Spinoza-koorts in de negentiende eeuw
HANS DIJKHUIS in TROUW 2 SEPTEMBER 2000
Boekbespreking van: Siebe Thissen, De spinozisten-Wijsgerige beweging in Nederland
(1850-1907). Sdu Uitgevers, Den Haag; 322 blz.-fl49,90.
In 1880 werd, na jaren van geharrewar, een standbeeld van Spinoza
onthuld aan de Paviljoensgracht in Den Haag, vlak tegenover het huis waar
de wijsgeer
ruim 200 jaar tevoren was overleden. Zelfs de minister van binnenlandse zaken
was erbij aanwezig. Deze erkenning was opmerkelijk voor een filosoof wiens
denkbeelden vanaf zijn dood gewoonlijk als atheïstisch of subversief waren
beschouwd.
'Spinozist' was in Nederland een scheldwoord geworden. Weliswaar had Spinoza
in zijn vaderland altijd wel aanhangers gehad, maar pas rond het midden van
de negentiende eeuw was de tijd hier rijp voor een werkelijke doorbraak van
zijn wijsbegeerte.
Deze doorbraak wordt uitvoerig en boeiend beschreven in het proefschrift 'De
spinozisten' van Siebe Thissen. Hij laat zien hoe zich in de tweede helft van
de negentiende eeuw een intellectueel klimaat ontwikkelde waarin de ideeën
van Spinoza konden gedijen, aanvankelijk vooral buiten de universiteiten, in
kringen van schrijvers en dichters, verlichte theologen, vrijdenkers en vrijmetselaars.
Spinoza werd door hen herkend als een filosoof die zijn tijd ver vooruit was
geweest, als de 'nieuwe held van de moderne tijd', zoals de Duitse dichter
Heine het had uitgedrukt.
De schrijver en essayist Carel Vosmaer zei te lijden aan ‘Spinoza-koorts’,
en ook Multatuli, die Spinoza als denker nog te weinig radicaal vond, achtte
zich niettemin nauw met hem verwant: ,,Zeker ben ik van Spinoza’s familie
-/en heb ik vaders neus niet regt,/ 'k heb toch een hart als hy'.
Van de niet-academische bewonderaars van Spinoza moet met name Johannes van
Vloten worden genoemd, die in 1862 de eerste grote monografie over deze 'opstandeling'
publiceerde, en de belangrijkste ijveraar werd voor het Haagse monument. Hij
verzorgde ook een nieuwe, helaas nogal slordige uitgave van de volledige werken.
De interpretaties van Spinoza’s werk liepen zeer uiteen: voor de een
was hij een humanist, voor anderen een wiskundig denker, een mysticus, een
staatsabsolutist of een maatschappijcriticus. Thissen maakt duidelijk dat er
in die tijd dan ook nauwelijks sprake was van een filosofische school of stroming,
maar dat Spinoza’s filosofie veeleer beantwoordde aan een bepaalde stemming
of sensibiliteit. In het spinozisme wordt ,,de behoefte verwoord aan wijsgerige
reflectie en wordt uitdrukking gegeven aan het verlangen naar authenticiteit
en samenhang in een door God verlaten wereld'.
Het christelijke wereldbeeld was door toedoen van de Verlichting onder intellectuelen
al danig aangetast, maar het alternatief van een zuiver natuurwetenschappelijke
visie op de wereld was voor menigeen toch onbevredigend, omdat zij verbrokkeld
was en zich beperkte tot het zintuiglijk waarneembare. Spinoza bood een aantrekkelijk
alternatief: met zijn gelijkstelling van God en natuur maakte hij het mogelijk
de wereld als een 'Aleenheid' te denken, al bleef het de vraag of hij nu vooral
een religieus denker was, die de natuur als goddelijk beschouwde, of eerder
een naturalistisch denker, die God deed opgaan in de natuur.
Thissen verschaft een heldere en panoramische blik op een haast weer vergeten
terrein, dat toch alleszins de moeite van het beschouwen waard is. Het intellectuele
leven in de tweede helft van de negentiende eeuw was in Nederland interessanter
dan we nu geneigd zijn te denken. Het spinozisme bloeide aanvankelijk vooral
op in de marge van het leven, of zelfs in de verborgenheid, zoals in de vrijmetselaarsloge
'Post Nubila Lux'. Het tijdschrift 'De Dageraad', orgaan van de gelijknamige
openbare tak van deze loge, was volgens Thissen het eerste seculier-wijsgerige
periodiek in de negentiende eeuw. Hij benadrukt dat het spinozisme in Nederland
werkte als een katalysator van het wijsgerige denken als zodanig, dat tevoren
weinig voorstelde. De periode die zijn studie beslaat eindigt dan ook in 1907,
toen met de oprichting van het 'Tijdschrift voor Wijsbegeerte' de filosofie
in Nederland 'eindelijk haar zwaar bevochten autonome status' had verkregen.
Dat deze spinozistische beweging, anders dan Spinoza zelf, in het buitenland
weinig weerklank heeft gevonden is weliswaar reden tot bescheidenheid ten aanzien
van de status van de Nederlandse wijsbegeerte, maar zeker geen reden om haar
in de vergetelheid te doen verzinken.