| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| Hoofdstuk 2.pdf | 13.03.2004 | 84kB | - |
DIRECTEUR HAMERS EN VILLA DE HUIFKAR
Alphonse Gerard Johan Baptiste Hamers werd op 19 oktober 1875 te Deventer
geboren, als zoon van een landmeter bij het kadaster en een adellijke moeder,
de gravin van Bunnickhausen (1). Hij had twee oudere zusters, Francoix en Johanna.
Zijn vader Adriaan kon van zo'n hoge sociale afkomst niet spreken: hij was
de zoon van een Udenhoutse dagloner. Mogelijk kreeg Adriaan als kind de mogelijkheid
om te studeren door steun van de plaatselijke geestelijkheid.
Alphonse werd naar het gymnasium in Luik gestuurd, waar hij een Franse opvoeding
genoot. Naast Frans, Duits en Engels sprak hij ook Zweeds en Russisch. Vanuit
Luik ging hij naar Rhenen om het tabaksvak op de proefvelden van de Hollandse
tabaksplantages in Medan (Oost-Indie) te leren (2).
In juli 1894 verhuisde de familie Hamers naar De Lind in Oisterwijk. Het was
op advies van de dokter dat de familie naar Brabant verhuisde, want Alphonse's
zusje Johanna had zwakke longen en kon daarom het beste in een bosrijke omgeving
gaan wonen (3). Mogelijk kon de vader van Hamers tegen een lage prijs grond
kopen wegens zijn functie als landmeter.
Op 21 augustus 1894 kwam Hamers, toen 18 jaar, vanuit Rhenen naar Oisterwijk
om daar een onderneming in sigaren te starten onder de naam 'Hamers en Meeus'
(4). Zoals eerder is opgemerkt was het voor de ondernemer aantrekkelijk zich
in het zuiden des lands te vestigen vanwege het overschot aan arbeidskrachten
en de daarom lage lonen. Blijkbaar was Hamers' jonge leeftijd niet zo uitzonderlijk:
H.Jos. van Susante ('Susante & Co' te Boxtel) was 17 jaar toen hij met
sigarenfabricage begon, en Van Schuppen ('Ritmeester' te Veenendaal) begon
op 19-jarige leeftijd (5).
HAMERS ALS ONDERNEMER
Aanvankelijk werkte Hamers met thuiswerkers, maar de zaken gingen hem voor
de wind. In 1898 had hij een grote fabriek, een villa aan De Lind, een gestaag
groeiend aantal arbeiders en een internationale reputatie.
Vooral in het eerste decennium van zijn bestaan beleefde De Huifkar een grote
groei. In 1897 werkten bij Hamers zo'n 25 mannen en 6 jongens, in 1899 waren
die aantallen gegroeid tot 37 mannen, 2 vrouwen, 4 jongens en 5 meisjes. Nog
twee jaar later had Hamers liefst 149 mensen in dienst (6).
Inmiddels bracht Hamers zijn sigaren op de markt onder de naam De Huifkar.
Het is ons niet helemaal duidelijk geworden hoe die naam ontstaan is. Symboliseerde
het Hamers' reislust of was het een reclamestunt op de wereldtentoonstelling
in Amsterdam? Daar, in een poging om op te vallen, versierde Hamers een huifkar.
Samen met zijn vriend Jan Kabatius, een elektricien, bracht hij verlichting
aan op de huifkar, toen een uniek stukje werk (7). Op de tentoonstelling trokken
twee paarden de huifkar rond, elders op het podium oefenden Hamers' beste sigarenmakers
hun ambacht uit. De Huifkar werd spoedig een bekend begrip doordat Hamers met
zijn sigaren op diverse exposities snel in de prijzen viel. Een lange reeks
van onderscheidingen voor Huifkar sigaren vond zijn oorsprong in 1895 met het
Amsterdamse Eerekruis. Onderscheidingen uit Brussel (1897), Amsterdam (1902),
Parijs (1903), Marseille (1903) enz. volgden. Hofleverancier van de Turkse
sultan en van het keizerlijk paleis te Yildis werd Hamers ook, evenals leverancier
van de Russische tsaar.
Ook voor de Oisterwijkse arbeiders van Hamers werd De Huifkar een begrip. De
zoon van een sigarenmaker herinnert zich dat de huifkar een symbool van hoop
werd voor hem en zijn familie: hij ging wel eens kijken toen de huifkar op
een open wagen op het spoor werd gezet om een reis te maken om Huifkar sigaren
te promoten. De families keken wat gespannen toe, hopende dat het goed zou
gaan, en dat er veel nieuwe afnemers zouden komen (8).
DE FINANCIERING VAN HET JONGE BEDRIJF
Vermoedelijk zal Hamers een beroep hebben gedaan op zijn niet
onvermogende familie voor kapitaal om zijn onderneming te starten. Zijn moeder
was immers
van adellijke afkomst en zijn vader stierf in 1896, waarschijnlijk wel een
erfenis achterlatend. Daarnaast trok Hamers compagnons aan die geld in zijn
zaak wilden steken. Dit waren destijds de gebruikelijke manieren voor beginnende
ondernemers om kapitaal te werven (9). Zoals uit de naam van de firma bij zijn
ontstaan blijkt, heette Hamers' eerste compagnon Meeus. Een andere compagnon
van Hamers was de rijke Paul Wurfbain, die jarenlang bij Hamers op de villa
woonde. De compagnons deelden in de winsten en kregen lijfrentes. Blijkbaar
kreeg Hamers te maken met zoveel verschillende compagnons dat het eenvoudiger
was om zijn zaak vanaf 1898 'Hamers & Co.' te laten heten (10). Bij sommige
geïnterviewden bestaat de indruk dat Hamers misbruik maakte van zijn compagnons.
Telkens ging hij zogenaamd failliet of bijna failliet, en elke keer kwam hij
er weer spoedig bovenop met een nieuwe partner.
Na 1916 nam de populariteit van de Nederlandse industrie bij investeerders
toe, en werd kapitaal door bedrijven zoals De Huifkar steeds meer bij beleggers
of banken geworven. Veel bedrijven werden in de jaren twintig naamloze vennootschappen
(NV's), meestal om belastingtechnische redenen en om te voorkomen dat het familiekapitaal
gesplitst zou worden bij erving (11). Zo ook De Huifkar: in 1928 werd zij een
N.V. Van de 500 uitgegeven aandelen behield Hamers er 200 in eigen handen (12).
Hamers had inmiddels een flink kapitaal opgebouwd. In 1928 werden zijn onroerende
goederen, waaronder de villa De Huifkar, de fabrieken, een huis in villapark
Hoog, een dennenbos met ven in Haaren, en diverse andere huizen, geschat op
200.000 gulden. Dat was lang niet alles: zijn totale vermogen overschreed de
vijf ton.
HET INKOPEN VAN TABAK
Hamers' belangrijkste taak was het inkopen van tabak. De boekhouding en het
voeren van het management over de fabriek liet hij graag over aan zijn procuratiehouder
en chefs. Zijn tabak betrok Hamers van de Deli?Batavia Maatschappij (13). Vooral
na 1885 kwam de Indische tabakscultuur tot bloei, vanwege de hoge marktprijzen
in Nederland. De tabak die naar Nederland werd verscheept werd op grote markten
bij opbod verkocht, zoals op de beroemde veiling van Frascati in Amsterdam,
waar ook Hamers zijn tabak inkocht. Het verhaal gaat dat als Hamers op de jaarlijkse
tabaksmarkt in Frascati verscheen, zijn concurrenten hun werk in de steek lieten
om hem te volgen en te zien wat hij inkocht. Op die manier probeerden zij achter
het geheim van De Huifkar te komen. Dat lukte echter niet, omdat Hamers op
zulke momenten aandacht veinsde voor andere soorten tabak dan die welke hem
werkelijk interesseerden (14).
Van elke baal tabak die hij kocht had Hamers zelf de geur opgesnoven en de
kwaliteit beproefd. Met steekmonsters stelde hij zelf de gewenste melange samen
op tong en neus om er daarna proefsigaren van te laten maken. Hij moest twee
liter melk per dag drinken tegen de nicotine, want voordat er een nieuw Huifkar
merk op de markt verscheen had hij zelf de sigaar in alle tussenstadia proefgerookt
(15). In de monsterkamer op zijn villa zat Hamers wel eens tot 's ochtends
vijf uur te roken, zodat de glazen deuren van de toonkasten blauw zagen van
de rook. Naast het inkopen van tabak hield Hamers zich intensief bezig met
het werven van buitenlandse klanten. Daarbij kwam zijn kennis van vele talen
hem zeer goed van pas. In 1905 werden Huifkar sigaren naar België, Duitsland,
Finland, Zweden, Noorwegen, Denemarken, Rusland, Engeland, Nederlands Indië,
en West Afrika uitgevoerd. In 1908 vroeg Hamers een paspoort aan voor Rusland,
Finland, Turkije, Spanje en Portugal (16). Hamers was schijnbaar vaker op pad
dan dat hij in Oisterwijk vertoefde. Met een paar hutkoffers vol assortimentskisten
reisde hij in het eerste decennium van deze eeuw soms vier maanden aan een
stuk om klanten te winnen (17). Hij had ook verschillende wereldreizigers in
dienst, waarvan er een in Stockholm zat, die De Huifkar in het buitenland moesten
vertegenwoordigen. Als Hamers op reis was werden de zaken in Oisterwijk geregeld
door een procuratiehouder.
In het dorp bestond de indruk dat Hamers vooral veel leverde aan Rusland, en
dat de terugval na de eerste wereldoorlog zelfs te wijten zou zijn aan de revolutie
daar (18). Men noemde Hamers dan ook "Mister Rusland", en de speculerende
verhalen over zijn buitenlandse avonturen vonden gretig aftrek bij de Oisterwijkers.
Aan zijn chauffeur Hans van de Koedijk vertelde Hamers eens over een reis in
Rusland: onderweg naar Leningrad werd de trein waarin Hamers zat verschillende
malen gewoon stilgezet terwijl men in het bos hout ging kappen om de trein
mee te stoken. Zodoende deed men er dagen over om op de plaats van bestemming
te komen (19).
Onder Hamers' afnemers bevond zich in ieder geval Nicolaas II, de Russische
tsaar, voor wie Hamers een speciale sigaar ontwierp die hij vervolgens door
Gerardus Horvers liet vervaardigen. Aan het mondeinde van de sigaar waren de
tabaksdraden losgetrokken en omgevlochten tot een kleine tsarenkroon. De prijs
van zo'n kunststukje bedroeg twee gulden vijftig, terwijl men tezelfdertijd
in Nederland voor acht kleinere Huifkar sigaren een dubbeltje betaalde. Voor
Hamers zal het wel duidelijk zijn geweest dat er aan de export meer te verdienen
viel. Om de tsaar voor zich te winnen schrok Hamers nergens voor terug. Tijdens
de eerste wereldoorlog, toen de tsaar in oorlog was met het Duitsland van keizer
Wilhelm, schonk Hamers de tsaar een sigaar verpakt in een kistje in de vorm
van een doodskist, waarin de tsaar in gedachte keizer Wilhelm kon zien liggen
(20).
Ook vonden Huifkar sigaren aftrek bij de meer welgestelde Nederlanders. In
de volksmond werden Hamers' sigaren ook wel 'pastoorssigaren' genoemd, omdat
de zeer lichte sigaren bij de katholieke geestelijkheid geliefd waren (21).
Hamers streefde er naar een groot assortiment sigaren op de markt te brengen.
In totaal creëerde hij meer dan 150 sigaarsoorten, waaronder de beroemde
'Reservados' en de 'Huifkar pour madame'. Behalve telkens nieuwe melanges bedacht
hij ook enkele op de verfijning van het rookgenot gerichte hulpmiddelen. Zo
ontwierp hij bijvoorbeeld een glazen sigarenkoker met zilveren deksel. Ongeveer
vier uur voor gebruik werd de sigaar in zo'n koker in de ijskast gelegd om
na het dessert, hangend aan de rand van een champagnekoeler, te worden binnengebracht.
In het zilveren (en voor senioren gouden) dekseltje bevond zich een poreus
kussentje, dat met een paar druppels cognac was bevochtigd, zodat de sigaar
een extra fijn aroma kreeg. Hamers beschouwde het vervaardigen van sigaren
als een ware kunst, vandaar dat uitsluitend handwerk op De Huifkar werd verricht.
Tentoonstellingen bezocht Hamers dikwijls met zijn huifkar en vaak ook met
enkele van zijn beste sigarenmakers die ter plekke de beroemde sigaren fabriceerden.
Zo was De Huifkar in 1928 maar liefst drie keer vertegenwoordigd op de Nederlandsche
Nijverheidstentoonstelling (NENYTO) in Rotterdam, de grootste industriële
expositie tot dan toe ooit in Nederland georganiseerd, met anderhalf miljoen
bezoekers (13).
Met de zaken op de fabriek zelf bemoeide Hamers zich slechts zeer weinig: "Hij
was er nooit, hij kende zijn arbeiders niet", zo verklaarde een voormalige
cigarillomaakster (24). Op de vraag aan een sigarenmaker die op De Huifkar
heeft gewerkt of hij Hamers wel eens op de fabriek zag antwoordde de sigarenmaker: "Nooit
van zijn leven! Ik heb er 34 jaar gewerkt, maar ik geloof niet dat 'ie mij
zou kennen!" (25). Als hij in Oisterwijk was dan was Hamers altijd op
het kantoor, op de fabrieken regelden de chefs het wel.
PATROONSBOND
Net als de sigarenmakers zelf achtten veel sigarenfabrikanten
het nodig om zich te organiseren in een bond om zodoende meer macht uit te
kunnen oefenen.
In 1905 vond de oprichting plaats van de Rooms Katholieke Patroonsbond van
Tabak? en Sigarenfabrikanten in het bisdom 's-Hertogenbosch (26). Al snel slaagde
men er in over heel zuid Nederland patroons te organiseren. Als bondsblad gaf
men 'Ons Dekblad' uit. Kennelijk was de rooms? katholieke signatuur toch niet
bij alle patroons even geliefd, want in 1912 werd een naamsverandering voorgesteld
waarbij het predikaat RK zou komen te vervallen. Met 22 tegen 6 stemmen werd
de naamsverandering aangenomen, maar onder druk van de geestelijkheid werd
de naam enkele maanden later toch weer van RK voorzien.
Pas in 1913 verscheen Hamers op de vergaderingen van de RK patroonsbond. Meteen
liet de succesvolle ondernemer zijn aanleg voor modern management zien. Hij
kondigde een loonsverlaging aan voor het maken van Senoritas met de hand als
dat werk technisch vergemakkelijkt zou worden. Hij protesteerde tegen het feit
dat hij meer loon betaalde dan zijn collega's, en tevens pleitte hij voor een
verhoging van de lonen voor sorteerders uit vrees dat er in de toekomst anders
een gebrek aan sorteerders zou ontstaan. Een looncommissie werd ingesteld om
de patroonsbond te vertegenwoordigen in onderhandelingen met de vakbonden over
arbeidsvoorwaarden.
Op de volgende vergadering van de patroonsbond, in december 1913, pleitte Hamers
voor solidariteit onder fabrikanten bij uitsluitingen. Toen er in april 1914
een conflict uitbrak bij de grote sigarenfabriek Goulmy en Baar stelde Hamers
voor een ondersteuningskas op te richten waarmee ondernemers elkaar in tijden
van staking of uitsluiting te hulp konden schieten. De solidariteit onder de
sigarenfabrikanten werd zelfs zo sterk dat overwogen werd op andere sigarenfabrieken
sigarenmakers te ontslaan om ze zo naar Goulmy te drijven als onderkruipers.
Ook in de patroonsbond zelf trachtte Hamers veranderingen aan te brengen. Hij
noemde het salaris van de secretaris "bespottelijk laag". In mei
1914 werd hij gekozen als bestuurslid voor de kring Tilburg-Boxtel. Toen de
voorzitter tot Hamers een dankwoord richtte bedankte Hamers hem daarvoor en
beloofde zijn kracht aan de bond te zullen wijden. Hij voegde er echter meteen
aan toe dat hij betwijfelde of hij het altijd met het bondsbestuur eens zou
zijn. In 1917 pleitte Hamers voor technische hulp voor de voorzitter, wiens
werkzaamheden te omvangrijk zouden zijn. Hij vond tevens dat er een gesalarieerde
moest worden aangesteld. Alleen onder die voorwaarden zou hij lid van de looncommissie
blijven. Bij de verkiezingen voor een nieuwe voorzitter in januari 1917 verloor
Hamers tegen Mignot. In juni 1917 werd hij ondervoorzitter.
Hoewel Hamers een grote voorstander van solidariteit onder sigarenfabrikanten
was, waakte hij ervoor dat anderen zich met zijn zaak zouden gaan bemoeien.
Telkens benadrukte hij dat loonmaatregelen en dergelijke niet dwingend opgelegd
moesten worden. Zo vond hij dat als er op heilige dagen niet gewerkt werd er
ook niet uitbetaald moest worden. Echter iedere ondernemer diende een eigen
regeling met zijn werknemers te treffen. In 1917 pleitte hij voor een duurtetoeslag
in verband met de hoge werkloosheid. Hij wilde vooral geen opgelegde loonsverhoging,
men moest zijn vrijheid toch behouden. Ook moesten de werklieden zich niet
te veel in de zaken mengen.
Hoewel Hamers gerespecteerd lijkt te zijn geweest door zijn medebondsleden
zal hij toch niet hun volkomen vertrouwen hebben gehad. In 1918 werd door de
minister een commissie van toezicht op de rijksbelasting op tabak ingesteld.
De bond wilde daarvoor twee afgevaardigden leveren, namelijk Hamers als exporteur
en Huysman als producent voor het binnenland. Maar de bond kreeg slechts een
plaats toegewezen. Huysman trok zich terug, maar de vergadering wilde Hamers
niet als enige vertegenwoordiger en zodoende werd Mignot afgevaardigd.
Hamers' haast liberale aanleg voor modern management openbaarde zich ook voor
de Oisterwijkse geestelijkheid. Vooral als Hamers zijn personeel op katholieke
feestdagen wilde laten overwerken ontstond er wrijving met de plaatselijke
vertegenwoordigers van de kerk. Dan verklaarde Hamers: "Pastoor, ik bepaal
wie hier werkt en wie hier ontslagen wordt! Bemoei jij je maar met de kerk!".
Er werd van de preekstoel door pastoor Van de Weerden afgeroepen wie zich er
aan zondig had gemaakt om op een heilige dag te werken. Daarna kwam Hamers
nooit meer in de kerk (27). Duidelijk is dat hij zijn beleid noch door de patroonsbond,
noch door de vakbonden, noch door de kerk gedwarsboomd wilde zien.
BELGISCHE VLUCHTELINGEN TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG
Tijdens de eerste wereldoorlog liet Hamers zich van zijn meest
humanitaire kant zien toen hij, schijnbaar belangeloos, als voorzitter van
het comité optrad
dat de opvang van Belgische vluchtelingen moest regelen. Merkwaardig is het
dat Hamers deze rol op zich nam, gezien het feit dat in bijna alle andere Brabantse
dorpen het de burgemeester was die deze functie vervulde.
In november 1914 had Oisterwijk zo'n 2200 vluchtelingen door bemiddeling van
Hamers' comité ondergebracht in openbare gebouwen of bij welwillende
Oisterwijkers (28). Veel vluchtelingen logeerden in de benedenkamers van de
fabriek van Hamers, in zijn stal, en in zijn Orangerie, maar anderen vonden
een tijdelijk onderkomen in de winkel van Blomjous, in de steenfabriek, de
Kunstkring, de zaal van Meys, de gasfabriek en bij particulieren. Een groot
aantal vluchtelingen vond onderdak in het raadhuis, waar ze op stro sliepen.
Behaaglijk was het lang niet overal, vooral op de Steenoven werd veel geklaagd
over tocht en kou. Koffie, brood, voeding, vaccinatie, de verzorging van zieken
en zuigelingen, geneeskundige hulp, enz. werden door het comité geregeld.
Dekens voor de vluchtelingen betaalde Hamers uit eigen zak. De kinderen van
de vluchtelingen gingen gewoon in Oisterwijk naar school, en een groot deel
van de volwassenen vond in Oisterwijk werk, vaak bij Hamers op de fabriek.
Hamers zette zich intensief in voor de organisatie van het vluchtelingenwerk.
Bijna dagelijks correspondeerde hij met diverse instanties om alles zo goed
mogelijk te laten verlopen (29). Op zijn fabriek richtte hij een lees- en schrijftafel
in voor de vluchtelingen. Daarvoor schreef hij diverse dag- en weekbladen aan
om gratis exemplaren los te krijgen, echter met weinig succes. Eind november
1914 vroeg Hamers medewerking van de commissaris van de koningin om naar Antwerpen
te gaan om persoonlijk te kijken of de vluchtelingen al terug konden keren.
Hamers deed steunlijsten de deur uit om hulp in natura (brandstoffen, zeep
en kleding) te werven. Kapelaan Huijbers, Blomjous en Doorman kregen steunlijsten
mee. Ook werd hulp gevraagd aan de katholieke parochianen en aan de Hervormde
gemeente, en richtte Hamers een verzoek voor 2500 gulden aan de provincie om
de nood te doen verminderen.
Het kantoorpersoneel van Hamers hielp ook "krachtdadig" mee met de
werkzaamheden van het comite (30). Ook was er onder zijn hoede een 'damescomité'
dat vooral zaken van huishoudelijke aard, zoals kleding, gezondheid en hygiene,
moest regelen. In het damescomite zat zowat elke vrouwelijke notabele van Oisterwijk,
zoals Mevr. Blomjous, Mej. Canters, Mevr. Perk, Mevr. Van der Heijden, Mevr.
Zoetmulder, en als secretaresse Mevr. Breda Van Kelckhoven. De samenwerking
tussen de dames en de wat autoritaire Hamers verliep niet altijd even soepel.
Uitvoerige instructies kregen de vrouwen, en de irritante opdracht dagelijks
aan Hamers schriftelijk te rapporteren. Ook vond Hamers dat de vrouwen niet
snel genoeg geld en goederen inzamelden, en protesteerde hij tegen hun minder
strakke organisatie wat betreft het uitdelen van ingezamelde goederen aan de
vluchtelingen.
Om zijn comité en het dorp in het algemeen wat te ontlasten probeerde
Hamers steeds het aantal vluchtelingen in Oisterwijk te doen verminderen, bijvoorbeeld
door ze door te sturen naar andere Brabantse gemeentes. Dat viel echter niet
mee, want lang niet overal was de opvang zo barmhartig als in Oisterwijk. Zo
wilde de burgemeester van Vessem "liefst vrouwvolk, en in geen geval havenmannen,
die willen de boeren hier niet. Ik moet goede elementen hebben...U begrijpt
dat men in Vessem geen lastige lui kan hebben. En wat zullen ze hier kunnen
arbeiden?". Hamers deed zijn best, en prees 'zijn' vluchtelingen aan als "uitgezochte,
nette vluchtelingen" (31).
In totaal moeten enkele duizenden Belgische vluchtelingen in Oisterwijk hebben
verbleven onder leiding van Hamers' comite. Het grootste aantal vluchtelingen
dat tegelijkertijd in Oisterwijk huisde was 1800. Als dank voor zijn actieve
inzet ontving Hamers van de vluchtelingenfamilies een zilveren inktstel (32).
Dat misschien niet alle ingezetenen van Oisterwijk zo goed met de Belgen overweg
konden bleek uit het feit dat toen de grootste groep Belgische vluchtelingen
Oisterwijk per trein verliet de vluchtelingen langs het spoor 'Hollandse kaaskoppen!'
kladderden (33).
HAMERS' RELATIE TOT DE OISTERWIJKSE GEMEENSCHAP
Naast Hamers' bemoeienissen met de Belgische vluchtelingen
had hij betrekkelijk weinig contacten met de Oisterwijkse samenleving. Hij
voorzag de harmonie van
nieuwe instrumenten, maar was te dikwijls op reis en te afstandelijk om veel
vriendschappen in Oisterwijk te onderhouden. Vermoedelijk speelde zijn sociale
leven zich buiten Oisterwijk af. Naast zijn zakenreizen ging Hamers elk jaar
lange tijd op wintersportvakantie in Zwitserland. Wel was hij enige tijd president
van "de Sociëteit", een eliteclubje waarin ook Balbian Verster
en notaris Wouters zaten (34).
Door sommigen werd Hamers als een 'enfant terrible' beschouwd omdat hij zich
weinig van de burgemeester en de geestelijkheid aantrok. Zijn vakmensen, al
waren ze geen katholieken of zelfs al waren ze socialisten, kregen bij Hamers
meer ruimte dan ze zouden hebben gekregen op bijvoorbeeld de schoenfabrieken.
Het was net alsof Hamers er zelfs plezier in had om zo de burgemeester en de
pastoor te provoceren (35).
Hamers' arbeiders beschouwden hem als een 'gehaaide vent' (36), vooral omdat
hij zoveel talen sprak. Ze hadden over het algemeen niet graag dat hij op de
fabriek kwam, wat gelukkig voor hen nauwelijks voorkwam. Als hij eens een keer
op de fabriek moest zijn, dan kon je een speld horen vallen, zo'n schrik had
iedereen van Hamers.
Weer anderen benadrukken dat Hamers een humane werkgever was, omdat in tijden
van slapte vrijgezellen er het eerst uit moesten (37). Als er slapte was en
mensen ontslagen moesten worden, dan gaf Hamers altijd aan iemand anders de
opdracht de betreffende
werklieden het slechte nieuws te brengen, omdat hij het er zelf moeilijk mee
had als hij iemand moest ontslaan. Ook probeerde hij volgens sommigen de toestand
van de werkende klasse te verbeteren, en niet alleen maar zijn arbeiders bij
tijd en wijle te sussen. Om zijn werklieden beter te huisvesten had Hamers
het plan opgevat om arbeiderswoningen te laten bouwen in het Lindepark. Ook
verzette hij zich tegen de armenzorg zoals die door de pastoor geregeld werd.
Men gaf namelijk de pastoor geld om te beleggen. Hamers voelde niets voor deze
belegging en gaf de armen liever directe gelden (38).
HET HUWELIJK
Op 30 november 1922 trouwde de 47-jarige sigarenfabrikant
met de Duitse correspondente van zijn kantoor, de 25-jarige Alida Everdina
Johanna Holdtgrefe uit Amsterdam
(39). Zij woonde vanaf 1917 in Oisterwijk, waar ze bij Jana van de Heuvel in
pension was. Ze werd als een echte dame gezien, "altijd opgesmukt en zo",
en werd 'Rooie Sien' genoemd vanwege haar opvallend rood haar (40).
Op een zekere maandag verscheen Alida 's ochtends niet op het kantoor. 's Middags
was zij weer, zonder enige verklaring omtrent haar afwezigheid, aan het werk
gegaan. Procuratiehouder Jan Rompel, die de leiding over het kantoor had op
dat moment, zei tegen de jonge vrouw dat ze maar weer naar huis moest gaan,
want hij zou eerst met Hamers moeten bespreken of ze wel terug mocht komen.
Rompel zal wel wat opgekeken hebben toen uit die bespreking met Hamers bleek
dat Alida een lang weekeinde met Hamers naar Parijs was geweest. Uiteraard
mocht ze weer terugkomen op het kantoor (41).
Toen Alida met Hamers trouwde werd er op de fabriek druk nagedacht over een
toepasselijk trouwcadeau van het personeel. De knechten vonden het moeilijk
om iets voor Hamers te bedenken, want hij had alles, en bovendien kende hij
zijn arbeiders helemaal niet. Uiteindelijk viel de keus op een barometer, die
Tinus Roestenburg en Janus van de Wiel aan de pasgehuwden aanboden (42).
Na het huwelijk hield mevrouw Hamers zich hoofdzakelijk bezig met de tuin en
het huishouden, zoals haar man dat wenste. Ze vermaakte zich met zwemmen en
wandelen met haar hond Corrie, vooral in en om het eigen ven van Hamers, Winkelsven
in Haaren. Hoewel haar moeder in Oisterwijk kwam wonen, na Alida's huwelijk
met Alphonse, mag men veronderstellen dat haar bestaan in Oisterwijk dikwijls
eenzaam was. Haar man was immers het grootste deel van de tijd afwezig, zij
had geen kinderen en weinig vrienden in het dorp. Vaak zocht mevrouw Hamers
toenadering tot het personeel van de fabriek, maar dit werd door Hamers sterk
afgekeurd. Wel slaagde zij erin om de waardering van veel arbeiders te winnen,
en amuseerde zij zich aan het doen en laten van de Brabantse arbeider. Vooral
met de kokkin Anna Reijnen kreeg Alida een hechte band.
Mevrouw Hamers probeerde, naar eigen zeggen, mensen in het dorp te helpen.
Naast het weggeven van huishoudelijke artikelen, sigaren, borreltjes en linnengoed,
leerde zij enkele Oisterwijkse vrouwen de kunst van het tandenpoetsen (43).
Wassen was in die tijd ongewoon, laat staan tandenpoetsen. Een oude arbeider
vertelde mevrouw Hamers eens (hij had overigens een pikzwart gebit), dat hij
het maar niks vond dat zijn dochter haar tanden was gaan poetsen. Hij meende
gelijk te krijgen toen het meisje op een dag "de tanden uit haar
smoel" vielen en hij een kunstgebit bij Krupp moest kopen voor twee gulden.
Velen herinneren zich mevrouw Hamers als zeer royaal en vriendelijk. Ze gaf
dikwijls het een en ander aan de arbeiders met wie ze een goed contact had.
Toen het eerste kind van tuinman Jan Schellekens geboren werd zorgde mevrouw
Hamers dat er vlees voor het kind kwam. Schellekens kreeg van haar ook vaak
briefjes in de hand gedrukt waarop de namen en adressen van mensen stonden
aan wie hij groenten of fruit namens haar moest brengen (44). Op haar verjaardag
trakteerde mevrouw Hamers door haar dienstbode koffie en een borrel op de fabriek
rond te laten brengen.
De arbeider Marinuske kwam regelmatig bij mevrouw Hamers geld halen voor een
nieuwe pet. Als zij informeerde naar het geld voor al die petjes antwoordde
de man: "Ach, beter het kopke kaal, dan het keeltje droog!" (45).
Onder veel Oisterwijkers leefde het vermoeden dat mevrouw Hamers een relatie
had met een eveneens in de villa wonende neef van Hamers, Joop Liesker. Het
leek de Oisterwijkers nogal logisch: Hamers was immers bijna 20 jaar ouder
dan zijn vrouw, en Liesker was ongeveer net zo oud als mevrouw Hamers zelf.
Liesker was door Hamers 'over het paardje getild': hij moest opgeleid worden
om Hamers op te volgen.
HAMERS VEROORDEELD
In de oorlog betrok Hamers zijn tabak direct van de Duitsers. Bij een uitspraak
van de Centrale Zuiveringsraad van 18 maart 1947 werd Hamers voor de tijd van
twee jaar het recht ontzegd om een leidinggevende functie uit te oefenen in
de tabaksbranche wegens zijn vermeende geestelijke en economische collaboratie
in de oorlog (46). Hij zat zijn huisarrest uit in een groot herenhuis in Dubbeldam.
Het Militair Gezag beval Mr.Scheidelaar uit Tilburg en dhr. De Haan, lange
tijd boekhouder op Hamers' kantoor, op te treden als voorlopige beheerder van
de Nederlandse Sigarenfabriek De Huifkar. Vanaf januari 1948 tot eind mei 1950
was De Haan directeur van de fabriek. Daarna nam Hamers het officieel weer
over, maar zijn gezondheid was zo slecht dat De Haan in werkelijkheid de leiding
over de fabriek behield.
Op 11 februari 1952 stierf Hamers aan een hartaanval. Hij lag opgebaard in
zijn villa. Veel sigarenmakers kwamen afscheid nemen. Ook de begrafenis trok
veel belangstelling: "het was verdommes druk op straat, want iedereen
kwam kijken wie er allemaal was" (47), "buitenlanders en alles was
erbij" (48). Hamers werd door de acht sigarenmakers die het langst op
De Huifkar werkten naar zijn graf gedragen. Van de villa liep de stoet naar
de Joanneskerk en daarna naar de familiebegraafplaats op het kerkhof van de
Petruskerk.
DE VILLA
In 1894 ging Hamers in de villa wonen die in Oisterwijk lange
tijd bekend stond als 'De Huifkar'. Het monumentale witte pand op de hoek
van De Lind en
de Gemullehoekenweg werd in 1858 gebouwd in opdracht van F.A.Holleman, de eigenaar
van de garancinefabriek aan het Kerkeinde, en na diens vertrek naar Den Haag
aan de familie Hamers verkocht (49). Later is de naam "Huifkar" aangebracht
op de zijgevel aan de kant van De Lind. Na het sluiten van de fabriek in 1955
nam de gemeente Oisterwijk het pand over en vestigde daar een dependance van
de gemeentelijke secretarie. Ook is er een tijdlang een dependance van het
Gewestelijk Arbeidsbureau Tilburg in gevestigd geweest. In 1987 werd het pand
in opdracht van het gemeentebestuur gesloopt om plaats te maken voor de bouw
van een nieuw administratiekantoor.
Op de begane grond van het statige pand bevond zich de salon, de eetkamer,
de keuken, de bijkeuken, de monsterkamer, het kantoor van de fabriek en het
privé-kantoor van Hamers (50). Een lange, betegelde gang liep vanaf
de voordeur aan de zijde van de Gemullehoekenweg dwars door het huis, een gang
van maar liefst drieentwintig meter lang. Op de eerste verdieping trof men
de badkamer aan, de slaapkamer van meneer Hamers, de slaapkamer van mevrouw
Hamers en een drietal logeerkamers. Op zolder waren aanvankelijk kamertjes
voor de dienstboden, na de oorlog verbleven de dienstmeisjes op de eerste verdieping.
In de monsterkamer van de villa stonden alle Huifkarproducten achter glas tentoongesteld.
Ook werd de kamer door Hamers gebruikt om er in te roken. Om plaats te maken
voor het kantoor van de fabriek liet Hamers de open veranda dichtmaken. Het
personeel van het kantoor had een aparte ingang.
De keuken van de villa was heel groot, en vol met allerlei ouderwetse doch
effectieve hulpmiddelen voor het koken. Er stonden een paar grote servieskasten,
een fornuis dat met hout gestookt werd, en de telefoon. Achter de keuken bevond
zich de bijkeuken, waarin een hele grote tafel stond. Daar deelde kokkin Anna
Reijnen soep en overgebleven restjes van diners uit aan hongerige Oisterwijkers
in slechte tijden (51).
In de grote eetkamer stond een divan en een grammofoon. Als Hamers weg was
mochten de kinderen van kokkin Anna operaplaten draaien. Op de muziek van de
platen dansten de kinderen door de lange gladde gang, de aanmaningen van Liesker
negerend (52).
Bij de villa hoorde een geweldig grote bloementuin, een boomgaard en een zeer
grote moestuin. De tuin strekte tot aan de Voorste Stroom. Ook behoorde tot
de villa het koetshuis dat op de uiterste hoek van De Lind en de Gemullehoekenweg
stond. Daar woonde jarenlang de chef van de sorteerderij, Izaak Braadbaart,
en zijn gezin.
DE BEWONERS VAN DE VILLA
Naast de eerder beschreven Alphonse Hamers en zijn vrouw Alida woonden er
in de villa enkele andere mensen in de loop der jaren. Zo woonde een tijd lang
de moeder van Hamers, zijn compagnon Wurfbain, Liesker en enkele personeelsleden
naast Hamers op de villa. Na de oorlog woonde op de villa directeur De Haan
en zijn gezin, toen Hamers en zijn vrouw uit Oisterwijk weg waren.
Joop Liesker was een neef van Hamers. Hij zou aanvankelijk rechten gaan studeren.
Zijn vader stierf toen Joop 14 was en nadat ook een zusje overleed viel het
gezin uit elkaar. Liesker ging inwonen bij zijn oom Alphonse Hamers. Hij werkte
anderhalf jaar als volontair op de gemeentesecretarie in Oisterwijk. Hij volgde
allerlei cursussen maar volgens Hamers had zijn neef geen aanleg om burgemeester
te worden, Joop's uiteindelijke doel (53). Op Hamers' verzoek ging Liesker
zich voor de sigarenfabriek interesseren. Hij werd opgeleid door Hamers, vermoedelijk
om een leidinggevende rol in het bedrijf te kunnen spelen. Het sigarenmakervak
leerde hij van enkele sigarenmakers zelf, zoals Tinus Roestenburg.
Op de villa hield Hamers Liesker goed in de gaten. Zo mocht de jongeman niet
bij de familie Braadbaart op bezoek, en moest hij van
zijn oom elke avond om tien uur naar bed. Dikwijls kroop hij daarna door het
raam het huis uit en toog hij naar het dorp. De tuinman moest voor Liesker
elke ochtend even onder het raam harken om alle sporen van Liesker's nachtelijke
avonturen uit te wissen (54).
In het dorp was 'meneer Liesker' verre van geliefd. Hij stond bekend als iemand
die teveel dronk en niet te vertrouwen was, en bovendien altijd achter de vrouwen
aanliep. "Het was eene lapzwans, want hij kende niks" (55). Zijn
vermeende collaboratie met de bezetter in de oorlog versterkte die indruk.
HET PERSONEEL VAN DE VILLA
Zeer uitgebreid is het personeel geweest dat het leven op de villa aangenaam moest maken: tuinpersoneel, dienstmeisjes, keukenpersoneel, chauffeurs, enzovoorts, werden door Hamers en later door zijn vrouw aangetrokken. Vaak waren meerdere leden van een gezin betrokken bij het werk op de villa. Een dominante plaats in de huishouding van de villa werd door de familie Reijnen ingenomen.
DE FAMILIE REIJNEN
Leonardus ('Nardje') Reijnen had rond de eeuwwisseling een eigen timmerwinkeltje.
Zodoende kwam hij vaak voor klusjes op De Huifkar, en werd hij uiteindelijk
aangesteld als 'manusje van alles' (56).
Als Hamers op reis ging, dan sjouwde Nardje er achteraan met een kruiwagen
vol met de koffers van Hamers. Als Nardje dan vroeg wanneer Hamers terugkwam
antwoordde Hamers dat hij dat niet wist, en dat Nardje maar elke dag moest
komen kijken op het station of Hamers niet teruggekomen was. Zodoende liep
Nardje
weleens weken aaneen met een lege kruiwagen heen en weer tussen de villa en
het station (57).
Nardje stond bekend als een 'goeie drinker' en als een komiek. Eens op een
feestelijk diner kwam hij binnen met een dienblad beladen met glazen met cognac.
In de eetkamer struikelde hij. Het verhaal gaat dat Nardje er net in slaagde
om, voordat de glazen tegen de grond kletsten, een slok uit een van de glazen
te nemen (58).
Hamers was niet alleen een uitstekende tabakskenner, hij was ook een wijnkenner.
In zijn wijnkelder stonden duizenden flessen wijn. Hamers kocht de wijn per
vat uit Frankrijk en liet het door Nardje in de kelder bottelen. Men vertrouwde
de knecht blijkbaar niet volkomen, want hij moest tijdens het bottelen continu
zingen, zodat men zou kunnen horen of hij een slokje nam (59).
De zoon van Nardje, Cees, werkte op de sorteerderij van de sigarenfabriek,
maar hield ook de verwarming bij op de villa. Daarnaast werkte hij er als ober
op grote feesten, onder andere voor het trouwfeest van Hamers (60).
De dochters van Nardje, Anna, Petronella (Pietje) en Lucia werkten alledrie
op De Huifkar. Anna werkte tientallen jaren als kokkin op de villa. Met haar
twaalfde begon ze op de villa, tot haar 84ste is ze gebleven. Ze droeg altijd
een 'potske' (een kante mutsje), en op zondag was ze in het zwart gekleed (61).
Toen Anna op De Huifkar ging werken woonde Hamers er nog met zijn compagnon
Wurfbain, een rijke man die zelfs een rijstal met renpaarden had. Met paarden
vanuit zijn stal werden paardrenwedstrijden georganiseerd achter de Waterhoef
(62). Wurfbain gooide wel eens met een opgefrommeld papiertje naar Anna's hoofd
- dat papiertje bleek dan een tientje te zijn.
Op een gegeven moment kreeg Anna verkering. Om te kunnen sparen voor een uitzet
ging ze inwonen bij Hamers en Wurfbain. Dat zo'n jong meisje bij twee mannen
in een huis ging wonen baarde veel opzien in Oisterwijk (63).
Jana van de Heuvel was kokkin op De Huifkar toen Anna daar ging werken. Anna
was altijd geïnteresseerd in wat Jana in de pannen deed, maar Jana verbood
de anderen te kijken. Toch probeerde Anna steeds stiekem in de pannen een kijkje
te nemen. Alles wat ze zag van Jana's recepten schreef ze heimelijk op het
toilet in dikke schriften. Zo ontstonden Anna's recepten. Ze kookte altijd
op het oude fornuis, dat met eikenhout gestookt werd. Toen een gasfornuis was
aangeschaft was Anna bang dat ze niet meer zou kunnen koken. De hele Oisterwijkse
elite, maar vooral mevrouw Hamers zelf, was zot op de kookkunsten van Anna
Reijnen. "Ze kookte als een godin", verklaarde mevrouw Hamers. Haar
grote kunst was het braden van wild (64).
Anna stond altijd voor Hamers klaar, zelfs zo dat ze dikwijls haar eigen kinderen
liet wachten om toch maar Hamers op tijd zijn biefstukje te kunnen geven. Als
Anna elke dag om 4 uur naar de villa trok om het eten voor te bereiden dan
moest dochter Pietje, die op de sorteerderij werkte, naar huis komen om daar
voor het huishouden te zorgen.
Toch zal het niet altijd makkelijk zijn geweest om voor Hamers te werken, want
hij was veeleisend en had weinig geduld. Hij duldde bijvoorbeeld geen mannen
in de keuken, zelfs niet het zoontje van Anna dat wel eens een boodschap moest
komen brengen (65). Eens kwam Hamers naar de keuken om te vragen om een sinaasappel.
De zus van Anna, Pietje, pakte er een uit de fruitschaal en overhandigde die
aan Hamers. Hamers werd woedend, en wilde de sinaasappel tegen haar hoofd aan
gooien, maar
Pietje ging voor het grote keukenraam staan zodat Hamers niet meer durfde te
gooien. Ook Anna werd verschrikkelijk boos op haar zus, omdat ze niet eerst
de sinaasappel netjes op een bord had gelegd en niet 'alstublieft, meneer Hamers'
had gezegd bij het overhandigen van het stuk fruit. Anna's loyaliteit voor
Hamers ging zelfs zo ver dat ze vond dat zus Pietje niet voor het raam had
mogen gaan staan zodat Hamers had kunnen gooien.
In 1928 ging Anna Reijnen voor Hamers naar Zwitserland, waar mevrouw Hamers,
op vakantie, verlangde naar Anna's kookkunsten. Anna vond het maar niets, dat
ze Oisterwijk uit moest. Liesker begeleidde haar naar mevrouw Hamers, maar
ze voelde zich er niet thuis. Toen Liesker onderweg iets wilde eten protesteerde
Anna verontwaardigd: "Ikke hier ergens eten bij volk dat m'n taal niet
spreekt? Ikke niet!" (66). Ook in Zwitserland slaagde Anna er in vrienden
en kennissen van Hamers met haar koken te betoveren. De Fransen en Zwitsers
aldaar noemden haar "la cuisiniere Hollandaise", en probeerden achter
het geheim van haar recepten te komen. Ze leerden de Oisterwijkse kokkin zelfs
skiën.
HUISPERSONEEL
De Huifkar heeft veel dienstbodes gekend, onder andere meisjes uit Oostenrijk
en Zwitserland, maar ook volk van dichter bij huis, zoals Oisterwijkse meisjes
die voor kortere of langere tijd bij Hamers in dienst waren, en de Haarense
meisjes Smolders (hun vader was tuinman op de Huifkar). De dienstmeisjes deden
het huishouden en hielpen mee om het eten voor te bereiden en gasten te ontvangen.
Ook voor het onderhoud van de enorm grote tuin waren verschillende mensen door
Hamers aangesteld. Harrie Hommen werkte gedurende ongeveer een jaar op de villa
als tuinman, in 1928 of 1929 (67). Zoals velen die op de villa werkten, vond
hij
dat hij het er goed had. Alleen kon hij met Hamers niet goed overweg: "Voor
Hamers moest je kruipen en buigen. Meneer commandeert en als je niet kon opschieten
met de keukenmeid dan lag je eruit". Anderzijds was Hamers wel een royale
werkgever: voor een goed karwei kreeg de tuinman van Hamers wel eens een handjevol
sigaren met de opmerking:" Mondje houden he".
Vanaf 1937 tot in de oorlog werkte Jan Tillemans als tuinman (68). Ook werkte
Jan Schellekens als tuinman voor Hamers in de eerste jaren van de oorlog. Hij
werd weer door Daan Nihot opgevolgd, en kreeg eveneens gezelschap van Hendrik
v.d. Koedijk, een voormalige boer. Als Van de Koedijk eenmaal een das en een
pet aantrok, dan was het echt koud. Mevrouw Hamers haalde hem dan binnen en
gaf hem een borreltje. Gewoonlijk zei hij dan: "Ik heb liever tien borreltjes
dan een keer d'n heilige olie!" (69).
In de oorlog werden zowel de tuin als de villa volledig gemoderniseerd. Hamers
bemoeide zich weinig met de tuin, hoewel hij liet doorschemeren dat de vernieuwing
voor hem er allemaal wat royaal werd uitgevoerd. Eens was er bijvoorbeeld een
tuinarchitect uit Den Haag aan het werk toen Hamers thuis kwam en hij iedereen
van dat bureau naar huis stuurde (70)
Hans v.d. Koedijk, zoon van de tuinman, reed als taxichauffeur dikwijls voor
Hamers, tussen 1941 en 1943 (71). Daarna kocht Hamers een eigen auto en had
hij een eigen chauffeur, tot hij na de bevrijding geen gebruik van zijn auto
meer kon maken. Hans was destijds chauffeur voor het taxibedrijf van Van Leest,
en moest altijd klaar staan voor Hamers. Als mevrouw Hamers de taxi wilde gebruiken
moest Hans eerst toestemming van meneer hebben eer hij met haar weg mocht,
voor het geval dat Hamers zelf in de tussentijd de taxi nodig zou hebben. Meestal
moest Hans Hamers naar Amsterdam brengen, waar hij in luxueuze hotels afspraken
had met diverse hoge Duitsers. Dikwijls moest hij ook kleine bestellingen afleveren
voor Hamers. En ooit moest hij helemaal naar Amsterdam om oesters te kopen
voor een speciaal diner op de villa. Dat vond Hamers niets bijzonders, zo even
op en neer rijden naar Amsterdam, het gebeurde wel vaker.
Naast het vast personeel werkten voor de familie Hamers dikwijls mensen in
opdracht, zoals diverse klusjesmannen en bijvoorbeeld naaisters. Ook trok Hamers
extra mensen aan om bij grote diners te dienen.
HAMERS ALS AUTORITAIRE PERSOON
Zowel in zijn zakelijke als in zijn persoonlijke leven stond Hamers bekend om zijn autoritaire manier van optreden. Zowel zijn arbeiders als het dienstpersoneel van de villa boezemde hij schrik in. Zijn afkeer van medezeggenschap door arbeiders en vakbonden op de fabriek, en zijn eis aan het huispersoneel tot volstrekte onderdanigheid, maakten hem als persoon niet populair. Afgezien van de enkele personen die Hamers door dik en dun verdedigden had hij weinig vrienden. Tot die enkele uitzonderingen behoorden ongetwijfeld Anna Reijnen en zijn vrouw Alida. De kokkin verdedigde meneer Hamers tot in het absurde en Alida berustte in het feit dat zij zich in haar eentje op de villa moest zien te vermaken. De oorlogsjaren droegen niet direct bij aan de populariteit van Hamers. Het wekt dan ook geen verbazing dat toen Hamers stierf, hij in de ogen van de Oisterwijkse gemeenschap nog bijna even onbekend en onbemind was als toen hij in 1894 aankwam.
| info@siebethissen.net | - | - | - |