| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2004 Logboek van de bekladde stad.pdf | 24.01.2004 | 87kB | - |
LOGBOEK VAN DE BEKLADDE STAD
In de 20ste eeuw gaven de Mexicaanse en Spaanse Revoluties
muurschilderkunst en graffiti een geweldige impuls en werd de muur het medium
bij uitstek, waarop
de kunstenaar en de activist hun solidariteit met het gemene publiek konden
belijden. “Als de kunstenaar de magie van zijn penceel niet aanwendt
ten behoeve van de strijd tegen onderdrukking en uitbuiting”, sprak de
beroemde kunstenaar en revolutionair Diego Rivera ooit vol overtuiging, “dan
kan hij nooit een groot kunstenaar zijn”. De echtgenoot van Frida Kahlo
beschouwde de muurschildering als een regelrechte provocatie jegens de geschiedenis.
Tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw markeerde de muurschildering
de aanwezigheid van een sociale groep in het openbare domein, accentueerde
het werk historische gebeurtenissen of figuren, en leverde ze een autobiografische
bijdrage aan de zelfbewustwording van bevolkingsgroepen, voor wie geen plaats
was toebedeeld in de geschiedenis. Ook de oorsprong van de moderne graffiticultuur
vinden we in de beweging voor burgerrechten in de Verenigde Staten. Minderheden,
vooral Latino’s en Afro-Amerikanen, kalkten hun namen pontificaal in
de openbare ruimte en claimden daarmee bestaansrecht en hun aanwezigheid in
het publieke domein. De latere graffiticrews, die met hun (master)pieces de
oudere muurschilderingen van hun sociaal-realisme ontdeden en nieuwe, vaak
aan comics ontleende technieken en thema’s introduceerden, toonden zich
niet alleen erfgenamen van de Latijns-Amerikaanse schilderbrigades door de
clandestiniteit van hun nachtelijke activiteiten. Ook hun jeugdige leeftijden
en strikte rolverdeling leken ontleend aan de oude ‘brigadas’.
Zowel de brigade als de crew onderscheidde lijnentrekkers (‘tracadores’),
inkleurders (‘rellenadores’) en opvullers van de achtergrond (‘fondadores’).
De beeldende kunst in Nederland ontdekte de muurschildering ook, mede door
toedoen van jonge Chileense ballingen, die hun openbare kunstwerken, voorzien
van linkse retoriek, aan het publiek toonden. In de jaren zeventig stuurde
de Rotterdamse Kunststichting kunstenaar Cor Kraat naar de Verenigde Staten,
om hem verslag te laten uitbrengen over recente ontwikkelingen in de muurschilderkunst.
Vervolgens werden in de Maasstad opdrachten verstrekt aan kunstenaars als Matthieu
Ficheroux en Co Westerik en een nieuwe kunststroming, ‘townpainting’ genaamd,
zag het licht. De emancipatie van de muurschildering in de kunstgeschiedenis
had echter wel een depolitisering van het medium tot gevolg. Ook voor zich
inmiddels in Nederland gevestigde Chileense kunstenaars. “Ik vond de
politieke achtergrond van mijn kunst op den duur beklemmend worden”,
zegt een van de bekendste muurschilders, Jorge Kata Nunez. “Het bedreigde
mijn ontwikkeling als kunstenaar”. In de hedendaagse stad maken de muurschildering
en de graffitipiece nog altijd een onstuitbare opmars door. Jaarlijks verstrekken
woningbouwverenigingen en bewonersorganisaties vele tientallen opdrachten aan
beeldend kunstenaars. Tevens worden ervaren ‘graffers’ ingezet
om workshops te geven aan kinderen, in de hoop het verfoeide ‘stiftjeschrijven’ of ‘taggen’ terug
te dringen en verwaarloosde schuttingen en steegjes een hoopvoller aanblik
te bieden.
Leven in logo’s
Maar de liefde tussen graffiti en kunst lijkt in de 21ste eeuw enigszins bekoeld.
Dat was eerder wel anders. In 1980 organiseerde galerie Fashion Moda te New
York de eerste graffiti-expositie. Galeriehouder Stefan Eins vroeg enkele
schrijvers ook eens op het doek te werken. Via zijn contacten met de Amsterdamse
kunstkenner Yaki Kornblit waaide die interesse ook naar Europa over, waar
Museum Boijmans Van Beuningen en het Groninger Museum in 1983 de eerste exposities
openden. Hiermee was graffiti de eerste kunststroming, die voortkwam uit
de clandestiene activiteiten van allochtonen en kinderen. Dankzij deze hype
kon graffiti een geaccepteerde kunstpraktijk worden en werden we vertrouwd
gemaakt met het werk van nu befaamde schrijvers als Dondi White, Lee, Quik,
Rammellzee en Koor, maar ook met nieuwe kampioenen van het kunstcircuit,
waaronder Keith Haring, Jean-Michel Basquiat en Kenny Scharf.
Terwijl graffiti zich een artistieke status verwierf, ging de opmars van de
wilde straatgraffiti onverminderd voort. Wie de metro neemt in de richting
van Ommoord en Zevenkamp wordt geconfronteerd met het betonnen gastenboek van
Rotterdam, waarin duizenden schrijvers dagelijks hun visitekaartjes aan de
stad afgeven. Van een kleine, gelimiteerde graffitiscene is al lang geen sprake
meer: graffiti blijkt een laagdrempelig, democratisch medium, dat steeds verder
wordt gedemocratiseerd - of genivelleerd zoals je wilt.
Graffiti is al een eeuwenoud verschijnsel, maar tot aan de jaren zeventig stuitte
het medium op zijn eigen technologische grenzen. Zo bestaat er een lange geschiedenis
van kalk en krijt op muren en straten; met een tak geschreven teksten in roet,
stof of zand; het vingerschrijven op beslagen vensterruiten. Maar dat was kinderspel:
een regenbuitje en de tags verdwenen als sneeuw voor de zon. In de jaren zeventig
ging het pas goed mis. Nieuwe bouwstijlen en technieken maakten veelvuldig
gebruik van grote kunststof platen, die een geschikte ondergrond voor graffiti
boden. Bovendien maakten kalk en krijt in dezelfde periode plaats voor nieuwe
en meer duurzame schrijfmiddelen, zoals de viltstift en vervolgens de spuitbus.
Bestrijders onderscheiden doorgaans vijf verschillende graffiticircuits: jeugdbendes,
gelegenheidsspuiters, politieke en racistische activisten, ‘urban explorers’ en
pseudokunstenaars. Volgens hen draagt graffiti bij tot gevoelens van onveiligheid.
Beschreven tunnels of pleinen worden door de burger als ‘enge plekken’ aangemerkt.
Daarom worden zowel repressieve als preventieve maatregelen tegen graffiti
getroffen. Onder repressie verstaat men strafrechtelijke vervolging, alternatieve
straffen, het in beslag nemen van spuitbussen, stikkers en kleefmiddelen, en
het vergroten van het aantal videocamera's, kliklijnen en veiligheidsassistenten
in openbare zones.
Preventieve maatregelen zijn veel moeilijker te treffen, want tags brengen
nu eenmaal nieuwe tags voort. Het preventieve beleid kent drie sporen: eerste
hulp, privatisering en sociale preventie. Eerste hulp is het direct en alert
reageren (binnen 72 uur) van de reinigingscolonne op extremiteiten, zoals racistische
slogans en symbolen. Op de tweede plaats worden contracten afgesloten met reclamebureaus,
die zich, in ruil voor het privatiseren van een stuk publieke ruimte, verplichten
tot het schoonhouden van de zones die ze voor het adverteren gebruiken. Tenslotte
is een sociaalpreventief beleid wenselijk, waaronder jeugd en buurtwerk, maar
ook het stimuleren van muurschilderingen in de stad, zodat talentvolle schrijvers
hun creativiteit op legale wijze kunnen uitleven.
Ondanks het repressieve en preventieve beleid zijn onze steden uitgegroeid
tot ‘tagmusea’ bij uitstek. Graffiti laat zich blijkbaar niet bestrijden.
In een prikkelend essay, Art Crimes (1996), schrijft Sara Rudin dat het debat
over graffiti zich concentreert rond zaken als misdaadbestrijding, vervuiling
en vandalisme, maar dat het belangrijkste vraagstuk buiten beschouwing blijft: “Wat
alle discussies over graffiti met elkaar gemeen hebben, is een fel debat over
openbare ruimte en openbare orde. Wie beheerst de openbare ruimte?” Nadat
Rudin heeft aangetoond dat het overgrote deel van de schrijvers zich juist
tegen straatgeweld keert, vraagt ze zich af waarom ze toch als een bedreiging
voor de openbare orde worden aangemerkt. Ze vervolgt met een beschrijving van
de openbare ruimte in haar woonplaats Richmond, Virginia. “Ik kan iedereen
aanraden een wandeling te maken door je eigen buurt en de openbare ruimte eens
te bekijken door de bril van de schrijvers. Dat wat wij eufemistisch ‘openbare
ruimte’ noemen, is in feite een stedelijk iconografisch landschap dat
wordt gekleurd en gedomineerd door commerciële symbolen, logo's, slogans,
merknamen, neon, reclame en billboards - de ongevraagde graffiti van het postmoderne
tijdperk. Jongeren die hun tags en logo's op muren aanbrengen, zien hun daad
niet als een ontheiliging van de openbare ruimte, maar juist als een verrijking.
In een samenleving waarin advertentiecampagnes, lifestyles, merken en logo's
de waardigheid en identiteit van mensen bepalen, zoeken ook jonge mensen hun
toevlucht tot de eigen merknaam of het eigen logo”.
De openbare ruimte als kladblok
Graffiti domineert weliswaar het debat over ‘de verloedering van de openbare
ruimte’, maar
muurkunst plooit zich nog steeds in talloze richtingen. De sticker en de poster
maakten bijvoorbeeld duidelijk, dat kunstwerken ook thuis kunnen worden gemaakt
en met behangsellijm in de openbare ruimte kunnen worden aangebracht. De muurgrote
tekeningen van Andre The Giant en WK Interact (New York) of het ‘outdoor
wallpaper’ van Sopo Tabatatze (Rotterdam/Amsterdam) mogen als voorbeelden
van die ontwikkeling gelden. Hoe veelzijdig het gezicht van die muurschilderkunst
vandaag ook schijnt, de werken zijn in een moordende beeldconcurrentie terecht
gekomen met andere uitingen van beeld en informatie. De muur, ooit het canvas
van de verdrukten, is gereduceerd tot een ordinaire drager van elke denkbare
uiting.
Hoewel het verleidelijk schijnt de reclame-industrie voor deze ontwikkeling
verantwoordelijk te stellen, droegen ook de kunst en het politieke activisme
hun eigen steentje bij. In het uitbuiten van alle denkbare mogelijkheden ten
behoeve van individuele en collectieve expressie, werd de muur in de jaren
zestig al door Provokunstenaars geëxploreerd. In Imaazje! De verbeelding
van Provo 1965-1967 (2003) verhaalt Niek Pas over het Amsterdamse ‘submilieu’ rondom
beeldend kunstenaar Joop Dielemans alias ‘Bastaard’, die samen
met geestverwanten van goeroe Robert Jasper Grootveld “de openbare ruimte
als kladblok” gebruikten. Het bezoedelen van beelden en monumenten, het
markeren van symbolische plekken met witte verf, het verspreiden van graffiti
(waaronder slogans als ‘Wat is een kick?’, ‘Frisse Lucht’ en ‘Image!’)
en het schilderen van decors voor ‘happenings’ behoorden tot het
repertoire. Het tijdschrift Verstandig Ouderschap van de NVSH startte in 1966
de rubriek ‘Logboek van de bekladde stad’, waarin lezers werden
opgeroepen foto’s van graffiti en andere ‘muurkunst’ naar
de redactie te sturen.
Het recyclen van reclameslogans (vooral uit de sigarettenindustrie) en het
rusteloze verlangen als jongerenbeweging in het vizier van de media te geraken,
resulteerde onder Provo in een wedloop om publiciteit. De beweging noemde zichzelf
liefkozend een ‘Groothandel in Images’ of sprak ironisch over de ‘Firma
Provo’. Psychiater Frank van Ree omschreef de dwarse houding van Provo
als ‘zakelijk uitgekiende reclame’. Ook de latere punkbeweging
maakte volop gebruik van de muur. Politieke teksten werden afgewisseld met
verbasteringen van reclameslogans, maar er werd ook ‘spontane’ reclame
gemaakt voor bands, labels, festivals en andere uitingen van deze Do It Yourself-cultuur.
Kunst en reclame stuwden elkaar in nieuwe richtingen. Bovendien werd duidelijk
dat niet alleen de muur, maar de gehele openbare ruimte als drager van beeld
en informatie kon fungeren.
Geleidelijk is het onderscheid tussen een kunstwerk en een reclame-uiting steeds
diffuser geworden. Waar ooit een verfraaiingcommissie op basis van artistieke
criteria bepaalde of een kunstwerk in de openbare ruimte gerealiseerd mocht
worden, is nu sprake van juridische criteria: voor een kunstwerk hoeven geen
precariorechten te worden betaald. Meer dan ooit is het voor bedrijven aantrekkelijk
een ‘kunstwerk’ in de openbare ruimte aan te brengen. Dit bleek
onder meer in 2001, toen beeldend kunstenaar Liesbeth van Ginneken Rotterdamse
multinationals in het kader van Going Dutch bereid vond werken uit hun collecties
als megaprints op hun kantoorgebouwen te plakken.
Communicatie & Ruis.
In de ‘global village’ is de stad een analoge database. Alle architectuur
en alle architectonische elementen, van bushokjes tot transformatorhuisjes,
zijn potentiële dragers van informatie, beeld en avontuur. Logo’s,
merknamen, billboards, lichtkranten, muurschilderingen, graffiti en stickers
hebben de stad tot een massamedium gemaakt. Een willekeurige lantarenpaal in
het stadscentrum, ooit bedoeld als een drager van openbare verlichting in de
nachtelijke uren, wordt vandaag 24 uur geëxploiteerd door tal van providers.
Een lichtbak vertelt je waar je gereedschap kan huren; daaronder hangt een
slordig bevestigd kartonnen bord waarop Leefbaar Rotterdam zich aan de kiezer
presenteert; op straatniveau zijn er driehoekige borden om de paal geplaatst
waarop de kermis wordt aangekondigd; het plaatselijke trambedrijf heeft er
een kabel mogen bevestigen, die het netwerk van elektriciteitsdraden op haar
plaats houdt; de dienst gemeentewerken heeft een plastic roodwit lint om de
paal geknoopt om een wegafzetting te markeren en de burger te wijzen op haar
openbare werkzaamheden.
Vervolgens maken stickeraars ook gebruik van diezelfde lichtmast en richten
plakkers als Influenza, DHZ23 en Erosie de paal in als ‘stickermuseum’.
Op hun beurt dienen de toegevoegde informatiestromen, zoals de driehoekige
borden, weer als medium van nieuwe providers. Taggers als Aura en Ates spuiten
hun handtekening over de aankondiging van de kermis; aanbieders van al dan
niet clandestiene drum&bass-parties kleven vervolgens flyers over eerdere
uitingen van informatie en hoertjes laten er hun telefoonnummers achter. Soms
maakt ook de kunst zich meester van dezelfde drager. In het Rotterdamse stadscentrum
heeft Marjet van Hartskamp emaillen bordjes aan de palen bevestigd waarop spreekwoorden
prijken die in dit multiculturele gebied in zwang zijn. In Gouda laat geluidskunstenaar
Edwin van de Heide de lantarenpalen met elkaar praten.
Voor deze analoge providers is de hedendaagse hyperstad een Mekka. Buiten de
reguliere architectuur neemt het aantal informatiedragers nog altijd exponentieel
toe. “Nederland wordt steeds voller”, schrijven Marente de Moor
en Ricci Scheldwacht in De bebouwde kom (HP/De Tijd 8-8-2003). Er is sprake
van een wildgroei aan gebodsbordje en straatmeubilair. Naast meterkastjes,
verkeersborden en prullenbakken worden we vandaag ook geconfronteerd met wipkippen,
samsonpalen, puntblokpiramides, fopdrempels, boombeschermers, schampblokken
en hondenhaltes. “Straatmeubels”, schrijven de auteurs, “hebben
de eigenschap zich voort te planten. Elk toegevoegd straatmeubel levert weer
een ander straatmeubel op, want hoe meer er wordt neergezet, des te meer er
moet worden uitgelegd”. Critici van deze ontwikkeling spreken van een ‘dichtslibproces’,
een begrip dat echter even surrealistisch klinkt als puntblokpiramide of schampblok.
Beeldend kunstenaar Jeroen Jongeleen reageert op de toename van het aantal
dragers: in de Rotterdamse deelgemeente Charlois voorzag hij straatelementen
van stickers waarop een aantal punten zijn vermeld. Hij waardeert locaties
met 2, 5, 10, 25 of 45 punten. Hiermee wil hij “de waarden ontmaskeren
van veelal betekenisloze plekken in de openbare ruimte”.
Ondertussen stelt de dichtslibbende openbare ruimte hoge eisen aan de gebruikers
van die ruimte. De overdaad aan informatie heeft het ooit zo nobele fenomeen ‘communicatie’ in
een ander daglicht geplaatst. Tot voor kort was communicatie het sleutelbegrip
van iedere zichzelf respecterende provider. Kunstenaars, politici, adverteerders,
brandpickers, marketeers en opbouwwerkers wedijverden met elkaar om de gunst
van de burger en consument. In hun slogans, kunstenaarspraktijken en therapeutische
methoden werd communicatie het toverstafje van Harry Potter, waarmee welbehagen,
maatschappelijk succes en de juiste kunstenaarspraktijk konden worden gerealiseerd.
Communicatie betrof het uitzuiveren van alle ruis tussen zender en ontvanger,
zodat direct een ‘juiste verbinding’ (de letterlijke betekenis
van communicatie) kon worden gelegd met het beoogde publiek of marktsegment.
Daarmee ontstond een ‘Communicratie’ die zijn weerga in de geschiedenis
niet kent: het zo goedbedoelde streven naar communicatie resulteerde in ruis.
Ruis kent twee gezichten, zo leert de geschiedenis van de elektronische muziek.
Ruis is een signaal waarin iedere wetmatigheid ontbreekt. Indien sonische energie
gelijkelijk over alle frequenties is verdeeld, spreken we naar analogie van
het licht over ‘witte ruis’ (‘white noise’). Denk bijvoorbeeld
aan de ruis die je uit de ether opvangt met je transistorradio. Indien die
ruis wordt gefilterd en hoge frequenties zo worden verzwakt, dat de energie
per interval constant is, dan horen we een evenwichtig ruissignaal dat ‘roze
ruis’ (‘pink noise’) wordt genoemd. Als we dit concept met
enige vrijheid loslaten op de stad als massamedium, dan wordt duidelijk dat
de stad witte en roze zones onderscheidt. Laten we een concreet voorbeeld nemen:
de ‘Koopgoot’ en de Hoogstraat in Rotterdam.
Met de ‘Koopgoot’ wordt de vernieuwde, prestigieuze winkelstraat
aangeduid in het hart van Rotterdam. Deze diepgelegen promenade aan de voet
van het Beursgebouw strekt zich onder de Coolsingel uit en omvat een groot
aantal winkels, gemodelleerd naar de ‘malls’ die we overal in de ‘global
village’ aantreffen. Beide uiteinden worden gemarkeerd door digitale
beeldschermen waarop veelkleurige goederen, diensten en informatie worden aangereikt.
De straat zou zich evengoed in Tokio, Barcelona of Seattle kunnen bevinden.
Ook de merken, logo’s en aangeboden goederen maken een vertrouwde indruk.
De ‘Koopgoot’ is het meest extreme voorbeeld van een roze of ruisarme
zone: door middel van privatisering en openbare verordeningen is de overdaad
aan dragers en informatie teruggebracht tot een beperkt, evenwichtig aanbod.
Voor andere aanbieders van informatie is deze zone strikt afgesloten. Veiligheidspersoneel
en bewakingscamera’s zorgen ervoor dat de zone verschoond blijft van
kunstwerken, flyers, posters, stickers en verkiezingsborden. Bovendien heerst
er een film en videoverbod en zijn samenscholingen niet toegestaan. In feite
heerst in de ‘Koopgoot’ een algemeen beeldverbod.
Voorbij Vroom & Dreesman gaat de ‘Koopgoot’ over in de Hoogstraat.
De Hoogstraat heeft alle kenmerken van een winkelstraat in het oude Rotterdam
en heeft nog niet geprofiteerd van de ‘upgrading’ rondom het Beursgebouw.
Gelegen in het verlengde van de ‘Koopgoot’ is de Hoogstraat het
meest extreme voorbeeld van een witte of ruisrijke zone: de overdaad aan dragers
en informatie is hier overrompelend. Uithangborden van winkels en het veelkleurige
palet van merken en logo’s verdrinken in een gigantische poel van beelden,
tekens en verwijzingen. Muurschilderingen, billboards, posters, flyers, graffiti
en stickers dringen zich aan elkaar op. De overdaad is zo aanwezig dat defecte
lichtreclames of beschadigde logo’s vaak niet eens meer worden gerepareerd,
omdat ze zich toch niet kunnen profileren temidden van het aanbod. Kraakpanden
en kunstenaarsinitiatieven bevinden zich tussen patatkramen en sportzaken;
slordige terrassen, uitstallingen en reclameborden zorgen ervoor dat bezoekers
van de Hoogstraat zich zigzaggend door het gebied moeten begeven. Als in de ‘Koopgoot’ een
beeldverbod heerst, dan is de Hoogstraat het toneel van de beeldcultuur.
Hoe hacken we de openbare ruimte?
Onder die omstandigheden, temidden van een overdaad aan dragers en informatie,
verlangt de grootstedelijke omgeving van haar gebruikers een nieuw vermogen
de stad te leren lezen. Informatie dient uit de ruis te worden gefilterd:
hoe hacken we de codes van de openbare ruimte? Hoe maken we witte ruis roze?
In de openbare kunst en populaire cultuur hebben zich twee begrippen aangediend,
die ons iets mededelen over onze omgang met het massamedium dat we de stad
noemen: ‘tagging’ en ‘jamming’. Onder ‘tagging’ verstaan
we het achterlaten van je naam, handtekening of beeldmerk in de openbare
ruimte, al dan niet geschreven, gespoten of geplakt. In een digitaal tijdperk
van massamedia, waarin het auteursrecht en copyrights aan een enorme erosie
onderhevig zijn, is het opmerkelijk dat de auteursnaam en de handtekening
tot autonome openbare kunstwerken zijn uitgegroeid. ‘Fame For Your
Name’ luidt het motto van de taggers.
De tag staat echter nooit op zichzelf, maar maakt als schakel deel uit van
een reeks van beelden en tekens. Tagging is afgeleid van het kinderspelletje ‘tikkertje’,
waarmee ‘de tikker’ wil aantonen dat hij actief reageert op de
hem omringende mededelingen. Hij voorziet anonieme, auteurvrije dragers van
zijn naam en toont op gecodeerde wijze zijn fysieke aanwezigheid in het publieke
domein. De tagger is de vleesgeworden exponent van de bikkelharde beeldwedloop. “Ik
spiegel me aan de superheld”, zegt Ates. De strategie van taggers is
militant: ze ‘bombarderen’ de openbare ruimte. Het is in dit licht
niet verwonderlijk dat de tagger stadsvijand nummer 1 is geworden in het repressieve
beleid van gemeentelijke overheden.
Ook het gevleugelde begrip ‘culture jamming’ vooronderstelt een
even speelse omgang met de witte ruis van informatie, beelden en betekenissen
die ons omringt. ‘Jamming’ betekent zowel storen als spontaan samenspelen
en verraadt een spelen met, een inspelen op, en het opnieuw ordenen van informatie
en beelden. Veel stickeraars zijn jammers bij uitstek: door codes, slogans
en logo’s te manipuleren zetten ze de kijker en lezer op het verkeerde
been, doorbreken ze de vertrouwdheid van de alledaagse beeldcultuur en hopen
ze op een kort moment van reflectie. De beruchte ‘Che Laden’ sticker
en poster van DHZ23 - die zelfs de voorpagina van Het Parool sierde - doet
door het gebruik van drie beeldclichés (Che Guevarra, Bin Laden en Nike)
volkomen vertrouwd aan, maar brengt de kijker in verwarring. De geplakte muurschilderingen
van WK Interact en de posters van Andre The Giant ontlenen hun betekenis niet
zozeer aan hun autonomie, maar aan hun positie ten opzichte van de hen omringende
beelden, tekens en verwijzingen. Ze zijn de columnisten van de huidige beeldcultuur.
Tagging en jamming gaan verder waar communicatie een halt houdt. Ze floreren
niet alleen in dichtslibbende openbare ruimtes, ze ontlenen er hun bestaansrecht
aan. Waar communicatie is overgegaan in witte ruis, is culture jamming een
logisch gevolg, maar al lang niet meer voorbehouden aan kunstenaars en activisten.
Nike adverteerde in Amsterdam met rommelige posters, gemaakt in de traditie
van stickeraars, in de hoop dat specifieke segment van de jongerencultuur een
even specifieke schoen te verkopen. Heineken hing bushokjes vol met amateuristisch
uitziende affiches, waarop slogans prijkten, gemaakt met witte kleefband – alsof
een kunstenaarsinitiatief een illegaal feest aankondigde. Nationale Nederlanden
hoefde geen precariorechten te betalen voor de megasticker van Edgar Davids
op haar wolkenkrabber, nabij het Centraal Station in Rotterdam. Nog pregnanter
was de strategie van het ‘Mexicaanse’ biermerk Desperado. Na een
agressieve stickercampagne (‘Dark After Dark’) volgden met de hand
geplakte A4tjes en moedigde de Desperado-website jongeren aan een loods te
kraken voor een technoparty. De campagne werd afgerond met grote posters. Die
kregen een plaats in de door de gemeente Rotterdam aangeboden plakruimtes in
het kader van ‘culturele affichering’. Terwijl menig stickeraar
(veelal jonge grafici in afwachting van een betrekking op een reclamebureau)
met zijn stickers een open sollicitatie beoogt, pleit een minderheid voor kritische
reflectie. ‘Want culture jamming is een marketingstrategie’, zegt ‘culture
hacker’ Wilfried Hou Je Bek.
De wrijvingswarmte, opgewekt door botsende en elkaar verdringende beelden,
tekens en slogans, vervangt steeds meer traditionele vormen van openbare kunst
en adverteren. Iedere ochtend passeer ik een lantarenpaal waaraan een lichtbak
hangt: ‘Hier had uw naam kunnen staan’. Het is volstrekt onduidelijk
of hier sprake is van een kunstwerk of van een nog uit te baten openbare ruimte.
Ironisch genoeg bevindt deze lantarenpaal zich aan de Westersingel, het decor
van de Internationale Beelden Collectie in Rotterdam. Meer dan ooit is openbare
kunst een kwestie van kijken en lezen geworden. “Hoezo kunst en architectuur?”,
vraagt kunstcriticus David Bradford zich in Drive-by-shootings (2001) af, “de
stad is een verzameling statements”. In die intermediale context keert
steeds dezelfde vraag terug: hoe hacken we de openbare ruimte? Want, zoals
William S. Burroughs reeds lang voor zijn dood waarschuwde, indien het woord
en het beeld een pact hebben gesloten en zich integraal aan ons openbaren,
dan dienen we haar als een virus te behandelen.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |