| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2009 De vierde verdieping.pdf | 04.11.2009 | 85kB | - |
‘Zo kraait de stad’
Kunst op de stedelijke agenda
Aan het toevoegen van een Vierde Verdieping aan het Gorcums Museum kleeft iets paradoxaals. Kunstenaars Jack van Mildert, Joke van Kerkwijk en Piet Augustijn refereren aan een proces van imaginaire verdieping – aan verbeeldingskracht, nodig om een maatschappelijk debat op gang te brengen over de mogelijke invloed van de beeldende kunst op de transformatie van de stad Gorinchem. Hun actie betreft een klassieke, romantische positie van de kunst: door een virtuele ruimte te openen in een museum en kunstenaars uit te nodigen nieuw werk te maken, wordt weliswaar een boeiend stadslaboratorium geopend, maar dreigen ook de verlokkingen van het kunstreservaat. Maar een museale presentatie, gecombineerd met de steeds weer terugkerende vraag of het museum wel de beste plek is om een maatschappelijk debat op gang te brengen, maakt het project er niet minder eenvoudig op.
De ambities van de kunstenaars zijn groot. Ze hebben zichzelf vragen voorgelegd die veel verder reiken dan de muren van het museum. Tast economische vitalisering van de binnenstad en de uniformering van het winkelaanbod het bijzondere, historische karakter van Gorcum aan? En vervolgens: staat de identiteit van Gorcum onder druk? Of nog erger: beschikt Gorcum nog wel over een eigen identiteit? Ook aan de kunst worden prangende vragen gesteld. Blijft kunst in de openbare ruimte overeind in een snel veranderende stad? Moet kunst een rol spelen in het blootleggen van de identiteit van de stad? Kan ze de publieke opinie beïnvloeden?
De vragen zijn doordesemd van actualiteit en maatschappelijke agenda. De gedachte van de imaginaire Vierde Verdieping lijkt in zulk geweld te verdampen – wellicht had Begane Grond – als fysiek fundament - een meer treffende uitdrukking aan de onderliggende motieven kunnen geven. Maar laten we niet teveel kibbelen over concept en context. In mijn bijdrage wil ik de programmatische uitgangspunten van de Vierde Verdieping – namelijk, stadsontwikkeling en de rol van beeldende kunst – nader aan de orde stellen. Niet door ze als gescheiden domeinen op te vatten, maar als een integraal concept.
Twee aspecten van dat programma wil ik hier buiten beschouwing laten. Op de eerste plaats doe ik geen uitspraken over de gewraakte inwisselbaarheid van het winkelaanbod en de winkelinrichting in Gorcum. Het is immers verleidelijk te vervallen in nostalgie en in heimwee naar het oude, warme en ambachtelijke bakkertje op de hoek of naar het kleine familiebedrijfje van de Végé, waar klanten nog met ‘goedemorgen’ werden begroet en waar geïnteresseerd werd geïnformeerd naar de preek van zondagochtend. Ik kan het weten. Mijn ouders waren de uitbaters van een kleine Sparkruidenier, waarin alles nog achter de toonbank stond opgesteld. Dagelijks bezorgde ik met mijn vader, achterop de brommer, de boodschappen bij de klanten thuis. Vergrijzing van de buurt en de gestage opmars van de supermarkt dreven de nering naar het faillissement. Maar wrok of nostalgie heeft ons gezin niet getroffen. Even vrolijk voegden we ons weer in de rijen voor de kassa’s van Albert Heijn – een supermarkt die uitgroeide tot het bijzondere publieke domein dat ze vandaag is.
Laten we de kunst er eens bij halen. Kunstenaar Robin van ’t Haar documenteerde groepjes wachtende klanten voor de deuren van tientallen Aldi-supermarkten, vlak voordat de winkels hun deuren openen. Zijn expositie Wachten voor de Aldi (2003) bood een integer, hedendaags staaltje van sociale cohesie en publiek domein. Kunstenaars Klaas van Gorkum en Iratxe Jaio organiseerden met Zombie Walk (2008) een optocht met honderd buurtbewoners in de Utrechtse wijk Overvecht, voor de gelegenheid geschminkt en verkleed als zombies. De tocht leidde naar het winkelcentrum, de laatste plaats in de wijk, volgens de kunstenaars, waar nog sprake is van sociale gemeenschap. Ontwerper Jan Konings onderzocht twee jaar eerder de wijze waarop Albert Heijn-supermarkten publieke ruimte toevoegen aan hun winkels, bijvoorbeeld door gratis koffie te verstrekken – óók aan niet-klanten – en bedacht vanuit dat voorbeeld een serie publieke interventies in het winkelgebied. Alicia Frames bestudeerde met Atopia (2001) de wijze waarop ongebruikelijke functies kunnen worden toegevoegd aan private ontvangstruimtes: bijvoorbeeld een wasserette in de plint van een kantoorflat of een koffiebar in de hal van een bankgebouw. In Rotterdam-Zuid, voorlopig tenslotte, wordt vandaag onderzocht of het probleem van overlast door hangjongeren in winkelcentrum Zuidplein ook op een minder repressieve wijze kan worden bejegend. Bijvoorbeeld door het toevoegen van nieuwe functies aan het centrum, zoals een muziekschool, een sportschool en een catwalk. Met andere woorden, veranderingen in het winkelaanbod zijn minder gediend met gevoelens van heimwee naar de kleine middenstand van weleer, maar verdienen meer creativiteit in het proces van stadsontwikkeling en in het ontwerp van de openbare ruimte.
Een tweede aspect dat ik een lage prioriteit wil geven, is de notie van identiteit. Identiteit is een lastig concept. Toch kan het begrip zich verheugen in een enorme populariteit. Stedenbouwers, projectontwikkelaars, corporaties en reclamebureaus troeven elkaar af in het gebruik van de term. Identiteit lijkt vandaag een ander woord voor branding. Maar wat is identiteit? Een filosofe noemde identiteit ooit ‘een achterwaartse reis langs plaatsen waar we al geweest zijn’. Identiteit is afgeleid van het Griekse woord ‘eidos’, dat kan worden vertaald als gezicht, uiterlijk, gestalte of totaalindruk. Identiteit veronderstelt dat er sprake is van een kern die iets bezit dat kenmerkend is. In 1824, zo deelt mijn etymologisch woordenboek mee, worden in Nederland de begrippen eenzelvigheid en gelijkvormigheid als betekenissen opgevoerd. Maar dienen we de processen van culturele differentiatie die onze samenleving vandaag doorkruisen nu echt te benaderen vanuit het principe van de eenzelvigheid? Hoe gelijkvormig willen we vandaag zijn?
Kunstenaar Anno Dijkstra borduurt spannend op dit onderwerp voort in een flyer van de Vierde Verdieping. Hij noemt identiteit een afbakening van je terrein, door middel van het trekken van fysieke en psychologische grenzen. En daarmee introduceert hij ook meteen het probleem: want mensen beschikken ook over de behoefte aan contact met anderen; ze verlangen naar andere indrukken - mensen beschikken over een onuitroeibare drang naar het bevredigen van hun nieuwsgierigheid. Mensen zijn geïnteresseerde wezens. Dijkstra spreekt over een voortdurende spanning tussen het afbakenen van grenzen en het toelaten van nieuw indrukken. Belangrijker dan het vaststellen van identiteit – identificatieplicht - is dan ook het creëren van mogelijkheden om relaties aan te gaan. Bijvoorbeeld door middel van het genereren van stadsverhalen, zoals in Gorcum door Martina Florians wordt bepleit. Zij wil stadservaringen verzamelen, een netwerk van gastvrije inwoners van Gorcum creëren, en hen in verbinding brengen met bezoekers die open staan voor ontmoeting en ontdekking. Ook hier staat interesse centraal: ze is gefascineerd door relaties die mensen aangaan en veel minder in afgebakende, gelijkvormige kernessenties. Het is precies deze dynamiek die centraal zou moeten staan in het proces van transformatie dat de stad Gorcum ondergaat. Hoe kan zo’n dynamiek worden vormgegeven in het oude stadshart en in de buurten daarbuiten? Hoe kan de openbare ruimte zó worden ingericht dat uitwisseling en interactie een grotere rol kunnen spelen in het publieke domein? Hoe kan Gorcum een stad van interesse worden?
Stedelijke transformaties beginnen vaak achter de tekentafel en in de kasboeken van ontwikkelaars. En als de veranderingsmachine in gang wordt gezet, blijkt al te vaak sprake van kille, logistieke en technologische operaties. Natuurlijk, steden bestaan nu eenmaal bij de gratie van dynamiek en verandering, maar de overlast voor burgers is vaak groot. Bouwen en slopen maken het verblijf in de stad er niet prettiger op, sociale en culturele spanningen kunnen toenemen, de vrees voor aantasting van sociale cohesie dringt zich op, en zorgen worden geuit over het verdwijnen van historische en gezichtsbepalende elementen in het straatbeeld. Voor burgers rest vaak het bezoek aan een door de gemeente georganiseerde inspraakavond. In onze ijver vergeten we echter dat de stad geen fysieke moloch is, maar mensenwerk. Steden zijn uiterst kwetsbare vormen van menselijke organisatie. En momenten van verandering bieden een unieke kans sociale gemeenschap en menselijke waardigheid opnieuw te ijken. De oprichting van de Vierde Verdieping – maar ook de door haar geïnitieerde kunstprojecten – geven allen blijk van dat verlangen: zij brengen de menselijke factor in het discours van de stadsontwikkeling.
Niet lang geleden verscheen een intrigerende studie: The Art Of City-Making (2006), geschreven door de Britse onderzoeker Charles Landry. Laat de titel eens goed tot u doordringen – De kunst van het stadswerken. Zes jaar eerder zag zijn befaamde boek The Creative City het licht. Die studie was bedoeld als ‘gereedschapskist voor stedelijke vernieuwers’, zoals de ondertitel luidde. Tal van praktijken, methoden en voorbeelden van stedelijke innovaties werden onder de aandacht van de lezer gebracht. Volgens Landry zijn planologie en stadsontwikkeling vaak hopeloos gedateerd, omdat hun bureaucratische en technologische karakter hen verhindert openingen te maken naar software solutions, sociale creativiteit en verbeeldingskracht. In The Art Of City-Making gaat hij nog een stapje verder, door kunstenaars een belangrijke rol toe te kennen in processen van stedelijke transformatie:
“Wat een stad leven, betekenis en zingeving schenkt, zijn de handelingen en activiteiten van mensen in hun fysieke omgeving. Het decor en het spel mogen niet met elkaar worden vereenzelvigd. De fysieke dingen zijn weliswaar noodzakelijke instrumenten en hulpmiddelen, maar de kunst van het stadswerken wil de stad in balans brengen, door de geloofwaardigheid en status van kunstenaars, schrijvers, regisseurs en performers te verhogen. Want teveel hebben we in het verleden vertrouwd op de professionele kaste die onze fysieke omgeving ontwierp. En is niet zij, meer dan anderen, verantwoordelijk voor de steden waarin we vandaag wonen?”
Met andere woorden, Landry bepleit een belangrijke rol voor kunstenaars, creatieven en cultuurwerkers in processen van stadsontwikkeling. Zijn boek biedt een duizelingwekkende verzameling voorbeelden van geslaagde en minder geslaagde praktijken van dit stadswerken. Ook laat hij zien wat het effect van die interventies is op onze ervaringen van stedelijkheid en waarom we sommige steden wel waarderen en andere niet. Zijn kunst van het stadswerken opent als het ware een domein tussen kunst en wetenschap, waarin een empirische wijze van onderzoek geplaatst wordt in de context van het subjectieve – het domein van de kunst. We kunnen het ook anders stellen: de kunstenaar in de openbare ruimte wordt kunstenaar-onderzoeker. Hij verzamelt kennis en rangschikt data, ontwerpt kunstpraktijken, en maakt nieuwe stadsverhalen mogelijk. Stedelijke problemen worden niet als instrumentele bedreigingen voor de autonomie van de kunst beschouwd, maar juist als unieke ontwerpopgaven. Landry wijst al te objectieve begrippen als stadsontwikkeling en herstructurering af, omdat zulke noties gevangen blijven in de constructie van onze fysieke omgeving vanuit een professioneel stedenbouwkundig discours. Anders gezegd: zulke noties doen de eigen, subjectieve aard van de kunst geen recht. Ook doen ze geen recht aan de opvatting van de stad als mensenwerk.
Proefondervindelijke kunstprojecten vinden we vandaag in tal van Nederlandse steden die zich in een verhoogde staat van transformatie bevinden. Zo bezocht ik het afgelopen jaar kunstprojecten in Haarlem-Oost, Overvecht (Utrecht), Westwijk (Vlaardingen), Nieuw-Crooswijk en Pendrecht (Rotterdam), Piushaven (Tilburg), Transvaal (Den Haag) en nu dan in Gorcum. Het patroon van dit nieuwe stadswerken wordt steeds duidelijker: gemeentes, corporaties en projectontwikkelaars treden op als opdrachtgever en stellen een bemiddelaar aan. Na gedegen analyse van de locatie en de motieven achter de financiering, worden kunstenaars aangezocht die projecten of interventies initiëren.
In Gorcum is de werkwijze niet anders. Bijna zonder uitzondering hebben de kunstwerken een hoog proefondervindelijk, inventariserend en cartografisch gehalte. Als een bijzondere, subjectieve vorm van stedelijke antropologie verdringt deze methode steeds meer klassieke vormen van kunst in de openbare ruimte. Niet de identiteit van een gebied staat centraal, maar juist de potenties en mogelijkheden van een locatie zichzelf opnieuw uit te vinden, door onderlinge relaties, dialoog, interactie en interesse een grotere stem te geven in veranderingsprocessen. Een Rotterdamse entrepreneur verwoordde het onlangs zo: “Er is vandaag meer behoefte aan series van sociale en culturele interventies over een langere periode van stedelijke transformatie, dan aan fysieke kunstwerken in de openbare ruimte”. Ook in het programma van de Vierde Verdieping domineert de onderzoekende, proefondervindelijke methode. Eerder noemde ik het project van Martina Florians, maar ook Stadsgeluiden #7 van Hieke Pars onderwerpt de stad aan een bijzonder, bijna antropologisch onderzoek. Haar poging het oude Gorcumse volksliedje Zo kraait de boer zijn haantje opnieuw onder de aandacht te brengen door middel van samenzang, winkelmuzak, radioaandacht en carillonspel, maakt interactie en dialoog op een vrolijke en laagdrempelige wijze hoorbaar en zichtbaar in de stad.
Hoe intrigerend en veelvormig de kunstprojecten ook zijn, toch kleeft aan deze proefondervindelijke kunst wel een kinderziekte. Het is lang niet altijd duidelijk wat de stad nu eigenlijk aan moet met deze langs de weg van de kunst verkregen data. Welke lering kunnen we uit de ervaringen van de kunst trekken? Wat betekenen artistieke en culturele interventies voor het opnieuw inrichten van de openbare ruimte? Of voor onze omgang met elkaar als stadsbewoners? En zijn de nieuwe, dynamische stadsverhalen sterk en coherent genoeg om te kunnen concurreren met het oude of opgeleukte imago van de stad, waarin noties als identiteit en citybranding vaak tot vervlakking en eenvormigheid leiden?
Laten we helder zijn: de kunstenaar treft geen blaam. Een kunstenaar doet voor niemand boodschappen en verfoeit het reduceren van zijn kunst tot instrumentele programma’s, zoals stadsontwikkeling of uniformering van het winkelaanbod. De opdrachtgever treft ook weinig blaam. Hij wil zijn stad van kwalitatieve impulsen voorzien - daarvoor staan hem immers budgetten ter beschikking - en beseft dat de menselijke, subjectieve component van kunst en cultuur vandaag noodzakelijk is in het vitaliseren van de fysieke omgeving. Nee, de kinderziekte van het nieuwe stadswerken bevindt zich op het niveau van de mediator. De bemiddelaar, vaak zelf opgeleid tot beeldend kunstenaar, heeft een natuurlijke neiging de autonomie van de kunst te verdedigen. Dat is nobel, maar hij dient nu eenmaal twee heren of domeinen: de kunst en de stad. Juist op dit niveau kan nog veel winst kan worden geboekt.
Kunstprojecten in steden en buurten monden vaak uit in mooie tentoonstellingen, glossy publicaties en verzorgde folders, maar ze worden nog onvoldoende door de mediators gelezen, geïnterpreteerd en vervolgens vertaald naar concrete handreikingen voor stadsontwikkeling en inrichting van de openbare ruimte. Uitgenodigd bij evaluatiebijeenkomsten in de verschillende steden vraag ik altijd naar potentiële vertaalslagen en informeer ik of de organisatoren erin zijn geslaagd de stedelijke agenda te injecteren met culturele of artistieke uitgangspunten. Met andere woorden, naast het artistieke gehalte van de manifestatie, tentoonstelling of publicatie, dient het succes van een kunstproject ook te worden afgemeten aan haar invloed op stedelijk beleid. Kunnen interesse en dialoog op de fysieke agenda worden geplaatst?
Het succes van zulke vertaalslagen is van groot belang voor de vitaliteit van dit nieuwe opdrachtencircuit. Publiekprivate opdrachtgevers voeren geen subsidiebeleid op basis het kunstdiscours, maar investeren in kunst in de hoop dat vastgoed, economie, cohesie, leefklimaat en stedelijk imago van nieuwe impulsen worden voorzien. Van de bemiddelaar wordt daarom meer tact verlangd: hij zal zich nadrukkelijker moeten bezighouden met stedelijke politiek, met de motieven van de opdrachtgever, met de opdrachtformulering, en vervolgens met het profilen van de kunstenaars die hij aan zijn onderneming wil binden. Ook na oplevering van de projecten zal hij meer tijd en expertise moeten investeren in mogelijke vertaalslagen naar stedelijk beleid en zich harder moeten inspannen zijn proefondervindelijk verkregen data hoog op de stedelijke agenda te krijgen. Het is niet langer voldoende dat de bemiddelaar zich verschuilt achter de autonomie van de kunst en geen uitspraken doet over de richting waarin stedelijke politiek en stedelijk ontwerp zich zouden moeten plooien. Die ambitie mag niet langer uit de weg worden gegaan. Wellicht is het de hoogste tijd voor een tweede fase opleiding aan de academie: bemiddelaar kunst en stadsontwikkeling.
Tot die tijd biedt het lezen van The Art Of City Making verlichting, maar ook vertier. Het boek geeft optimistisch houvast in het bemiddelen tussen kunst en stad. De vraag is steeds: hoe kan de invloed van de kunst op de stedelijke agenda worden vergroot? Ik zou een drie programmapunten kort willen aanstippen:
Anticipeer op probleemsituaties: culturele, maatschappelijke en economische problemen bieden een unieke kans de stad en stedelijke ontwikkelingen opnieuw te doordenken – problemen zijn een uitdaging voor nieuwe ontwerpopgaven;
Sluit je programma’s altijd aan op een master strategy van de stad – meestal is dat economie of ruimtelijke ontwikkeling – en injecteer die strategie met een culturele of creatieve agenda;
Roep een invloedrijke, stedelijke lobbygroep in het leven, die bereid is je opvattingen en programma’s uit te dragen buiten het kunstdomein, bijvoorbeeld in het bedrijfsleven en de politiek, door middel van seminars of brainstormsessies.
Bezien vanuit deze optiek staat de Vierde Verdieping voor een geweldige uitdaging. Met een bescheiden budget hebben het Gorcums Museum en de Vierde Verdieping aangetoond dat de kunst in staat is vragen te stellen over relaties en interactie, over identiteit en stadsverhalen – kortom, over het Gorcum van de dynamiek. Na zo’n vingeroefening is de tijd rijp voor verdere verdieping. Bijvoorbeeld door het oprichten van een Vijfde Verdieping. Zo’n Verdieping aarzelt geen moment en ruilt het imaginaire niveau in voor het hardere realisme van de stedelijke ruimtelijke en economische agenda. Een vervolglaboratorium met nieuwe partners en opdrachtgevers – óók buiten het museum – zou de stad én een kunst van de openbare ruimte ten goede komen. Het verhogen van de status en geloofwaardigheid van kunstenaars in processen van stadsontwikkeling, kan louter in zo’n netwerk worden bewerkstelligd. Het beste wat Gorcum zou kunnen overkomen, is dat men elkaar elders toefluistert hoe uitdagend, spannend en creatief de stad zich heeft ontwikkeld. In zo’n opwindend leefklimaat vervagen alle vragen omtrent identiteit en imago: laat anderen de creatieve potenties van je stad ontdekken. Laat Gorcum de stad van de interesse worden.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |