| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2001 Recensie Spinozisten BMGN.pdf | 06.08.2004 | 72kB | - |
DE SPINOZISTEN
Recensie van S.Thissen, De spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland (l850-1907) (Dissertatie Rotterdam 2000, Nederlandse cultuur in Europese context. Monografieën en studies XVIII. IJkpunt 1900-3; Den Haag: Sdu uitgevers, 2000, xi + 322 blz., f49, 90, ISBN 9012087058). Door Klaas van Berkel in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden (2001, deel 116, aflevering 3, pp. 406-408).
Sinds jaar en dag wordt ons vanuit Rotterdam verkondigd dat Nederland over een rijke filosofische traditie beschikt. Vooral Michael Petry betoogde keer op keer dat Nederlandse historici de productie van eigen bodem ten onrechte hebben afgedaan als - naar internationale maatstaven - oninteressant. Niet iedereen was overtuigd: zou Nederland behalve Spinoza, Heymans en misschien L. E. J. Brouwer werkelijk iets hebben voortgebracht dat aan internationale kwaliteitsnormen voldoet? Maar goed, wie Petry's enthousiasme zag, gunde hem graag het voordeel van de twijfel en bovendien, uit een project dat op een filosofisch misverstand berust kan nog altijd iets voortkomen dat cultuurhistorisch belangwekkend is. In al die jaren is misschien geen enkele filosoof herontdekt die het buitenland ons zal benijden, maar de equipe van Petry slaagde er wel in de Nederlandse cultuurgeschiedenis aanzienlijk te verrijken. Een goede illustratie daarvan lijkt de laatste dissertatie die onder zijn leiding is voorbereid, Thissens boek over het Nederlandse spinozisme van de negentiende eeuw. Of slaagt Thissen er op de valreep toch nog in de scepsis weg te nemen?
Aan het spinozisme - in de late negentiende eeuw vooral bekend geworden door de activiteiten van Johannes van Vloten en een paar bevlogen gelovigen die de eerste moderne edities en vertalingen van Spinoza's werk op de markt brachten - besteedde de geschiedschrijver van de Nederlandse filosofie, Ferdinand Sassen, in zijn bekende overzichtswerk maar weinig aandacht. De negentiende eeuw was volgens hem in filosofisch opzicht zeldzaam onproductief; pas met het aantreden van Heymans in Groningen en Bolland in Leiden kwam na 1890 het filosofisch bedrijf weer op gang. Dit oordeel, meent Thissen, is niet juist, want Sassen lette alleen op de academische filosofen, die inderdaad maar spaarzaam aandacht hebben gegeven aan Spinoza's gedachtegoed. Maar wie de blik verplaatst van de universitaire filosofie naar de niet-professionele filosofie, zoals deze werd beoefend in vrijmetselaarsloges, esoterische genootschappen en lokale filosofische verenigingen, komt in aanraking met een rijk geschakeerd filosofisch leven en een niet ophoudende stroom publicaties (in de Nederlandse taal) die uiting gaven aan een in brede kring gevoelde behoefte zin te verlenen aan een bestaan waarin kerk en geopenbaarde religie alle belang hadden verloren. Binnen dit geheel van kleine, goeddeels onbekende denkers, door Thissen aangeduid als wijsgerige beweging (zonder lidwoord), was de doordenking van het werk van Spinoza een steeds terugkerend en vaak richtinggevend element en vandaar dat Thissen zijn betoog vooral op de herleving van het spinozisme heeft geconcentreerd.
Thissen noemt zijn boek vooral een inventarisatie (13): hij wil in kaart brengen wat er zoál door Spinoza-adepten is gedacht, gepubliceerd en bediscussieerd. Toch is het boek allerminst een dorre opsomming van mensen en meningen. Hoe vaag, absurd, ondoordacht of nonsensicaai ook, Thissen beschrijft zijn spinozisten en hun denkbeelden evident met liefde. Zijn openlijk beleden sympathie voor marginale stromingen steekt hij niet onder stoelen of banken en dat geeft zijn boek een bepaalde meerwaarde. Hij begint met de kort na 1850 afgescheiden vrijmetselaars van de Amsterdamse loge Post nubila lux, die in de natuurlijke theologie van de natuuronderzoeker Franz Junghuhn een nieuw richtsnoer vonden, maar later opschoven naar de nog net niet atheïstische vrijdenkersbeweging van D' Ablaing van Giesenburg en de Vereniging De Dageraad. Vervolgens komen aan de beurt de moderne theologen en lekentheologen (Scheffer, Burger, Sifflé); natuurwetenschappelijke materialisten als Moleschott en Van Vloten (de man die de stoot gaf tot het oprichten van een standbeeld voor Spinoza in 1880); Multatuli en zijn flirt met het spinozisme; Flanor oftewel Carel Vosmaer; de academische hoogleraren (toch), met name Land en Van der Wijck; de spinozisten in de kring van De Nieuwe Gids (vooral Lotsy, maar tijdelijk ook Gorter); de autodidact en dogmaticus Willem Meijer; en ten slotte de tamelijk zweverige J. D. Bierens de Haan, de centrale figuur in het Tijdschrift voor wijsbegeerte, dat in 1907 werd opgericht en dat Thissen beschouwt als het culminatiepunt van de wijsgerige beweging. Een systematisch overzicht van de twee hoofdtendenties in het spinozisme, het antigodsdienstige en het antisciëntistische vertoog, alsmede enkele beschouwingen over het eigene van de Nederlandse filosofie in het fin de siècle, besluiten het boek.
Heeft dit boek nu duidelijk gemaakt dat in de geschiedschrijving van de filosofie in Nederland ten onrechte aan het spinozisme is voorbijgegaan? Als inventarisatie heeft het boek grote verdiensten, maar of het helemaal geslaagd is weet ik niet. Het omvat zowel teveel als te weinig. Kan bijvoorbeeld Moleschott, die in Duitsland was opgeleid en als materialist faam verwierf lang nadat hij Nederland had verlaten, wel tot de geschiedenis van de Nederlandse filosofie gerekend worden? En zijn al die kleine filosofen die naar eenheid van wetenschap en reflectie streefden wel spinozisten? Veel van wat hier spinozisme heet zou beter monisme genoemd kunnen worden, de algemene filosofie die de dualiteit van het moderne leven wilde overwinnen en de mens weer, maar nu bewust, wilde terugbrengen tot de natuur waar hij uit voortkwam en waarvan hij altijd een deel was gebleven. Het spinozisme was een vorm van monisme, maar niet alle monisme was ook spinozisme. De dissidente vrijmetselaars en de aanhangers van Junghuhn waren bijvoorbeeld evident monist, maar van concreet spinozisme is weinig te merken. In zulke gevallen redt Thissen zich eruit door te spreken over een 'spinozistische sensibiliteit', een stemming die iemand tot spinozist kan maken zonder ooit van Spinoza gehoord te hebben. Maar is deze vorm van special pleading wel geoorloofd? En dan, als op die manier elk monisme tot spinozisme kan worden omgebouwd, waarom toch zo weinig aandacht besteed aan het monisme van de Duitser Ernst Haeckel, die in Spinoza een voorbeeld zag maar daarom nog niet een vertegenwoordiger van het spinozisme was? Aan het eind van de negentiende eeuw was hij zeer populair in Nederland en bijna al zijn boeken zijn voor de Eerste Wereldoorlog minstens eenmaal in vertaling op de markt gebracht.
Een ander probleem is nog de relatie tussen de wijsgerige beweging en de revival van het filosofische leven in Nederland rond 1900. In welke mate bouwden Bolland en Heymans op het spinozisme voort? Thissen gebruikt hier tegenstrijdige metaforen. Soms is het spinozisme niet meer dan een katalysator (dus een marginaal element dat een reactie wel bespoedigt maar daar zelf geen deel van uitmaakt), soms is het een tegendraadse onderstroom in de Europese cultuur en dan weer is het de dominante stroming in de filosofie van de tweede helft van de negentiende eeuw. Thissen suggereert dat Bolland alleen maar zo'n grote rol kon spelen door het spinozisme in zijn filosofie op te nemen - inhoudelijke continuïteit dus. Daar lezen we echter weinig over. Bolland beschouwde Spinoza (net als Kant overigens) als een noodzakelijk voorstadium van Hegel (en dus van hemzelf), maar van de Nederlandse spinozisten moest hij weinig hebben. En de relatie tussen Heymans' psychisch monisme en het spinozisme wordt helemaal niet besproken. Wel is duidelijk dat de genoemde filosofen, en vooral Bolland, veel profijt hebben getrokken van het netwerk van filosofische verenigingen en gezelschappen die naar het hogere zochten en soms graag Spinoza voor Hegel en Bolland inruilden. De wijsgerige beweging leverde dus de infrastructuur van het filosofisch leven waar Bolland zijn voordeel mee deed; hij kon als het ware op een rijdende trein springen. Voor iemand die geïnteresseerd is in de cultuurgeschiedenis of de sociale ideeëngeschiedenis is dit een interessante conclusie, die mede verklaart waarom Bolland al meteen zo razend populair kon worden. Maar voor de filosoof, die verder gaat dan het reproduceren van wat mensen vroeger gedacht hebben of het reconstrueren van een stemming en zich ook waagt aan een inhoudelijke analyse en waardering, is het wel een wat magere conclusie. Kortom, de scepsis blijft.
| info@siebethissen.net | - | - | - |