| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2004 Over openbare kunst.pdf | 25.08.2004 | 74kB | - |
Terwijl
het internationale discours sinds jaar en dag spreekt over ‘public
art’, begint in Nederland eerst recentelijk het inzicht door te dringen
dat het zo vertrouwde ‘beeldende kunst in de openbare ruimte’ een
inadequate term is. De openbare ruimte – lange tijd vereenzelvigd met ‘buitenruimte’ – werd
gezien als een soort openluchtmuseum , waarvoor vergelijkbare selectie en beoordelingscriteria
golden die ook in het museum dominant waren. De beoordeling van kunst in de
openbare ruimte bleef doorgaans voorbehouden aan een curatorium van deskundigen
en ingewijden. Dit proces onderstreepte “een impliciete afwijzing van
de bedenkelijke smaak van het volk”. De overheid beschouwde kunst immers
als een exclusief middel om de verheffing en verlichting van haar onderdanen
te bevorderen.
Kunst was – en is nog altijd – een zaak van overheidsaanbod waarin
de vraag van het publiek wordt genegeerd of ontkend. Expliciet wordt dit standpunt
verwoord door Bert van Meggelen, destijds intendant van Rotterdam Culturele
Hoofdstad 2001. In het boek Grootstedelijke Reflecties. Over Kunst & Openbare
Ruimte (Rotterdam 2002) vinden we een discussie met Mohammed Benzakour. Van
Meggelen spreekt van ‘een dispuut’ als hij de spanning tussen aanbod
en vraag aan de orde stelt. Benzakour hekelt het feit dat de overheid consequent
weigert ‘de ontvanger’ van kunst in de openbare ruimte serieus
te nemen: “Als de ontvanger het aangebodene niet wil ontvangen, wat dan?
Dit is een soort terrorisme van de openbare ruimte die mij niet aanstaat”.
Van Meggelen reageert even militant: “Het gaat er helemaal niet om of
iemand het wil. Het gaat erom dat iemand het aanbiedt”. Krasser en bondiger
kan de polemiek tussen aanbod en vraag niet worden samengevat.
In De gijzeling van de beeldende kunst (1997) en meer recentelijk
in Springlevend (2002) heeft Riki Simons een vernietigende kritiek geleverd
op het ‘marktje
spelen’ van de Nederlandse overheid. Gewapend met een kunstbeleid, een
ondoorzichtig subsidiestelsel en nepotistisch netwerk van adviescommissies,
die herinneren aan de hoogtijdagen van de communistische staatskunst, is er
in Nederland een ‘schaduwwereld’ ontstaan die de illusie van een
bloeiende kunstmarkt ventileert:
“
Zo werd het haastig met belastinggeld nabouwen van alles wat elders een vrije
markt bedenkt en onderneemt, de full-time-bezigheid voor een grote ambtelijke
kunstindustrie. Ongemerkt is er een complete schaduwwereld gegroeid die wordt
voorgesteld als een vrije markt met echt succes”.
In zo’n bevoogdend kunstklimaat speelt de vraag van het publiek geen
enkele rol. Want waarom zouden kunstenaars zich in Nederland op het publiek
moeten richten? Of op de openbare ruimte? Gezien de hermetische structuur van
het kunstbeleid zijn kunstenaars eerder genoodzaakt zich te richten op “een
gesloten circuit dat wordt gedomineerd door de overheid en door kunstexperts”.
Voor kunstenaars in de openbare ruimte geldt eenzelfde verhaal. Het recentelijk
door de Stichting Kunst en Openbare Ruimte (SKOR) uitgegeven overzichtsboek
Publiek Werk (2001) bevestigt de merkwaardige trend dat het aanbod van kunstwerken
voor de openbare ruimte vele malen groter is dan de belangstelling van kunstenaars
voor diezelfde openbare ruimte:
“
Sommige kunstenaars zien de openbare ruimte als hun werkterrein. […]
De meeste kunstenaars hebben echter geen bijzondere belangstelling voor de
openbare ruimte, maar zijn wel in staat een goed werk daarvoor te maken”.
Riki Simons mag dan erg optimistisch zijn in haar verwachtingen van ‘de markt’, markt en vraag zijn geen synoniemen. Zo is de vraag in Rotterdam naar ‘openbare kunst’ bijzonder groot, maar is er nauwelijks sprake van een commerciële markt. Rotterdam telt talloze kleinere en grotere verbanden en organisaties die uitdrukking geven aan de vraag naar publieke kunst, vooral in de zogenaamde stadsvernieuwingswijken: bewonersorganisaties als Kunst in Katendrecht, Kunst in Spangen, Ecoteam Agniessebuurt; stichtingen als Cell, Straatbeeld, Kunst & Milieu, Kunst & Welzijn; collectieven als Locus 010, Biemans Concern, B.A.D. Charlois, Dutch Renaissance, Galerie Baran; en stadskunstenaars als Hieke Pars, Ferial Kheradpicheh, Chris Ripken, Navin Thakoer, Karin Keyzer, Vera Harmsen en Jorge Kata Nuñez werken doorgaans onafhankelijk, dat wil zeggen, zonder steun van de gevestigde kunstsector, met en voor het Rotterdamse publiek. Veelal vinden zij hun financiering buiten het kunstcircuit: bij deelgemeenten, bewonersorganisaties, scholen, buurthuizen, woningbouwverenigingen, jongerenorganisaties, migrantenorganisaties en andere sociaal-culturele instellingen. Op het Noordereiland heeft dit streven zelfs geresulteerd in een huis-aan-huisblad, Scheepsjournaal M.S. Noordereiland, uitgegeven door beeldend kunstenaar Joe Cillen, waarin openbare kunst en de sociaal-economische vernieuwing van het Eiland een hecht bondgenootschap hebben gesloten.
Omdat financiële - en daarmee artistieke – erkenning van deze kunstsector
door gevestigde kunstinstituties doorgaans ontbreekt, heeft openbare kunst
zich noodgedwongen tot een autonome, of liever, geïsoleerde kunstsector
ontwikkeld, waarin niet het aanbod, maar de vraag centraal staat. In weerwil
van bovenstaande opmerking, dat “de meeste kunstenaars geen bijzondere
belangstelling voor de openbare ruimte (hebben)”, moeten we constateren
dat een groot aantal kunstenaars wel degelijk belangstelling heeft voor de
openbare ruimte. Zij slagen er echter niet altijd in het gesloten circuit van
overheidsinstellingen, subsidieregelingen en kunstexperts te doorbreken.
Bovendien laat openbare kunst zien dat het zeer goed mogelijk is boeiende en
interessante kunstprojecten te ontwikkelen in samenwerking met Rotterdamse
stadsbewoners, zonder de bevoogdende supervisie van een adviescommissie die
beweert de kwaliteit van het werk te willen bewaken. ‘Kunst in de openbare
ruimte’ is in toenemende mate ‘openbare kunst’ geworden.
Is de steen des aanstoots wellicht het wegvallen van de veelgeprezen
autonomie van kunstenaars? Kunstenaars die in de openbare ruimte werken,
zo luidt een
veelgehoorde klacht, zouden aan autonomie inboeten. Wat voor grafisch ontwerpers
en architecten altijd al vanzelfsprekend was – werken in opdracht – zou
nu ook voor de openbare kunstenaar gelden. Wat in de opleiding aan Kunstacademies
ooit ‘autonoom’ heette, is ondertussen opgegaan in ontwerp en beheer
van virtuele en sociale omgevingen. De gewraakte ‘liaison dangereuse’ tussen
kunstpraktijken en het bedrijfsleven dat zich, aangejaagd door reclame en lifestyling,
haast als een Gesamtkunstwerk gaat opvatten, maakt van kunstenaars kleinschalige
kunst en cultuurmakelaars.
Maar is die autonomie wel verdwenen? Het is weliswaar als onschokbaar fundament
van de aristieke productie verdwenen – de vraag blijft overigens of het
er ooit was – maar als praktijk werkt het nog wel degelijk door. Wellicht
is het beter deze inzet ‘initiërende autonomie’ te noemen:
het gaat dan om de activiteit van kunstenaars die concepten, ideeën en
artistieke en technologische media voor interactieprocessen aanbieden en communiceren.
Hierdoor kan een ontwerpproces (van de openbare ruimte) een door de kunstenaar
gewenste richting inslaan, maar blijft de uitkomst het resultaat van de dynamiek
van alle betrokken partijen.
Hoewel ‘het volk’ als bindende term inmiddels is afgeschaft, wordt
in kunstkringen nog regelmatig over ‘het publiek’ gesproken. Alsof
er zo’n homogene categorie zou bestaan. Alleen bij een nieuwe generatie
marktgerichte ‘cultuurmakelaars’ en vernieuwingsgezinde, vooral
Angelsaksische ‘public art’-theoretici lijkt het spreken over ‘publieken’ gemeengoed
geworden. De makelaar denkt daarbij allereerst aan ‘doelgroepen’ of ‘marktsegmenten’,
de theoreticus wil, in navolging van Hajer en Reijndorps studie Op zoek naar
nieuw publiek domein (2001), beklemtonen dat het publieke domein bestaat uit
verschillende maatschappelijke en culturele groepen of ‘publieken’ die
met elkaar interacteren.
De term ‘openbare kunst’ beschikt, zoals we reeds zagen, in Nederland
nog nauwelijks over een kunstgeschiedenis. Hoe verhoudt die kunst zich tot
openbare ruimten waardoorheen zich uiteenlopende publieken bewegen? Hoewel
Ina Boiten in haar boek Publieke Kunst (2001) als eerste Nederlandse auteur
een keuze maakt voor de internationaal gangbare term ‘publieke kunst’ (public
art), lijkt ze vooral een specifiek segment van de hedendaagse openbare kunst
te duiden:
“
Deze term dient niet te worden opgevat als een directe vertaling van het Angelsaksische
Public Art. Met ‘publieke’ wordt eenzelfde referentiekader aangesneden
als in de term ‘publieke vrouw’: prikkelend, uitnodigend om te
gebruiken, voor iedereen (die wil betalen) toegankelijk, bereikbaar, actieve
deelname vereist, aansluitend bij sluimerende, verborgen behoeften, waarneembaar
voor degene die het wil zien, een tijdelijke beleving biedend, buiten het kader
van visuele en andere prikkels vallend, een bijzondere positie in de samenleving.
In de term ‘kunst in de openbare ruimte’ klinkt nog teveel een
ondertoon van bevoogding door de overheid door. Het primaat zou bij het publiek
gelegd moeten worden. De openbare ruimte is de ruimte van het publiek”.
Bij deze even inspirerende als sympathieke definitie dienen toch enkele kanttekeningen
te worden geplaatst. Op de eerste plaats doet de abstracte scheiding tussen ‘overheid’ en ‘publiek’ onvolledig
en gedateerd aan in onze hedendaagse netwerksamenleving. Zolang subsidies en
overheidsmaatregelen, maar ook belastingbetalers maatgevend blijven voor het
domein van de (openbare) kunst, blijven overheid en publiek keerzijdes van
dezelfde medaille. Bovendien is de kwalificatie Het publiek even bevoogdend
als De overheid. In het publieke domein doorkruisen overheden (van bewonersorganisaties
tot woningbouwverenigingen) en publieken elkaar voortdurend en geven beide
vorm aan de uitwisseling van ideeën, levensstijlen en culturen. Boitens
opvatting van publieke kunst zou daarom best kunnen worden aangevuld met elementen
uit de Angelsaksische traditie van ‘public art’, omdat deze praktijk
haar bestaansrecht juist ontleend aan het doordenken van deze complexiteit.
Zo getuigt het in Dublin uitgegeven tijdschrift Artworking in Partnership bijvoorbeeld
expliciet van deze wisselwerking tussen overheden en publieken.
In haar essay ‘What Is Public Art’ (2002) beschrijft Hilde Hein
de uitzonderlijke positie die ‘public art’ in de hedendaagse kunst
en kunsttheorie inneemt. Hedendaagse kunst wordt nog altijd gerecipieerd in
een esthetische matrix, waarin de individuele en autonome expressie van de
kunstenaar voorop staat. Openbare kunst is echter een ander verhaal. Anders
dan Boiten onkritisch vooronderstelt, is de term ‘publiek’ (openbaar)
vandaag zo problematisch geworden, dat openbare kunst louter en alleen kan
worden gedefinieerd in relatie tot openbare ruimte, eigendom, algemeen belang
en publiek domein. Publieke kunst gaat over relaties. De wens te spreken over
openbare kunst is altijd een politiek statement, beweert Hein. Dat de overheid
is betrokken bij openbare kunstwerken, dat beelden in de openbare ruimte worden
geplaatst, dat subsidies worden aangewend, zegt niets specifieks over openbare
kunst. Ook de locatie (buiten of binnen) en de toegankelijkheid van een werk
(al dan niet gratis) zijn geen parameters van openbare kunst. Openbare kunst
claimt een maatschappelijke status: openbare kunst presenteert zich als een
statement over en in het publieke domein. Kunstenaars die de term publieke
kunst hanteren, eisen “een absoluut engagement met de wereld”.
Zoals een ‘goede’ openbare ruimte kan worden gedefinieerd als een
openbare ruimte die publiek domein is of kan worden, zo onderscheidt openbare
kunst zich door haar expliciete wens uitspraken te doen over het publieke domein
en over specifieke segmenten van ‘het publiek’. In ‘Public
Art Controversy’ (2002) onderschrijft ook Michael Kelly die gedachte
en neemt hij stelling tegen de ‘privatisering’ van kunstwerken
in de openbare ruimte. Kunstwerken die gemaakt worden voor ‘het publiek’ vooronderstellen
een niet bestaande consensus: immers ‘het publiek’ bestaat niet.
Het publiek vormt een bonte verzameling representaties van maatschappelijke
groepen, levensstijlen en mentaliteiten. Ook kunstwerken die een relatie aangaan
met de architectuur of stedenbouw, maar specifieke maatschappelijke of culturele
groepen in die openbare ruimte negeren, bevorderen volgens Kelly de privatisering
van het publieke domein.
Nog altijd maken veel kunstenaars en beleidsmakers een grote vergissing, wanneer
ze denken dat kunst in de openbare ruimte juist openbaar is vanwege haar ‘by-passing’ van
musea en galeries. Inderdaad, vervolgt de auteur, voor kunstwerken in de openbare
ruimte bestaat weliswaar geen markt, maar dat wil nog niet zeggen dat ze openbaar
zijn. Openbare kunst kan nooit betrekking hebben op een zuiver esthetisch gegrondveste
relatie tussen de kunstenaar en het publiek, omdat dit de privatisering van
de openbare ruimte bevordert en de vorming van publiek domein in de weg staat.
Dit debat over openbare kunst maakt in ieder geval duidelijk, dat openbare
kunst juist dát gebied exploreert dat tussen het kunstwerk en de openbare
ruimte ontstaat – openbare kunst gaat over gebruikers van de openbare
ruimte.
In deze optiek is het domein van de openbare kunst nauw verbonden
met een mondige, democratische samenleving, zonder dat er overigens sprake
is van ‘democratische
kunst’. Openbare kunst biedt geen consensusmodel, maar toont juist de
interesses, tegenstellingen, conflicten en discussies die het publieke domein
definiëren. Verschillende groepen mensen organiseren en financieren ‘hun’ kunstwerken,
tonen daarmee ‘hun’ aanwezigheid in de openbare ruimte en maken
daarmee ‘hun’ cultureel of maatschappelijk statement zichtbaar.
In ‘The Artist in the Public Space’ (2002), een essay van kunstenaar
en theoreticus Olu Oguibe, wordt dit standpunt onderschreven. Openbare kunst
die werkelijk openbaar wil zijn, baseert zich, volgens hem, op de volgende
ontkennende principes:
·
publieke kunst is geen “beschavingsoffensief”, gericht op “een
algemeen publiek”;
·
publieke kunst omvat geen “verordeningen” of “sancties” van
de overheid;
·
publieke kunst is onverenigbaar met “egotistische proclamaties” van
een kunstenaar;
·
publieke kunst ziet de openbare ruimte niet als een plek voor “persoonlijke
meditatie”.
De kunstenaar die wil werken in de openbare ruimte, vervolgt Oguibe, realiseert
zich dat er geen homogeen publiek bestaat, maar louter ‘publieken’,
met verschillende wensen en verlangens, verschillende gevoeligheden, achtergronden
en collectieve verhalen. Openbare kunst, met andere woorden, bevordert de interesse
in en van het publieke domein: interesse voor anderen, voor elkaar en voor
jezelf. In deze ‘glokale’ opvatting van openbare kunst is kunst
bijzonder nauw gerelateerd aan hen die de openbare ruimte bevolken en die publiek
domein maken. Openbare kunst is geen consensusmodel (‘wij maken wat u
wilt’), maar toont juist de interesses, verhalen, tegenstellingen, conflicten
en discussies die ook het publieke domein definiëren. Het is dan ook geen
toeval, aldus Michael Kelly, dat juist landen met een sterke of autoritaire
overheid wel veel kunstwerken in de openbare ruimte hebben geplaatst, maar
nauwelijks een bijdrage hebben geleverd aan openbare kunst. En geldt dit wellicht
ook niet voor de Nederlandse situatie?
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |