Index of /Interviews en Reviews/Interviews/2004 Hoe maakbaar is de creatieve stad

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
2004 Hoe maakbaar is de creatieve stad.pdf   15.05.2004 73kB -

2004

HOE MAAKBAAR IS DE CREATIEVE STAD?

Interview met Siebe Thissen door Wessel Simons ten behoeve van zijn doctoraalscriptie Sociologie (Universiteit van Amsterdam) over de maakbaarheid van de creatieve stad (10 mei 2004).


- Denk je dat creativiteit in de openbare ruimte maakbaar is?

Natuurlijk! Creativiteit betekent het vermogen iets voort te brengen, te scheppen, te maken, te ontwerpen. Ook een openbare ruimte moet worden ontworpen. Een fikse dosis creativiteit is daarbij uitermate handig (al lijken veel openbare ruimtes die creativiteit te ontberen). Maar waarschijnlijk vraag je of openbare ruimtes creativiteit kunnen bevorderen of dat ze ‘skills’ of creatieve vaardigheden naar grotere hoogtes kunnen stuwen. Een goede openbare ruimte is een openbare ruimte die publiek domein mogelijk maakt of publiek domein is. Publiek domein is het vermogen maatschappelijke en culturele ideeën, mentaliteiten, levensstijlen en culturen uit te wisselen. Het is een plek waar interesse kan worden gewekt: voor jezelf, voor anderen en voor elkaar. Een openbare ruimte die wordt ingericht voor één specifiek publiek staat publiek domein doorgaans in de weg, omdat uitwisseling en interesse – en daarmee publieke opinie – geen of een marginale rol vervullen. Hoe meer verschillende groepen en levensstijlen naast en door elkaar gebruik maken van een openbare ruimte, hoe meer creativiteit wordt opgewekt. Creativiteit is behalve een menselijke aandrift ook een sociaal fenomeen: je wil mensen laten zien dat je iets beter kan dan een ander (kunst, musiceren, breakdance, skateboarding, voetbal), dat je iemand anders bent dan de andere gebruikers van dezelfde openbare ruimte (mode, hoofddoekjes, gender, taalgebruik) en dat je gecodeerde boodschappen kan achterlaten die alleen ingewijden begrijpen en kunnen ontcijferen (flyers, posters, graffiti, stickers). Creativiteit, als gewild maatschappelijk verschijnsel, is dus weldegelijk maakbaar. Dat wil zeggen, je kunt creativiteit bevorderen en ontmoedigen door de wijze waarop je een openbare ruimte ontwerpt en inricht.

- In je voordracht ‘Het dilemma van de creatieve stad’ noemde je Locus 010 in Rotterdam. Hoe is hun wordingsproces verlopen en wat zijn de specifieke kenmerken van dit project, waardoor het een kans van slagen heeft?

Locus 010 noemt zichzelf een Centrum voor Inspiratie en Creativiteit en is de enige ‘broedplaats’ (een Amsterdamse term) voor muziek, kunst en cultuur die zichzelf autonoom op de Rotterdamse culturele kaart zette. Met autonoom bedoel ik hier dat de oprichters nauwelijks banden hadden met de gesubsidieerde kunst en cultuur, met de kunstacademie en het studentenklimaat, met krakers en het activisme – kortom, met de traditionele autochtone cultuur. Locus 010 is het tastbare bewijs dat de kunst geen monopolie meer heeft op creativiteit en dat processen van creativiteit zich hebben uitgebreid naar alle lagen van de samenleving. Locus 010 kraakte ruim drie jaar geleden het Huf-gebouw in de Hoogstraat, midden in het commerciële centrum van Rotterdam, op een steenworp afstand van het Beursgebouw. De kerngroep onttrekt haar creativiteit uit ‘urban culture’ en combineert activiteiten als muziek, kunst, mode, design, film en nieuwe media zonder strikte scheidingen tussen hen aan te brengen. Er bestaat geen onderscheid tussen broedplaats en culturele infrastructuur. Dat wil zeggen, er wordt gewerkt en geëxperimenteerd, maar je kunt er ook uitgaan en ondertussen tentoonstellingen bezoeken.
Het centrum werd zo succesvol dat het op last van de brandweer werd gesloten en nu nog slechts vijftig bezoekers per avond mag toelaten. Dankzij de ontstane commotie was de plek echter ‘ontdekt’ als een culturele hotspot en besloot de gemeente Rotterdam het pand te verkopen aan de bekende ontwerpster Hella Jongerius, die er haar ‘Design Tank’ wil vestigen. Locus 010 stond voor de keuze: naar elders vertrekken en een nieuw pand kraken of in de aanval gaan en zelf een speler in het veld worden, met alle gevaren van culturele inkapseling. Dit is het dilemma van de creatieve stad.
Locus 010 koos voor de laatste optie. Ze weten zich gesteund door een nieuwe generatie politici en cultuurwerkers die donders goed beseffen dat cultuurbereik (het betrekken van nieuwe doelgroepen bij de bestaande kunst en cultuur) moeizaam verloopt en bestaande instellingen weinig trek hebben geld in te leveren ten gunste van nieuwe culturele elites met andere culturele en artistieke preferenties. Goed, er wordt weliswaar geïnvesteerd in culturele activiteiten op buurthuisniveau (street dance, hiphop, wijktheater), maar mogelijkheden tot verdere professionalisering van ‘urban culture’ zijn nihil. Tot op heden dient het ‘urban culture’-beleid vooral de openbare orde: het van de straat houden van VMBO-leerlingen. Locus 010 droomt van een professioneel niveau, dat op termijn moet wedijveren met andere culturele beroepsgroepen.
Dat een vernieuwd en versterkt Locus 010 er op de een of andere manier gaat komen staat buiten kijf. Nieuwe culturele elites kloppen aan de deur en stedelijke instellingen begrijpen dat het culturele palet veelkleuriger gaat worden. In de laatste Cultuurnota 2005-2008 is Locus 010 al gehonoreerd met een bedrag van 200.000 euro, waarmee de doorstart kan worden geïntensiveerd.
Maar laten we terugkeren naar het dilemma. Lichtelijk verblind door haar succes en de getoonde support loopt Locus 010 het risico in een rap tempo zelf een gevestigde instelling te worden. Uit het oogpunt van een rechtvaardige verdeling van de openbare middelen en cultuursubsidies is er met die ontwikkeling uiteraard niets aan de hand. Rotterdam heeft gewoon recht op een Locus 010. Maar vanuit het perspectief van de broedplaats, of in de termen van Locus 010 zelf, vanuit de idee van een centrum voor inspiratie en creativiteit, dienen we een aantal lessen uit het verleden te trekken:
· veroorzaak nooit een kloof tussen broedplaats en culturele infrastructuur (garandeer – desnoods in statuten of contracten – voldoende werkruimte voor kunstenaars, musici en ontwerpers en garandeer dat ze de vruchten van hun werk aan het publiek van Locus 010 kunnen tonen);
· nodig alleen musici en kunstenaars van buiten uit die contractueel worden verplicht clinics en masterclasses in Locus 010 te verzorgen, waardoor een deling van ervaring en kennis het lokale niveau kan verhogen;
· zorg voor een noodzakelijke verversing en vernieuwing van alle onderdelen van Locus 010 (inclusief kunstenaars en musici in werkplaatsen en studio’s, docenten en coaches, personeel en bestuursleden en verhuring van bedrijfsruimtes aan derden, door bijvoorbeeld twee of vierjarige contracten af te sluiten, deze na afloop te evalueren, en vervolgens te beëindigen of te verlengen);
· koester de pretentie de beste musici en kunstenaars naar Locus 010 te willen halen en de beste musici en kunstenaars op te willen leiden – voer, met andere woorden, een constante discussie over kwaliteit en schroom daarbij niet een ‘battle’ aan te gaan met andere culturele instellingen (isolement en zelfgenoegzaamheid vormen een reële bedreiging voor je aspiraties).
Waarschijnlijk vergeet ik nog wel een aantal aspecten, maar voorlopig zou ik bovenstaande opmerkingen in alle onderhandelingen terug willen zien.

- Jij stond dicht bij de plannen van Locus 010. Is dit project via zwakke of sterke bindingen tot stand gekomen? Kortom, is het project geïnitieerd vanuit een sterk verbonden vriendenkring van mensen die elkaar kenden uit de Rotterdamse kunstscene? Of waren de banden tussen de initiatiefnemers losser te noemen (collega’s) en werd het project gestart door een al bestaande organisatie?

Locus 010 is een affiniteitsgroep, een vriendenkring. Ook de eerste schreden op het gebied van samenwerking met anderen zijn via deze lijnen tot stand gekomen. Niet via de kunstwereld, maar gewoon via het uitgaansleven en via het informele circuit van ‘urban culture’. Ik leerde Marlon, Celwin en Tesfai kennen in het hiphop-overleg in Off Corso, maar kende hen al vaag uit het uitgaansleven. Celwin is bijvoorbeeld deejay. Toevallig raakte ik in het hiphop-overleg betrokken door Navin, een goede vriend, tevens organisator, graffiti-kunstenaar en deejay, die in Rotterdam onder andere de Cool Asia-parties in Calypso organiseert. Navin voert ook reguliere kunstprojecten in de openbare ruimte uit. Zelf draai ik ook plaatjes en ben een echte muziekliefhebber – ik heb een neus voor nieuwe initiatieven. Even toevallig raakte Ron Biondina bij het overleg betrokken als medeorganisator van het hiphopfestival dat in november 2004 in Rotterdam gaat plaatsvinden als hiphop haar dertigste verjaardag viert. Ron heeft zich opgeworpen als onderhandelaar voor Locus. Met hem werkte ik al samen in tal van openbare kunstprojecten in Rotterdam. Hij komt uit de wereld van de gecomponeerde muziek en bracht Ad de Jong mee, oprichter van de popacademie aan het conservatorium in Rotterdam. Zoals ik probeer ‘urban culture’ in de Rotterdamse kunstwereld te weven, zo probeert Ad ‘urban music’ in de Rotterdamse muziekwereld te emanciperen. Dan is daar nog Leo van Loon, eigenaar van een klein adviesbureau, die in zijn vrije tijd actief is voor All About, een club van jongeren die politiek en cultureel bewustzijn wil bevorderen. Hij trad belangeloos op als adviseur en schreef de eerste Locus 010-nota.
Bovendien ben ik als hoofd kunst & openbare ruimte bij het Centrum Beeldende Kunst ook actief in het scouten van nieuw talent. Ik vind dat culturele instellingen hun best moeten doen talent op te sporen, ook buiten de officiële circuits. We willen niet alleen mogelijkheden creëren tot interactie, maar ook de competitie vergroten. Het kan toch niet zo zijn dat alleen zij die worden geselecteerd door kunstcommissies over talent, kwaliteit en creativiteit beschikken? Kortom, er zijn, in jouw woorden, zowel ‘zwakke’ als ‘sterke’ bindingen, maar zonder werkelijke interesse – noem het engagement en respect – is een onderneming als deze ten dode opgeschreven.

- Stel dat er een goede samenwerking tussen gemeente en organisaties tot stand komt, zoals in het geval bij Locus 010. Wat wordt er van de betrokken partijen in zo’n proces verwacht? Als er al water bij de wijn wordt gedaan door beide partijen, zo ja, op welke manier gebeurde dat bij Locus 010?

De onderhandelingen over een ruimte en over financiële steun zijn momenteel in volle gang. Natuurlijk verwachten beide partijen – gemeente en Locus 010 – van elkaar een coulante houding. Er is namelijk nog een wereld te winnen. Ook de gemeente realiseert zich dat broedplaatsen doorgaans snel opdrogen en vergrijzen, mede dankzij bevoogding van diezelfde overheid. Ze realiseert zich ook dat de samenleving tegendraadsheid en subcultuur nodig heeft, maar wil dat nu ook weer niet uit de klauwen laten lopen. De creatieve stad is een duivels dilemma. Locus 010 voelt de wind in de rug en geniet daar zichtbaar van. Ik vind echter dat ze kritischer en zelfs een beetje huiverig tegenover al die aandacht moeten staan. Ze gaan voor een maximumscenario, maar ik zou kleinschaliger opereren, met meerdere federatieve locaties en initiatieven, om de mogelijkheden van verschillende broedplaatsen open te houden. In een creatieve stad moet je jezelf ook weer snel kunnen afscheiden om iets anders te beginnen. Bovendien is het een illusie te denken dat je ‘urban creativiteit’ kunt monopoliseren in een enkel centrum – dan maak je dezelfde denkfout als het huidige culturele discours. Maar nogmaals: Rotterdam heeft geen enkel significant ‘urban’ centrum en daar heeft de stad wel recht op. En misschien oefent de opkomst van zo’n centrum wel een ongelooflijke kracht uit op nieuwe groepen, die zich af zullen gaan zetten tegen Locus 010 om elders in de verborgenheid nieuwe broedplaatsen te ontwerpen.

- Je bent actief binnen het Rotterdamse. Zijn er volgens jou specifieke kenmerken binnen de Rotterdamse (bestuurs)cultuur die ervoor gezorgd hebben dat Locus 010 een succesvol project te noemen is? Kortom, moet er een bepaalde gedrevenheid bestaan, ook vanuit de gemeente, voordat deze initiatieven van de grond komen?

Een aantal zaken heb ik eerder al beantwoord. En natuurlijk moet er zo’n gedrevenheid bestaan. Die gedrevenheid is veel minder dan in Amsterdam gebaseerd op een uitgesproken voorkeur voor de kenniseconomie en de daaruit voortvloeiende gedachte van de creatieve stad. Amsterdam is veel meer een stad van economische middengroepen; Rotterdam heeft veel laaggeschoolde arbeid en veel arme gelukszoekers uit de hele wereld. De stad wordt wel eens weinig eufemistisch ‘het riool van Europa’ genoemd. Of Rotterdam nu haar tweede Maasvlakte moet ontwikkelen of juist meer moet investeren in de universiteit en de kenniseconomie is nog geen uitgemaakte zaak. Ook worden we hier geteisterd door een Post-Pim-Fortuyn-Regime, waarin veiligheid het sleutelwoord is en multiculturalisme louter in termen van openbare orde wordt begrepen.
Anderzijds is de stad ook gewoon heel realistisch en nuchter en realiseert iedereen zich dat Rotterdam een ‘zwarte’ stad wordt en dat nergens in Nederland zoveel jongeren wonen. Rotterdam heeft als minst vergrijsde stad letterlijk de toekomst. Hier leeft het besef dat Rotterdam nog moet komen, maar dat we niet precies weten wat eraan komt. De enige officiële nota die over de toekomst van Rotterdam gaat bestrijkt acht jaar! We weten ook dat drie van de vier jongeren onder de vijftien jaar van niet-autochtone afkomst is en dat autochtonen over twintig jaar een minderheid vormen. Iedereen betaalt evenveel belasting voor kunst en cultuur en het ligt voor de hand dat opvattingen over kunst en creativiteit nieuwe rechtvaardigingen zullen vinden.
In het culturele circuit heb je twee stromingen: mensen en instellingen die aan kunst vasthouden als autonoom fenomeen en mensen en instellingen die spreken over ‘kunstencultuur’ – als één woord. Ik heb het idee dat de laatste visie sterk aan aanhang wint en net als ‘urban culture’ minder scherpe grenzen wil zien tussen beide terreinen. Van die opvatting profiteert een instelling als Locus 010 sterk. Locus 010 vindt dus sympathisanten onder hen die de grenzen tussen hoge en lage cultuur steeds meer slechten en onder hen die vinden dat ‘urban culture’ zich moet emanciperen binnen het bestaande aanbod van kunst en cultuur. Bovendien kan er met ‘urban culture’ ook gewoon goed geld worden verdiend; het is een markt die lang werd genegeerd. Als cultuurwerkers vandaag spreken over Rotterdam-Cultuurstad, dan spreken ze niet zozeer over het Rotterdam van de ‘creatieve klasse’, over het Rotterdam van de reclamebureaus, nieuwe media-bedrijfjes en snelle flexwerkers, maar veel meer over het Rotterdam van de brass en drumbands en het Zomercarnaval, van Rotterdam-R&B-Town en Rotterdams Lef, van de Poetry Slams en het National Phonographic (turntablism festival).
Onder huidige bestuurders bestaat zeker animo en ook een gedrevenheid ten opzichte van die nieuwe cultuur, die eigenlijk helemaal geen nieuwe cultuur is, want Rotterdam stond voorheen helemaal niet op de kaart als culturele stad. Natuurlijk was er ook ‘oude’ cultuur, maar die is onvergelijkbaar met de culturele groei die Rotterdam momenteel doormaakt. Dat realiseert iedereen zich vandaag: van Leefbaar Rotterdam-wethouders tot directeuren van kunstinstellingen. Maar er is ook een probleem: de zittende generatie weet te weinig van die nieuwe cultuur, maakt nog vaak halfslachtige keuzes en maakt maar langzaam plaats voor anderen.

- Wat zijn volgens jou de motieven van de creatieve klasse om zich ergens te vestigen?

Ik heb moeite met de term ‘creatieve klasse’ omdat deze te ideologisch is – een beetje Amerikaans, misschien ook wel Amsterdams… Het impliceert dat een bepaalde klasse het monopolie op creativiteit heeft. Ik heb juist willen laten zien dat creativiteit overal zit – we maken allen deel uit van die creatieve klasse, op onze eigen manier, heel verschillend. De roekeloze skater is even creatief als de handige zakkenroller; de rapper uit Delfshaven is op zijn manier even creatief als de architecten bij Rem Koolhaas; de modieus geklede moslima met haar vakkundig geknoopte hoofddoekje is even creatief als de ontwerper van een nieuwe beltoon. Creativiteit doortrekt ons hele bestaan, meer en meer. En om in de context van de openbare ruimte te blijven, je eerste vraag: het ingenieus aangelegde circuit van bewakingscamera’s is even creatief als de door wijkbewoners samen gereorganiseerde binnentuin van hun woonblok.

- Kunt u een goede raad geven aan de betrokken partijen binnen Amsterdam bij het benaderen van kunstplekken?

Doe wat je wilt doen. Probeer je leven vorm te geven zoals je zelf wilt. Maar beschouw jezelf niet als een lid van een uitverkoren creatieve gemeenschap die bij voorbaat rechten kan claimen op panden, pakhuizen en havenloodsen. Jij bent niet de enige creatieve factor in onze grootstedelijke cultuur. Maar als je een kracht van betekenis wil zijn, probeer dan ook een stuk stad toe te eigenen - wees ook creatief in het vinden van financiering, beheer, organisatie en samenwerking met anderen. Pleit voor belastingarme zones, maak nieuwe collectieve spaarkassen en koop panden aan in ‘red line districts’ (zones waar banken geen hypotheken verstrekken), bevorder publiek domein en doorbreek de monoculturele samenstelling van de kunstenaarsgemeenschap. Zoiets?


info@siebethissen.net   - - -