| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2000 Recensie Spinozisten De Volkskrant.pdf | 21.09.2004 | 65kB | - |
DE POSTUME CARRIERE VAN SPINOZA
DOOR JO TOLLEBEEK IN DE VOLKSKRANT (15-12-2000)
Boekbespreking van Siebe Thissen, De spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland (1850-1907), Sdu Den Haag, 322 pagina’s.
In 1880 werd in Den Haag een standbeeld van Baruch de Spinoza onthuld, nadat
drie jaar eerder al zijn tweehonderdste sterfdag op grootse wijze was herdacht.
De filosoof had een plaats in het Nederlandse pantheon gekregen. Hij behoorde
voortaan tot de gemeenschap van vaderlandse helden, net als Erasmus, Vondel
en Rembrandt – geleerden en kunstenaars die in een ver verleden hadden
geleefd, maar voor het negentiende-eeuwse Nederland toch opnieuw tijdgenoten
waren geworden.
De onthulling van het Spinoza-monument had echter ook een specifiekere betekenis. Zij getuigde van de wijsgerige beweging die het geestesleven van het land nu al enkele decennia kenmerkte en die uiteindelijk, in 1907, zou worden bekroond door de oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte. Nederland was in 1880 niet langer een land waar de wijsbegeerte een dode wetenschap was, zoals critici later zouden beweren. Het Haagse standbeeld vormde de belichaming van een sterk patriottisme, maar ook van de renaissance van de filosofie.
In De spinozisten – Wijsgerige beweging in Nederland (1850-1907), het proefschrift van Siebe Thissen, nemen de gebeurtenissen van 1880 dan ook een cruciale plaats in. In het proefschrift worden twee stellingen verdedigd. De eerste is deze: 1907 was niet het beginpunt van de herleving van de wijsbegeerte in Nederland, maar de institutionele bevestiging van een ontwikkeling die ruim een halve eeuw eerder was gestart. De tweede stelling verklaart de eerste: de katalysator van de ‘gestage opmars van de wijsgerige bespiegeling’ in het negentiende-eeuwse Nederland was de belangstelling die het werk van Spinoza wist op te wekken.
Lang was de studie van Spinoza, die vaak als atheïst was gebrandmerkt, een clandestiene bezigheid geweest – het werk van marginale groepen. Thissen benadrukt dat het spinozisme nog tot diep in de negentiende eeuw zijn standplaats buiten de universiteiten zou houden: Spinoza bleef de wijsgeer van allerlei ‘parafilosofen’, die zich verzamelden in vrijmetselaarsloges, utopische verenigingen, letterkundige genootschappen. Maar omstreeks 1850 werd de ban gebroken. In 1854-1855 publiceerde Franz Wilhelm Junghuhn zijn befaamde Licht en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java. Spinoza gold er openlijk als een patroonheilige van een nieuwe ‘natuurlijke godsdienst’.
Daarmee was de zeventiende-eeuwse filosoof een postume carrière als criticus van de heersende kerken en de dominante theologie begonnen. Niet alleen de aanhangers van de ‘natuurlijke godsdienst’, maar ook ‘moderne theologen’, die het christendom wensten te vernieuwen, vonden in Spinoza nu een inspiratiebron. Anderen gingen nog verder. Hun spinozisme was niet gericht op een nieuwe religieuze cultuur, maar op de emancipatie van elk godsdienstig kader.
Veel vrijdenkers hingen een nieuwe religie aan: die van de wetenschap, die in de negentiende eeuw een onbeperkte kracht leek te hebben. Zij bekeerden zich tot het materialisme; het leven was voor hen niet de ontplooiing van de menselijke ‘ziel’, maar louter ‘stof in beweging’. Ook zij beriepen zich op Spinoza, als de bevrijder van de oude ketenen, als modern humanist. Het was Johannes van Vloten die hem ‘de blijde boodschapper der mondige mensheid’ noemde. Dat was in 1880, in de toespraak die Van Vloten bij de onthulling van het Haagse Spinoza-monument hield.
Intussen had Spinoza ook de aandacht op de universiteiten getrokken. De hoogleraren filosofie maakten zich zorgen over de ‘wildgroei aan spinozistische opvattingen’, om er vervolgens weer andere opvattingen aan toe te voegen. In politieke en literaire kringen bleef Spinoza populair. Carel Vosmaer herhaalde in De Nederlandsche Spectator ‘dat alles één is en alles met alles is verbonden’. Gorter vertaalde de Ethica en zocht bij Spinoza bevrijding van ‘knagende onzekerheden en angsten’, en de dichter Leopold bestudeerde de wijsgeer als filoloog.
Zo groeide Spinoza’s faam. In het fin de siècle beheerste hij de wijsgerige discussies, zij het in verschillende gedaanten. In de tijdschriften van de Nieuwe Gids-beweging propageerde Jan Diderik Bierens de Haan een subjectieve levensleer, die geheel van de beginselen van Spinoza was doortrokken. De vrijdenker Willem Meijer daarentegen wilde het spinozisme zuiveren van dichterlijke en persoonlijke overtuigingen; voor hem was het spinozisme een objectieve begrippenleer, die ook tot een zedelijke opvoeding kon bijdragen. Meijer nam in 1897 het initiatief tot de stichting van de Vereniging Het Spinozahuis, ook vandaag nog de grootste wijsgerige organisatie in Nederland.
Thissen reconstrueert deze historie in een zorgvuldig geschreven boek, dat heldere analyses bevat, zij het niet zonder herhalingen. Zijn studie maakt inderdaad duidelijk dat de heropleving van het wijsgerige denken in Nederland dateert van voor de oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte (waarin Bierens de Haan en Meijer overigens een belangrijke rol speelden). Het boek demonstreert bovendien op overtuigende wijze hoezeer de discussie over Spinoza’s werk daarbij als geleider diende, en het brengt die discussie op voorbeeldige wijze in kaart.
Soms lijkt het onderwerp Thissen te ontglippen. Hij is van oordeel dat ‘een expliciet, zuiver wijsgerig spinozisme’ in Nederland pas op het einde van de negentiende eeuw werd gepropageerd. Voor de decennia daarvoor spreekt hij daarom liever niet van ‘spinozisme’, maar van een ‘spinozistische sensibiliteit’ of een ‘spinozistische stemming’. Die sensibiliteit of stemming steunde niet op een afgerond wijsgerig systeem, maar vormde de uitdrukking van ‘een intellectuele attitude en een geëngageerde levenspraktijk, die zich ontplooien tegen de achtergrond van de dominante aanspraken van theologie en wetenschap op waarheid en werkelijkheid’.
Een sensibiliteit dus, een stemming. Op die manier dreigt het thema van het boek echter weg te sluipen, juist omdat het zo sterk wordt opgerekt. De aanwezigheid van Spinoza zelf lijkt soms ver te zoeken. ‘Een spinozist’, schrijft Thissen, ‘is niet iemand die de leerstellingen van Spinoza klakkeloos aanvaardt, maar iemand die zich realiseert dat hij de sluimerende, levende krachten van zijn eigen bestaan en denken tot leven moet wekken’. Een spinozist is dus iemand die zelf wil denken, die geen systeem aanvaardt, en dus ook niet offert aan het spinozisme.
De zelfstandigheid, benadrukt Thissen herhaaldelijk, ging voortdurend gepaard met cultuurkritiek. De spinozisten voelden zich vervreemd van de samenleving. De fragmentatie van de moderne maatschappij, de verheffing van het nutsprincipe tot ijkpunt van alle doen en laten, de verwatering van de ideologieën en de macht van de bureaucratie, de ‘zwarte’ en ‘rode’ massabewegingen, en nog zoveel meer: alles werd bekritiseerd. Men ging op zoek naar ‘authenticiteit’ en naar het heil dat in de eigentijdse samenleving leek te ontbreken. Spinoza kreeg op die manier de allure van een profeet.
Het is een van de meest opvallende conclusies die het boek toelaat: de emancipatie en professionalisering van de wijsbegeerte voltrokken zich beide paradoxaal genoeg in kringen waarin enigerlei vorm van maatschappelijke betrokkenheid zelden ontbrak. Was dit een typisch Nederlands fenomeen? Op die vraag geeft het boek geen antwoord, net zomin als op de vraag of het werk van Spinoza ook elders tot zelfstandig denken aanzette. De spinozisten zoekt zijn kracht niet in internationale vergelijkingen, maar in de uitdieping van de nationale cultuurgeschiedenis. De spinozisten zijn er vaderlandse helden. Thissen heeft hun hun monument gegeven.
| info@siebethissen.net | - | - | - |