Index of /Interviews en Reviews/Interviews/2004 Cultuurbereik en internationalisering

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
2004 Cultuurbereik en internationalisering.pdf   07.02.2004 107kB -

2004

CULTUURBEREIK & INTERNATIONALISERING

Interview met Siebe Thissen (6 april 2004) door Ineke Noomen ten behoeve van haar doctoraalscriptie over ‘Internationalisering van de Rotterdamse kunstsector’, Kunst & Cultuurwetenschap, Erasmus Universiteit Rotterdam (2004).

- Het ACB Rotterdam is onderdeel van een landelijk initiatief. In hoeverre worden er contacten onderhouden en ervaringen uitgewisseld tussen de Nederlandse steden onderling?
Er worden nauwelijks contacten onderhouden met de andere steden in Nederland. Het plan komt vooral voort uit het beleid van Rick van der Ploeg en het streven naar een breder cultuurbereik. Vanuit de rijksoverheid lijkt er geen specifieke coördinatie van de activiteiten in de steden. Zelfs de doelen zijn betrekkelijk summier geformuleerd.
Iedere stad schijnt vrij te zijn een eigen invulling te geven aan de besteding van de middelen die zijn bedoeld voor het Actieprogramma Cultuurbereik. Het CBK heeft zich vooral gericht op 'het benutten van ongebruikelijke locaties, zoals de openbare ruimte' . De activiteiten worden gerealiseerd binnen de afdeling Beeldende Kunst & Openbare Ruimte (BKOR). De specifieke Rotterdamse aanpak is bovendien zo opgezet dat meer dan de helft van de middelen niet uit de kunstsector wordt gehaald, maar uit de samenwerking met bijvoorbeeld woningbouwverenigingen en infrastructurele processen – uit de 'hardware' van de stad.

- Zijn er voorbeelden van vergelijkbare projecten in het buitenland? Zo ja, worden daarmee contacten onderhouden en/of ervaringen uitgewisseld?
De manier waarop het Actieprogramma in Rotterdam wordt ingevuld, is eigenlijk 'afgekeken' van de manier waarop in het buitenland vaak wordt omgegaan met de publieke ruimte. In Nederland hebben wij de vreemde term 'kunst in de openbare ruimte', waarmee doorgaans het plaatsen van een beeld in de openbare ruimte wordt aangeduid. Vaak hebben deze werken geen enkele binding met de plaats waar het staat en nog minder met de mensen die gebruik maken van de publieke ruimte waarin het is geplaatst. Deze kunstenaars werken zogezegd 'autonoom', wat vaak inhoudt dat zij weinig oog hebben voor het publiek dat met hun werk wordt geconfronteerd. De gebruikers van de openbare ruimte maken in Nederland dus doorgaans geen deel uit van kunst in de openbare ruimte.

In het buitenland wordt de Engelse term 'public art' gebruikt, die in het Nederlands zou kunnen worden vertaald als 'openbare kunst'. Met deze kunst wordt kunst bedoeld die speciaal is gemaakt voor het publieke domein en de gebruikers ervan. De kunstenaars zijn hierbij dus heel doelgericht bezig met een specifiek publiek waarop ze hun werk richten. Zij ontwerpen niet alleen een kunstwerk, maar ook hun eigen publiek. Public art is onderwerp van een wereldwijd discours, behalve in Nederland dus. De aanpak van het CBK probeert hierin verandering te brengen met de activiteiten die onder andere tot stand komen onder de vlag van het Actieprogramma Cultuurbereik.

- Waarin onderscheidt het Actieprogramma in Rotterdam zich van het actieprogramma in andere Nederlandse steden? Speelt de zeer multiculturele bevolkingssamenstelling van Rotterdam hierbij ook een rol? Heeft het ACB Rotterdam wellicht een voorbeeldfunctie voor andere steden (in binnen en/of buitenland)?
De Rotterdamse aanpak, waarbij wordt gewerkt in de internationale traditie van de public art, is uniek in Nederland. De meeste Nederlandse steden beschikken zelfs niet over een speciale afdeling die zich bezighoudt met kunst in de openbare ruimte. De afdeling BKOR van het CBK Rotterdam onderhoudt dan ook vooral contacten met STROOM in Den Haag en SKOR in Amsterdam (deze werkt op landelijk niveau) - de enige twee andere grote instellingen op het gebied van kunst & openbare ruimte die Nederland kent. Deze geven echter een meer traditionele, vaak museale invulling aan hun taak en werken doorgaans niet in de traditie van de public art.
Het bereiken van de allochtone bevolkingsgroepen is niet een doel op zich van het Rotterdamse Actieprogramma. Het belangrijkste zijn de Rotterdamse locaties (wijken en buurten) en de mensen die er wonen. Dat kunnen evengoed autochtone bejaarden, als hiphopjongeren of Turkse vrouwen zijn. Het zijn in veel gevallen groepen die in eerste instantie 'niets met kunst hebben'.
De Rotterdamse kunstenaars die werken in de traditie van de internationale 'public art', houden zich ook steeds vaker bezig met vergelijkbare projecten in andere Nederlandse steden. In Rotterdam is een specifieke expertise opgebouwd, die als het ware ons 'exportmodel' is geworden. In dit opzicht is de Rotterdamse aanpak een voorbeeld voor andere Nederlandse steden.

- Het programma bestaat nu enkele jaren. Is er inmiddels een vaste vorm gevonden of zal er in de komende jaren een andere weg worden ingeslagen?
De huidige werkwijze, met kleinschalige projecten op wijkniveau, zal worden voortgezet. Dit is een prachtige manier om bredere groepen van de samenleving betrokken te maken met kunst.

- Is er veel aandacht voor de activiteiten van het Actieprogramma in de media? In welke media en hoever reikt die aandacht dan?
De aandacht van de media is vooral afhankelijk van de specifieke projecten. Een project in een 'ouderwetse buurt' zal vooral worden besproken in het buurtkrantje, maar in een project in een buurt met veel jongeren dat draait om hiphop zullen bijvoorbeeld veel radiostations geïnteresseerd raken. Daarnaast geven het Rotterdams Dagblad en Radio & TV Rijnmond veel aandacht aan de projecten van het ACB. Het komt ook dikwijls voor dat Rotterdamse wethouders de projecten openen. Ook schrijf ik zelf bijdragen voor uiteenlopende kunsttijdschriften of houd lezingen over publieke kunst, en ben ik soms ook internationaal actief in commissies of als adviseur betrokken bij kunstprojecten. Zo wisselde ik bijvoorbeeld ervaringen uit met aankomende culturele hoofdsteden als Cork en Manchester, adviseerde ik het ambitieuze ARC-project in Dublin en werd ik geïnterviewd voor de Franse documentaire ‘De stad: gezien vanuit de beeldende kunst’ (2003), een film die gemaakt werd in opdracht van het Franse ministerie voor cultuur.

- Ik heb de indruk dat de activiteiten binnen het Actieprogramma zeer nadrukkelijk zijn gericht op de specifieke wijken (en de bewoners) waar de activiteiten plaatsvinden. Ook de kunstenaars hebben vaak een zekere binding met de Rotterdamse wijk(en) of meer in het algemeen met projecten waarbij intensief wordt samengewerkt met stadsbewoners op 'buurtniveau'. Met betrekking tot de tweede categorie wordt er aangegeven dat de 'participatie van kwalitatief goede internationale kunstenaars die affiniteit hebben met een specifieke doelgroep' wordt nagestreefd. Bij mijn onderzoek naar de activiteiten in de jaren 2001 en 2002 tref ik echter voornamelijk Rotterdamse kunstenaars aan. Wordt in de komende jaren de participatie van buitenlandse kunstenaars in het Rotterdamse ACB nog uitgebreid?
Voor verschillende projecten worden ‘beroemde’ kunstenaars uit het land van herkomst van de betreffende publieksgroep naar Nederland gehaald om al dan niet in samenwerking met een Nederlandse/Rotterdamse kunstenaar aan een project te werken. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het Zellij-project, waarbij de Marokkaanse kunstenaar Mohammed El Kadiri betrokken was.
Toch zijn ook de andere kunstenaars waarmee binnen het ACB wordt samengewerkt in feite allemaal heel internationaal. De van oorsprong Rotterdamse kunstenaars zijn dikwijls actiever in de Nederlandse en internationale kunstwereld dan specifiek in Rotterdam; dikwijls zijn ze ook van een andere culturele afkomst. Daarnaast zijn er ook veel buitenlandse kunstenaars die voor enkele maanden in Nederland komen werken.
Het CBK heeft binnen haar verschillende onderdelen, zoals TENT. en BKOR, natuurlijk wel een 'Rotterdamse' taak, maar als gevolg van mondialisering zijn de kunstenaars niet meer zo duidelijk te onderscheiden als typisch Rotterdams, Nederlands of buitenlands. Er kan in feite worden gesproken van een internationale kunstenaarsgemeenschap.

- Wanneer in de thematiek van activiteiten binnen het ACB de cultuur of culturen van herkomst van de allochtone wijkbewoners centraal staan, vanuit welke context worden deze dan benaderd? Worden deze culturen in het licht van onze westerse cultuur bekeken of juist in hun traditionele, 'oorspronkelijke' vorm?
Het belangrijkste van de public art-projecten is dat er op wijkniveau specifiek wordt gekozen voor een bepaald publiek waarvoor het kunstwerk wordt gemaakt. Vervolgens komt het werk in hechte samenspraak met dit publiek tot stand. Zo hebben de bewoners bijvoorbeeld inspraak bij de keuze van de kunstenaars met wie zij een kunstwerk tot stand zullen brengen. Het CBK stelt een aantal kunstenaars voor die de betrokkenen wellicht iets interessants kunnen bieden; de keuze ligt bij de buurtbewoners (dit kunnen ook jongeren zijn, ouderen, middenstanders, vrouwenorganisaties, verenigingen, etc.) . In samenspraak met deze kunstenaar(s) en aan de hand van voorbeelden van kunstprojecten die elders al tot stand zijn gekomen doet men inspiratie op om een creatieve oplossing te vinden voor bijvoorbeeld een schutting waar ze in de eerste instantie alleen een kleurtje wilden geven.Op deze manier raken de mensen uit de wijk sterk betrokken bij het werk en zet het hen aan tot nadenken over bepaalde aspecten van de stedelijke omgeving waarin zij leven. De manier waarop de culturele afkomst van het publiek tot uitdrukking komt verschilt volledig per project.
Door de zojuist beschreven werkwijze komen bovendien kunstwerken tot stand die door de gebruikers van de omgeving worden begrepen. Een treffend voorbeeld hiervan is het Zellij-project, waarbij een Marokkaanse kunstenaar (Mohammed El Kadiri), gespecialiseerd in de Zellijtechniek , een 'battle' aanging met een Rotterdamse kunstenaar (Bram van Waardenberg) die gefascineerd is door geometrische vormen. De twee kunstenaars werkten een aantal maanden in een voor die gelegenheid tot atelier omgedoopt winkelpand aan het Zwaanshals in Noord waar de buurtbewoners zó even konden binnenlopen. De werken die uit de samenwerking van deze kunstenaars tot stand kwamen, zouden door een autochtoon publiek in het hokje van Marokkaanse, traditionele kunst worden geplaatst, maar de Marokkaanse doelgroep in de wijk zag bij een eerste blik op het werk al dat hier iets aan de hand was, dat er was ingegrepen in de traditionele vormen. Hier werd dus kunst gemaakt die alleen door een specifieke groep, namelijk de Marokkanen in de wijk, werd begrepen.

- In hoeverre speelt de thematiek van het 'reguliere' hedendaagse kunstcircuit een rol bij de thema's die aan bod komen in de activiteiten van het ACB?
Op deze vraag heb ik geen specifiek antwoord, maar ik kan me voorstellen dat het thema steeds weer afhangt van de samenwerking met de specifieke publieksgroep in de wijk waar het project zal worden gemaakt. Het discours van het reguliere kunstcircuit speelt hierbij niet zo'n belangrijke rol.
Wat wel is gezegd, is dat voor zover de reguliere kunstinstellingen kunst voor nieuwe doelgroepen aanbieden, dit vaak activiteiten zijn die náást het reguliere programma worden georganiseerd. De financiële middelen die beschikbaar zijn om nieuwe publiekgroepen te trekken worden dus ingezet voor een soort nevenprogramma, naast de reguliere activiteiten, en niet als onderdeel van het vaste programma, bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van nieuwe programmaonderdelen die beter aansluiten bij de leefwereld van de hedendaagse stadsbewoners of andere openingstijden.

- In het eerste deel van de evaluatie van het ACB worden enkele kanttekeningen van het ACB aangegeven. Een daarvan is dat allochtone kunstenaars vaak niet worden erkend in het kunstcircuit en dat de activiteiten van het ACB aan dit beeld zouden kunnen bijdragen - de activiteit wordt bijvoorbeeld gepresenteerd als 'multicultureel event', in plaats van een 'tentoonstelling met werk van Nederlandse en Turkse kunstenaars'. In hoeverre wordt ACB door het kunstcircuit serieus genomen, juist omdat ervoor wordt gekozen te werken voor nieuwe publieksgroepen (jongeren, allochtonen) in plaats van voor kunstkenners of –liefhebbers en in samenwerking met jonge, dikwijls allochtone kunstenaars?
De activiteiten van het ACB worden steeds meer serieus genomen door het reguliere kunstcircuit. De invulling van het kwaliteitsbegrip speelt hierbij een belangrijke rol. In de in Nederland gangbare kunstcommissies waar kunst wordt beoordeeld staat 'kwaliteit' altijd voorop. De vraag is echter: wat is kwaliteit? Kwaliteit is niet alleen dat een kunstwerk op zich, autonoom stáát, maar ook dat er iets tot stand komt door de interactie met het publiek. Dat het publiek aan het denken wordt gezet, of de stedelijke omgeving waarin zij woont, werkt en leeft met andere ogen gaat bekijken. Kunst heeft vele kwaliteiten: het is de taak van betrokkenen die kwaliteiten te ijken. Het kan om esthetica of vorm gaan, maar ook om interactie, participatie of interesse. Het is de kunst die kwaliteiten tegen elkaar af te wegen.

(Aan het eind van mijn interview kreeg ik nog een leuk voorbeeld voorgeschoteld van de 'openbare kunst' die via het CBK tot stand komt. Er kwamen twee kunstenaars langs van de Rotterdamse graffiti- en hiphopgroep BadBoyzInc.. Trots brachten zij een van de eerste exemplaren van een skateboard (een zogenaamd ‘long-board’) waarvoor zij het ontwerp hadden gemaakt. De een had de graffiti-afbeeldingen ontworpen en in dit beeld was op het board een gedicht van de andere kunstenaar opgenomen. Het board was nationaal en internationaal al bijna uitverkocht en dus een groot succes. Zo staat kunst in de openbare ruimte dus niet langer op een grijs pleintje, maar rijdt zij rond door de stad.)


info@siebethissen.net   - - -