OVER
RECENT NEGATIVISME & VERBASTERD INTELLECT
Recensie van Mba Kajere #1 (1996) en Arcade #5 (1997), door Baukje Prins in
Krisis. Tijdschrift voor Filosofie (#66, 1997).
Voorjaar 1996 verscheen het eerste nummer van Mba-Kajere, een, volgens de redactie,
'verhalend en theoretisch plunderschrift', waarin mensen aan het woord komen
'die hebben besloten of ondervonden dat er voor hen geen plaats is in onze
spektakelmaatschappij'. Het blad bevat een heterogene verzameling teksten
en illustraties, waarin politiek en kunst, 'hogere' en 'lagere' cultUur moeiteloos
met elkaar verweven zijn. Zo vinden we een verslag van Bill Brown over de
wijze waarop de New Yorkse krakers-scene de media in hun zucht naar 'spektakel'
wist te overtroeven, lezen we over de invloed van Bataille in 'de pornologische
acinema' van Ian Kerkhof (Henk Oosterling) en in Elfriede Jelineks roman
Lust (Nathalie Houtermans), wordt Bachtins notie van het carnaval uitgeprobeerd
op het fenomeen van de underground comics (Jan de Pauw), en schrijft Hakim
Bey een lang uitgesponnen 'Utopia Blues', waarin hij nadenkt over de plaats
van de muziek in westerse en oosterse culturen. Hoewel het tijdschrift qua
vormgeving (wilde zwart-wit collages, veel strip-achtige illustraties) en
romantisch-anarchistische uitsrtaling ietwat gedateerd aandoet, is het roch
onmiskenbaar een product van de jaren negentig. De speelse opmaak gaat niet
ten koste van de leesbaarheid van de teksten. De veevuldige verwijzingen
naar en connecties met cyberspace zijn opvallend: waren in de jaren zeventig
'ondergrondse' artikelen vaak anoniem, ofhooguit ondertekend met een voornaam,
de meeste auteurs van dit blad zijn voor de lezer direct aan te schrijven
op hun e-mail adres. De bijdragen zijn informatief, doorwrocht, en goed geschreven,
terwijl de kritische inzet niet verwordt tot gemakkelijke kretologie.
'Het land van belofte' is het thema van het vijfde nummer van
Arcade, het 'Jaarboek van de Academie voor Ambulante Wetenschappen'. Het
boek oogt iets
serieuzer dan Mba-Kajere ('Zij stelt zowel aan de ambulantie als aan het wetenschappelijke
karakter van de Academie zulke hoge eisen, dat ze er vrijwel in geslaagd is
iedere vorm van humor uit te sluiten', vermeldt de begeleidende brief van de
uitgeverer), maar intussen is de verwantschap groot. Namen van aureurs keren
terug: zo schrijft Robert Kurz over de ineenstorting van de geldeconomie, en
zijn maar liefst drie bijdragen opgenomen van Hakim Bey, die een aantal van
zijn utopische 'zones' verkent (zoals de utopische 'topos' van de DOZ - de
Definitief Ontoegankelijke Zone, of de AAZ - de Antarctische Autonome Zone).
De gestencilde vormgeving verwijst evenzeer nostalgisch naar de jaren dat de
verbeelding aan de macht leek. De oplage is zelfs beperkt en genummerd, hetgeen
van Arcade op voorhand een 'collectors item' lijkt te willen maken. Maar het
belangrijkste punt van overeenstemming met Mba-Kajere is natuurlijk de kritisch-utopische
inzet. Arcade biedt, volgens het voorwoord, een 'rijkgeschakeerd overzicht
van recent negativisme'. Want: 'de toekomst is voorlopig in handen gevallen
van de mensen die berekenen wanneer waar wat en volgens welk model zal plaatsvinden
als we even niet opletten. Alleen het land van belofte blijft buiten hun bereik'
(7). Drijvende kracht achter het project van Arcade is Bilwet - de Bond voor
Illegale Wetenschap. De ideeën van dit schrijverscollectief over de rol
van de media en illegale wetenschap vinden hun weerklank in verschillende bijdragen
van dit nummer. Van Bilwet zelf is een essay afgedrukt dat, geheel in overeenstemming
met de postmoderne tijdgeest, constateert dat de toekomst is aan 'de bastaard',
aan degene die vloekt met noties van (raciale of andere) zuiverheid. Het 'verbasterd
intellect', volgens Bilwet, 'onderbreekt de grote lijnen die anderen voor uw
bestwil hadden getrokken en verpest heldere toekomstdromen. Hij staat aan de
kant van de mislukking, waarop het perspectief van goed en kwaad kantelt' (59).
We leven nu in een 'Société des Debacles': 'de doorbraak van
de stagnatie is de verrassende Wende die de geschiedenis sedert 1989 heeft
volvoerd' (61). De auteurs in Arcade zijn duidelijk niet bang zijn voor de
retoriek van het Grote Verhaal. Maar ze missen de serieuze of megalomane toon
die daarbij zo vaak wordt gezet. De plots van hun verhalen zijn onverwacht
en creatief. Ze kijken 'zo'n beetje van opzij, vanuit de marges, de verdachte
randen naar een fenomeen', zoals een van hen de werkwijze van de 'illegale
wetenschap' karakteriseert
(19).