Index of /Kunst en Theorie/1998 Chaosmose

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1998 Chaosmose.pdf   06.08.2004 66kB -

1998

CHAOSMOSE
ter zake

door Henk Oosterling & Siebe Thissen

In 1992 verschijnt Chaosmose. Deze raadselachtige titel is niet ontleend aan recente natuurkundige inzichten maar aan de literatuur - aan James Joyce's Finnegans Wake en Gombrowicz' Cosmos - en wordt voor het eerst geïntroduceerd door Gilles Deleuze in zijn dissertatie Différence & Répétition uit 1968. Het samenvallen van kosmos en chaos en de connotatie van een vloeibare osmotische relatie drukt een basisidee uit dat eveneens een van de sleutels vormt tot het denken van de Franse psychoanalyticus Félix Guattari. Hetzelfde jaar dat Chaosmose uitkomt, overlijdt hij aan wat op het eerste gezicht een dodelijke vermoeidheid lijkt na een intellectuele loopbaan die zich uitstrekt over een periode van veertig jaar. Naast zijn eigen oeuvre heeft Guattari met de filosoof Gilles Deleuze een aantal toonaangevende boeken geschreven. Deleuze wordt doorgaans als drijvende kracht achter deze samenwerking beschouwd. Maar juist hun werkwijze toont de ondoenlijkheid van exacte afbakeningen van ieders bijdrage. De teksten die zij als 'groep' produceerden hebben veel bijval geoogst, maar even zoveel, zo niet meer kritiek en onbegrip. Niet het minst omdat hun schriftuurlijke experiment grote inspanningen vergt van de lezer.
Guattari's dagelijkse omgang met psychiatrische patiënten in de kliniek La Borde bij Blois onder Parijs zette hem er al vroeg toe aan de gevestigde normaliteit te kritiseren. Zijn kritiek richt zich op een mensbeeld dat met name de menswetenschappen de afgelopen 150 jaar hebben geproduceerd: het rationele subject als autonoom individu, het toonbeeld van normaliteit. Guattari bepleit een transformatie van productieprocessen die door de filosofie en de menswetenschappen tot begrippen als 'subjectiviteit', 'autonomie' en 'normaliteit' zijn gereduceerd. Hij richt zijn aandacht daartoe op het procesmatige, vertoogsmatige, poreuze en collectieve gehalte van subjectiviteit en normaliteit. Dit kenschetst hij als 'chaosmose'. De conceptuele waarde van zijn onderzoek naar hedendaagse sociaal-politieke en esthetische praktijken is het onderwerp van deze bundel. In deze filosofische exploratie worden de domeinen van filosofie, politiek en kunst doorkruist om de blik op andere werkelijkheden te openen en deze in kaart te brengen.
Dat in deze bundel Deleuzes denken regelmatig ter sprake komt ligt, gezien de intensieve samenwerking met Guattari, voor de hand. Hun gemeenschappelijke, Nederlandse inspiratiebron Baruch de Spinoza speelt op de achtergrond mee. Diens opvattingen over de relaties tussen lichamelijkheid en denken krijgen een actuele betekenis in het werk van Deleuze en Guattari. Tegen de achtergrond van een spinozistische traditie hebben werken van Franse levensfilosofische denkers in Nederland veel eerder een vruchtbare bodem gevonden. De relatie met het werk van Spinoza verduidelijkt iets van de summiere academische receptie van de boeken van Guattari en Deleuze.
Tegen het einde van de vorige eeuw, waarin een ongekende bloei van spinozisme te bespeuren is, bestaat hier belangstelling voor denkers als Charles Fourier, Alfred Fouillée, Jean Marie Guyau en Han Ryner. Hun gedachtegoed oefent invloed uit op vrijdenkers en op tal van bevlogen intellectuelen die de volksverlichting hoog in het vaandel dragen. Zo injecteert Hélène Mercier de 'sociologische' filosofie zoals deze Franse wijsbegeerte dan wordt genoemd in het netwerk van de sociale academies en worden deze denkbeelden opgenomen in cursussen aan volksuniversiteiten en aan de Internationale School voor Wijsbegeerte.
De ontvangst aan de Nederlandse universiteiten verloopt stroever, zo niet problematischer. Dit blijkt onder meer uit de receptie van het werk van Henri Bergson, een andere inspiratie bron van Guattari en Deleuze. Alhoewel Ferdinand Sassen in Wijsgeerig leven in Nederland in,de twintigste eeuw (1947) vermeldt dat gedurende het eerste decennium van deze eeuw Spinoza's Ethica en Bergson's Évolution créatrice in oplages van duizenden exemplaren over de toonbank gingen, voegt hij er toch aan toe:

"De zoo overvloedige Franse wijsgeerige litteratuur van na 1900 is nauwelijks tot ons land doorgedrongen. In onze wijsgeerige publicaties wordt met haar in het algemeen geen rekening gehouden. Uit de nieuwere Fransche wijsbegeerte is Bergson wel hier te lande bekend geworden, maar zijn stelsel lag zoo ver buiten de categorieën, waarin men ten onzent gewoon was te denken, dat van eenigen invloed op vakkringen geen spoor te ontdekken valt". (p.28)

Ondanks het feit dat de nieuwere Franse wijsbegeerte zich, net als het spinozisme, "ver buiten de categorieën" bevindt, vindt zij niettemin weerklank. Zelfs een controversieel denker als Georges Bataille wordt reeds in 1934 vertaald door de christen-anarchist en Erasmus-kenner Bart de Ligt.
In zijn Repertorium der Nederlandse wijsbegeerte (1948) inventariseert Johannes Poortman voor de periode 1909-1945 ruim zeventig Nederlandse publikaties die alle zijn gewijd aan het denken van Bergson. Onder de auteurs treffen we niet onverdienstelijke denkers aan als Gerard Heymans, Nico van Suchtelen, Ferdinand Sassen, Simon Vestdijk, Jacques de Kadt en Anton Vloemans wiens overzicht De Fransche Wijsbegeerte (Rotterdam 1934) gretig aftrek vindt.
Dat de enigmatische en neologische wijsbegeerte van Bergson een eigen karakter heeft, wist reeds Gerard Heymans,hoogleraar in de psychologie en wijsbegeerte te Groningen (18901927) , die ook esthetica doceerde:

"Wij hebben hier te doen met een uiterst vernuftige, buitengewoon scherpzinnige, zoo men wil geniale constructie, maar wij hebben hier niet te doen met een wetenschappelijk onderzoek. Tot in de diepste grondslagen van dit systeem vinden wij termen gebruikt zonder scherp bepaalden inhoud, leemten in de bewijsvoering door beelden aangevuld, mogelijkheden tot zekerheden gehypostaseerd, de alleroppervlakkigste toetsing voldoende geacht voor de staving der verstrekkende hypothesen. Is het lezen van deze geschriften aan te raden? Voor iemand die aesthetisch wil genieten, zich verlustigen aan schoonheden van vorm en inhoud beide, het gedachtenwerk medeleven van een man, die met duizend vernuftige kunstmiddelen een vooraf opgevat idee tracht door te voeren door alle bochten der weerbarstige feiten heen - ja. Maar voor wie eenvoudig wat wenscht te leeren, zijn kennis der gegevens, die voor de oplossing van het wereldprobleem in aanmerking komen, uit te breiden, en zijn inzicht in de betrekkelijke waarschijnlijkheid, die aan elke der verschillende voorgestelde oplossingen toekomt, te verscherpen - neen. (Geciteerd in: G.J.A. Jonker, Henri Bergson, in: Studies en Voordrachten, Utrecht 1924, pp. 49-50.)

Als Guattari's werk zich tegen de achtergrond van deze intellectuele traditie laat situeren, geldt deze overweging dan ook voor zijn gedachtegoed? Guattari heeft zich inderdaad ver verwijderd van het gangbare wetenschappelijke vertoog. Zijn werken zullen door veel serieuze wetenschappers niet worden erkend als wetenschappelijke handreikingen ter oplossing van 'het wereldprobleem'. Net als in het geval van Bergson wordt Guattari vooral buiten de academie gerecipieerd door praktijkgerichte intellectuelen: psychiaters, politieke activisten, docenten, journalisten, radio-makers, musici, kunstenaars en digitale denkers.
Valt een dergelijk hermetisch denken wel 'systematisch' te ontsluiten? Het gedachtegoed van Guattari staat vanzelfsprekend niet op zichzelf. Het ontplooit zich tegen de achtergrond van een filosofische kritiek op het modernistisch-hegeliaans systeemdenken. Het primaat van de identiteit dat dit denken schraagt, is voor Guattari - en Deleuze, Foucault, Lyotard en andere 'differentiedenkers' - een filosofische steen des aanstoots. Guattari en
geestverwanten situeren moderne uitgangspunten als ethische verantwoordelijkheid en politieke consensus tegen de achtergrond van een esthetische houding: creativiteit, verbeelding, inventiviteit en maakbaarheid op een micro-politiek niveau spelen in hun denken een grotere rol dan in meer academisch geaccepteerde filosofische oriëntaties het geval is.
Guattari's werk uit de jaren zeventig - met name het samen met Deleuze geschreven Capitalisme et Schizophrénie: L'AntiOedipe (1972) en Mille Plateaux (1980) - wordt wel gekenschetst als libidinale filosofie. Daarin staat de relatie tussen dynamische lichamelijkheid en reflexiviteit centraal en wordt de opvatting van een verlangen dat principieel tekort schiet en dus vanuit schaarste wordt begrepen, verworpen. In politieke zin oriënteert dit denken zich niet langer op een overkoepelende identiteit en eenheid, maar op de ervaren spanning tussen verschillen en in geschillen.
In die zin is ook Guattari's wijze van filosoferen postmodern. Ook al wijst hij aanvankelijk het predikaat 'postmodernisme' als een karikatuur af, hij legt bij nauwkeuriger beschouwing een vergelijkbaar traject af als Jean-François Lyotard. Diens verschuiving van de blik van de (macro)politiek naar het (micro)politieke is ook bij Guattari waar te nemen. Op dit micropolitieke vlak treedt een affectieve dimensie van subjectiviteit voor het voetlicht en wordt duidelijk hoe de politiek door zijn fixatie op consensus en legitimatie blind is voor haar eigen affectieve motivaties en doorwerkingen.
Ondanks de soms hermetische formuleringen die Guattari in de loop der tijd ontwikkelt, richten zijn analyses zich op concrete praktijken en maatschappelijke ontwikkelingen. Zijn leven als psychoanalyticus, politiek activist, ecoloog, radio-maker en voorvechter van minoriteiten (homo's, travestieten, gekken, junks) staat op z'n minst garant voor een praktische oriëntatie die als toetssteen kan worden gebruikt om de politieke waarde van zijninzichten in te schatten.
Guattari's denkbeelden kunnen vaak met dezelfde fantasie en conceptuele flexibiliteit waartoe hij uitnodigt, worden gebruikt om artistieke, culturele en politieke praktijken en activiteiten vanuit onverwachte invalshoeken te belichten en kritisch te analyseren. Dit geldt ook voor de rechtspraak die zich als complex van juridische praktijken nog steeds oriënteert op het autonome rechtssubject. Guattari's inzichten bieden aanknopingspunten om huidige juridische dilemma's 'hyperkritisch' te analyseren en. het impliciet veronderstelde subject begrip te transformeren.
Guattari's verbeeldingskracht kan ook gebruikt worden om nog indringender vragen op te werpen. Zoals bijvoorbeeld die naar de modernistische economische basiscategorie bij uitstek: werk. Ethiek en esthetiek blijken op de 'werkvloer' een hechter verbond te hebben gesloten dan menig politicus voor wenselijk zal achten. Hèt hedendaagse, politieke issue - de werkloosheid - wordt zo belicht dat er, haast als vanzelf, een radicale oplossing van het probleem verschijnt.
Telkens weer is het Guattari's taalgebruik dat op weerstand stuit. De door hem voorgestelde neologismen en metamodellen ontberen de metafysische bias van zijn filosofische inspiraties en laten zich dus niet eenduidig verhelderen. Deze verheldering beweegt zich van werk naar werking. Guattari beoogt met zijn vocabulaire een (ver)beelding als een 'legenda': dingen die moeten worden gelezen. Om een andere verbeelding op te roepen integreert en doorkruist hij in zijn teksten ervaringsdimensies, werkelijkheidsdomeinen en vertoogspraktijken. Op de vraag "Wat te doen?" geeft hij micropolitieke antwoorden. Zijn 'agenda' - dingen die moeten worden gedaan - is onlosmakelijk verbonden met zijn legenda.
Alleen al het bespreekbaar 'maken van dit mentaal nomadisme vereist een ander bestemmingsplan. In de hoop daarmee het begrippenapparaat van Guattari iets toegankelijker te maken wordt begonnen met een uiteenzetting van de hoofdlijnen van Guattari's 'schizo-analytische' denken en geëindigd met een vertaling van Guattari's bewering dat de hedendaagse werkelijkheid wordt bepaald door 'een esthetisch paradigma'. Zo wordt vanuit e notie 'levensstijl' als kunst-matig contractiepunt Guattari's multiperspectivistische optiek op z'n waarde geschat voor actuele ethisch-politieke debatten.
De veel gehoorde kritiek op het ecclectische en misleidende gebruik van metaforen en termen uit andere disciplines zal wel terecht zijn. Maar misschien is er nog iets anders aan de hand. Zo blijkt bijvoorbeeld dat Guattari's werk, ondanks allerlei tekortkomingen en de vaak onkritische recycling van antropologische noties, niet alleen de positie van het Vreemde en van minderheden in de westerse cultuur ter discussie stelt, maar tevens een inspiratie voor antropologische inzichten bevat. Zodra minderheden hun stem verheffen - of een intellectueel als Guattari zich tot hun woordvoerder opwerpt - lijken hun denkbeelden zich meer en meer naar de taal van de merderheid te richten. De kunstmatigheid van Guattari's vocabulaire, zijn retoriek en stilistische wendingen, het parodiërende gehalte van zijn sciëntistische en filosofische verhelderingen, dit alles brengt zijn teksten in de nabijheid van de literatuur. Uitgaande van zijn samen met Deleuze geschreven studie over Kafka's werk wordt geprobeerd Guattari's denkbeelden over minoritaire literatuur verder te concretiseren en te verbinden met huidige literaire sensibiliteiten.
Wat Guattari's 'postmedia' notie binnen een mediamatisch gestuurd proces van globalisering betekent wordt duidelijker, wanneer de meest explosieve en expansieve dynamische kunstpraktijken binnen onze versnellende beeldcultuur onder de loep worden genomen: film en nieuwe media. Met David Lynch's Blue Velvet als uitgangspunt en steunend op Deleuzes boeken over de filmgeschiedenis wordt de dubbele positie die het subjectiveringsproces kenmerkt - voyeur en actor - vanuit het film medium onderzocht. Een Guattariaanse analyse van recente media-projecten waarin interactiviteit, kleinschaligheid en collectieve subjectiviteit digitaal worden getoonzet, laat zien wat een 'minoritair' gebruik van nieuwe media inhoudt en wat micropolitieke postmedialiteit zou kunnen betekenen.
Een eerdere overweging om de bundel in drie delen uiteen te laten vallen - filosofie, politiek, kunst - werd al snel door de werkwijze achterhaald. De complexiteit van Guattari's filosofische werken maakt deze gekunstelde behandeling onmogelijk. Guattari zet conventionele afgrenzingen allang niet meer op het spel. Het voldongen feit dat deze reeds door hun eigen geschiedenis zijn achterhaald vormt het uitgangspunt van zijn denken. De waarde van zijn project ligt in de exploratie van ethisch-esthetische en micropolitieke verbanden waarvoor de namen nog ontbreken.
Deze inzet heeft de schrijvers gemotiveerd in hun toespitsingen en actualiseringen. Als "de oplossing van het wereldprobleem" (Heymans) nog in het verschiet ligt, is de "'oplossing' van dé wereld" daartoe dan niet een eerste stap? En is de verscheidenheid die dan verschijnt wellicht denkbaar als chaosmose?


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -