Index of /Interviews en Reviews/Interviews/2007 Stad als canvas

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
2007 Stad als canvas.pdf   08.01.2008 33kB -

2007

De stad als canvas: graffiti en muurschildering in Rotterdam

Door Elda Dorren in Items (December 2007)

Wie in de Rotterdamse Witte de Withstraat, kunstader van de stad, willekeurig een hoek om gaat kan zomaar oog in oog komen te staan met Trotamundos (globetrotter): een paard dat galoppeert richting de vrijheid, de vlekken van zijn vacht vormen de vijf continenten. De zon kijkt treurig toe, en onder dit alles representeren twee veelkleurige gezichten de culturele diversiteit van Rotterdam. Het onlangs onthulde werk is van de hand van de Chileens-Rotterdamse muurschilder Jorge ‘Kata' Nuñez.

Een blok verder, in een andere zijstraat van de Witte de With komt de passant een andere nieuwe muurschildering tegen, gemaakt door de jonge kunstenaar Navin Thakoer, alias NaferLovesYou. Hij toont ons een zonsondergang vol smog, een meisje dat de Rotterdamse vlag als hoofddoek draagt en twee duifjes – een wit en een zwart – die een lint omhoog houden met de tekst ‘sterker door strijd'. Beide schilderingen zijn kleurrijk, sociaal-kritisch en vrij idealistisch van toon.

Ook de makers vertonen, ondanks verschillen in stijl, achtergrond en leeftijd, gelijkenissen. Beiden bewegen zich in het schemergebied tussen de beeldende kunst, muurschilderkunst en graffiti en beiden zijn van belang voor de ontwikkeling van die genres in Rotterdam. Kata als meest productieve schilder en erfgenaam van de Chileense brigades die dertig jaar geleden naar de Maasstad kwamen. Thakoer als lid van graffiticrew Bad Boyz Inc en prominent pleitbezorger van de Rotterdamse straatcultuur.

De komst van deze werken is opmerkelijk in een tijd dat onze steden – schrijft socioloog Jack Burgers in het pas verschenen boek Graffiti in Rotterdam – naar Amerikaans voorbeeld gezuiverd worden van daklozen, graffiti en andere ‘onwenselijkheden' om de rijkere middenklasse aan te trekken. Beschilderde muren worden eerder in verband gebracht met verloedering en protest. Toch zijn juist op dit moment Rotterdamse graffiti en muurschilderkunst onderwerp van twee boeken en tentoonstellingen. Vanwaar die aandacht in Rotterdam voor de ‘beschilderde muur'?


Naast Graffiti in Rotterdam verscheen onlangs het boek Mooi van Ver van Siebe Thissen. De stadsfilosoof en medewerker van het Centrum voor Beeldende kunst plaatst Rotterdamse graffiti en muurschilderingen in een breder maatschappelijk en cultuurhistorisch perspectief. Hij onderscheidt een aantal belangrijke periodes, van de bioscoopschilderingen begin vorige eeuw tot de hedendaagse situatie en verklaart waarom muurschilderingen vooral in Rotterdam zo populair waren.

“Na de tweede wereldoorlog zat Rotterdam met veel arme arbeiderswijken,” vertelt Thissen. “Er waren veel kale muren, veel volk, en een geringe belangstelling voor beeldende kunst. Vandaar dat de muurschildering floreerde. Bovendien was Rotterdam naast Den Haag de enige stad met een centrum voor kunst in de openbare ruimte, als aparte tak van dienst.” Doorslaggevend voor de ontwikkeling van muurschildering is volgens hem het decennium (1972-‘82) waarin binnen het overheidsproject Townpainting opdracht werd gegeven tot een groot aantal schilderingen.

“Ook elders kende men Townpainting,” vertelt Mariëtte Dölle van TENT., waar op 16 november een expositie opent aan de hand van het boek van Siebe Thissen. “Maar Rotterdam was het meest actief en kan als een pars pro toto gezien worden voor andere grote steden in Nederland.” Volgens Dölle geldt dat ook voor graffiti: “Rotterdam is voor mij de hoofdstad van de subversieve undergrounduitingen. De beeldtaal van de graffiti hier heeft veel invloed gehad op die in de rest van het land.”


De ingewikkelde relatie tussen die twee uitingsvormen, graffiti en muurschilderingen, diept Thissen ruim uit. “De New Yorkse graffiti is geïnspireerd door de activistische muurschilders in Mexico en Chili,” vertelt hij. “De Nederlandse graffiti is weer geïnspireerd op die van New York. Tegelijkertijd huist in Rotterdam een flink aantal Chileense muurkunstenaars, die hier asiel kregen in de jaren zeventig. De Chileense muurschilderingen werden zelfs graffiti genoemd door muralist Raul Schneider.”

Ook de werkmethoden vertonen volgens Thissen grote overeenkomsten. In zijn boek schrijft hij: “De latere graffiticrews [...] toonden zich niet alleen erfgenamen van de Latijnse schilderbrigades door hun nachtelijke, illegale activiteiten. Ook hun voorkeur voor treinen, hun jeugdige leeftijd en strikte rolverdeling leken ontleend aan de oude brigades. Zowel de brigade als de crew onderscheidde lijnentrekkers, inkleurders en invullers van de achtergrond.”

Bovendien zijn de Nederlandse muurschildering in het kader van Townpainting, evenals graffiti, geïnspireerd op het Amerikaanse voorbeeld. Kunstenaar Cor Kraat, een productief muurschilder, werd begin jaren zeventig naar Amerika gestuurd met een camera om te registreren wat er daar allemaal gemaakt werd.

Een groot verschil tussen graffiti en muurschilderingen is het sociale engagement waarmee schilderingen vaak werden gemaakt, door de anti-dictatoriale Chilenen en de autochtone linkse oppositie tegen zowel kinderarbeid en discriminatie, als tegen de gevestigde kunst. Ook het element van ‘community art', het samen met de bewoners werken aan een muurschildering, ontbreekt bij graffiti. De uitingen van deze in zichzelf gekeerde club zijn niet bedoeld voor het grote publiek.

In die zin vult het eerdergenoemde overzichtsboek Graffiti in Rotterdam van Rens Muis en Wessel Wessels het werk van Thissen, die betaalde opdrachten bespreekt, goed aan. Muis en Wessels vertellen de geschiedenis van de Rotterdamse graffiti uit eerste hand: van het ‘kalken' van de provo's (‘USA uit Vietnam' en ‘Wethouder De Jong is gestoord') via de punk, de house en de hiphop tot de autonome subcultuur die graffiti nu is. Met anekdotes over de adrenaline, de kick en heldendaden zoals het zetten van een ‘piece' op het Nationale Nederlanden-gebouw.

Ondanks de eigenheid en onafhankelijkheid van beide genres wordt in dit boek – net als bij Thissen – niet ontkend dat er vanaf het begin een wisselwerking is geweest met de reguliere kunstwereld. Al in 1980 werd de graffiti in een New Yorkse galerie binnengehaald, de eerste expositie in Amsterdam volgde in 1982 bij galerie Yakki Kornblitt. In 1983 opende de inmiddels beroemde tentoonstelling in museum Boijmans van Beuningen. Zo werd de graffiti al vroeg ingelijfd door de kunst.

Toch ging volgens Jack Burgers – en vele anderen – het vluchtige en illegale karakter van graffiti verloren in de witte kubus. Hij schrijft: “De tamme graffiti van het museum verwees naar de wilde variant op straat en ontsteeg nooit het niveau van een verwijzing naar een buitenmuseale werkelijkheid.” Die werkelijkheid van ‘pieces' op bijvoorbeeld treinen kan het best omschreven in de woorden van de New Yorkse graffiteur Lee Quiñones: “It came, it blew your mind, and it was gone.”

Graffiti en muurschilderingen zijn dus niet te beoordelen met de criteria van kunst, vindt Thissen. “Er zijn wel prachtexemplaren bij, zoals de conceptueel beschilderde tram van Gust Romijn en het touwtje springend meisje van Co Westerik. Maar je kunt het absoluut niet vergelijken met het werk van Diego de Rivera in de V.S. en Mexico. Dat was geniaal.” Dölle vult aan: “Hoewel de meeste afzonderlijke werken niet onder de noemer beeldende kunst vallen, doet het collectief dat wel degelijk. Als geheel is deze beweging toch heel vernieuwend geweest.”

Bovendien, vindt Dölle, opereren veel kunstenaars in beide werelden: “Er zijn veel graffitischrijvers die naar de kunstacademie gaan, autonome kunstenaars die er muurschilderingen ‘bij doen' en collectieven die de beeldtaal van de straat verwerken in hun creaties, zoals Antistrot, Jeroen Jongeleen (Influenza) en Lastplak.” Ook Urban Arts, bekend van de draak op de West-Kruiskade, en Bad Boyz Inc, de graffiticrew van Navin Thakoer, zijn als bedrijfjes reguliere opdrachten aan gaan nemen op het gebied van design en beeldende kunst. Rotterdam kende altijd al een dunne scheidslijn tussen de underground en het reguliere circuit.”

De expositie bij TENT. ligt in het verlengde daarvan. Dölle: “Naast een heel oud filmpje over geschilderde bioscoopreclames en de diaserie van Cor Kraat in Amerika, laten we ook een aantal jonge kunstenaars onze binnenmuren beschilderen. Daarmee willen we onderzoeken of zij, zonder de concurrentie van straatreclame, uithangborden en bloemenstallen, meer gelaagd, raadselachtig werk maken dan op straat. En natuurlijk willen we de muurschildering als Rotterdams genre weer op de agenda zetten.”


info@siebethissen.net   - - -