Index of /Kunst en Theorie/1999 Situationisme bestaat niet

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1999 Situationisme bestaat niet.pdf   24.01.2004 95kB -

1999

SITUATIONISME BESTAAT NIET.
EEN GESPREK MET RENÉ SANDERS.

‘De revival van het situationisme in de jaren negentig kwam voor mij als een verrassing’, zegt René Sanders, filosoof en auteur van het meest gedegen werk dat ooit aan de Situationistische Internationale (1957-1972) werd gewijd: Beweging tegen de schijn. De situationisten: een avantgarde (1987). Tegenwoordig is Sanders directeur van debatcentrum Tumult in Utrecht. Zijn proefschrift verscheen kort voordat enkele Britse boeken aantoonden hoe groot de invloed van het situationisme was op de hedendaagse popcultuur en het cultureel terrorisme. Vooral Stewarts Home’s The Assault On Culture (1988) en Greil Marcus’ Lipstick Traces (1989) leverden een wezenlijke bijdrage aan een hernieuwde kennismaking met de ideeën en avonturen van de situationisten. Sanders: ‘De bronnen van die opleving zijn echter volstrekt andere dan de bronnen waarmee ik bekend was: hegelianisme en marxisme. De nieuwe belangstelling voor het situationisme lijkt te zijn overgewaaid uit Engeland en Amerika, waar het zich verbond met het anarchisme, de popcultuur en de underground’.

Sanders, de vijftig inmiddels gepasseerd, komt in aanraking met het situationisme als hij in 1972 een exemplaar van Guy Debords De Spektakelmaatschappij (1967) onder ogen krijgt. De Situationistische Internationale (SI), waarvan Debord de spreekbuis was, bleek zojuist te zijn opgeheven. In die jaren vertoeft Sanders met enige regelmaat in Parijs, waar hij lange gesprekken en nachtelijke discussies voert en wordt geconfronteerd met het situationistische gedachtengoed. ‘Ik studeerde filosofie en sociale geografie in Amsterdam en Utrecht en werd geraakt door Debord. Zijn boek maakte een verpletterende indruk. Zijn analyse was veel prikkelender en actueler dan de filosofische boeken die we op de academie onder ogen kregen. De maatschappij had zich sinds de Tweede Wereldoorlog immers ingrijpend gewijzigd: van een productiemaatschappij naar een consumptiemaatschappij. We hebben toen in Nederland een lees- en discussiegroep opgestart waarin we zowel terugkeerden naar de bronnen van de situ’s – Hegel, Marx en Lefebvre – als naar analyses van politieke groperingen, zoals Socialisme ou Barbarie. Dit gebeurde in Nederland nog nauwelijks, alleen in Nijmegen bestond belangstelling voor deze denkbeelden. We maakten ook een aanzet tot een heuse vertaling. Onze groep bleef twee jaar lang bijeen, er werd behoorlijk gediscussieerd, maar ook veel plezier gemaakt. Ook daarna bleef het situationisme me bezighouden en ik besloot een verzameling van het beschikbare materiaal aan te leggen’.

In dezelfde periode treedt Sanders toe tot de redactie van het anarchistische periodiek De Vrije Socialist. Hij maakt dan al deel uit van het Anarchisties Kollektief Utrecht (AKU). Hoe reageerden de lezers van De Vrije op de analyses van de spektakelmaatschappij? ‘Die lezers begrepen er maar weinig van. Vooral de oude garde van het anarchisme, zeker die in de noordelijke regio’s, keek met argusogen naar het radicalisme in de Randstad. Zij waren allereerst moralisten, die niet wilden afwijken van de oude leer: een ethisch anarchisme dat het motto ‘Denkende arbeiders drinken niet’ hoog in het vaandel droeg. Bovendien waren wij geïnteresseerd in andere aspecten van de anarchistische beweging, zoals de Mokerjongeren, het neem en eetrecht, de ‘Klaas Blauw Affaire’ (een revolverincident met dodelijke afloop, ST) – kortom, zaken waar de beweging liever over zweeg. Maar ook de ontluikende kraakbeweging kon weinig met het situationisme. Wij hekelden het reformisme van die beweging, zeker toen ze begonnen met kraakspreekuren. Dat vond ik helemaal niks. Alsof kraken alleen maar een antwoord is op woningnood. Tenslotte wezen we de arbeid af – een strijdpunt dat vooral aansloeg onder jongeren en studenten’.

Drie jaar later verlaat Sanders De Vrije Socialist en wordt hij docent filosofie aan een sociale academie. Die betrekking biedt hem de mogelijkheid het situationisme intensief te bestuderen door middel van werkgroepen met studenten. De libertaire uitgeverij waaraan hij zich inmiddels heeft verbonden, Spreeuw, dient daarbij als platform. Zo vertaalt hij teksten van eco-anarchist Murray Bookchin, maar ook van filosofen als Deleuze. Zo is Spreeuw de eerste uitgeverij die Rhizoom (1978) van Gilles Deleuze en Félix Guattari uitbrengt, aangespoord door studenten psychologie en psychiatrie die in dit ‘schizo-analytische denken’ aanknopingspunten vinden voor de antipsychiatrie en de emancipatie van gekken. In het voorwoord schrijven de vertalers: ‘Zucht. Voor ons heeft links als voorstelling, als prediking, als heilige zwarte steen afgedaan. Schluss! Er is altijd aksie, altijd subversie, niet op je mooie representatieve manier, niet op een manier waarmee je voor de dag durft te komen, maar veelmeer op alle mogelijke manieren van vlucht: het enige dat in de linkse beweging nog opstandig is, is het darmkanaal. Het gaat erom hoe je je verlangens laat stromen, tegen de klippen op’.

Vervolgens geeft Het Wereldvenster De Spektakelmaatschappij (1976) in het Nederlands uit, gevolgd door die andere klassieker van de SI, Raoul Vaneigems Handboek voor de jonge generatie (1978). De vertaling van Debord volgt op een gekopieerde, handgeschreven vertaling van Hanne Willighagen uit Leiden die al een jaar circuleerde in een kleine kring van Nederlandse activisten. ‘Via het situationisme kwamen we ook bij andere radicale filosofen uit, zoals Michél Foucault, Gilles Deleuze en Félix Guattari. Onze publicatie van Rhizoom was een prachtige aanval op het autoritaire en hiërarchische denken. Een absolute eye-opener die al snel was uitverkocht. De radicaliteit van Deleuze/Guattari was de radicaliteit van Debord. Alleen staat Debord in de moderne, intellectuele filosofische traditie van Hegel en de dialectiek, terwijl Deleuze/Guattari een doorbraak hebben gemaakt naar een andere, niet-totaliserende manier van denken die we later ‘postmodern’ zijn gaan noemen. Debord staat in de slagschaduw van Hegel en de jonge Marx, wiens teksten hij steeds verdraait en omkeert: hij noemt dat ‘détournement’. Ruim tachtig van zijn stellingen in De Spektakelmaatschappij zijn verdraaiingen van Hegel, Marx, Breton en Lautréamont. Debord was voor mij een breekijzer waardoor ik filosofen als Deleuze leerde begrijpen. Omdat velen vandaag in onze complexe, chaosmotische samenleving teruggrijpen op Deleuze/Guattari bracht ik in 1998 een nieuwe vertaling van Rizoom uit’.

In 1987 komt er een einde aan de verzamelwoede van Sanders en promoveert hij te Amsterdam op zijn studie van het situationisme. Aanvankelijk had hij geen plannen te promoveren, maar nadat de VPRO hem had verzocht een serie radio-uitzendingen over het onderwerp te maken, leek het hem alsnog een goed idee. Voor die programma’s bezocht hij Nederlandse ex-situ’s zoals Constant, Armando en Jacqueline de Jong. Het gesprek met de eerste verliep moeizaam, de tweede kon zich niets meer herinneren. Er bestaan nog veel frustraties onder deze kunstenaars die vanaf 1960 de SI verlieten, nadat Debord zich vernietigend over hun ‘commerciële’ kunst had uitgelaten. Constant heeft die breuk nooit kunnen verkroppen omdat hij dacht het situationisme te kunnen verrijken met zijn ideeën over ‘unitair urbanisme’: de stad is geen socio-economische eenheid, maar een permanente remix van psycho-sociale stemmingen en ervaringen. Gelukkig bood de Amsterdamse kunstenaar Jacqueline de Jong een mooie schets van de leefwereld van de situationisten. ‘De Jong was assistente van Willem Sandberg, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum. Beiden waren zeer geïnteresseerd in alles dat avantgarde was. Het Stedelijk kocht werk van situationisten als Constant en Asger Jorn. Sandberg kende hen al voordat ze tot de SI toetraden. Debord vond dat museumgedoe maar niks. Als je zonodig een museum wilde dan moest dat even labyrintisch zijn als Parijs of Amsterdam zelf. Het liefst zou hij met een bulldozer door het museum zijn gescheurd om de muren neer te halen en vervolgens een complex doolhof te creëren. De Jong toonde zich echter solidair met de gewraakte kunstenaars uit Scandinavië en Duitsland en keerde de SI eveneens de rug toe. Debord was eigenlijk een autoritaire figuur – de SI had stalinistische praktijken. Hij vond dat je je rug recht moest houden. De Franse politiek kent overigens een lange traditie van royementen. Kijk maar eens naar de surrealistische beweging van André Breton die het ene naar het andere lid uit de beweging knikkerde. Ook de Lettristen, waar de situationisten uit voortkwamen, vormden zo’n club: ze deden weinig meer dan elkaar verrot schelden in pamfletten. Ook onder de situ’s wordt wat afgeroyeerd. Zo wordt de goede vriend van Debord, Gil Wolman, al geroyeerd voordat de eerste bijeenkomst van de SI plaatsvindt! Ook met zijn kameraad Alexander Trocchi verbreekt hij alle contacten. De Italiaanse situationist Pinot-Gallizio, burgemeester van een piepklein dorpje, werd in 1960 geroyeerd. Huilend bonkte hij bij Debord in Parijs op de deur, smekend om weer toegelaten te worden tot de SI. Ook royeerde hij mensen die hem financieel altijd bij hebben gestaan, zoals Asger Jorn, die hem trouwens ook na het royement nog geld bleef sturen’.

Met die interviews op zak besluit Sanders zijn materiaal tot een boek te bundelen. Hij verbaasde zich er immers over dat er nog zo weinig was gepubliceerd over de SI. Inmiddels heeft hij afscheid genomen van zijn baan als docent – hij is het ‘spuugzat’ – en stort zich als huisman op zijn gezin. Onderwijl brengt hij het situationisme in kaart. Ook internationaal gezien is zijn monnikenwerk uniek, want hij schrijft de meest uitvoerige verhandeling die er tot dan toe bestaat. Wie dieper tot de SI wilde doordringen kon zich louter wenden tot de ‘klassiekers’ en Ken Knabb’s bloemlezing uit het tijdschrift, Situationist International Anthology (1981). Sanders’ Beweging tegen de schijn is een taaie verhandeling, vol met filosofische uitstapjes, met obscure interpretaties van Hegel en Marx, maar ook een avontuurlijk werk waarin de voetnoten en de kennismaking met marginale groeperingen de lezer aanmoedigen zelf verder te spitten in dit erfoed. Na zijn boek te hebben geschreven acht hij het welletjes. Bovendien krijgt hij een hekel aan het gedweep van de zogenaamde ‘post-situ’s’ met de erfenis van de SI.

‘Zo’n post-situ was Roberto Ohrt, schrijver van een dik boek over het situationisme en de moderne kunst (1990). Toen Ohrt zijn boek schreef had ik bijna dagelijks contact met hem. Hij wilde bijvoorbeeld inzicht in mijn proefschrift dat nog niet was gepubliceerd. Ohrt richtte zich meer op de artistieke lijn, terwijl ik me vooral op de politieke lijnen had geconcentreerd. Onze boeken zijn daardoor innig met elkaar verweven. Ohrt was een merkwaardige figuur: hij vond dat je post-situ ook deel uitmaakte van de Situationistische Internationale en dacht met terugwerkende kracht alsnog lid te kunnen worden van een opgeheven beweging. Hij schreef zijn boek alsof hij zelf een situationist was. Toen ik hem in Hamburg ontmoette bleek hij helemaal geobsedeerd door zijn onderzoek. Hij praatte louter over het situationisme – ik werd er bijkans gestoord van. Ik stelde voor een biertje te gaan drinken, maar hij reageerde furieus: ‘Hoe kan je dat nou in vredesnaam doen? Je doet net of je afstand hebt genomen van de SI. Ik ben er dag en nacht mee bezig, slaap drie uur per nacht, en jij wil een biertje gaan drinken in een kroeg?’ Ik wilde de situationistische kritiek dolgraag documenteren, maar had niet de pretentie een situationist te zijn. Zelfs Debord boog zijn hoofd. Wie ben ik dan om fier overeind te blijven? Ook hield Debord zijn deur gesloten voor de latere post-situ’s. Hij had zich na de opheffing van de SI in 1972 afgekeerd van het spektakel. Die terugtrekking had zeker ook te maken met de beruchte Lebovici-affaire. Deze uitgever, vriend van Debord en geldschieter van de beweging werd in 1984 doodgeschoten in een parkeergarage. Journalisten doken in zijn levensloop en stoten op Debord en de SI. Debord werd verdacht gemaakt, maar de zaak werd nooit bewezen. Deze onverkwikkelijke kwestie bood hem wel de mogelijkheid te tonen hoe de media in de spekatakelmaatschappij functioneert’.

Nu de namen en begrippen gaan duizelen lijkt het tijd terug te keren naar het situationisme. Want wat is situationisme nu eigenlijk? Toen deze vraag tijdens een persconferentie ooit aan Debord werd gesteld, antwoordde hij nukkig: ‘We zijn hier niet gekomen om kutvragen te beantwoorden’, waarop hij met zijn delegatie de zaal weer verliet. En volgens het tijdschrift van de SI is situationisme alleen maar een term waarmee de tegenstanders de beweging willen criminaliseren. Sanders: ‘Inderdaad, situationisme bestaat helemaal niet. Vanuit het perspectief van de spektakelmaatschappij kan je hen situationisten noemen, kan je ze stigmatiseren. Toch hebben ze een coherent programma waarin drie elementen domineren: allereerst willen ze vrijplaatsen creëren, plekken van autonomie, bijzondere situaties, tijdelijke autonome zones. Dan is daar de methode van de ‘psychogeografie’, het opnieuw beleven en vervolgens inrichten van onze steden op basis van emoties, ervaringen en situaties. Door bijvoorbeeld zonder plan of doel door de stad te dwalen, door je mee te laten voeren door stemmingen en emoties, brengen ze de stad opnieuw in kaart. De stad is een remix die je steeds weer opnieuw kan inrichten naar je eigen verlangens. Dat dolen of zwerven noemen ze ‘dérive’, de filosofie van de trip, een gedachte die teruggaat tot Thomas de Quincey’s Confessions Of An English Opium Eater (1821), een boek waaraan Debord en Trocchi verknocht waren. Tenslotte is daar de tactiek van de ‘détournement’ of verdraaiing, een praktijk die teruggaat tot Dada, het surrealisme, William Burroughs en Brion Gysin. Door teksten, beelden, boodschappen en betekenissen van de spektakelmaatschappij te verdraaiien, te manipuleren en te verminken wordt verwarring gezaaid in samenleving en cultuur. Deze elementen raken in de jaren zestig echter op de achtergrond als de analyse van de spektakelmaatschappij alle aandacht opslorpt. De gedachte is dat we worden gekoloniseerd door schijn, door reclame, door representatie, door spektakel. Het echte leven heeft plaatsgemaakt voor levensstijlen die je moet kopen van het spektakel. Dat spektakel is geen metafoor of een versiering van de consumptiemaatschappij, maar het kloppende hart ervan’.

‘Het spektakel slorpt alles op, ook kritiek. Dus hoe moet je nog kritiek ventileren die niet wordt ingekapseld? Daarom hanteerde Debord de techniek van de verdraaiing: teksten zo verminken en transformeren dat het spektakel ze niet kan opnemen. Hij geloofde nog dat het mogelijk was om niet met het spektakel in zee te gaan, dat er vrijruimtes bestonden waar kritiek kon worden geuit, dat kritiek op afstand en in afzondering mogelijk was. Daarom heeft hij zich ook nooit laten interviewen. In hem leeft een panische angst: hij wil geen deel uitmaken van de heersende orde. Situationisme moest een avantgarde zijn, een voorhoede, zuiver op de graat, los van alle bewegingen en los van alles. Daaruit moet je ook zijn royementen begrijpen. De SI was een sekte, hij sprak van de situationisten als de ‘verloren kinderen’, de ‘vooruitgschovenen’. Tot ver in de jaren zeventig reisde hij rusteloos door Europa, op zoek naar radicale, onafhankelijke bewegingen. Uiteindelijk wierp hij het hoofd in de schoot toen hij zag dat zelfs ‘vrijplaatsen’ en ‘verdraaiingen’ werden gerecupereerd door de tentakels van de spektakelmaatschappij. Enkele jaren voordat hij zichzelf door het hoofd schoot stond hij zelfs toe dat Canal Plus een tv-documentaire over zijn leven en werk maakte. Bij zijn dood in 1994 zond de Franse tv zijn zelden vertoonde film De Spektakelmaatschappij (1973) uit’.

Sinds de jaren negentig gedenken velen het situationisme vanwege haar aanvallen op werk en het arbeidsethos. ‘WERK NOOIT!’ luidde immers een beroemde slogan die de Parijse muren van 1968 sierde. Toch zal de ‘bewust baanloze’ of ‘slacker’ die De Spektakelmaatschappij uit de bibliotheek haalt schrikken van de syndicalistische retoriek die op hem wordt afgevuurd. Abstracte, aan de spektakelmaatschappij ontleende termen als arbeid, proletariaat, klassenstrijd en arbeidersbeweging worden helemaal niet verdraaid, maar klakkeloos aanvaard en van betekenis voorzien. Ook Raoul Vaneigem ontkomt in zijn The Book Of Pleasures (1979) niet aan een even abstract als spectaculair vertrouwen in ‘liefde’ en ‘sex’ als vrijplaatsen in een kapitalistische spektakelmaatschappij. Waarom wordt de verdraaiing niet doorgezet en de kritiek geoptimaliseerd?

‘Ja, dat is een opmerkelijk gegeven. Eigenlijk had Debord helemaal niks op met het proletariaat. Hij vraagt zich namelijk nooit af wat voor sociaal-economische of metafysische implicaties zijn denken heeft voor de samenleving. Hij gebruikt gewoon alles, past alles in alles in, hij vervolmaakt zijn radicale theorie, maar doet er verder niets mee. Eigenlijk heel verwonderlijk. Je zou toch verwachten dat hij nadenkt over de naoorlogse sociaal-economische ontwikkelingen. Maar nee. Hij is een idealist in hart en nieren. Iemand voor wie idee en levenswijze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het is het ideaal van de bohémien, een puur hedonisme. Kijk ook maar eens naar zijn liefde voor alcohol en de roes. Hij dronk veelvuldig, begon ’s ochtends steevast met een borrel, maar wist zijn alcoholisme wel te beteugelen. Ook de situ’s werkten hard en ontkurkten de flessen pas na gedane arbeid. Ze hadden strakke schema’s waaraan ze zich vol overtuiging hielden’.

Terwijl her en der het situationisme nog wordt verbonden aan de onafhankelijke arbeidersstrijd in de spektakelmaatschappij, zijn de meeste verwijzingen naar het gedachtengoed vandaag gebaseerd op de ideeën uit de vroegste periode van de SI: de vrijplaatsen (situaties), cartografie (dérive), sampling (détournement) en architectuurkritiek (psychogeografie). In de huidige mediamatische ‘controlemaatschappij’ (William S. Burroughs), de opvolger van Debords spektakelmaatschappij, zijn autonomie en betekenis aan de einder verdwenen. De noodzaak van een ander vocabulaire, van andere inzichten, andere routes en strategieën heeft van het situationisme een verbluffende grabbelton gemaakt. Zelden werd er in zo’n korte periode zo’n enorm arsenaal van ideeën aangelegd. Van een systematisch gebruik lijkt niet langer sprake. De hegeliaanse traditie wordt vandaag terecht geassocieerd met xenofobie, eurocentrisme en territoriale geografie, en is uitgespeeld in een wereld die door geopolitieke en digitale diaspora wordt gedomineerd.

‘Die fixatie op de vroege periode van de SI en vooral op de jaren vijftig is inderdaad meer dan opmerkelijk. Je ziet dat veel kunstenaars en activisten terugrijpen op elementen uit het situationisme. Zo is de psychogeografie in Japan op dit moment een toonaangevende architectuurstroming. Er worden dérives gemaakt in Tokio, in Londen, Parijs, Barcelona, Rotterdam. Er verschijnen tijdschriften, zoals October, die geheel aan het situationisme en de psychogeografie zijn gewijd. Er is schijnbaar een behoefte aan nieuwe visies op onze steden, visies waarin stemmingen en emoties van mensen in de vormgeving van onze steden veel belangrijker worden. Ook in het anarchisme en de underground hoor je over tijdelijke autonome zones, wat natuurlijk niks anders is dan het creëren van situaties. Achter de populariteit van het begrip rizoom gaat de dérive schuil: Deleuze heeft dat van de situationisten geleend. Het is verwonderlijk dat Debord opschoof naar een totale analyse van de spektakelmaatschappij, die zo omvattend was, dat niemand er meer mee uit de voeten kon. Misschien dat we ons daarom nu tevreden stellen met de parels uit die erfenis. Het kapitalisme heeft geen vast centrum meer, het is geen centraal symbool meer, alles vloeit en alles is steeds minder gebonden aan vaste lokaties en aan vaste groepen mensen. Plekken worden ingenomen, bezet en weer bevrijd. De vraag ‘Van wie is de ruimte?’ is een belangrijke vraag geworden. Krakers, hoeren, gekken, radiopiraten, ravers, junkies, migranten, kunstenaars en activisten stellen die vraag voortdurend. Allemaal bezetten ze tijdelijk een plek om vervolgens weer plaats te maken voor anderen. Onder die chaotische en complexe omstandigheden, door Guattari met ‘chaosmose’ aangeduid, biedt het situationisme blijkbaar een uitstekende gereedschapskist’.

Geselecteerde bibliografie:

· Guy Debord, De Spektakelmaatschappij (Parijs 1967/Amsterdam 1976)
· Raoul Vaneigem, Handboek voor de jonge generatie (Parijs 1967/Amsterdam 1978)
· Gilles Deleuze & Félix Guattari, Rhizoom (Spreeuw, Utrecht 1978)
· René Vienet, Enragés and Situationists in the Occupation Movement, France, May ’68 (Parijs 1968/Autonomedia New York/Rebel Press London 1992)
· Kenn Knab, Situationist International Anthology (Bureau of Public Secrets, Berkeley 1981)
· René Sanders, Beweging tegen de schijn. De situationisten: een avantgarde (Utrecht 1987/Amsterdam 1989)
· Stewart Home, The Assault On Culture. Utopian Currents From Lettrism To Class War (Rebel Press London 1988/AK Press Edinburgh-San Francisco 1992)
· Greil Marcus, Lipstick Traces. A Secret History Of The 20th Century (London/New York 1989)
· Roberto Ohrt, Phantom Avantgarde. Eine Geschichte der Situationistischen Internationale und der modernen Kunst (Hamburg 1990)
· Sadie Plant, The Most Radical Gesture. The Situationist International In A Post Modern Age (Routledge London/New York 1992)
· René Sanders, Rue Sauvage. Situationistische teksten (Spreeuw, Utrecht 1993)
· Bob Black, The Realization and Suppression of Situationism, in: Beneath The Underground (Feral House Portland 1994)
· Stewart Home (red.), What is Situationism? A Reader (AK Press Edinburgh-San Francisco 1996)
· Len Bracken, Guy Debord: Revolutionary (Arlington Books Seattle 1996)
· Gilles Deleuze & Félix Guattari, Rizoom. Een inleiding (Rizoom Utrecht 1998)
· Geert Mul & Speedy J, La Dérive. Three Short Ambient Tales (videofilm & soundtrack, 21 minuten, cut-up productions Rotterdam 1998).


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -