Het dilemma van de creatieve stad
De creatieve stad. Arjan Ederveen had het niet beter kunnen
verzinnen. ‘Creative
cities’ dan, dat klinkt al een heel stuk beter. Net zoals ‘fantasy
cities’, of ‘center cities’ en ‘edge cities’ – concepten
die vandaag over elkaar heen tuimelen en model moeten staan voor actuele varianten
van culturele planologie. De Angelsaksische oorsprong van deze trendgevoelige
termen verraadt een gelijksoortige oorsprong. Ze zijn namelijk ontsproten uit
een even gevleugeld begrip, waarin globalisering en verstedelijking zijn samengebald:
de ‘global city’. In haar gelijknamige boek uit 2001 legt Saskia
Sassen uit dat de postindustriële stad geleidelijk is opgenomen in een
wereldeconomie. Dienstverlening en kapitaalstromen gaan de dynamiek van haar
grootstedelijkheid bepalen. In die grootstedelijkheid spelen kunst en cultuur
een uiterst belangrijke rol door zich duurzaam te verbinden met de economie.
Laaggeschoolde en industriële arbeid maken in de postmoderne stad plaats
voor de kenniseconomie. Creativiteit is in dat verband een sleutelwoord geworden.
Sinds de jaren zestig hebben kunstenaars - veelal onbedoeld - in hun bestaanspraktijk
een meerwaarde blootgelegd, die economisch kon worden vertaald. Kunstenaars
huurden of kraakten oude pakhuizen in perifere stadsdelen of in het verlaten
centrum om er ateliers en kunstenaarsinitiatieven van te maken. In dezelfde
zones werden vervolgens galeries, restaurants, clubs en winkels geopend en
werden de contouren van ‘gentrification’ voor het eerst zichtbaar.
Nog verbaasd over hun eigen succes zagen kunstenaars en activisten toe hoe
projectontwikkelaars, planologen en cultuurmakelaars de opwaardering van achtergestelde
buurten door creatieve buitenstaanders tot beleidsimperatief wisten te verheffen.
New York, Berlijn en Amsterdam bieden treffende voorbeelden van de wijze waarop
krakers en kunstenaars vooruit liepen op een economische herstructurering van
hun stad.
In de ‘global city’ wordt de subculturele bestaanspraktijk geleidelijk
getransformeerd in een design- en lifestylecultuur. Het gaat niet langer om
eten, maar om ‘cuisine’; niet om kleding, maar om persoonlijke
stijl; niet om decoratie, maar om authentieke kunstwerken; niet om voorwerpen,
maar om ‘design’; niet om de massa, maar om individualiteit. De ‘global
city’ draagt een nieuwe sociale esthetica uit.
Naast ‘gentrification’ en esthetisering noemt Sassen nog een bestanddeel
van de ‘global city’: culturele buurtverlevendiging. Multicultureel
samenleven oefent ook een geweldige invloed uit op maatschappelijke en economische
processen. Cultureel verankerde vormen, kleuren, geluiden en geuren drukken
een onuitwisbaar stempel op ons grootstedelijke leven. Deze vorm van stedelijke
vernieuwing, zegt Sassen, past niet in conventionele opvattingen over herstructurering
en zijn een levendig bewijs van de internationalisering van ‘global cities’.
Het opwaarderen van achtergestelde stadsdelen, de esthetisering van het dagelijks
leven en het intercultureel verlevendigen van buurten en wijken… Ach,
het zou wellicht van kwader trouw getuigen indien we kunstenaars en krakers
zouden aanmerken als de aartsvaders van de ‘global city’. Maar
dat dezelfde subculturele groepen de weg plaveiden voor projectontwikkelaars
en lifestyle-entrepreneurs staat ook buiten kijf. En dit is nu juist het dilemma
van de creatieve stad. Dat, om Sassen nog een keer te citeren, het vermogen
van kunstenaars om meerwaarde te genereren, een winstgevende tactiek van de ‘global
city’ bleek. Maar maakt dat gegeven de creatieve stad niet langer de
moeite waard?
Hoe gaan hedendaagse kunstenaars en cultuurwerkers om met dit inzicht? Natuurlijk
kunnen ze tijdig verkassen naar elders om hun kunstenaarsinitiatieven en experimentele
laboratoria veilig te stellen of te vernieuwen. Zo trokken Amsterdamse kunstenaars
naar Rotterdam of Antwerpen en denken Rotterdamse kunstenaars vandaag over
een vertrek naar Eindhoven. Ze kunnen zich plooien naar bestuurlijke nota’s,
om zich vervolgens te voegen in beleidscategorieën en als ‘broedplaatsen’ te
hopen op een plaatsje in het culturele reservaat. Ook een omscholen tot culturele
ondernemers en cultuurmakelaars behoort tot de mogelijkheden, om dan als producenten
of bemiddelaars toe te treden tot de plaatselijke middenstand. Hier lijkt het
creatieve vermogen doorgaans een halt te houden.
Het dilemma van de creatieve stad resulteert op politiek en maatschappelijk
niveau vooralsnog in een armoedig debat. Voorstanders denken dat kunstenaars
veelal talentloze navelstaarders zijn, die zich op kosten van de belastingbetaler
verliezen in obscure autobiografische projecten. Liever zien ze ‘design
docks’, galerie circuits, museumnachten en ‘art fairs’ en
loven ze de kunstenaar die ten minste zijn eigen broek kan ophouden. Tegenstanders
spreken van een trend naar commercialisering, entertainment en vermaak en beschouwen
de creatieve stad als een uitvinding van marktfundamentalisten en kunsthaters.
Liever zien ze kunstenaarsinitiatieven, vrijplaatsen en marginale festivalletjes
en bewieroken ze de kunstenaar die het ideaal van de bohémien belichaamt.
Ik vrees dat beide posities de hedendaagse kunst en de hedendaagse stad geen
dienst bewijzen.
Gelukkig zijn er ook positieve uitzonderingen. Ik denk aan Locus 010 in Rotterdam
en het samenwerkingsverband tussen Vivid & Punch in Birmingham. Beide initiatieven
zijn, onafhankelijk van elkaar, een onderzoek gestart naar het fenomeen ‘urban
culture’. Locus 010 beoogt een Center For Urban Culture en Vivid & Punch
werken eendrachtig samen in het project ‘What Is Urban Culture?’ Niet
alleen het Engelstalige vocabulaire verraadt hun lotsverbondenheid met de ‘global
city’. Ook de marginale rol van autochtone kunstenaars en cultuurwerkers
in ‘urban culture’, illustreert dat de creatieve stad de kunst-
en cultuursector verrassende impulsen geeft en nieuwe perspectieven biedt.
Doorgaans uitgesloten van volwaardige deelname in het kunstcircuit of te trots
om ‘skills’ door vooringenomen kunstcommissies te laten beoordelen;
door te geloven dat het artistieke niveau afhankelijk is van onderlinge competitie
en niet van uitverkiezing door een selecte kaste van curatoren; door de wil
zelfstandig een boterham te kunnen verdienen in de culturele sector, zonder
daarvoor ontelbare subsidieverzoeken in te dienen bij gezichtsloze bureaucraten,
heeft ‘urban culture’ zich plotseling op de grootstedelijke kaart
gezet met een vitaal programma, dat beter toegerust lijkt om te anticiperen
op de dilemma’s van de creatieve stad.
Sinds het kunstenaarsinitiatief Locus 010 gedwongen werd het gekraakte Huf-gebouw
aan de Hoogstraat in Rotterdam te verlaten, slaat ze terug met een ambitieus
programma. Commerciële en artistieke activiteiten wisselen elkaar af en
versterken elkaar. De nieuwe huisvesting moet een zaal voor optredens gaan
krijgen, studio’s, een restaurant, platen en boekenwinkels, maar ook
een tentoonstellingsruimte, werkplaatsen, ateliers, gastverblijven en zelfs
een opleiding voor ‘urban culture & business’. De aloude ‘dub
plate cultuur’, een uitvinding van de muziekscene op Jamaica, staat model
voor de artistieke methode. Musici, deejays, geluidstechnici, kunstenaars en
schrijvers die Locus 010 aandoen, worden contractueel verplicht workshops,
clinics en gastlessen te verzorgen. Andersom wordt lokaal talent in de gelegenheid
gesteld optredens en tentoonstellingen te verzorgen. Jong talent en gearriveerd
talent worden met elkaar geconfronteerd, waardoor artistieke competitie het
niveau moet gaan verhogen. De scheiding tussen broedplaats en culturele instelling
wordt daarmee afgebroken. Bovendien melden ook andere culturele instellingen
zich bij Locus 010 aan, omdat ze denken dat huisvesting in zo’n Center
For Urban Culture hun aspiraties en speurtocht naar talent zal versterken.
Tijdschriften als Passionate, televisiemakers als Video 2000 en instellingen
als Digital Playground hebben al toegezegd te willen verhuizen.
In de Rotterdamse zusterstad Birmingham proberen twee organisaties, Vivid & Punch,
artistieke ontwikkelingen en ‘urban’ productontwikkeling samen
te voegen. Vanuit motieven als sociale cohesie en maatschappelijke verantwoordelijkheid
combineert Punch culturele activiteiten, productontwikkeling, marketing en
educatie, door jongeren in contact te brengen met gearriveerde kunstenaars
en musici en hen te begeleiden op hun weg in de wereld van muziek, kunst en
lokale infrastructuur. Vivid is een soort laboratorium of instituut, dat zich
bezig houdt met nieuwe media en mediakunst – een soort V2_Organisatie.
Ze beschikt over tal van faciliteiten en heeft een ‘guest house programme’ waar
nieuw talent kan rijpen en onderzoek kan verrichten. Het samenwerkingsprogramma
dient niet louter voor onderzoek en presentatie, maar ook voor de ontwikkeling
en marketing van nieuwe culturele producten en diensten. Op kleine schaal vinden
we meer van deze initiatieven: van de ‘Kef’-netwerken van jonge,
creatieve Turken, die in Rotterdam een samenwerkingsverband met Video 2000
en Locus 010 zijn aangegaan, tot uit vooral Hindoestaanse jongeren ontsproten
subculturele initiatieven als ‘Cool Asia’ in Rotterdam en ‘Sutra
Funk’ in Amsterdam.
Locus 010, maar ook Vivid & Punch, zijn lichtjaren verwijderd van snobistische ‘art
fairs’ en ‘design docks’, maar even ver van in zichzelf gekeerde
kunstenaarsinitiatieven en broedplaatsen. Ze proberen artistieke vooruitgang
te verbinden aan een culturele infrastructuur, en realiseren zich dat het succes
van de eerste niet zonder het succes van de laatste kan.
De beweging van kunstenaars en krakers van het Amsterdam van eind jaren zeventig
en de jaren tachtig, de erfenis waarop Amsterdam nog steeds nostalgisch terugblikt,
vertoonde zeker parallellen met het ‘urban culture’ van nu. Ook
daar gloorden de contouren van de ‘global city’ - zonder haar snobistische
nasmaak - en werd de kloof tussen kunstproductie en culturele infrastructuur
vaak opmerkelijk succesvol gedicht. ‘Urban Culture’ wil dat ook,
maar weigert te verkassen naar achtergestelde buurten, naar steden met een
lagere globaliseringsgraad of zich te plooien naar cultuurnota’s en subsidiecircuits.
Willen kunstenaarsinitiatieven en broedplaatsen opnieuw een rol van betekenis
spelen, dan zullen ze ook culturele infrastructuur moeten willen worden en
zich een stuk economie moeten toe-eigenen. Met andere woorden, een plek worden
waar je ook wat kan kopen, eten en iets beleven. Een plek waar je kan werken
en clinics kan volgen, maar ook een plek waar je geld kan verdienen en die
kan wedijveren met Pathé-bioscopen, Paradiso of het Stedelijk Museum.
Wie zou in zo’n stad niet willen wonen? Een stad die dan nog niet bereid
is te investeren in je creativiteit verdient niet alleen een exodus van creatieve
mensen, maar ook het predikaat provinciestad.