| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1998 Slackers Like Us.pdf | 24.01.2004 | 107kB | - |
'SLACKERS LIKE US'
onderhandelen met Felix Guattari
"Er is sprake van een nieuw soort sensibiliteit die zeer moeilijk kan worden gedefinieerd. Als onze politieke bril ons verhindert dit type ontwikkelingen daadwerkelijk in ogenschouw te nemen, dan is de revolutie voorgoed voorbij". (Felix Guattari, Soft Subversions)
In 1991 schiet filmmaker Richard Linklater zijn super-low-budget-film Slacker.
De camera volgt een rizomatisch spoor door de stad Austin in Texas, zwervend
van gesprek naar gesprek, van straat naar kroeg. Slacker weeft een collage
van vooral jonge mensen die er alles aan doen hun noodzakelijke, dagelijkse
activiteiten uit te stellen. Iedereen is op weg naar iets of iemand, maar
toont zich bereid dat doel nog even op te schorten. Waar men vandaan komt
of waarheen men gaat blijft onduidelijk: Linklater registreert louter het
alledaagse niemandsland, momenten van stilstand, gaten in de tijd, een merkwaardige
tussenruimte waarin ieder arbeidsethos en elk utilitarisme lijken opgelost.
In deze mezzanine situeert Linklater slack - een levensstijl die anticipeert
op een breed gedeelde afkeer van gedwongen participatie in het arbeidsproces.
Slacker ontpopt zich tot een bioscoophit en zet de toon voor een nieuwe generatie
filmmakers, waaronder Kevin Smith (Mall Rats, Clerks) , die slack tot onderwerp
van hun films maakt.
Het succes van Slacker is debet aan de populariteit van slack-comics, zoals
Peter Bagge's Hate en Julie Doucet's Purity Plot - strips die sinds de late
jaren tachtig uiterst populair blijken (ook in Europa) bij jongeren die muziek
maken, concerten bezoeken, drank en drugs gebruiken, comics en fanzines maken,
en marginale fascinaties koesteren. In Hate volgen we het dagelijks leven van
drie huisgenoten, Buddy, Leonard en George, slackers bij uitstek die zwelgen
in gepassioneerde, maar nutteloze activiteiten. De 28-jarige Groningse kunstenaar,
fotografe, drumster en striptekenaar Barabara Stok onderging ook de invloed
van Hate en Purity Plot. Eindelijk herkende ze de wereld van haar generatie:
de wereld van levende muziek en donkere concertzaaltjes, van alcohol en drugs,
van lust en geweld, van liefde en ontroering, maar ook een wereld van geestdodende
arbeid, van routine en sleur, een wereld van verveling die om vluchtroutes
en eigen niches schreeuwt. Voor het ecoactivistische periodiek Buiten de Orde
tekent ze cartoons waarin werk en arbeidsethos worden gehekeld.
Werk en slack vormen de keerzijden van dezelfde medaille. Als sociale praktijk
wekt slack de politieke woede op van zowel conservatieven, liberalen als
socialisten. Immers, het arbeidsethos wordt niet alleen ondermijnd, ook frustreert
slack de pogingen van vakbonden de werkvloer te organiseren. Slack is niet
louter defensief, maar neemt non-utilitaire, niet-marktgerichte kwaliteiten
als uitgangspunt voor een andere wijze van produceren en consumeren. Slacker
Stacy Estep, uitgeefster van de zine Box of 64, schrijft in haar editoriaal: "Mijn
advies aan de jeugd is dit: richt je op je vaardigheden die geen geld opbrengen.
Onderdruk ze niet ten gunste van protocollen en formules. Wentel je in die
kwaliteiten. Cultiveer ze." Over welke vaardigheden spreekt deze slacker?
Het medium bij uitstek voor slackers is de zine, het kleine, doorgaans in
eigen beheer uitgebrachte tijdschriftje dat een plaats inneemt tussen de
brief en de magazine uit de kiosk. Zines vormen een informele 'booming economy':
de Verenigde Staten alleen al herbergen vandaag ruim 50.000 zines die kunnen
beschikken over een lezerspubliek van zo'n acht miljoen lezers. Een blik
in Factsheet 5 - de grootste toegangspoort tot de duizenden marginale zines
- leert ons dat slack een grote variatie aan sociale praktijken weet voort
te brengen. We treffen rubrieken aan als Quirky, Sex, Fringe, Personal, Food,
Humor, B-Movies, Science Fiction, Queer, Politics, Arts, Comix, Publishing,
Recording en Spirituality. Slackers zijn minoriteiten, slack is een micropolitieke
praktijk.
onderhandelen
"
Wij werken niet, wij onderhandelen", schrijft Gilles Deleuze in Dialogues
(1977) over zijn intensieve samenwerking met Guattari. Werk is vandaag niet
langer vanzelfsprekend, maar problematisch geworden. In 1985 schrijven Felix
Guattari en Toni Negri het boekje Nouvelles espaces de liberte - een geschrift
dat in het Engels vertaald wordt als Communists Like Us (1990). De auteurs
maken zich grote zorgen om werkloosheid, armoede, racisme en ecologische vernietiging,
veroorzaakt door het pact van industrialisme en technocratie - of in hun woorden:
'World Integrated Capitalism'. Ze hopen op een krachtige tegenbeweging die
zich kenmerkt, niet alleen door een strijd om de bevrijding van de werkvloer
(het klassieke linkse scenario), maar tevens door een strijd om de bevrijding
van subjectiviteit. Was de werkvloer eens het centrum van zelfverwerkelijking
en collectieve agitatie, nu dient werk zelf te worden bevrijd en te worden
getransformeerd in 'creatieve activiteiten'. De huidige samenleving is een
alles verstikkend 'workhouse' dat geen recht doet aan de kwaliteiten en creativiteit
van mensen. De veelgehoorde leus 'het einde van de politiek' markeert volgens
de auteurs de geboorte van een nieuwe wereld waarin geëxperimenteerd wordt
met nieuwe strategieën, nieuwe modellen, nieuwe perspectieven. Communists
Like Us betreft allereerst een poging die nieuwe ontwikkelingen te integreren
in een nieuwe definitie van communisme, dat is, in het triggeren van een
veelvoud van communale levensstijlen.
Guattari is 'een vrolijk filosoof', aldus een typering van Robert Maier in
Filosofie Magazine. Wie zich de moeite getroost het werk van Guattari te bestuderen
stuit echter zelden op momenten van vrolijkheid. Hij is geen lichtvoetig schrijver,
ontbeert elk gevoel voor humor en ironie, en zijn uiterst abstracte verhandelingen
over machines, cartografieen, transversaliteit, schizo-analyse en chaosmose
brengen vaak een maalstroom van denkexperimenten op gang die zelden tot een
nadrukkelijke afronding geraken. Zijn werken bieden geen lineaire, systematische
ontwikkeling van een specifieke wijsbegeerte, maar lijken eerder op reisverslagen:
het vastleggen van een velerlei mogelijke en poreuze denkpatronen die, om Bergson
te parafraseren, een veelvoud van sociale en culturele composities mogelijk
maken. Patronen en concepten worden door Guattari beoordeeld op hun 'chaosmotische'
karakter, dat wil zeggen, op hun potentie zich in te vloeien in nieuwe patronen
en concepten, om vervolgens - al dan niet tijdelijk - nieuwe verbindingen tot
stand te brengen. Het universum van Guattari wordt gedomineerd door verlangensmachines:
eindeloze stromen van verlangens die voortdurend, op een grillige wijze koppelingen
en ontkoppelingen veroorzaken. Maar deze verlangens worden gekoloniseerd door
een gigantisch web van produktie en consumptie - Guattari spreekt van een overdeterminering
door het kapitaal. Hij wil deze verlangenmachines bevrijden uit de klauwen
van de politieke en economische bureaucratie.
De taal waarvan hij zich bedient verraadt een marxistische leerschool: 'a
highly stylized genre of defamation' dat nog slechts door weinigen wordt
gepraktiseerd, zoals een criticus van dit jargon opmerkte . Communists Like
Us is een gortdroge verhandeling waarin, volgens marxistisch gebruik, de
mondiale sociale en economische crisis in grote penseelstreken wordt neergezet
en vervolgens geanalyseerd. Desondanks bieden Guattari en Negri een opvallende
kijk op het fenomeen van de arbeid die zich ver verwijderd heeft van het
klassieke marxisme waarin arbeid een cruciaal ijkpunt vormt: de werkvloer
is niet langer het centrum van bevrijding en lotsverbetering, maar het centrum
van irrationele sociale reproductie en als zodanig de bron van sociale spanningen.
De auteurs pleiten voor het ontwikkelen van een scala van micropolitieke
activiteiten die het terugveroveren van de arbeid bevorderen, waaronder werkweigering
en alternatieve lifestyles. Werk is nu vooral een instrument ter handhaving
van de openbare en technocratische orde: "Van mensen wordt niet gevraagd
of ze verliefd of depressief zijn; van hen wordt louter verlangd dat ze het
werk doen waarvoor ze zijn ingehuurd".
Guattari en Negri houden 'this technocratic workhouse' - het bondgenootschap tussen kapitalisme en staatssocialisme - verantwoordelijk voor de teloorgang van zinvolle arbeid. Treurigheid, verveling, routine, monotonie en malaise domineren vandaag de werkvloer. Hun communisme beoogt het forceren van een breuk met de kapitalistische en socialistische organisatie van de arbeid: werk dient opnieuw te worden uitgevonden. Juist nu sociaal-democraten in dertien van de vijftien EU-lidstaten de lakens uitdelen, schijnt Guattari's appel actueel. Bovenaan de politieke agenda prijken werkgelegenheid en misdaadbestrijding (openbare orde) doorgaans broederlijk naast elkaar: werk heeft plaats gemaakt voor 'arbeidssimulatie', zegt publicist Lex Wouterloot:
"Waar de werkwillige in de arbeidspool allereerst mee in aanraking komt is psychologische disciplinering. Dat het om weinig anders gaat dan het nabootsen van een functie, wordt duidelijk als men ziet hoe men banen creëert. Het kernbegrip in de filosofie van de sociale vernieuwing is 'additioneel werk'. Wat zou iets dergelijks kunnen zijn? Dat kunnen alleen maar zaken zijn die geen waarde hebben. Afval dus. De werkcorporaties met hun arbeidssimulaties bieden mensen, die wel meer kunnen dan wat rondwandelen, figurantenrollen in een politiek straattheater. Arbeidssimulatie is een kunstmatig procédé om onoplosbare sociale problemen als werkloosheid simpelweg om te vormen tot politiek beheersbare en te manipuleren fenomenen. De Stadswacht is geen beleidsconstructie, maar politiek design".
frequence libre
Guattari's voorbeelden van moleculaire, micropolitieke praktijken waarin werk
wordt getransformeerd in autonome, creatieve activiteiten stellen enigszins
teleur. Guattari heeft de nodige aandacht voor lifestyles en praktijken die
de kwestie van de normaliteit ter discussie stellen (homo's, travestieten,
vrouwen, gevangenen, gekken, junkies, radiopiraten, groenen, enzovoorts),
maar die aandacht strekt zich zelden uit naar praktijken op de werkvloer.
Ook zijn meest activistische bundel, Soft Subversions (1996), blinkt weliswaar
uit in solidariteit met marginale groepen, maar blijft gevangen in theoretische
preoccupaties. Indien werk ter sprake wordt gebracht volgen louter macro-economische
analyses op een marxistische grondslag en blijven we in het ongewisse wat
betreft microactiviteiten van mensen op de werkvloer. Een theorie laat zich
immers niet zo eenvoudig in praktijken transformeren. Anderzijds bieden praktijken
voldoende data voor theoretische reflecties, zoals de recente hausse in reflecties
op de 'Do it Yourself-culture' aantoont. Maar hier, in het documenteren van
praktijken, schiet onze Franse theoreticus tekort. Guattari is de meester
van het politiek correcte denken die iedere praktijk aan een streng warenonderzoek
onderwerpt. De ondergang van zijn radiostation Frequence Libre in Parijs
illustreert dit primaat van de theorie:
"In plaats van het delirium van begeerte aan te wakkeren, doodde Frequence Libre elk enthousiasme door onverwijld uit te zenden naar eigen ultralinkse versies van het Stalinistische houterige taaltje. Wanneer een aantal rappers zich bij het station aanmelden om hun eigen programma's te maken, was de directie helemaal niet in staat om in te schatten waarom de opkomst van deze multiraciale muziek uit de buitenstedelijke getto's van Parijs zo'n belangrijke culturele gebeurtenis was. Ze weigerden elke hiphop-crew in hun programma's vooraleer de teksten van de rappers politiek waren doorgelicht".
Wie reflecteert over minoriteiten dient in het documenteren en begrijpen van minoritaire praktijken meer nauwkeurigheid in acht te nemen. Desondanks meen ik dat onderdelen van Guattari's begrippenapparaat beslist geschikt zijn om de grote variatie aan culturele en politieke praktijken te bespreken in maatschappelijke en politieke termen. Zo doemde mij tijdens het lezen van Guattari's verspreide, kritische notities over werk het fenomeen slack voor ogen als fylum: die verlangens en activiteiten die vooraf gaan aan geïnstitutionaliseerde, overgecodeerde patronen - in dit geval werk. Slack kan worden gezien als een tussenruimte, een mezzanine tussen ledigheid en calvinistisch arbeidsethos, waar nieuwe praktijken vorm krijgen, waar wordt geexperimenteerd met andere manieren van produceren en consumeren. Niet alleen impliceert slack een kritiek op 'this workhouse', haar ongrijpbaarheid, haar clandestiniteit en haar schizo-veelkoppigheid - of in Guattari's termen: haar rizomatische karakter - verhinderen bovendien het ontstaan van geinstitutionaliseerde verschijningsvormen waardoor bureaucratische inkapseling problematisch wordt. Ten slotte schijnt slack een door Guattari geviseerde ethisch-esthetische praktijk waarin het theatrale element van de performance niet ontbreekt, zoals we nog zullen zien. In een tijdperk waarin fusies, reorganisaties, teambuilding, crisismanagement en survivaltochten de crisis die de werkvloer doormaakt moeten verhullen, lijkt slack een karakteristiek verschijnsel van de (post)moderne conditie van onze samenleving:
"Er zijn veel meer aanwijzingen voor een opstand tegen het werk dan er destijds waren voor de opstand tegen het communisme. Waarom zou er anders zo'n markt bestaan voor zoethoudertjes zoals werkverbetering en werkvernieuwing? Werkenden stellen zich vandaag passief-agressief op, en helaas niet alleen op de werkvloer. De collectieve solidariteit van een roemrijk vakbondsverleden heeft plaats gemaakt voor ziekmeldingen, wisselende baantjes, diefstal, fraude, misbruik van voorzieningen, drank en drugsgebruik en een zo stipte taakopvatting dat er sprake is van sabotage".
nulwerk
Op het eerste oog is slack een louter destructieve en negatieve strategie:
men onttrekt zich immers aan een opgelegde arbeidsmoraal of wendt de productiemiddelen
waartoe men op de werkplek toegang heeft aan voor persoonlijke doeleinden.
Ex-vakbondsman en momenteel slacker, Jeff Kelly, is de uitgever van de populaire
zine Temp Slave!, een periodiek van en voor uitzendkrachten die door middel
van persoonlijke verhalen arbeidsverhoudingen en intermenselijke relaties
op de werkvloer beschrijven. De verhalen schetsen een surrealistisch en Kafkaesk
beeld van de wereld van de arbeid. Kelly startte in 1993 met zijn blad dat
drie jaar later door Utne Reader werd uitgeroepen tot de meest vernieuwende
zine. Kelly heeft geen model of programma en onderschrijft impliciet het
negatieve vertrekpunt dat ook door Guattari wordt gehuldigd in Communists
Like Us: "We weten in ieder geval wat we niet willen". Vakbonden
en linkse politieke partijen worden door deze slackers met argwaan begroet.
In een interview merkt Kelly op:
"Het heeft me altijd verbaasd hoezeer linkse mensen nauwelijks geïnteresseerd
zijn in het mensonterende proces dat we werk noemen. Iedereen weet hoe de werkvloer
gereorganiseerd moet worden, maar kwalitatief verandert er geen reet: we blijven
slaven. Ik werk vandaag louter en alleen om in leven te blijven, Temp Slave!
uit te brengen en andere projecten te initiëren".
In 1986 verschijnt een inmiddels berucht pamflet dat sindsdien in meer dan
tien verschillende talen werd vertaald: The Abolition of Work. De auteur
van dit wilde, maar lucide traktaat, jurist en publicist Bob Black, beweert
dat alle politieke ideologieën hun bestaansrecht ontlenen aan de disciplinering
van de arbeid: "Alle ideologieën bieden vertogen over lonen, werkuren,
arbeidsvoorwaarden, uitbuiting, productiviteit en winsten. Alles staat ter
discussie behalve het systeem van het werk zelf". Volgens de schrijver
bestaat er meer vrijheid in elke matig gedestaliniseerde dictatuur dan op
de doorsnee werkplaats in de Verenigde Staten. Black's argumenten zijn ontleend
aan Fourier, Huizinga en Foucault en hij bepleit het vervangen van werk door
'nieuwsoortige vrije activiteiten' - door 'spel', waardoor een 'implosie
van de economie' tot stand wordt gebracht. Spel is in deze optiek werk dat
mensen prettig vinden om te verrichten. Black beseft de weerstand tegen deze
denkbeelden en realiseert zich - net als Guattari - dat ook linksprogressieve
partijen, vakbonden en bewegingen op tilt zullen springen: "De aanhangers
van de linkse politiek lijken immers de laatste supporters van werk te zijn,
want als er geen werk was, waren er geen arbeiders en wie moet de linkse
politiek nog organiseren als er geen arbeiders zijn?" De afschaffers
en slackers, door Black 'nul-werkers' genoemd, staan er alleen voor. In zijn
hoop echter weerklinkt ook de hoop die Negri en Guattari verwoorden: de door
werk verlamde creatieve krachten bieden een enorm potentieel voor nieuwe
sociale en economische activiteiten. Voorbeelden van die activiteiten zijn
er vandaag te over: comics, techno, zines, platenlabels, vrije radio, raves,
LET-systemen, digitale netwerken, nieuwe intellectuele tijdschriften, galeries,
krakers, enzovoorts, draaien grotendeels op een economie van nulwerk, op
een economie van het spel - het is de economie van de amateurs en de liefhebbers
('amator' betekent immers minnaar).
In Communists Like Us waarschuwen Guattari en Negri ervoor niet de strategieën en modellen van de oude arbeidersbeweging te continueren. De arbeidersbeweging is immers een conserverende factor geworden. Bovendien, zo oppert Negri in het nawoord dat verwijst naar de ontwikkelingen die de val van de Berlijnse Muur bevorderden, zijn het vooral intellectuelen, wetenschappers en technologie-experts in geavanceerde bedrijfstakken geweest die de opstand in Oost-Europa hebben bespoedigd. Zij speurden naar het bevrijdende potentieel van de nieuwe communicatietechnologie. Technologiepropagandist Arthur C. Clark - tevens auteur van 2001. A Space Odessey - merke in een televisie-interview op dat technologie zou moeten worden aangewend om de arbeid te ontmantelen: "The next century must be the century of the disinvention of work".
Dergelijke, eens marginale denkbeelden vinden tevens steun van de sociaal-liberale auteur Jeremy Rifkin. Zijn studie The End of Work. The Decline of the Global Labor Force and the Dawn of the Post-Market Era (1995) luidt de doodsklok voor de werkvloer. Sinds de Industriële Revolutie is de arbeid zwaarder, monotoner, ongezonder en onderdrukkender geworden. De internationale economie is nooit eerder zo productief geweest en nooit eerder bleek de werkloosheid zo hoog. Hij acht het een tragisch verschijnsel dat werkloosheid wordt bestreden door het creëren van meer arbeidsplaatsen. Volgens Rifkin wijzen alle contemporaine ontwikkelingen op een ingrijpende verandering van werk. Een arbeiderloze wereld ligt in het verschiet, want ruim 90 miljoen banen in de Verenigde Staten zouden door machines kunnen worden overgenomen. Bovendien vindt Rifkin het onzinnig en uiterst wreed om tienduizenden arbeiders permanent om te scholen voor die ene baan die mogelijk beschikbaar komt. Rifkin pleit voor een denken en een economie die zich niet langer centreren rondom gedwongen loonarbeid.
Alhoewel de studies van zowel Black als Rifkin hun tekortkomingen hebben - Black beoogt vooral agitatie, Rifkin zet al zijn kaarten op eenzijdig hightech scenario - constateren we in hun vingeroefeningen een mogelijke dageraad van een nieuwe invulling van het begrip arbeid en een nieuwe invulling van werk. Daar waar Guattari de kwestie van het werk nadrukkelijk aan de orde stelt maar niet nader invult, bieden bovenstaande auteurs een eerste visioen van een wereld zonder werk. Een visioen dat overigens verder verwijderd lijkt dan ooit tevoren: 'Werk! Werk! Werk!' schreeuwt Europa vandaag met hese stem.
Toch bespeuren we ook in Nederland micropolitieke praktijken rondom het vraagstuk van de arbeid die zich voorbij traditioneelpolitieke schema's ontplooien. Allereerst duiken 'bewust baanlozen' zo nu en dan op in kranten en actualiteitenprogramma's. Het gaat hier om individuen en groepen die de sollicitatieplicht ter discussie stellen en doorgaans een beroep doen op gewetensbezwaren tegen specifieke beroepstakken. Buiten een terugkerende rubriek in De Groene Amsterdammer vinden deze baanlozen louter steun van marginale, activistische periodieken als Ravage, Buiten de Orde, Kleintje Muurkrant en Activist 024 die op initiatief van een anarchistisch clubje, de Vrije Bond, een steunfonds voor werkweigeraars in het leven hebben geroepen. Verder verscholen in de anonimiteit vinden we slackers van het typisch Nederlandse verzorgingsstaatsnit: zij die kiezen voor de Jongerenpool, de Banenpool, Melkertbanen en Baan-Plus-projecten binnen bevriende instellingen om van daaruit eigen activiteiten te ontplooien - kortom, de huidige variant van de 'eigen werk-beweging', een semi-autonome economie die in de jaren tachtig bijna geheel draaide op bijstandsuitkeringen (denk hier onder anderen aan voedselcoöperaties, kraakpanden, zeefdrukkerijen, platenlabels en woonwerkgemeenschappen). Ten slotte zijn daar de volstrekt anonieme 'super-slackers' die als calculerende werknemers dankzij fraude, diefstal, misbruik van voorzieningen en ziekmeldingen hun persoonlijke lotsverbetering ter hand hebben genomen. Wat deze groepen in ieder geval delen is hun isolement: bijval van de bedrijfsleiding, de ondernemingsraad, de vakbond en politieke partijen is doorgaans uitgesloten.
moleculaire revoltes
Slack is een fatale strategie uit het arsenaal van Baudrillard, maar tevens
een moleculaire revolte uit de gereedschapskist van Guattari:
"Hier is sprake van een volstrekt andere logica dan de organisatorische logica die we kennen van politieke partijen en vakbonden. Een moleculaire revolutie kent geen model of programma. Het ontwikkelt zich in de richting van diversiteit, naar een veelvoud van perspectieven die een maximalisering van singulariteiten bewerkstelligen. Ik denk dat dit type moleculaire revoltes vandaag opgang maakt. Okee, mensen zullen me ervan betichten dat ik een visionair ben of volstrekt gedateerd klink... nou, dat moet dan maar".
De eerste wetenschappelijke studie die slack als contemporain verschijnsel serieus neemt is Notes From Underground. Zines and the politics of Alternative Culture (1997), geschreven door Stephen Duncombe, verbonden aan de State University te New York. Duncombe geeft zelf al jaren zijn zine Notes From Undergroud uit en wijdt een groot hoofdstuk in zijn boek aan werk en slack. Duncombe toont aan dat slack al een oud verschijnsel is: de eerste slackers waren zwarte slaven die werk verrichtten op de plantages van blanke Amerikanen. Klassieke bluessongs herinneren nog vaak aan slack: "Dere ain't no use in workin' so hard" of "When you think I'm workin', I ain't do a thing". Ook de radicale Amerikaanse vakbeweging van de jaren twintig en dertig, de Industrial Workers of the World, koesterden hun IWW Song Book waarin liederen voorkomen als "Hallelujah, I'm a Bum". Deze afkeer van geestdodende arbeid en het verlangen naar zinvolle activiteit werd vervolgens geadopteerd door de bohemiens van de Beat Generation, het situationisme in Frankrijk en de 'underground' in West-Europa en de Verenigde Staten.
Achter haar negatieve façade bespeurt Duncombe in slack een politieke logica die hij kenmerkt als een '(post)moderne strategie van verzet' tegen gedwongen participatie in het arbeidsproces en in de samenleving: "Als je niet mag participeren in de samenleving, dan vecht je voor dat recht; indien je gedwongen wordt te participeren, dan verval je in slack". Een aantal ontwikkelingen bevorderen de opkomst van slack. Steeds minder mensen vinden bevrediging in het werk dat ze moeten verrichten. De lonen zijn vaak laag, er is sprake van een proletarisering van de middengroepen, flexwerk en uitzendwerk hebben vooruitzichten doen verslechteren en rechtsposities uitgehold, een gevolgde opleiding en een betaalde baan zijn steeds minder aan elkaar gerelateerd, en mensen zien zich gedwongen permanent te jagen op beschikbare baantjes waardoor werk en leven synoniem zijn geworden. Keffo (Jeff Kelly) merkt in Temp Slave! op: "De meeste mensen die ik ken verwarren werk en leven in toenemende mate, ervan uitgaande dat ze elkaars synoniemen zijn. Wat een misverstand!"
Tevens reageert slack op veranderingen binnen het systeem van sociale controle. Ooit onderdrukte de heersende klasse de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van politieke organisatie. Vandaag worden burgers overspoeld met informatie en voortdurend aangemoedigd toch vooral te participeren in hun woonomgeving en bedrijf. Voormalige, als negatief beoordeelde praktijken als apathie, passiviteit en ironie worden door slackers bewierookt als attitudes bij uitstek die hun verlangen naar devolutie vorm geven. Slack, meent Duncombe, is 'gepassioneerde onverschilligheid'. Die passie beoogt niet louter een onthouding van engagement: slackers zijn niet tegen participatie per se, maar pleiten voor participatie onder eigen voorwaarden. Duncombe geeft dit streven naar devolutie het voordeel van de twijfel:
"Hun strategie zou wel eens een juiste kunnen zijn. In onze hoogontwikkelde maatschappij, met haar nerveuze fixatie op openbare orde en haar roestende democratie, is de idee van een gewelddadige revolutie als voorwaarde voor sociale veranderingen uit het zicht verdwenen. Het saboteren van maatschappelijke consensus kan onder die omstandigheden een effectieve tactiek zijn".
Gepassioneerde onverschilligheid impliceert tevens een speurtocht
naar betekenis. Slack is niet louter een politieke logica, als praktijk gedijt
ze vooral in
theater en performance. Wellicht zou Guattari hierin een ethischesthetische
grondhouding herkennen. Slack begint, vervolgt Duncombe, met een streven naar
een bad attitude. Die attitude is spel, er is sprake van 'levende performances'
waarin de slacker zijn werkplaats transformeert in een 'theater dat een schouwspel
biedt dat de rechtzinnige samenleving hopeloos irriteert'. De wereld wordt
opgesplitst in wij en zij - zij omarmen de rol van de sociopaat en stellen
freakdom tegenover de normaliteit van alledag. Bedrijfsleiders, collega's en
klanten worden acteurs in het theater der vervreemding, zoals ook blijkt uit
Kevin Smith's hilarische film Clerks. Slack beoogt ook de herontdekking van
kwaliteiten en ervaringen die verloren zijn geraakt in de maalstroom van winst
en nutmaximalisatie - in zines, comics, muziek en op internet wordt driftig
geëxperimenteerd met die vaardigheden die niet noodzakelijkerwijs geld
opleveren. Slack is een heuse filosofie, beweert Duncombe, die leert hoe je
meer kan doen met minder. Bovendien wordt in de wereld van de slacker en nulwerker
hard gewerkt: zines en andere communicatiemiddelen blijken het resultaat van
noeste inspanningen.
De vaak hoge productiviteit van de slacker is ook het onderwerp van het essay
'Slack Attack' (1994), geschreven door de Britse publicist en redacteur van
Observer Will Self. Ook hij ziet in slack een belangrijk tijdsverschijnsel: "We
zijn getuige van een nieuwe generatie slackers: zij willen helemaal niets en
zij eisen het nu!" Self onderscheidt verschillende 'slackotypes': de Amerikaanse
slacker is vooral iemand die zijn afkeer van werk niet onder stoelen of banken
steekt - slack is hier een nieuwe strategie in de klassenstrijd. De Europese
slacker zou veel minder klassengebonden zijn en velen zouden zich bovendien
ophouden in en rondom de universiteiten. Voortdurend gedisciplineerd door lineaire
activiteiten - van deadlines tot colleges - sluipen routine en sleur binnen
waardoor de slacker gaat verlangen naar nevenactiviteiten:
"De meest toegewijde klokkijker is de slacker. Slackers zijn dol op marginalia en tonen zich doorgaans uiterst productief. Indien de slacker de bodem van zijn inactiviteit bereikt, wordt hij plots overweldigd door een ongelooflijke dosis energie die hij zo snel mogelijk moet verteren".
Volgens Self brak slack eerst goed door in de jaren tachtig, niet zozeer als gevolg van een zelfgekozen DIY-strategie van autonome entrepreneurs, maar dankzij de heerschappij van 'Baroness Thatcher' die het Britse Koninkrijk opzadelde met een enorme werkloosheid. Sindsdien speelt slack een belangrijke rol in het leven van velen: punk, rave culture, psychedelica, virtual reality, enzovoorts, worden door Self als de merites van slack beoordeeld. Hij acht het tragisch dat velen zich tegen hun wil overgeven aan slack. Hij bepleit dan ook een werklozenbeleid dat ware slackers met rust laat en dat meer aandacht heeft voor mensen die dolgraag ergens aan de slag willen: het lijkt op een voorstel ter afschaffing van de sollicitatieplicht, een gezichtspunt dat 'bewust baanlozen' in Nederland ook promoten.
mutaties op de werkvloer
Men betaalt de arbeider niet langer om zijn inspanningen, schrijft Guattari
in 'Capital as the Integral of Power Formations', maar om voortdurend over
hem te kunnen beschikken. Waar de oude Marx nog droomde van de overwinning
van de oppositie werk-vrije tijd, beseffen we vandaag dat kapitalistische
productieverhoudingen die oppositie al lang hebben opgeheven: vrije tijd
is werk, werk is vrije tijd. Loonarbeid is het mechanisme dat de hele samenleving
doortrekt en mensen sociaal disciplineert: het is menselijke subjectiviteit
die door middel van werk wordt genationaliseerd en gecodeerd. Guattari vraagt
zich af welke strategie moet worden ontwikkeld om sociale veranderingen te
initiëren. Hij wijst traditionele - syndicalistische en politieke -
strategieën af en pleit voor 'mutaties van verlangens, artistieke vaardigheden
en technologische mogelijkheden op een moleculair niveau'. Het begrip slack
komt in zijn essays niet voor. Toch zou het om zich heen grijpen van slackpraktijken
wel eens een aanduiding kunnen zijn dat mutaties van de werkvloer op moleculair
niveau in volle gang zijn. Ik deel Guattari's bezorgdheid over het lot van
velen op de hedendaagse werkvloer en onderschrijf de woorden van een slacker: "Werkloosheid
betekent dat werk belangrijker, niet minder belangrijk wordt. Meer kunstmatige
arbeidsplaatsen betekent niet minder werk, alleen minder werk dat zelfs met
een klein beetje zelfrespect verricht kan worden". Het is de hoogste
tijd dat we gaan onderhandelen.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |