje' Braadbaart de scepter zwaaide. Daartussen bevond zich een opslagruimte (nu het pand De Drie Swaentjes). In het voorste gedeelte van de villa was tenslotte het kantoor gevestigd.
De vraag hoeveel personeel er op De Huifkar werkte is moeilijk te beantwoorden. De personeelsbezetting wisselde nogal eens gedurende het jaar omdat er niet een regelmatige vraag naar dure sigaren bestond. Daarnaast zijn de cijfers van het aantal werknemers niet voor ieder jaar beschikbaar. Maar om een indruk te krijgen toch een poging:

TABEL 5
AANTAL WERKNEMERS OP DE HUIFKAR PER JAAR

1897: 31 1909: 120 1921: ?
1898: 42 1910: 113 1922: ?
1899: 48 1911: 105 1923: ?
1900: 48 1912: 104 1924: ?
1901: 149 1913: 108 1925: 137
1902: 139 1914: 115 1926: 147
1903: 102 1915: 117 1927: 169
1904: 102 1916: 150 1928: 200+
1905: 114 1917: 190 1929: 170
1906: 95 1918: 123 1930: 200
1907: 102 1919: 123 1931: 124
1908: 120 1920: 32    

BRON:
Gemeenteverslagen Oisterwijk

DE SIGARENFABRIEK

Deze fabriek stond onder leiding van chef Gerrit Oud. Hij kwam uit Breda. Oud voelde zich in Oisterwijk niet thuis. Rond de eeuwwisseling heeft hij er korte tijd gewoond, maar prefereerde het om dagelijks met de trein op en neer te reizen. Meesterkecht was eerst Buddemeijer en later Janus van de Wiel. Het werk vond plaats in een grote zaal. Aan de ene kant zaten de handwerkers en aan de andere kant de vormwerkers. Aan de lange tafels werkten meestal zo'n 60 tot 70 sigarenmakers die vanuit alle windrichtingen kwamen. Zo kwam Janus van Putten als gemobiliseerde militair vanuit Breukelen in Oisterwijk terecht, Gerrit Hulskes kwam vanuit Culemborg en de gebroeders Van der Horst kwamen uit het noorden. Hun bijnaam was hier dan ook "d'n Hollander".
Op de fabriek stonk het ontzettend naar tabak. Vele bosjesmakers konden er niet tegen en verdwenen zo van de fabriek. Eens moest dr. Schrader naar de fabriek komen omdat een sigarenmaker koppen van de sigaren, die men afbeet als ze niet goed zaten, had ingeslikt. Schrader verkondigde dat het de eerste en de laatste keer zou zijn geweest dat hij in die stinkende fabriek een voet binnen zette (6). Doordat de sigarenmakers de koppen van de sigaren moesten afbijten kregen zij vaak platte tanden. Men kon weliswaar een schaar gebruiken, maar om tijd te besparen beten de meeste sigarenmakers de koppen er met hun tanden af.
Op deze fabriek werden de meesterwerken van De Huifkar vervaardigd. Gerardus Horvers was een ware kunstenaar in het vervaardigen van sigaren. Hij kreeg van Hamers opdracht exclusieve sigaren te maken voor belangrijke klanten. Zo maakte Horvers een sigaar met een kroontje voor de Russische tsaar. Hij moest zijn kunsten ook tonen op diverse tentoonstellingen in het buitenland. Horvers was op de fabriek in vaste loondienst werkzaam.
Tijdens de tweede wereldoorlog werden herhaaldelijk sigarenmakers gevraagd om speciale sigaren te komen maken voor hoge Duitse gasten. Zo werd Huub de Laat verzocht een sigaar te maken die leek op een hockey- of golfstick (7).
De werktijden op de sigarenfabriek waren lang. Men begon om 7.00 uur en werkte tot 12.00 uur. Dan was er een uur schaft waarna nog tot 18.00 uur werd doorgewerkt. Een schaftlokaal bestond er niet, men ging of naar huis of men at zijn brood op de werkplek.
Zowel handwerkers als vormwerkers namen thuiswerk mee. De laatsten moesten na de fabriekstijd hun vormen op hun schouders meenemen naar huis.
Bijna alle sigarenmakers namen wel eens, illegaal, tabak mee naar huis om wat bij te verdienen. De schoenen waren een geliefkoosde plaats voor het meenemen van het dure dekblad. Soms zag je daarom sigarenmakers heel vreemd over de straat lopen (8). De natte tabak werd boven de haard gedroogd. De zo vervaardigde sigaren verkocht men of ze werden tegen andere goederen geruild. In 1928 is er een keer een politie-inval geweest in de sigarenfabriek. De schorten van de sigarenmakers werden toen gecontroleerd en 7 mannen werden ontslagen.
In de oorlog nam praktisch iedereen tabak mee. Als er een politiecontrole kwam werden de sigarenmakers verwittigd door iemand die buiten voor hen op wacht stond. Deze gooide dan, in geval van onraad, steentjes tegen de ramen van de fabriek waardoor iedere sigarenmaker wist dat er die dag niks meegenomen kon worden (9).

DE CIGARILLOS FABRIEK

Op deze fabriek werkten zo'n 45 meisjes waarvan de meeste niet veel ouder waren dan zo'n jaar of vijftien. Het fabriekje stond naast de grote sigarenfabriek en er werden kleine, dunne sigaren (cigarillos) gemaakt. Dien Horvers werkte op deze fabriek in de jaren na de eerste wereldoorlog: "Wij waren nog snotneuzen. Ik ben begonnen toen ik 14 was. De meeste waren rond de 15 jaar. Als je begon verdiende je 4.50 per week, omdat je eigenlijk niks kon. Als je dacht dat je in staat was om meer dan dat bedrag per week te verdienen schakelde je over op stukloon" (10). Zo slaagde Marie Verhoeven er in om zo'n 1000 cigarillos per dag te maken, waarmee ze de snelste in Nederland was. Marie Verhoeven hield toezicht over de meisjes maar de eigenlijke baas was een "vreemde meneer, een stadse man, die iedere dag met de trein op en neer reisde; maar niemand kende hem" (11). Marie Verhoeven was als stripster begonnen en zou na de cigarillos-tijd cheffin worden over de meisjes op de sorteerderij, die de kistjes plakten.
De werkdagen op de cigarillos-fabriek waren net zo lang als op de sigarenfabriek. Maar voor de meeste meisjes zat het werk er, evenals voor de sigarenmakers, na 18.00 uur nog niet op. Men nam thuiswerk mee en dan werd er vaak tot 's-nachts doorgewerkt.

SORTEERDERIJ

Om belastingtechnische redenen werden de Huifkarsigaren in de beginjaren gesorteerd en ingepakt in een filiaal in Kaldenkirchen, net even over de grens nabij Venlo. De procuratiehouder Jan Rompel was er de baas en sorteerders als Ysbrand van Stigt (deze was er opzichter) en Piet Janssen hebben er gewerkt. De sigaren werden in grote kisten direct vanaf De Huifkar naar Kaldenkirchen gestuurd voor verdere afwerking.
Rompel had op De Huifkar verkering gekregen met het joodse kantoormeisje Van Oss. Rompel was van goede komaf en Hamers trachtte een huwelijk te voorkomen door Rompel als vertegenwoordiger naar Duitsland te sturen, echter tevergeefs. Kort na zijn huwelijk vertrok Rompel naar Kaldenkirchen om daar chef van de fabriek te worden. In 1918 was Rompel, na een uitstapje naar Kaldenkirchen weer terug op de Oisterwijkse Huifkar. Rompel verliet de fabriek in 1921 toen Hamers hem vroeg een filiaal van de fabriek in Roemenie op te gaan zetten (12). Hij ging werken in Nederlands Indie maar keerde later toch weer naar Oisterwijk terug om er hotel Bosrand te gaan exploiteren.
Op de sorteerderij in Oisterwijk werden niet alleen sigaren gesorteerd en geringd, maar ook de kistjes geplakt. De fabriek werd in de volksmond dan ook wel 'plekfabriek' genoemd. Op een 'plektaofel' werden de kistjes met 'stessel' (stijfsel) geplakt. Dit geschiedde vooral door vrouwen. Het ringen van de sigaren, met een 'ringtakel' vond beneden in de sorteerderij plaats. Nadat de sigaren geringd waren moesten ze 'georgeld' worden: de sigaar ging in een vloeipapier en werd daarna in een 'orgel' gestopt waardoor het vloeipapier aan de beide uiteinden werd gedraaid (13). Aan de achterkant van de sorteerderij bevond zich de drogerij waarin de sigaren en de kistjes gedroogd werden. Het was er altijd gruwelijk heet.
De sfeer op de sorteerderij was net als op fabriek I gezellig te noemen. Chef Braadbaart schroomde niet om iedereen aan te nemen. Zo werkten er een orgeldraaister uit Udenhout en mannen uit de beruchte wijk De Pijp in Den Bosch. Gejat werd er op de sorteerderij bij het leven zodat er iedere week wel weer iemand ontslagen werd (14). Een bekende sorteerder was de vanuit Culemborg overgekomen Nico van Weerdenburg. Hij bracht altijd een klein flesje melk en brood mee naar de fabriek en zei een keer: "Na eerst goed gegeten en gedronken te hebben en daarna hard aan de arbeid, dat doet je blijven!". Enkele dagen daarna werd van Weerdenburg wegens slapte ontslagen (15).
Op de bovenverdieping van de sorteerderij stonden twee persen. Een daarvan was een speciale goudpers. Harrie Horvers bediende deze pers, waarmee hij gouden opdrukken op de dure kisten maakte. Ook Toon Dankers werkte op de goudpers.
Met de pers werd de "spiegel" gemaakt, de gedrukte binnenkant van het deksel van een sigarenkist. Voor Horvers en Dankers had Harrie Goudsmits de pers bediend (16).
Izaak Braadbaart, de chef van de sorteerderij, was de oudste zoon van een joodse bakker in Dordrecht. Hij werkte op een sigarenfabriek in Brussel en kwam in 1901 bij Hamers terecht. Braadbaart was een creatief mens die vele Huifkar?etiketten en ook de inrichting van de tentoonstellingen bedacht. Een van de taken van de chef der sorteerderij was het repareren van dure maar beschadigde sigaren. Braadbaart was daar een meester in (17). Hij trouwde met 'Bossche' Leen Marneef, die als ringster op de sorteerdij werkte. De geestelijkheid wilde het huwelijk van de jood Braadbaart met een katholieke vrouw verhinderen. De pastoor had na het huwelijk van Braadbaart geen goed woord voor de familie over, hij noemde Braadbaart en andere niet-katholieken "de akelige twee procent" (18). Toen Braadbaart een poging ondernam een biljartvereniging voor het personeel op te zetten voegde de pastoor hem toe dat hij alles in het werk zou stellen om hem daarin te dwarsbomen. De familie Braadbaart bewoonde het huisje op de hoek van De Lind en de Gemullehoekenweg. Toen Braadbaart in 1935 ontslagen werd, zette Hamers hem ook uit het huisje (19).
Later werd chef Braadbaart opgevolgd door zijn zoon Nico. Nico leerde het vak van de sorteerder Bart Heesakkers, hij heeft echter maar korte tijd op de sorteerderij gewerkt.

BALBIAN VERSTERHUIS

Dit pand werd door de firma gebruikt als opslagruimte. In dit pakhuis lagen tot de oorlog de bekende maar niet meer te pruimen 'Aurora' sigaretten opgeslagen. Het volksverhaal vertelt ons dat Hamers een partij sigaretten had ingekocht om deze op een bepaalde tijd met een woekerwinst te kunnen verkopen. De Aurora sigaret is echter nooit verkocht. De bevolking nam er bezit van toen Hamers op het eind van de oorlog vluchtte, maar de sigaretten waren door de lange opslagtijd niet meer te pruimen. Tot zover het volksverhaal. In hoofdstuk 5 zullen we echter zien dat Hamers de sigaretten had ingekocht om er kleine sigaartjes van te maken. Hamers wilde zo inspelen op de vraag naar goedkopere sigaartjes. Het was Marie Verhoeven die belast werd met het sorteerwerk in de opslagruimte. Zij werkte er helemaal alleen.

HET KANTOOR

Op het kantoor van De Huifkar, in de omgebouwde veranda van de villa, werkten zo'n 8 mensen. Het werk begon er om 8.30 uur en duurde tot 18.00 uur, met 's middags een uur pauze. Ook op het kantoor werd er op zaterdagochtend gewoon gewerkt.
Het kantoor zag er piekfijn uit. De glazen uitbouw was als het ware een ontvangstkamer. De kamer daarachter was het eigenlijke kantoor met een parketvloer en, zoals het in ouderwetse kantoren hoort, prachtige lessenaars. Achter een daarvan stond de boekhouder van De Huifkar, De Haan, te schrijven. Hij had wel zes verschillende, sierlijke, handschriften (20). Hij kwam in 1928 in dienst en werd in 1935 procuratiehouder. De eigenlijke procuratiehouder Van Zon kreeg toen ontslag. Door de vermeende economische collaboratie van Hamers tijdens de tweede wereldoorlog werd De Haan na de oorlog medebeheerder van de fabriek en later zelfs directeur. De familie De Haan woonde na de oorlog tijdelijk op de villa. Deze stond leeg omdat Hamers, zijn vrouw en Liesker in gedwongen ballingschap verkeerden.
Het is opvallend dat vele kantoorbanen verricht werden door kinderen van chefs op de fabriek. Dora Braadbaart, een dochter van Izaak, verrichtte op het kantoor het werk voor de expeditie (facturen). Later werd dit gedaan door Ria de Haan, een dochter van de boekhouder. Alida Holdtgreve was voor haar huwelijk met Alphonse Hamers werkzaam als correspondente Duits. Zij heeft dit werk slechts enkele jaren gedaan. Ook de zoon van de procuratiehouder Van Zon, Evert, werkte als correspondent op het kantoor. Marietje Buddemeijer, de dochter van de meesterknecht, Bertha Grijsbach en Loenhout behoorden eveneens tot het kantoorpersoneel.

KLEINE BEDRIJFJES

De Huifkar was niet de enige sigarenfabriek in Oisterwijk. Het was wel de grootste en de beroemdste maar daarnaast waren er vele kleine zelfstandigen in dit vak waaronder de gebroeders Graft, Heesakkers, de Kuijper, Horvers, Gijs van Berkel, Piet Janssen, Sjef Paijmans, Gust de Bakker, van Lievaart, Marechal, Roestenburg en vele andere sigarenmakers die kortere of langere tijd voor zichzelf werkten.
Het eerste sigarenfabriekje van jonkheer de Kuijper ging na de eerste wereldoorlog ten onder. Zijn zoon Jacques kreeg de bedrijfsleiding maar was geen sigarenmaker. Het fabriekje van De Kuijper werd na de eerste wereldoorlog gesloten en Horvers heeft er nog het gereedschap en de kistjes van opgekocht.
Een aantal Huifkar?sigarenmakers zijn op een gegeven moment een eigen zaakje begonnen. Rondom de eerste wereldoorlog was er een grote vraag naar betaalbare sigaren onder andere van gemobiliseerden en Belgische vluchtelingen. Vele sigarenmakers speelden daarop in door zelf sigaren te gaan verkopen.
Zo werkte Gerardus Horvers in de Peperstraat en op de Parallelweg. Deze kleine zelfstandige kwam vaak in moeilijkheden met de belastingdienst. Allerlei wetten werden hem opgelegd zoals de bepaling dat zijn woonhuis en het fabriekje niet met elkaar verbonden mochten zijn. Dit was om de illegale verkoop van sigaren tegen te gaan.
Een fabriekje met winkel kwam ook voor. Zo iets had Piet Janssen: achter liet hij enkele sigarenmakers en stripsters werken (onder andere Janus en Jana Boons) en voor in de winkel werden de sigaren meteen verkocht. De sigarenmakers kwamen er vaak 's avonds werken of tussendoor in de week als zij geen werk hadden (21).
Gust de Bakker had zijn bedrijfje gevestigd aan de Oude Haarenseweg. Hij leverde veel aan pastoors en kloosters in de omtrek. Daarom durfde deze kleine ondernemer geen rooie sigarenmakers aan te nemen (22).
Gijs van Berkel begon de productie in zijn woning aan de Parallelweg en vestigde later een fabriekje in de Peperstraat.
In de crisisjaren kregen vele Huifkar-sigarenmakers ontslag. Tinus Roestenburg is toen onder de naam 'Don Roest en Co' samen met Wim Toemen een fabriekje aan de Pastoor van Beugenstraat begonnen (23).
Sjef Paijmans had een iets grotere fabriek van de grond weten te krijgen. Paijmans was in 1919 als jongste bediende op het kantoor van De Huifkar begonnen en leerde aldoende het vak. Zijn bedrijf Pasigo hield het lang vol maar tegen de mechanisatie was ook deze handwerker niet bestand.

LONEN EN ANDERE ARBEIDSVOORWAARDEN

Het sigarenmaken werd verricht op stukloon. De sigarenmaker kreeg betaald per 100 of 1000 sigaren. Sommige sigarenmakers hielden de tijd precies in de gaten zodat ze wisten hoeveel sigaren ze per uur gemaakt hadden. Zo werkte Nelis Coeleveld altijd met zijn horloge op de plank (24). Voor duurdere soorten sigaren moesten het stukloon en de arbeidsvoorwaarden natuurlijk hoger staan dan voor goedkopere soorten. Er werden veel merken sigaren op een fabriek gemaakt en ieder merk had zijn eigen stukloon. De sigarenmaker werd vaak gedwongen om korte tijd het ene merk te maken en dan weer korte tijd een ander merk. Dientengevolge raakte hij nooit ingewerkt en bleef zijn stukloon laag.
Ook kwam het voor dat bepaalde sigarenmakers werden uitgezocht om het zogenaamde monsterwerk te verrichten. De patroon had dan het voornemen om een nieuw merk uit te proberen of om een nieuwe melange samen te stellen. Vaak werd aan deze sigarenmakers geen extra loon betaald, wat wederom een schadepost inhield voor de sigarenmaker omdat hij op stukloon zat te werken.
Op De Huifkar werd het loon lange tijd aangevuld met "rookertjes". Een aparte sigarenmaker was hiervoor aangesteld. Deze maakte uitsluitend sigaartjes die het personeel aan het einde van de week bij het loon kreeg (25).
Na de sinterklaasdrukte volgende er altijd een slappe periode bij De Huifkar. Er werd dan meestal maar 3 dagen per week gewerkt, thuiswerk was dan een noodzakelijke bijverdienste. 'Lange Teun' Bertens maakte via thuiswerk sigaren die hij te koop aanbood voor zijn huis in de Kerkstraat. Wanneer het druk was met kerkgangers werd er altijd goed verkocht (26).
In 1905 werd er door de commissie van onderzoek naar de toestanden van het vaste personeel een rapport uitgebracht over De Huifkar. Het rapport, opgesteld door de katholieke bond, bevatte een conclusie van Ysbrand van Stigt, voorzitter van de bond, waarin hij zich uitsprak tegen meisjesarbeid (op de sorteerderij) omdat hij het "niet bevorderlijk achtte voor de goede zeden en zeer schadelijk voor het mannelijk personeel" (27). Hij wenste een werktijd van 10 uren per dag (!) en wilde waar mogelijk een vast loon verkrijgen.
Op De Huifkar werd in vergelijking met andere sigarenfabrieken en zeker in vergelijking met andere industrietakken een redelijk loon verdiend. We vergelijken Oisterwijk met het landelijk gemiddelde:

TABEL 6
GEMIDDELD UUR/WEEKLOON OP DE HUIFKAR, IN OISTERWIJK EN LANDELIJK

jaar Oisterwijk landelijk
1923 57.5 cent 49.2 cent (per uur)
1927 26.32 gld 22.99 gld (per week)
1929

60 cent (Hamers)
51 cent (GW de Bakker)

 
1933 60 cent (Hamers)
53 cent
(GW de Bakker)
32 cent (Roestenburg)
51 cent per uur

BRON: De Sigarenmaker, diverse jaren

Vrije tijd was er in de beginjaren van de fabriek niet bij. Alleen op zondagen en katholieke feestdagen werd er niet gewerkt.
Ook op kermisdagen werd er niet gewerkt, niet omdat men de arbeiders vrijaf gunde maar uit vrees voor onrust en dronkenschap op en om de fabriek. Het gedwongen verzuim op kermisdagen bleef bestaan tot 1911.

LOL OP DE FABRIEK

De Huifkar stond er om bekend dat er een relatief grote vrijheid was voor het personeel. In tegenstelling tot de schoenfabrieken mocht er op De Huifkar gerust gesproken worden en gezongen. Heel verwonderlijk is dit niet gezien het feit dat iedereen op stukloon werkte. Als men de tijd verdeed met andere bezigheden, sneed men ook zichzelf in de vinger.
Twee bekende zangers op de fabriek waren de sigarenmakers Willeke van de Mierde en Frieke van Roozendaal. Zij zongen zo hard dat de stripsters die boven zaten hun zangtalenten konden horen.
Plezier in hun werk hadden vooral de stripsters. Deze meisjes hadden, in vergelijking met de schoenfabriekarbeidsters een grote vrijheid. Vrouwen als Tineke Seebregts, Miet van de Mierde, Cis Maes, Anna van de Mierde en Marie van Baast werkten snel om zoveel mogelijk tijd over te houden om ontspannen te kunnen buurten. Er werd tussendoor wel eens limonade of gebak gehaald om de sfeer wat te verhogen. Tineke Seebregts werd eens door chef Oud betrapt toen zij een hele kist limonade naar boven sjouwde. Als gevolg daarvan mocht zij een week niet komen werken (28).

SPEREN EN MAANDAGHOUDEN

Op zaterdagmiddag kregen de werkers op De Huifkar hun loon. De meeste sigarenmakers en sorteerders hielden wel van een borreltje. Drankgebruik en drankmisbruik was in die tijd een veel voorkomend euvel. Door het drinken kwam de sigarenmaker in conflict met zijn vrouw. Van het moeizaam verdiende loon van haar man moest de vrouw de touwtjes aan elkaar zien te knopen. Veel vrouwen zagen er dan ook op toe dat het loonzakje meteen na het werk aan de huisvrouw werd afgestaan. Maar sommige sigarenmakers gaven thuis minder af dan ze in werkelijkheid verdiend hadden. Dat werd "speren" genoemd (29).
Met dat "gespeerde" geld werd 'ouwe klare' gekocht bij Blomjous of men ging naar het café. Daar kon je voor 5 centen een borrel kopen. Als het geld niet op was gemaakt op zondag zei men: "elke zondag moet unne maondag hebben" en werd er op maandag niet gewerkt maar gedronken. Vaak verscheen men 's maandags nog wel op de fabriek maar dan werden gezamenlijk de kistjes waarop men zat op tafel gezet en verliet men collectief de fabriek.
Soms was er iemand die niet genoeg geld had om te gaan drinken. Deze bood dan zijn horloge als schietschijf aan. Voor 5 centen mochten zijn collega-sigarenmakers proberen het horloge stuk te gooien met een mangeltje (30). Wanneer dit onmiddellijk lukte kon die sigarenmaker het maandaghouden verder wel vergeten. Ook wanneer de sigarenmakers "uitgevroren" waren, het handwerk op het zink kon alleen bij een enigszins redelijke temperatuur verricht worden, ging men naar het cafe: "Het was dan te koud om te werken maar half bevroren bier lustten ze wel" (31). De stripsters waren gemakkelijk te overtuigen om maandag te gaan houden. De bosjesmakers gebruikten de maandag om de werkplek in orde te gaan maken. Een bekend sigarenmakerscafe was dat van Marinuske van den Boogaard (later van Jan van Doleweerd) op de Parallelweg.
De vakbondsorganisaties trachtten het maandaghouden uit te bannen. In de Katholieke Tabaksbewerker werd in 1916 opgemerkt dat dit goeddeels geslaagd was maar soms waren er nog uitzonderingen zoals van die goede werkman "wiens heele familie al wel drie maal is uitgestorven als waar is, datgene, wat hij mij wijs tracht te maken om 's-Maandags maar vrij te kunnen krijgen. Dan is z'n vader ernstig ziek, dan heeft 'n broer van hem zijn been gebroken, dan moet hij naar 'n begrafenis, dan is z'n vrouw in gevaar, op 'n andere tijd sukkelt hij met z'n kinderen, met kinkhoest, roodvonk etc." (32).

EEN HECHTE GEMEENSCHAP

Het maandaghouden bestond echter niet alleen uit drinken. De sigarenmakers beschouwden het eigenlijk ook gewoon als een vrije dag. De maandagen stonden in het teken van "Wat doen we? Als er ijs lag gingen we schaatsen en soms gingen we gewoon de natuur in" (33).
Omdat er weinig gelegenheid was tot vermaak in het dorp trokken veel sigarenmakers in hun vrije tijd de bossen in. Men ging er vogeltjes en eekhoorns vangen, zwemmen of schaatsen op de vennen, vissen of foto's nemen. Twee sigarenmakers, Tinus Roestenburg en Van Roessel, maakten schitterende natuuropnamen.
Vissen was de grote liefhebberij onder de sigarenmakers. Meestal werd er op de zaterdagmiddag gevist. Bart van de Linden ('Bartje de Vis') en Jan van de Mierde waren actief in het verenigingsleven van de vissers.
Enige tijd heeft er ook een voetbalelftal van De Huifkar bestaan. Nelis Coeleveld en San van Dongen waren de drijvende kracht achter dit elftal. Het elftal speelde haar wedstrijden op een terrein in 'den Boogerd'.
De werkers op De Huifkar hadden intensief contact met elkaar. Ten eerste werkten ze gezamenlijk een groot aantal uren op de fabriek, vervolgens trokken zij gezamenlijk de natuur of de kroeg in, ze woonden in dezelfde buurt (Spoorlaan, Klein Amsterdam, Lindeinde, Boxtelsebaan en Canisiusstraat), en waren tenslotte door huwelijken vaak familie van elkaar geworden.
Zo'n hechte gemeenschap binnen een gemeenschap bood de Huifkarwerkers grote voordelen: als men uitgestoten werd door de Oisterwijkse gemeenschap kon men altijd nog terugvallen op de kleinere maar solidaire gemeenschap van de sigarenmakers. Vandaar ook dat het culturele-, politieke- en ontspanningleven binnen de gemeenschap van sigarenmakers zo ver ontwikkeld was.


info@siebethissen.net   - - -