Index of /Kunst en Theorie/1998 Een ondergezeken pistool

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1998 Een ondergezeken pistool.pdf   23.01.2004 73kB -

1998

‘EEN ONDERGEZEKEN PISTOOL’
Iets over het gevangenisdagboek van Aleksandr Brener

Aleksandr Brener. Dichter en performer. Geboren in 1957 in Alma Ata. Reeds in de eerste zin van zijn gevangenisdagboek - dat vandaag gepresenteerd wordt in Theater Zeebelt en werd uitgegeven door uitgeverij Ravijn - noemt Brener zich nadrukkelijk een 'Moskouse dichter' (3). Ook in andere passages van Een ondergezeken pistool - zoals de notities zijn getiteld, verschuilt Brener zich achter zijn Russische identiteit. Hij hekelt de moderne kunstenaars van zijn vaderland en verwijt hen dat ze dat ze 'de Russische cultuur in een monsterlijke leegte hebben gestort' (45). Verderop, als hij tentoonstellingen van de Wiener Aktionisten en Amerikaanse performers bestempelt als 'een grote tyfusbende', vervolgt hij: "Ik ben nu eenmaal een Russische kunstenaar en geen Belg" (52). Als zoveel Russen in ballingschap, gaat ook Brener gebukt onder heimwee en ontworteling. Op 1 februari 1997 noteert hij in zijn cel: "Ondanks alles is Rusland m'n lievelingsland. Mijn land. Ondanks de ongehoorde wreedheid, de talentloosheid, de hielenlikkerij, het gebrekkige geheugen, de platheid, de verveling, de doodsheid" (71). In zijn dubbele hoedanigheid als jood en dichter draagt Brener wanhopig en met knikkende knieën de holocaust en de Goelag Archipel op zijn schouders. Die last valt hem zwaar - ze doet hem kreunen en steunen, schreeuwen en smeken, huilen en kermen. Luister, luister, schreeuwt Brener, hoor mijn stem, hoor mijn smeekbede. Die kreet vormt de grondslag van Brener's poëzie: "Men kan krijsen om de verloren borst, zoals een kind doet. Men kan jammeren om een gesneuvelde vriend, om verdwenen geluk, om een overspelige vriendin. Dat vormt nu eenmaal de grondslag van menselijke klanken... De poëtische kreet is een kreet over alles... Je hoeft [als dichter] helemaal geen gedichten te schrijven, slaak maar gewoon een kreet" (10).

Brener's nadruk op zijn Russische achtergrond lijkt de zich als kosmopolitisch afficherende kunstwereld in verwarring te brengen. Nadat Brener in 1994 te Stockholm een installatie van Wenda Gu aan diggelen had geslagen en protest aantekende tegen de tweederangs behandeling die Russische deelnemers aan de tentoonstelling ten beurt viel, sprak de Franse kunstcriticus Olivier Zahm van ‘een daad van neo-fascisme’. Anderen hebben Brener als slavofiel of Russisch chauvinist bestempeld. Maar is bij Brener sprake van chauvinisme? In het begin van deze eeuw schreef de auteur Vladimir Korolenko: "Mijn vaderland is niet Rusland, mijn vaderland is de Russische literatuur". Bijna twee eeuwen lang vormde de literatuur en de poëzie in Rusland een laatste vrijplaats die uitzicht bood op rechtvaardigheid, vrijheid en waarheid - begrippen die vandaag onder het postmoderne fileermes zijn gestorven. Precies 150 jaar geleden, in het revolutiejaar 1848, overleed de Russische literatuurcriticus Vissarion Belinski - wellicht is Belinski het prototype van de Russische dichter en kunstenaar. Hij forceerde een radicale breuk met de literaire traditie en formuleerde het geweten van de Russische intelligentsia. Als persoon stond hij model voor de meest karakteristieke figuur in de Russische sociale roman: een verbijsterende idealist, roerend naïef, een geestdriftige figuur met een zuiver hart, het slachtoffer van omstandigheden, vaak komisch en tragisch tegelijkertijd, een verwarde denker die domme fouten maakt, zich onhandig gedraagt, die niet in staat is tot onoprechtheid, soms zwak en vol zelfbeklag, soms sterk en fel - maar nooit verliest hij zijn innerlijke waardigheid en zijn onverwoestbare morele persoonlijkheid. Dat is de ‘Russische poëzie’.

Al deze elementen vinden we ook terug in Een ondergezeken pistool: verbijstering, idealisme, onhandigheid, het slachtofferschap, het moralisme, het verlangen naar directheid en oprechtheid. Brener’s voorganger Belinski legde de grondslag van een nieuw soort literatuurkritiek: hij is niet geïnteresseerd in ideaaltypische mensbeelden of situaties, niet geïnteresseerd in aangereikte ethische instrumenten voor de verbetering van het leven, maar zoekt naar de persoonlijke levenshouding en praktijk van de individuele kunstenaar. Hoe oprecht en waarachtig is de auteur? Hoe sluiten diens levenspraktijk en het geschrevene op elkaar aan? Wat is de motivatie van de kunstenaar? Volgens Belinski kan objectieve waarheid slechts gevonden worden in de natuur, in de samenleving en in de harten van mensen. Voor neutrale analyses heeft Belinski geen belangstelling - dit leidt alleen maar tot cynisme en verstarring. Waarheid is geen bezit of een objectieve categorie, maar een levenspraktijk, louter gereserveerd voor hen die waarheid zoeken. Waarheid is geen aangelegenheid voor hen die neutraal zijn, gehoorzaam, laf of voorzichtig - waarheid is een levenspraktijk van mensen die bereid zijn hun bezittingen of achterhaalde denkbeelden te offeren; een praktijk waarin illusies, zelfbedrog en slaafse conventies voortdurend worden gehekeld en doorgeprikt.

Belinksi's belijdenis werd de belijdenis van de Russische intelligentsia. Belinksi zelf heeft gepoogd de waarheid te leven en te doorleven - dat hij in die praktijk veelvuldig van opvatting veranderde, zowel op filosofisch, artistiek en maatschappelijk gebied, heeft zijn critici – vooral van marxistische snit - doen concluderen dat hij een kameleon was: geen hechte beginselen, te ontvankelijk van geest, te ongedisciplineerd, te levendig. Belinski zelf verdedigde zich met deze woorden: "Waneer iemand zijn opvattingen over het leven en de kunst niet wijzigt, komt dat doordat hij zich eerder heeft toegewijd aan zijn eigen ijdelheid dan aan de waarheid". Tijdens het herlezen van een aantal essays van Belinski viel me op hoe groot de overeenkomsten zijn met Aleksandr Brener.

De enorme maatschappelijke en geestelijke onderdrukking van het Russische volk maakte de poëzie en de literatuur tot het laatste medium dat een zekere mate van vrije discussie mogelijk maakte. Stalin besefte dat ook: wie ooit een blik heeft geworpen op de eindeloze lijst met namen van de tienduizenden dichters die werden afgevoerd naar de strafkampen in Siberië, kan niet anders dan schreeuwen, huilen of jammeren. Deze toon, de toon van het machteloze jammeren, het onhandige stuntelen, het struikelen over woorden, een verlegen maar altijd agressieve schrijfstijl, gevoed vanuit een primitieve en vaak moralistische kern, is voorgoed doorgedrongen in de Russische literatuur en nooit meer verdwenen. Indien we met Korolenko spreken over 'het Russische karakter', dan doelen we op deze specifieke toon die ook opklinkt uit alle pagina's van Brener's Een ondergezeken pistool. Net als Belinski heeft ook Brener zich in dienst gesteld van de vernietiging van cynisme, neutraliteit, onwaarachtigheid, illusies en lafheid.

Het is hier waar Brener's 'Russische identiteit' moet worden gesitueerd. Zich vastklampend aan de waarheidspraktijken van zijn illustere voorgangers, trekt hij ten strijde tegen de westerse suprematie en het westerse cynisme dat de kunst en de cultuur tot op het bot heeft uitgehold. 'Verneuken die handel', schrijft hij dan ook in zijn dagboeknotities. In dit ‘verneukingsproces’ gaat zijn liefde vooral uit naar krachtige persoonlijkheden als Martin Luther King en Gandhi die grote bevolkingsgroepen voorgingen in hun strijd om zelfbeschikking en mondigheid. In de kunsten looft hij dwarse persoonlijkheden als Van Gogh, Rimbaud en Whitman, die nooit afweken van wat zij belangrijk achtten. Verwant als hij zich voelt aan het cultureel radicalisme van de twintigste eeuw - dada, surrealisme, situationisme, mei '68 - verwerpt Brener het produceren van kunstobjecten en kiest hij voor detournement, deconstructie en kunstsabotage. Teleurgesteld en verbijsterd door het hoge tempo waarin Russische dichters en kunstenaars na de val van de Berlijnse Muur een nieuwe nomenclatuur optrokken, heeft hij zich afgekeerd van constructieve inspanningen binnen de formele kaders van de beeldende kunst en de poëzie. Kunst en samenleving hebben elkaar niets meer te bieden; betekenis, kritiek en engagement lossen zich op in een warencirculatie; kunstwerken gaan van hand tot hand en laten louter sporen van dollarbiljetten achter; kunstkritieken zijn beursberichten geworden; musea zijn uitgegroeid tot boosaardige bastions van het culturele establishment.

Ter illustratie spoot Brener in het Stedelijk Museum te Amsterdam met groene verf een dollarteken over een doek van Malevich: Suprematisme. Wit kruis op een witte achtergrond. Het leverde hem geen discussie op over de windhandel binnen de kunst, maar een gevangenisstraf van een half jaar. Wellicht was zijn keuze voor een Nederlands museum een ongelukkige. Een goede vriend en geestverwant van Belinski, de auteur en balling Alexander Herzen, had omstreeks het midden van de vorige eeuw al een bijzondere belangstelling voor Nederland. Alle naties ontwikkelen zich, maar Holland, zo schreef hij, is de eerste maatschappij die tot stilstand is gekomen. Holland is het mooiste voorbeeld van het absolute kleinburgerdom, het land waarmee Europa grijs begint te worden. Omdat de revolutie hier is voltooid, kan de Hollandse revolutionair niet anders dan antirevolutionair zijn. In hart en nieren – het is zijn lot, dat hij met graagte draagt.

Het heeft mij, eerlijk gezegd, niet verbaasd dat Brener's daad door de kunstwereld van Nederland nauwelijks serieus werd genomen. Er volgde geen debat en geen onderzoek naar de motieven en achtergronden van Brener's dialoog met Malevich. Afgezien van enkele commentaren in Het Parool en het Amsterdamse actieblad Ravage, bleef het opvallend stil in Nederland. Brener schreeuwt, roept om aandacht en engagement, maar zijn publiek is al lang en breed verdwenen.

Maar elders, waar dat ook moge zijn, klinkt wellicht geen eenduidige menselijke stem meer, maar klinken vele stemmen: een aangenaam gefluister buiten de wanden van musea en galeries, graffiti op kale muren en in toiletten, radiopiraten in de ether, onzichtbare performances in kroeg en fabriek, websites in stille achterkamers, obscure tijdschriften in een vergeten kiosk, stand-up-poëzie in obscure kraakcafés. Heeft Brener wel oog voor deze stemmen? Of verlangt hij alsnog de bekommernis van een kunstwereld die hem al lang verlaten heeft?

Laat ik deze korte inleiding afronden en Aleksandr zelf aan het woord laten. De teloorgang van de menselijke stem, het verlies van betekenis en het gebrek aan engagement in de kunst, het verlangen naar 'democratische kunst'... dergelijke kwesties zijn niet onproblematisch en wellicht kunnen we hierover vanavond, in het gezelschap van Brener en andere kunstenaars, van gedachten wisselen. Met enige vertraging krijgt Brener dan toch zijn discussie in het ‘antirevolutionaire’ Nederland. Hoe ziet het programma eruit? Zo dadelijk zal Brener enkele passages voorlezen uit Een ondergezeken pistool. Daarna volgt een tweetal commentaren en wordt u van harte uitgenodigd deel te nemen aan het twistgesprek. Ter afsluiting presenteren Cor Gout, Frans Friederich en Henk Bakker een speciaal voor deze avond gecreëerde compositie. Maar laat ik nu het woord geven aan Aleksandr Brener.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -